Log in

Tien jaar Tony Blair

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 43 tot 47

In de lente of in de zomer van 2007 zet Tony Blair een punt achter zijn politieke carrière. Welke mening men over hem ook moge hebben, hij zal dan langer hebben geregeerd dan gelijke welke andere leider van de Britse socialisten. In een zo agressief medialandschap als dat van het Verenigd Koninkrijk is dat een prestatie. Iedereen is het er over eens dat met Blair de meest communicatieve Britse premier ooit verdwijnt. Wie hem ook opvolgt, op dat punt zal hij niet te evenaren vallen. Evenmin kan worden verwacht dat zijn opvolger drie keer op een rij de verkiezingen zal winnen. Kortom, met Blair zal één van de meest markante premiers het politieke toneel verlaten.

Sommigen gaan ervan uit dat Tony Blair zovele jaren heeft kunnen regeren vanwege de zwakte van de Conservatieve oppositie. Daar valt zeker iets voor te zeggen. Na Thatcher zijn de Conservatieven er niet meer in geslaagd om met een overtuigende leider voor de dag te komen. Commentatoren betwijfelen zelfs of David Cameron - die nu een electorale bedreiging lijkt te zijn voor Labour - voldoende body heeft om (een deel van) Middle England weer los te maken van Labour. Als geen van zijn voorgangers is Blair er immers in geslaagd om de middenklasse aan Labour te linken. Moderne sociaaldemocratische partijen zijn succesvol in de mate dat zij in die opdracht slagen, en wat dat betreft is Blair met glans geslaagd. Ook op dat vlak zal Gordon Brown, zijn gedoodverfde opvolger, moeite hebben om hem te evenaren.

Blairs sociale politiek

Dat Tony Blair ter zake zo succesvol is geweest, heeft veel te maken met de ideologie en het project dat hij Labour liet aankleven. Kortweg gezegd: de Derde Weg. Na zijn eerste mandaat is van die term echter niet veel meer vernomen, maar de stempel die Blair op het Britse socialisme heeft gedrukt, werd er niet minder om. Zijn socialisme - in de mate dat dit hier een passende term is - was er één van het liberale soort. Dat was, volgens Blair, wat zijn partij én wat zijn land in de tweede helft van de jaren negentig nodig hadden. Een project gestoeld op een zeer positieve (maar weinig kritische) visie op de economische globalisering, én de filosofie dat je - als overheid - de mensen moet helpen om zichzelf te helpen. Wat het eerste betreft moeten we erkennen dat New Labour, vroeger dan sommige andere zusterpartijen, de uitdaging van de globalisering heeft geïdentificeerd en aangepakt. Wat het tweede betreft, moeten we echter durven stellen dat de richting die hij daarbij inslaat wel erg veel vraagt van de zwakkeren in de samenleving. En dat zonder in de zakken te zitten van de belastingbetaler van Middle England.
Sommigen hebben daarom geargumenteerd dat Blairs project niet fundamenteel afweek van dat van Margaret Thatcher in de jaren tachtig. Dat is een foute visie. Zijn project was een ontsnappingsroute uit het neoliberalisme van destijds. Zeker, het zuinige staatsbeheer, de fiscale discipline en het strikte uitgavenbeleid herinnerden aan Maggy, maar ook andere sociaaldemocratische partijen hadden intussen al begrepen dat het demonstreren van economische competentie essentieel is om succesvol te zijn. Het verschil (met de Conservatieven) maakte Blair met een ambitieus armoedebestrijdingbeleid en het (trage) herstel van de publieke voorzieningen en investeringen. Hij is er in geslaagd om betekenisvolle transfers - ‘oude’ herverdeling - te realiseren naar de armen, de gezondheidszorg en het onderwijs. Iemand moest de sociale ruïne opruimen die Thatcher had achtergelaten, en Blair is daarmee begonnen.
Inzake sociale politiek zijn er in het Verenigd Koninkrijk het voorbije decennium enkele indrukwekkende resultaten geboekt. Er zijn nu minder armen (van 33% naar 27%), massaal minder langdurig werkloze jongeren, meer verpleegsters, meer leraars en meer ziekenhuizen (100 nieuwe ziekenhuizen zijn in aanbouw of gepland). Wat dat laatste betreft, is het procent van het nationaal inkomen dat naar de National Health Service gaat bijna verdubbeld. Ook de kwaliteit van de dienstverlening is er op vooruitgegaan. Inzake vrouwvriendelijkheid heeft geen enkele Britse regering ooit beter gedaan. Het minimumloon werd ingevoerd, waar veel laagbetaalde vrouwen beter van werden. Het Sure Start-programma heeft ervoor gezorgd dat anno 2007 voor 1 op de 3 kinderen child care bestaat (1 op 8 in 1997). De inkomenssteun voor kinderen is in tien jaar tijd met 80% verhoogd. Kortom, jonge gezinnen, arme gepensioneerden, vrouwen en kinderen zijn er met Blair ontegensprekelijk op vooruit gegaan.

Labour wil bovendien tegen 2010 de armoede bij kinderen halveren, en die tegen 2020 uit de wereld helpen. Of dat objectief zal worden gehaald, is echter betwijfelbaar. De middelen zijn daarvoor immers niet voorhanden. De manier waarop de strijd tegen de kinderarmoede is gevoerd, geldt immers als typisch ‘Blairiaans’. Niet zelden werden daarbij zeer ambitieuze objectieven naar voren geschoven, zonder dat daarvoor voldoende budgettaire middelen - via het instrument van de belastingen - konden worden gegarandeerd om die snel te realiseren. Dat, en de bloedhonden van de tabloids, hebben ervoor gezorgd dat de perceptie ontstaat dat er niet echt veel verandert.
Maar ook binnen Labour vinden sommigen dat Blair meer had kunnen doen inzake het opruimen van de sociale ongelijkheid. Bijvoorbeeld m.b.t. de pensioenen. Meer dan elf procent van de gepensioneerden leeft onder de armoedegrens; en vrouwen zijn er het slechtst aan toe. De pensioenkwestie genoot in 1997 even hoge prioriteit als de kwestie van de kinderarmoede, maar zij is niet echt op de agenda geraakt tijdens de eerste twee mandaten. Aan de noden van de armste gepensioneerden is een beetje tegemoet gekomen, maar de echte pensioenhervorming staat nog in de steigers. Ook hier zijn de limieten van de Blair-aanpak duidelijk geworden: de meest kwetsbaren krijgen steun, maar om de verpaupering van veel gepensioneerden echt te keren zal meer (belasting)geld nodig zijn, en zal het niet volstaan beroep te doen op de spaarzin van de mensen.

Blair en Europa

Vanwege de manier waarop hij politiek bedreef, kon Tony Blair, bij de continentale zusterpartijen, aanvankelijk op nogal wat bewondering rekenen. Die partijen hadden af te rekenen met communicatie- en campagnedeficits, en New Labour werkte op dat vlak inspirerend. De aard van de voorstellen die Blair lanceerde, sprak niet altijd even veel aan. Per slot van rekening hadden experimenten met de actieve welvaartstaat op het continent, in sommige landen, reeds hun weg gevonden. Na de eeuwwisseling maakte die bewondering snel plaats voor onbegrip en ergernis. Niet in de laatste plaats had dat te maken met het feit dat Blair niet de minste belangstelling betoonde voor het Europese project (als één van de sleutels voor moderne sociaaldemocratische oplossingen), én met het feit dat hij de merites van de Europese continentale sociale systemen niet onder ogen wou zien.
Het is dus waar dat Blair in de voorbije tien jaar belangrijke kansen heeft gemist om zijn volk ervan te overtuigen dat de toekomst van het Verenigd Koninkrijk in Europa ligt. Britishness was een essentieel element van het Blairisme. Consequent waren altijd zijn keuzen voor nationale (en niet-EU) oplossingen. Die houding is nefast geweest voor de Partij van Europese Socialisten (PES). Binnen de PES geldt Labour als één van de invloedrijkste partijen. Die holle belangstelling voor Europa, en het continu tegenwerken van sociaaldemocratische initiatieven op dat vlak, werd dan ook slecht onthaald. Twijfel er niet aan: bij velen zal geen traan worden gelaten als Blair uit de beweging verdwijnt. Zijn persoonlijke vriendschap met een notoire anti-Europeaan als Silvio Berlusconi is door niemand goed begrepen.

De fatale fout

Ook op een ander vlak is de houding van Tony Blair nefast geweest voor de belangen van Europa. Het valt immers nog te bezien of de Verenigde Staten Irak zouden zijn binnengevallen indien het Verenigd Koninkrijk zich aan het hoofd had gezet van de Europese oppositie tegen de oorlog. Blair verkoos dat niet te doen en George W. Bush op zijn woord te geloven. De vazallenmentaliteit die hij daarbij demonstreerde, is één van de meest raadselachtige aspecten van zijn persoonlijkheid. Hij had er zelfs het verlies voor over van één van zijn meest competente ministers, Robin Cook zaliger, die zijn land niet in het Irak-avontuur wou meesleuren. Meer dan welk ander dossier heeft Irak duidelijk gemaakt dat Blair het instinct van de klassieke sociaaldemocraat mist. Een beetje sociaaldemocraat vergist zich immers niet in de zeer rechtse natuur van de Amerikaanse president Bush. Blair wel. Na de faux pas van Blair inzake Irak was op het continent geen kat nog geïnteresseerd in zijn discours over de modernisering van de sociaaldemocratie.
Irak is Blairs fatale fout. Hoeveel sociaal herstel hij ook heeft gerealiseerd, hij zal ongenadig worden afgerekend op (het bedrog inzake) Irak en het debacle dat erop volgde. De kwestie kostte hem een zware aanvaring met de partij(basis) én het vertrouwen van veel vrouwelijke kiezers. Irak is nooit een echte issue geweest op een partijcongres. De identificatie met het wereldbeeld van Bush is hem niet vergeven. Men mag er dan ook van uit gaan dat, na Blair, de partij (gedeeltelijk) aan de leden zal worden teruggegeven. De overdreven rol van externe raadgevers zal worden teruggedrongen; al zal de partij nog jaren moeten leven met de schuldenberg die een kleine kring rond Blair heeft opgebouwd. Dat moderne partijen (media)machines zijn geworden, kan niet alleen Blair worden aangerekend. Maar het zou helpen, in de perceptie van het modale Labour-lid, als wat minder topkaders van Labour naar dikbetaalde privé-banen zouden vertrekken, en er een beetje meer naar hem of haar zou worden geluisterd.
Dat Tony Blair gedwongen werd zijn vertrek aan te kondigen, amper vijftien maanden na zijn derde verkiezingsoverwinning, had trouwens ook te maken met de situatie in de partij. De tijd dat de tongen niet los mochten worden gemaakt, was voorbij. De vakbond wou Blair al langer weg. De ‘opstand’ van de parlementsleden viel niet langer te bedwingen. Een heel jaar (2006) liep Labour achter de Conservatieven aan in de peilingen. Dat heeft Blair de das omgedaan. Als de band met de kiezer niet meer zo hecht was, dan kon je er donder op zeggen dat Blair - die bij sommige delen van de partij nooit echt geliefd is geweest - in de problemen kwam. Dat is wat er in september 2006 gebeurd is.

Uitdagingen voor de toekomst

De man die (wellicht) in de late lente of deze zomer in Downing Street 10 arriveert, is Gordon Brown. Van hem wordt gezegd dat hij de ware architect is van tien jaar binnenlandse politiek van Blair. Veel nieuwe inhoudelijke accenten heeft hij nog niet willen leggen. Zolang Blair premier blijft, is het onwerkbaar om de post-Blair agenda aan te snijden. Maar de uitdagingen zijn welbekend.

Eén. Verder werken aan het herstel van de publieke voorzieningen en het armoedebeleid. Dat is een werk van twintig jaar, zoals van meet af aan duidelijk was. De weg inzake armoedebestrijding is nog lang en er zullen dus nieuwe financiële transfers naar families en kinderen noodzakelijk zijn. Nog altijd telt het Verenigd Koninkrijk meer arme kinderen dan de meeste andere Europese landen. Het gaat dus om gigantische inspanningen. Daarnaast moeten nog tal van scholen en ziekenhuizen worden gebouwd, waarvoor ook latere generaties zullen meebetalen (want vaak betreft het, inzake ziekenhuizen, formules van publiek-private samenwerking). Het lijdt geen twijfel dat Labour, in 2009, op de resultaten van de war on poverty zal worden afgerekend. Nu reeds beweren de Conservatieven, zoals eerder in Zweden, dat de socialisten niet in staat zijn om de verzorgingsstaat te moderniseren.

Twee. Een ander buitenlands beleid. Dat beleid is tien jaar lang het exclusieve terrein van Tony Blair geweest. Vrijwel zeker zal de post-Blair agenda een herijking inhouden van de relatie met de VS. Gordon Brown zal ongetwijfeld de focus van het buitenlands beleid willen verbreden. Lees: de enge visie op terrorismebestrijding verlaten, door onder meer geld vrij te maken voor gratis onderwijs in arme, falende staten die ten prooi kunnen vallen aan extremisten. Of dat ook betekent dat een ordelijke en snelle uitweg wordt gevonden voor de troepen in Irak is een andere zaak. Brown heeft de inval in Irak gesteund. Een Zapatero-scenario is zo goed als uitgesloten. Een kalender ter zake zal zeker in overleg met de VS worden afgesproken. Wellicht zal Brown veel inzetten op klimaatverandering, om het geschonden internationaal prestige van het VK op te krikken. Of de beschamende Britse wapenexport- en vergunningenpolitiek onder het ontleedmes gaat, is twijfelachtig. Meer dan eens zijn leveringen goedgekeurd voor dubieuze bestemmingen en voor landen die de facto in staat van oorlog verkeren. De hypocrisie op dat punt is hemeltergend: dure woorden spenderen aan een toekomstig Internationaal Wapenhandel Verdrag (IATT), maar verzuimen om - zoals ons land - de Europese gedragscode inzake wapenexport imperatief te maken.

Drie. Een ander beleid inzake Europa. Wellicht ijdel om daar met Brown op te hopen; wel absoluut noodzakelijk voor de toekomst van Europa. De eenzijdige benadering van de EU is onverantwoordelijk: voortdurend pushen voor uitbreidingen en vervolgens niet willen praten over institutionele problemen, betere besluitvormingsprocessen en adequate financiering. Wat moet stoppen, is het saboteren van sociaaldemocratische oplossingen voor Europa. Waar we willen op hopen, zijn partijcongressen waar eens een gezamenlijk Europees standpunt wordt voorgelegd. Een van de weinige Europese zaken waarvoor we Blair kunnen prijzen, zijn de akkoorden van Saint-Malo inzake defensiesamenwerking. Die zijn in de principiële fase blijven steken, omdat Blair de Amerikanen niet voor het hoofd wou stoten. Zal Brown bereid zijn om op dat vlak een paar stapjes te zetten? Being in the heart of Europe moet tenslotte meer zijn dan een holle slogan.

Conclusie

Het zou fijn zijn, mochten we kunnen besluiten dat het Verenigd Koninkrijk onder Tony Blair, in de voorbije tien jaar, een belangrijke stap heeft gezet in de richting van een meer sociaaldemocratische ordening. Toen Blair in 1997 premier werd, was het Verenigd Koninkrijk wellicht het land (in de Europese Unie) met de grootste flexibiliteit op de arbeidsmarkt, het geringste sociaal overleg en de meeste sociale ongelijkheid. Wat dat laatste betreft, kan niet worden ontkend dat er aanzienlijke inspanningen zijn geleverd. Maar inzake positieve flexibiliteit en waardering voor collectief sociaal overleg zien wij anno 2007 op het eerste gezicht niet echt substantiële resultaten. Laten we het dus maar houden op bescheiden maar belangrijke sociaaldemocratische maatregelen. Als die onder Brown worden gecontinueerd, dan kan het Verenigd Koninkrijk op termijn weer zijn plaats innemen onder die landen met ‘acceptabele armoedecijfers’. Dat is een niet geringe verdienste.

We stelden in dit artikel dat de vazallenmentaliteit van Blair ten opzichte van de Amerikaanse president Bush één van de meest raadselachtige aspecten is van zijn persoonlijkheid. Een sluitende verklaring valt hiervoor niet te geven. Tenzij dat Blair een messianistisch politicus is, die niets minder dan de wereld wou herscheppen en met Irak - en de strijd tegen het terrorisme - een mogelijkheid ontwaarde om dat te doen. Een fatale denkfout en een stommiteit, zo is gebleken. En Blair had het kunnen weten, want er bestond anno 2003 (anders dan ten tijde van de eerste kruistochten) relevante informatie over Irak. Of hoe een man met een formidabele presentatie lak had aan informatie, aan de mening van andere socialisten en aan zijn eigen partij.

Jan Vermeersch
Redactielid

Tony Blair - armoede - Irak

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 43 tot 47