Abonneer Log in

Energiebevoorrading achter nieuwe geopolitieke fenomenen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 8 (oktober), pagina 36 tot 45

Het dichtdraaien van de gaskraan door het Russische staatsbedrijf Gazprom in januari 2006 kwam voor velen in West-Europa als een donderslag bij heldere hemel. Een conflict tussen Rusland en Oekraïne was daar de oorzaak van. Rusland, dat sinds het vallen van het IJzeren Gordijn en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie zich internationaal steeds meer had teruggetrokken en zijn suprematie in Centraal- en Oost-Europa had verloren, bleek een aantal sterke geopolitieke troeven in handen te hebben. Rusland beschikt inderdaad over een enorme voorraad aan olie en aardgas en heeft er vooral de controle over via staatsmaatschappijen. Het heeft bovendien een sterke invloed op privébedrijven en op de aanvoer van olie en aardgas naar landen in Oost- en Centraal-Europa en meer recent ook naar landen zoals Duitsland, Frankrijk en Italië. Het is duidelijk dat president Poetin en het Russische establisment niet aarzelen deze energie­voorziening als wapen voor het Russische belang in te zetten.

In de Verenigde Staten stelde president George W. Bush rond dezelfde periode in zijn State of the Union dat zijn land moet afkicken van zijn olieverslaving. John Negroponte, directeur van de Nationale Veiligheid, verklaarde in zijn jaarlijkse toespraak tot de Senaat over de veiligheid van de VS dat de stijgende olieprijzen de vijanden van de VS sterker maken.1 De overtuiging groeit dat de enorme buitenlandse energie­afhankelijkheid van het land een risico inhoudt voor de nationale veiligheid en zware geopolitieke inspanningen met zich meebrengt. Een belangrijke motivatie voor de oorlog in Irak was het veiligstellen van de olieaanvoer uit de Perzische Golf. Maar de blijvende instabiliteit in de regio brengt voor de VS een grote menselijke, financiële en politieke kost met zich mee. Het oude bondgenootschap tussen VS president Franklin D. Roosevelt en Koning Ibn Saud wankelt en Amerika voelt zich in toenemende mate ongemakkelijk bij zijn steun voor het absolutistische en fundamentalistische koninkrijk van de Wahabieten in Saudi-Arabië. Met de komst van de nieuwe president Mahmoud Ahmadinejad in Iran en het hervatten van het kernwapen­programma zijn ook de relaties met het regime van de Mollahs op een dieptepunt beland en neemt het risico voor een gewapend conflict in de Perzische Golf nog toe. Dichter bij huis, in Venezuela, dreigt de links-populistische stokebrand Hugo Chávez ermee de olievoorraden van Venezuela als politiek wapen in te zetten in de Amerika’s. En in de Nigerdelta voeren rebellenbewegingen en bandietenbendes hun aanvallen op olie-installaties op en slagen zij er regelmatig in de productie te laten stil leggen. Dit alles resulteert in stijgende olie- en gasprijzen, maar ook in een toegenomen bezorgdheid in heel wat landen inzake de zekerheid en veiligheid van de energiebevoorrading.
Het is van belang daarbij op te merken dat deze wereldwijde zoektocht naar een veilige energievoorziening in belangrijke mate wordt gedreven door een politiek-strategisch beleid, eerder dan door de vrije markt. Zowel de nieuwe grote consumenten (India en China) als het merendeel van de producerende landen (Rusland, het Midden-Oosten) kennen gesloten economieën met grote staatscontrole (zeker op de energiesector) en een internationaal beleid dat sterk op bilateralisme is gericht. Olie- en gasmoleculen krijgen zo een ‘nationaliteit’ en worden verhandeld tussen staten en staatsmaatschappijen. De vroeger oppermachtig gewaande westerse olie­maatschappijen (de seven sisters2) verloren een groot stuk van hun aandeel in de olie- en gasproductie (upstream) en concentreerden zich op raffinage en distributie (downstream). De productie en vooral de voorraden van olie en gas kwamen in toenemende mate in handen van staatsmaatschappijen.
Voorlopig lijken de westerse economieën deze gestegen energieprijs vrij goed te verteren. Al bij al blijft de inflatie binnen de perken terwijl de impact op de groeicijfers lijkt mee te vallen. Maar de gevolgen van de verhoogde energieprijzen en de pogingen van grote energieconsumenten om hun energiebevoorrading veilig te stellen schept wel een nieuwe geopolitieke context, nieuwe belangen, bondgenootschappen en conflict­situaties. In dit artikel bespreken we een aantal hiervan.

Energie: een toenemende vraag, een beperkt aanbod

De wereldwijde energievraag groeit en zal ook in de nabije toekomst blijven groeien. Verwacht wordt dat de energievraag de volgende 25 jaar met 60% zal stijgen.3 Opkomende industriële grootmachten als India en China importeren steeds meer energie en worden daarbij concurrenten van de klassieke grote consumenten als de VS, de EU en Japan. Dit komt in de eerste plaats door hun gigantische economische groei, maar ook door de hoge gemiddelde energie-intensiteit van deze groei. Anderzijds zal ook de energieconsumptie van de Verenigde Staten, nu al de grootste consument ter wereld (25% van de mondiale energieconsumptie), nog gevoelig toenemen. Fossiele brandstoffen zullen voorlopig de belangrijkste energiebron blijven, al zijn hernieuwbare energiebronnen tegenwoordig wel de snelst groeiende.4 Deze fossiele brandstoffen, vooral olie en gas, zijn erg ongelijkmatig verdeeld over de wereld en in belangrijke mate aanwezig in politiek gevoelige gebieden als de Perzische Golf, de Kaukasus, Indonesië, Rusland en West-Afrika.
De oliereserves zijn wereldwijd het meest geconcentreerd (zie Tabel 1). Zo’n 60% bevindt zich in vijf landen: Saudie-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Iran, Irak en Koeweit. Verwacht wordt dat de stijging van de olieproductie in de Kaspische Zee, Nigeria en Rusland de daling van de olieproductie in de Noordzee en de Verenigde Staten niet meer zal kunnen compenseren vanaf 2010.5

Tabel 1: wereldaanbod (miljoenen vaten per dag)1

1/ International Energy Agency. World Energy Outlook. 2004.
2/ Hierbij wordt vooral gedacht aan oliewinning uit teerzanden, vooral in Canada en de zogenaamde ‘heavy crude oil’ in Venezuela

Ook bij de productie van aardgas zal er zich een geografische concentratie voordoen. Het zwaartepunt komt te liggen in de Perzische Golf (vooral Katar en Iran), de Kaukasus (Azerbeidzjan, de Kaukasische deelrepublieken in Rusland) en Centraal-Azië (Turkmenistan, Kazakstan) en Rusland. Ook hier zijn gigantische investeringen nodig, voornamelijk in transport­infra­structuur (pijpleidingen of LNG-installaties6). Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) schat de benodigde investeringen op 2.700 miljard dollar tegen 2030.
Wereldwijd evenwichtiger verdeeld en beter beschikbaar is de wereldreserve aan steenkool. Het gebruik van steenkool vormt echter een probleem voor het milieu. Niet alleen produceert steenkool (voor eenzelfde hoeveelheid energie) meer koolstofdioxide dan olie of gas, ook de volksgezondheid en het leefmilieu worden ernstig aangetast door verontreiniging met zwaveldioxide, stikstofoxiden en fijn stof in landen met een groot steenkoolgebruik. Technieken als carbon dioxide capture and storage (CSS), waarbij het vrijgekomen CO2 van steenkoolinstallaties wordt opgeslagen in geologische lagen of lege gasvelden, staan nog in hun kinderschoenen. Het gebruik van nucleaire energie staat onder druk. De (ontginbare) uranium­voorraden raken stilaan uitgeput, terwijl een toegenomen bezorgdheid voor kernrampen en proliferatie van nucleair materiaal en het uitblijven van een oplossing voor de berging van radioactief afval de kernindustrie in diskrediet hebben gebracht.
Het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen (waterkracht, windkracht, biomassa, zonne-energie) neemt relatief het sterkst toe, maar blijft vooralsnog in omvang bescheiden. Het bedraagt wereldwijd zo’n 13%.
Sinds januari 2004 zijn de olieprijzen op de internationale markten gevoelig gestegen, grosso modo van 22-28 dollar per vat naar 70-75 dollar per vat. De meeste internationale contracten voor aardgaslevering zijn gedeeltelijk gekoppeld aan de olieprijs en dus (zij het niet in dezelfde mate) meegestegen. Deze stijging is het gevolg van fenomenen aan zowel de aanbod- als de vraagzijde. Er is een blijvende politieke onrust in de Perzische Golf. De veiligheidssituatie in Irak raakt niet onder controle en het Saudische koningshuis lijkt ook wankel. Bovendien sluimert een conflict met Iran, dat een groot aandeel in de olieproductie heeft en bovendien ook relatief makkelijk de Straat van Hormuz (waardoor 50% van het wereldolieverbruik wordt verscheept) en zo de Westerse olieaanvoer kan blokkeren. Politieke conflicten in Venezuela en Nigeria en zelfs natuurfenomenen als de orkaan Katrina in 2005 zorgen daarbij voor bijkomende pieken in de olieprijs. De OPEC, de organisatie van olie-exporterende landen, reageerde op deze evolutie door haar productie op te drijven van 29 miljoen (januari 2004) tot 31,4 miljoen vaten per dag (december 2005). Deze productie dreigt wel duurder te worden. Door de lage olieprijs in de jaren 1980 en 1990 werd weinig geïnvesteerd in de ontwikkeling van nieuwe olievelden en nieuwe technologieën voor het winnen van olie. Het Internationaal Energie Agentschap verwacht dat tot 2030 een bedrag van 3.000 miljard dollar nodig zal zijn voor investeringen in vervangings- en uitbreidingscapaciteit. Bovendien zijn de meest toegankelijke olievelden intussen uitgeput en is de winning op volle zee of uit diepe velden een stuk duurder. Anderzijds veroorzaakt de snelle groei van vooral de Indische en Chinese economie en de grote energie-intensiteit van deze groei een sterk stijgende vraag naar olie en gas.

Het Rusland van Poetin: van vernederde militaire reus naar wereldspeler op de energiemarkten

Rusland bezit enorme reserves aan zowel olie (6,1% van de wereldreserve) als aardgas (26,7% van de wereldreserve). Rusland consumeert zelf de helft van zijn opgepompte aardolie maar exporteert in toenemende mate aardgas, en dit zowel naar Europa als naar China. De gestegen energieprijzen betekenden een ommekeer van de neerwaartse spiraal waarin de Russische economie was beland na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. In 1998 verdiende Rusland 14 miljard dollar aan de verkoop van olie, in 2005 113 miljard. Bovendien slaagde het regime erin om controle te krijgen over deze gigantische bron van deviezen. In december 2004 kwam het belangrijkste productiebedrijf van oliemaatschappij Joekos, Joeganskneftegaz, in handen van staatsoliebedrijf Rosneft. De overheid verhoogde haar aandelenbelang in aardgasgigant Gazprom tot 51%, waarna Gazprom Sibneft kocht van de eigenaar van voetbalclub Chelsea Roman Abramovitsj.
Bovendien lijkt de regering van president Vladimir Poetin vastbesloten om deze machtsfactor te gebruiken om het aanzien van Rusland in de wereld te versterken. Rusland gebruikt zijn aanbod van aardgas om zijn relaties met traditionele (India) en nieuwe (Duitsland, China) bondgenoten te versterken en als wapen om afvallige vazallen (de Baltische landen, Oekraïne, Georgië) te treffen. Toen Oekraïne in januari 2006 weigerde (plots) meer te betalen voor het Russische gas draaide het staatsbedrijf Gazprom de gaskraan dicht. Daarbij werden zijdelings EU-landen als Duitsland, Slowakije en Italië getroffen. In mei 2006 kregen Wolfgan Schüssel (toen EU-voorzitter) en commissievoorzitter José Manuel Barosso het deksel op de neus van Poetin toen ze vroegen een energiecharter te tekenen waarin Rusland zou beloven Third Party Access te geven op zijn gaspijpleidingen en een transparante markt te organiseren in eigen land. Het charter moest een wegbereider zijn voor een Energieveiligheidspact tussen de EU en Rusland. Het echec van deze onderneming sterkt de EU in haar overtuiging dat, ondanks herhaalde beloften, Rusland bereid is zijn grondstoffenvoorraden te gebruiken als politiek wapen.
Rusland profiteert niet alleen van zijn eigen grote reserves, maar ook van het centralistische pijpleidingennetwerk dat uit de Sovjetperiode dateert. Zo moet Turkmenistan een beroep doen op het Gazpromnetwerk om te kunnen leveren aan Oekraïne en Europa. Door de ontwikkeling van de Baltische pijpleiding wil Rusland bovendien West-Europa kunnen bevoorraden zonder een beroep te moeten doen op transit door voormalige satellietstaten als Polen en de Baltische staten. In maart 2005 sloten Poetin en de Chinese president Hu een akkoord om twee pijpleidingen voor gas en een voor olie van Siberië naar China te ontwikkelen. Verwacht wordt dat wanneer deze zijn voltooid Rusland de belangrijkste energie­leverancier van China zal zijn. Het laat Moskou toe twee belangrijke klanten, de EU en China, tegen elkaar uit te spelen.
Het lijkt erop dat, om Ruslands regionale en geopolitieke belangen te behartigen, het regime in Moskou de inzet van het energiewapen als alternatief beschouwt voor het tanende Rode Leger.

De Kaukasus en Centraal-Azië: het ‘New Great Game’7?

Marco Polo trof in de dertiende eeuw in Baku al een levendige handel aan in een oliesoort die voor hem nieuw was en niet geschikt was als voedingsmiddel.8 De Kaukasische regio en Centraal-Azië beschikken over 2-6% van de wereld aardolievoorraad en 6-10% van de gasvoorraad. Het nadeel is dat het gebied grotendeels afgesneden is van de (open) zee. Turkije wil om veiligheids- en milieuredenen het olietransport in tankers via de Bosporus beperken, en dit ondanks het Verdrag van Montreux van 1936 dat van de Bosporus een internationale waterweg maakte. De aanleg van pijpleidingen is dus cruciaal voor de afvoer van deze energievoorraden.

Figuur: Kaart van de Kaukasus en Centraal-Azië

Verschillende van deze nieuwe republieken (Oezbekistan, Kirgizië, Kazakstan, Turkmenistan en Azerbeidzjan) bestaan uit Turkse volkeren en zochten recentelijk politieke toenadering tot Navoland Turkije, vaak met openlijke steun van Washington. Door de oorlog verloor Grozny in Tsjetsjenië zijn rol als traditioneel knooppunt voor het Russische pijpleidingennetwerk. Armenië wordt gemeden wegens zijn bondgenootschap met Rusland en zijn conflict met Azerbeidzjan omwille van de Armeense enclave Nagorno Karabach in Azerbeidzjan. Azerbeidzjan en Kazakstan hebben grote olievoorraden, Turkmenistan heeft de grootste gasvoorraad van de regio. De VS stellen alles in het werk om te voorkomen dat deze landen hun olie en gas via aartsvijand Iran zouden exporteren en willen bovendien voorkomen dat Iran zelf aardgas zou kunnen exporteren naar de Middellandse Zee. Vandaar de steun om pijpleidingen te bouwen tussen Turkmenistan, Azerbeidzjan, Georgië en Turkije (dat bezig is met de bouw van een pijpleiding naar Griekenland en Italië, the Turkish-Greece-Italy Interconnector). In Georgië verleende het Westen in 2003 zijn steun aan een zachte revolutie onder leiding van Michail Saakasjvili tegen het autoritaire, meer Moskougezinde regime van Edouard Sjevardnadze. Rusland reageert door verdoken steun aan separatisten in de Georgische deelgebieden Zuid-Ossetië en Abchazië.
De BTC-pijpleiding (Baku-Tiblisi-Ceyhan, capaciteit 1 miljoen vaten per dag, geopend in juli 2006), de Transcaspian Pipeline en Turkmenbashi-Baku Natural Gas Undersea Pipeline stellen de olie- en gasreserves van de Kaukasus en Transkaukasië beschikbaar voor het Westen zonder dat ze via Rusland of Iran moeten worden getransporteerd. Het versterkt de rol van Navobondgenoot Turkije als regionale (Turkse) grootmacht en geeft het land enkele sterke troeven in zijn onderhandelingen voor een lidmaatschap van de Europese Unie. Het is duidelijk dat Turkije een belangrijke rol zal spelen in de energiebevoorrading van de Unie. Het land beschouwt zichzelf, in de woorden van Kemal Atatürk als ‘brug tussen Europa en Azië’ en lijkt dit op energievlak ook letterlijk te worden. De BTC-pijpleiding is duurder dan een alternatieve route door Iran naar de Perzische Golf, wat de olievoorziening ook dichter bij de nieuwe afzetmarkten in India en China zou brengen.9 Hoewel de pijpleiding door grote Westerse concerns (waaronder BP, Statoil, Total, Unocal en ENI) wordt aangelegd, lijkt het geopolitieke argument toch doorslaggevend te zijn geweest bij de keuze van het traject. Sinds de Amerikaanse bezetting van Irak komt ook uit dat land opnieuw olie naar Turkije. Rusland reageerde met de Blue Stream Pipeline die vanuit Rusland het Oosten van Turkije bevoorraadt. Voorlopig lijkt dus vooral Turkije zijn voordeel te doen bij de concurrentie tussen enerzijds VS-Azerbeidzjan-Georgië en anderzijds Rusland-Armenië-Iran.

China: naarstig op zoek

Nog niet zolang geleden (tot 1993) een netto-exporteur van olie is China op korte tijd geëvolueerd tot de tweede grootste (na de VS) consument van olie. China is agressief op zoek naar energievoorziening en staat daarbij vaak lijnrecht tegenover de VS. De aangehaalde banden met landen als het Venezuela van Hugo Chávez, het Iran van de Mollahs en de fundamentalistische islamitische dictatuur in Soedan hinderen niet enkel Washingtons geopolitieke belangen, maar ook de pogingen van de internationale gemeenschap Iran af te brengen van zijn atoomprogramma en de genocide in het Sudanese Darfour te beëindigen. In 2005 tekende China een overeenkomst voor aardgaslevering met de al even weinig democratische generaals in Rangoon, hoofdstad van Birma. Recente akkoorden tussen Peking en Alma Ata (Kazakstan) lijken erop te wijzen dat er concurrentie op komst is voor de Centraal-Aziatische ambities van de VS en dat de Kaspische Zee nog lang geen Mare Americanum is. Het zal China ook verplichten iets te doen aan zijn onrustige provincie Xinjiang, waar de Turkstalige islamitische Oeijgoeren wonen. Ook de toenadering tot Rusland en contracten voor Siberisch gas (zie hoger) dragen bij tot de bevoorradings­zekerheid van China. De plotse beloften voor leveringen van Russisch gas aan China worden vooral in Europa gezien als een mogelijke bedreiging van de Europese aanvoer. De boodschap aan Europa lijkt duidelijk: als Europa te moeilijk doet over bijvoorbeeld het autoritaire beleid van Poetin of het militair optreden in Tsjetsjenië kan Rusland zijn gas aan China leveren.

Het Indisch subcontinent: voorzichtige toenadering tussen historische vijanden

India kent de laatste jaren een enorme economische groei waarbij de energievoorziening hopeloos achterblijft. Net als China is het land wanhopig op zoek naar nieuwe bronnen van energiebevoorrading. New Delhi rekent uit dat het dagelijks 400 miljoen kubieke meter aardgas nodig zal hebben om zijn economische groei veilig te stellen. Hiervan produceert het zelf 100 miljoen en zou het nog eens 100 miljoen uit de Golf van Bengalen kunnen produceren.
Met Birma (Myanmar) onderhandelt India volop om een pijpleiding door Bangladesh aan te leggen. India heeft Birma alvast niet op zijn lijst van schurkenstaten geplaatst, en dit tot groot ongenoegen van het Westen. President Abdul Kalam tekende onlangs in de Birmaanse hoofdstad Rangoon een overeenkomst voor gas, een jaar nadat China hetzelfde had gedaan. Opmerkelijk is dat India voor deze pijpleiding akkoorden moet sluiten met ex-provincie en vijand Bangladesh (voormalig Oost-Bengalen), een offer you can’t refuse voor het straatarme Bangladesh dat er niet in slaagt zelf een pijpleiding voor de eigen energievoorzieningen naar Birma aan te leggen.
India onderhandelt eveneens met Iran en Turkmenistan voor de levering van aardgas. Voor beide leveringlanden zou aartsvijand Pakistan als transitland moeten fungeren. De recente toenadering tussen India en Pakistan zijn voor een belangrijk deel hieraan te wijten. Beide landen praten weer met elkaar en hebben recentelijk enkele symbolische stappen naar normalisatie gezet, zoals een buslijn tussen het Pakistaanse en Indische gedeelte van betwist Kasjmir. Washington bekijkt met argusogen de nieuwe vriendschap tussen zijn oude vijand India (vroeger gelieerd met de Sovjet-Unie), zijn nieuwe vijand Iran en zijn weinig betrouwbare bondgenoot Pakistan. Recentelijk beloofde president Bush nucleaire technologie aan India om te helpen voorzien in de nijpende energiebehoeften, ondanks het feit dat de levering van dergelijke technologie aan een land dat het non-proliferatieverdrag niet heeft ondertekend verboden is. Waarnemers twijfelen aan het toeval achter de Indische regeringsherschikking die kort daarop volgde: Mani Shankar Aiywar, de minister voor energie die onderhandelingen voerde met Iran, werd vervangen door de pro-Amerikaanse Murali Deora.

Zuid-Amerika: barsten in de Monroe10-doctrine?

Latijns-Amerika heeft een lange traditie zijn grondstoffen door buitenlandse, vooral Amerikaanse, ondernemingen te laten exploiteren en exporteren. Ook in de energiesector was dit traditioneel het geval. Maar sinds kort lijkt daar voor een stuk verandering in te komen.
Neem nu Venezuela. Het land bezit de grootste oliereserves van de westelijke hemisfeer en is bij de vier grootste leveranciers van de VS (15% van de VS-invoer). Bovendien beschikt het over erg grote voorraden heavy crude oil in de Orinocodelta, een oliesoort die nu meestal nog niet commercieel bruikbaar is maar waarvan in de toekomst veel wordt verwacht. Onder het nationalistische, neobolivariaanse bewind van Hugo Chávez worden deze reserves volop gebruikt als breekijzer voor Venezuela’s ambitieuze politiek: enerzijds deelt Chávez gul goedkope oliecontracten uit aan andere landen met links-nationalistische regeringen in Zuid-Amerika (en als promotiestunt ook aan de armen in de VS) en onderhandelt hij leveringen met China en India. Anderzijds heeft hij de greep van de staat op de buitenlandse olie-industrie, die in de jaren 1990 erg gunstige contracten had kunnen onderhandelen met de regering, gevoelig verhoogd. De belastingen op de inkomsten uit oliewinning werden opgetrokken van 34 naar 50 procent, de royalty’s stegen van 1 naar 30 procent. Het Amerikaanse oliebedrijf Chevron weigert deze verhogingen te betalen en verlaat Venezuela. In Bolivia kwam de linkse president Evo Morales aan de macht door de belofte de grote aardgasvoorraden van het land te nationaliseren en hij heeft recent aangegeven woord te zullen houden.
Dit gebruik van grondstoffenvoorraden als een bevestiging van een nieuw, links-georiënteerd nationalisme in Latijns-Amerika komt Washington bijzonder slecht uit. Niet enkel toont het de sterk getaande macht en prestige van de VS in dit werelddeel aan, het doorkruist ook de (laattijdige) strategie om op vlak van energietoevoer minder afhankelijk te worden van het Midden-Oosten. Latijns-Amerika ligt immers geografisch erg gunstig om de VS te bevoorraden en historisch zijn Amerikaanse bedrijven, inlichtingen­diensten en bevriende elites er ruimschoots aanwezig.
In 2006 staan belangrijke verkiezingen in heel wat Latijns-Amerikaanse landen op de agenda. Het staat vast dat de uitslag ervan, alsook de koers van het nieuwe regime in Bolivia, in Washington met argusogen zal worden gevolgd.

West-Afrika: olie en gas, vloek of zegen?

Nu in het Midden-Oosten de staatsmaatschappijen een steeds grotere controle op de winning van olie en gas verwerven en linkse regimes in Latijns-Amerika hun olie- en gassector nationaliseren en contracten met India en China afsluiten, lijkt een alternatief voor het Westen, en in het bijzonder voor de VS, in West-Afrika te liggen. Walter Kansteiner, vice-staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken van de VS, stelde begin 2005 dat de Afrikaanse olie van nationaal strategisch belang was geworden. Naast oliegrootmacht Nigeria drijven ook Sao Tomé, Equatoriaal-Guinea en Angola hun productie op. Mogelijkheden zijn er ook in Gabon, Kongo, Kameroen en Tsjaad, dat een pijpleiding plant door Kameroen. De Afrikaanse olie staat momenteel in voor 16% van de Amerikaanse aanvoer. Volgens schattingen zou Sub-Sahara Afrika tegen 2015 25% van de Amerikaanse olie-invoer voor zijn rekening nemen. Daarnaast begint Nigeria zich ook op de markt voor LNG te storten en steeds meer aardgas naar de VS en Europa te exporteren.
De stijging van de olie- en gasexport vanuit West-Afrika heeft twee belangrijke voordelen voor het westen. Ten eerste is West-Afrika goed gelegen voor aanvoer naar de Amerikaanse Oostkust en Europa, er moeten geen gevaarlijke zee-engtes worden doorgestoken zoals de straat van Hormuz (Perzische Golf), het Suez-kanaal of de Straat van Malakka (Azië). Maar misschien nog belangrijker is de grote invloed van de Amerikaanse regering en het bedrijfsleven op de zwakke regimes in West-Afrika. Behalve Nigeria is geen enkel land van Sub-Sahara Afrika lid van de OPEC.
Voor Afrika zelf houdt deze nieuwe positie kansen en risico’s in. Uiteraard kan de verkoop van olie en gas voor nieuwe inkomsten zorgen voor het verarmde continent. Westerse bedrijven die investeren in Afrikaanse landen hebben ook telecom- en transportinfrastructuur nodig en geschoolde arbeidskrachten. Anderzijds betekende het bezit van grote grondstoffenvoorraden in het verleden voor heel wat Afrikaanse landen eerder een vloek dan een zegen, denken we maar aan Nigeria of Kongo. De gigantische olie-inkomsten van Nigeria bereikten nauwelijks de lokale bevolking, de vervuiling van de Nigerdelta is gigantisch en de corruptie met petrodollars verlamt het Nigeriaanse democratiserings- en ontwikkelings­proces. Rebellenbewegingen en ordinaire bandietenbendes reageren met aanslagen tegen olie-installaties en medewerkers van oliebedrijven en slagen erin een gedeelte van de productie lam te leggen.
In Angola stelde het IMF vast dat jaarlijks een vijfde van de staatsinkomsten (1 miljard dollar op 5 miljard), voornamelijk afkomstig van oliecontracten, verdwijnt. Equatoriaal-Guinea heeft dankzij de olie-inkomsten de snelst groeiende economie ter wereld. Amerikaanse oliemaatschappijen werden er onlangs op betrapt 300 miljoen dollar (of de helft van de olie-inkomsten van de staat) op een buitenlandse rekening van de president te hebben gestort. Of Afrika van de gestegen grondstofprijzen beter kan worden, zal in belangrijke mate afhangen van de mate waarin de regimes controle kunnen houden over hun voorraden en inkomsten en van de bestrijding van corruptie en de interne verdeling van de inkomsten.

En West-Europa: too little, too late?

Europa is over het algemeen vrij afwezig op dit wereldwijde energieschaakbord. Daarvoor is het Europese beleid te versnipperd over de lidstaten11 en ontbreekt het de EU aan middelen. Grote landen hebben traditioneel hun nationale energiepolitiek die nauw aansluit bij het buitenlands beleid en zijn niet erg geneigd de zeggenschap daarover af te staan aan Brussel. De verschillende lidstaten hebben ook heel andere behoeften, een verschillende geografische ligging, grote nationale energiebedrijven, verschillende historische banden met energieleveranciers, enzovoort. De Europese politiek beperkt zich tot de marktwerking in de energiesector12 (en daar stelde de Commissie recent vast dat het beleid totnogtoe weinig succesvol was), tot het bevorderen van nieuwe energiebronnen13 en warmte­kracht­koppeling14 en tot het bevorderen van energiebesparing (bijvoorbeeld de energie­prestatie­richtlijn15). In haar Groenboek in 2000 pleitte de Commissie wel voor een meer geharmoniseerd energiebeleid, een ambitie die op de recente lentetop (22-23 maart 2006) een flou groen licht kreeg van de Raad van Regeringsleiders.
Europa bezit zelf weinig olie- en gasvoorraden en de huidige voorraden in de Noordzee nemen snel af. Voormalig Zweeds premier Carl Bildt noemde ‘de Almachtige, of wie ook de olievoorraden plaatste, erg frustrerend voor Europa.’ Europa heeft er dus alle belang bij te bezuinigen op zijn consumptie van fossiele brand­stoffen. Dit kan door het toepassen van de zogenaamde trias energetica waarbij (in volgorde) wordt uitgegaan van een rationeel energiegebruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en, indien toch fossiele brandstoffen worden gebruikt, een zo zuinig en efficiënt mogelijk gebruik ervan. Dit is ten andere ook aangewezen vanuit het standpunt van klimaat- en milieubescherming. Europa heeft, dankzij de ondertekening van het Protocol van Kyoto (1997) al een hele weg afgelegd in het ontwikkelen van mechanismen voor energiebesparing. Europese bedrijven verkeren aan de wereldtop wat betreft energie­zuinigheid. Europa moet van deze leidende positie gebruik maken en deze technologieën en producten exporteren, zodat ook de wereldwijde energie-intensiteit kan dalen.
Maar we moeten ervan uitgaan dat Europa in de nabije toekomst nog zal blijven beroep doen op de invoer van fossiele brandstoffen. Hierbij is het absoluut noodzakelijk dat de EU terzake een gezamenlijk beleid voert. De lidstaten moeten hiervoor bevoegdheden overdragen aan de Unie, in de eerste plaats het beheer van voorraden en het crisisbeleid. Maar de EU zou ook in zijn buitenlands beleid meer oog hebben voor de energievoorziening van Europa. Dit kan door voor stabiliteit te zorgen in de regio’s die van belang zijn of zullen zijn voor onze energievoorziening (zoals in gebieden met frozen conflicts, zoals Nagorno Karabach, Zuid-Ossetië, Abchazië). Een eenvormig Rusland­beleid dringt zich op voor de EU, en energie zal hiervan (willens nillens) een belangrijk hoofdstuk van vormen. De ontwikkeling van LNG-capaciteit (terminals, opslag en tankers) maakt Europa minder afhankelijk van pijpleidingen voor de aanvoer van aardgas en laat toe gas van nieuwe landen te importeren en zo de bevoorrading te diversifiëren. Als belangrijkste leverancier van ontwikkelingshulp in Sub-Sahara Afrika moet de Unie helpen de voorwaarden scheppen voor een duurzame energieproductie die ook de lokale bevolking ten goede komt. Europa heeft niet de militaire middelen of ambitie om zijn energievoorziening manu militari af te dwingen. Het zou zijn soft power moeten aanwenden om zijn eigen energievoorziening veilig te stellen.
Europa mag niet afwezig blijven in een internationale context die in een toenemende mate wordt gekenmerkt door een zoektocht naar een veilige energievoorziening. Een actiever energiebeleid dringt zich op: zowel intern wat betreft energiebesparing en ontwikkeling van nieuwe schone technologieën als extern, inzake bevoorradingszekerheid.

Jan Schaerlaekens
Stafmedewerker energie sp.a-studiedienst

Noten
1/ Financial Times, 3 februari 2006.
2/ De zeven grote westerse oliemaatschappijen in de jaren 1970: Exxon, Mobile, Texaco, Chevron, Gulf, BP en Shell
3/ International Energy Agency. World Energy Outlook. 2004.
4/ Energiek buitenlands beleid. Energievoorzieningszekerheid als nieuwe doelstelling. Advies van de Algemene Energieraad en de Adviesraad Internationale Vraagstukken (Nederland), december 2005.
5/ Energiek buitenlands beleid. Energievoorzieningszekerheid als nieuwe doelstelling. Advies van de Algemene Energieraad en de Adviesraad Internationale Vraagstukken (Nederland), december 2005.
6/ LNG: liquified natural gas, vloeibaar gemaakt aardgas.
7/ Great Game: Tijdens de 19de eeuw vechten Rusland en Groot-Brittannië een verwoede invloedsstrijd om Centraal-Azië. De machtsstrijd om Centraal-Azië zou de geschiedenis ingaan als de Great Game (Rudyard Kipling).
8/ Robert O. Anderson in The fundamentals of the Petroleum Industry. Weidenfeld Nicolson, Londen, 1985.
9/ Hansen S. (april 2003), Pipeline politics; the struggle for control of the Eurasian energy resources. The Clingendael Institute, The Netherlands, The Hague.
10/ Beginsel in de Amerikaanse politiek, genoemd naar President James Monroe, dat oorspronkelijk de onafhankelijkheid van landen in de Amerika’s wou laten respecteren, later vooral verwees naar de hegemonie van de Verenigde Staten in zowel Noord- als Zuid-Amerika.
11/ European Energy Markets Observatory. 2004 and winter 2004/05 data set. Capgemini. Seventh edition, October 2005.
12/ Richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (96/92/EG).
13/ Richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor gas (98/30/EG)
14/ Richtlijn met betrekking tot de promotie van de productie in de interne elektriciteitsmarkt uit hernieuwbare bronnen (2001/77/EG)
15/ Richtlijn Warmtekrachtkoppeling (2003/87/EG)
16/ Richtlijn Energieprestaties van Gebouwen (2002/91/EG).

energie - energiebeleid - energiebevoorrading

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 8 (oktober), pagina 36 tot 45