Log in

Een reflectie op reflecties

Over de kritiek op het voorstel van de Paviagroep voor een federale kieskring

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 3 (maart), pagina 11 tot 18

Op 14 februari jongstleden presenteerde de Paviagroep, vernoemd naar de straat in Brussel waar zij de afgelopen jaren vergaderde, haar voorstel voor een federale kieskring. Dat er reacties op zouden komen, was te voorspellen. Deze bleven dan ook niet uit, ook al beantwoordden ze, al bij al, aan de verwachtingen. In deze bijdrage worden deze reacties op het voorstel besproken. Wat wordt er goed of slecht bevonden aan het voorstel voor een federale kieskring? Waarom wordt er iets uit het voorstel - of het voorstel in zijn geheel - goedgekeurd of naar de prullenmand verwezen?

Bij deze bespreking wordt een onderscheid gemaakt tussen kritiek op het doel van het voorstel en kritiek op de daartoe ingezette middelen. Dit onderscheid is relevant om, vrij vertaald, het kind niet met het badwater weg te gooien. Critici van het voorstel voor een federale kieskring kunnen het immers eens zijn met de logica achter dit voorstel, terwijl zij gekant zijn tegen de wijze waarop dit doel gerealiseerd wordt. Het is dan interessant te kijken welke alternatieven zij eventueel aanreiken. Andersom kun je als criticus wel voorstander van een federale kieskring zijn, zonder akkoord te gaan met de achterliggende doelstelling. In dat geval wordt het boeiend te kijken wat dan wel de motivatie voor een federale kieskring zou kunnen zijn.
Vooreerst zal, voor de minder ingewijden in de materie, ingegaan worden op het voorstel zelf. Waar gaat het allemaal om in het voorstel voor een federale kieskring? En wat is de achterliggende motivatie?1

De motivatie achter een federale kieskring

Een van de grondgedachten in de literatuur over kiesstelsels is dat instituties gedrag beïnvloeden (‘astutely crafted electoral rules can make some types of behavior more politically rewarding than others’2). Met andere woorden, de modaliteiten van het kiessysteem beïnvloeden het gedrag van de actoren die in het kader van dit kiessysteem opereren. Een dergelijke beïnvloeding kunnen we in de praktijk ook zonder meer vaststellen. Zo is geweten dat politieke partijen in meerderheidsstelsels - en vooral in uninominale meerderheidsstelsels waar het Britse model voor staat - andere klemtonen leggen bij de selectie van kandidaten voor de verkiezingen dan in een evenredig kiessysteem als het onze. In het eerste geval gaan partijen op zoek naar dé kandidaat die voor een groot deel van de aanhang en kiezers een goed aanvaardbare kandidaat lijkt te zijn. Dat moet dus een consensusfiguur zijn waar veel kiezers zich in moeten kunnen vinden. In het tweede geval spelen partijen een waaier aan kandidaten uit die allen van elkaar verschillen en daardoor subgroepen in het electoraat moeten aanspreken. Het gaat om een palet aan kandidaten waarvan niet iedereen voor alle kiezers aantrekkelijk is. De verklaring hiervoor is simpel. In een systeem zoals het Britse kan maar één zetel gewonnen worden per kieskring. De verschillende partijen vechten dus voor die ene zetel. In ons systeem varieert het aantal zetels weliswaar per kieskring, maar er is steeds meer dan één zetel te verdelen. Het gaat partijen er dus om zoveel mogelijk zetels te bemachtigen. En daarbij hanteren zij een andere strategie dan indien zij allen voor die ene zetel zouden vechten.

Het voorstel van de Paviagroep situeert zich in de logica dat instituties gedrag beïnvloeden. De bedoeling ervan is, via een kleine ingreep in het kiesstelsel, een echt federale dynamiek in beweging te zetten om zo het legitieme functioneren van de federale democratie te versterken. Daartoe zouden 15 van de 150 leden van de federale Kamer van Volksvertegenwoordigers verkozen worden in een federale kieskring. De achterliggende idee is dat een democratisch systeem een dialoog tussen de bevolking en de verkozen politici veronderstelt, gezien die laatste in naam van de bevolking beslissingen nemen. In een federale staat zijn er verschillende regeringsniveaus die elk met verschillende bevolkingssegmenten verbonden moeten worden. De regering van de deelstaten wordt gelegitimeerd door de bevolking van die respectievelijke deelstaten en de federale regering wordt gelegitimeerd door de bevolking in haar geheel. Een federale staat heeft dus instellingen nodig die deze dubbele dialoog met enerzijds een deel van de bevolking en anderzijds de bevolking in haar geheel mogelijk maken. In de meeste federale systemen gebeurt dat door federale politieke partijen.

De Paviagroep constateert dat we in België niet over dergelijke instellingen beschikken en trekt daaruit de conclusie dat de bevolking van de federatie niet democratisch verbonden wordt met het bestuur van de federatie. Het ontbreekt het Belgische federale politieke systeem in dit opzicht aan legitimiteit. De inzet van verkiezingen is het afleggen van verantwoording voor het gevoerde beleid, en het machtigen van dezelfde of nieuwe bestuurders voor een volgende legislatuur. In België kunnen kiezers slechts de helft van de leden van de federale regering of hun partijen electoraal beoordelen. Nu zijn kiezers steeds beperkt in hun keuze. Ze kunnen immers enkel stemmen op (de kandidaten van) partijen die opkomen in hun kieskring. Enkel in een landelijke kieskring, zoals die voor de verkiezing van de Nederlandse Kamer, kunnen kiezers alle partijen en alle kandidaten belonen respectievelijk afstraffen. Maar ook al is de kiezer in de meeste kiesstelsels beperkt tot een aantal kandidaten, hij of zij kan nog altijd alle partijen beoordelen die mee het beleid vorm geven en daardoor zijn of haar dagelijkse leven beïnvloeden. Met andere woorden, de kiezer kan misschien niet op minister X stemmen (omdat die opkomt in een andere kieskring), maar wel op de partij waar deze minister toe behoort. In België beschikt het merendeel van de kiezers niet over deze mogelijkheid. De Vlaamse partijen komen nu eenmaal op in bepaalde kieskringen en de Franstalige partijen in andere. Wettelijk zijn zij daar niet toe beperkt, maar het kiesstelsel zit zo in elkaar dat het in de meeste gevallen niet loont op te komen in een kieskring die behoort tot de andere taalgroep. Het dichtst dat een kiezer geraakt bij een partij van de andere taalgroep is door het belonen of straffen van de zusterpartij in de eigen taalgroep. Door de afkalvende band tussen partijen van eenzelfde politieke familie en de toename van asymmetrische regeringen wordt dit instrument echter steeds zwakker.

De Paviagroep stelt verder dat de verdeling van de electorale ruimte langs de grenzen van de taalgroepen - en de verdeling van de publieke opinie - politici en partijen ertoe aanzet om binnen de eigen taalgroep tegen elkaar op te bieden. Partijen communiceren uitsluitend met kiezers uit de eigen taalgroep. Het compromis, dat in de federale Belgische instellingen op het einde van de rit nodig is, wordt daardoor bemoeilijkt. Partijen moeten in hun contact met de kiezers immers geen rekening houden met eventuele gevoeligheden in de andere taalgroep. Volgens de Paviagroep lijdt niet alleen de legitimiteit, maar ook de efficiëntie van de besluitvorming onder het gebrek aan dialoog tussen burgers en bestuurders van de federatie.

Het voorstel zelf

De Paviagroep stelt dus voor om 15 van de 150 zetels voor de Kamer van volksvertegenwoordigers te kiezen in een kieskring die het volledige territorium van de federale staat omvat. De resterende 135 kamerleden worden verkozen volgens de huidige formule in de 11 kieskringen. Wat verandert, is dat de kiezers over twee stemmen beschikken. Een eerste stem is voor de lijsten of kandidaten in de ‘provinciale’ kieskringen. Een tweede stem is voor de lijsten of kandidaten van de federale kieskring. Laatstgenoemde lijsten zijn overal in het land dezelfde. Vanuit de logica dat instituties gedrag beïnvloeden, maakt die federale kieskring een dialoog mogelijk tussen de kiezers en de federale regering in haar geheel. Dat zou moeten leiden tot meer federale dynamiek en een grotere legitimiteit van de federale democratie.

We overlopen nog even de technische details van het voorstel voor een federale kieskring. Wie kandideert op een lijst voor de federale kieskring kan ook kandideren in een ‘provinciale’ kieskring. Wie op beide lijsten in aanmerking komt voor een zetel kan zelf bepalen welke van de twee zetels hij of zij inneemt. De andere zetel wordt bekleed door de eerste opvolger. Indien de opvolging gebeurt voor de zetel van de federale kieskring, gaat de zetel naar de eerste opvolger die behoort tot dezelfde taalgroep. Dit laatste punt is belangrijk om te komen tot een billijke verdeling van de 15 zetels over de twee taalgroepen. De Paviagroep stelt voor dat 9 zetels toekomen aan de Nederlandstaligen en 6 aan de Franstaligen om een strijd tussen de taalgroepen over het aantal zetels te vermijden. Een kandidaat op een federale lijst moet daarom aankondigen tot welke taalgroep in de Kamer hij of zij wenst te behoren. Die keuze moet worden aanvaard door ofwel drie Kamerleden van de betrokken taalgroep in de uittredende federale Kamer, ofwel door 0,1% van de ingeschreven kiezers in vier van de zes ‘provinciale’ kieskringen waarvan één van de officiële talen die van de betrokken taalgroep is.

De lijsten die opkomen in de federale kieskring mogen verder nooit meer kandidaten voor een bepaalde taalgroep tellen dan het aantal te verkiezen leden van die taalgroep. Dat geldt ook voor de lijst van de opvolgers. Lijsten kunnen zich wel onderling met elkaar verbinden. Twee Vlaamse partijen die samen naar de kiezers trekken, mogen 9 kandidaten presenteren. Trekken een Vlaamse en een Franstalige partij samen naar de kiezers mogen zij 9 Vlaamse en 6 Franstalige kandidaten presenteren. Bij de verdeling van de zetels worden verbonden lijsten eerst als één enkele lijst beschouwd. In een tweede stap worden de zetels van de verbonden lijsten verder proportioneel verdeeld. Een zetel voor een lijst gaat naar de nog niet verkozen kandidaat met het hoogste verkiesbaarheidscijfer (te berekenen op de gebruikelijke wijze). Indien de kandidaat met het hoogste verkiesbaarheidscijfer behoort tot een taalgroep waar al voldoende kandidaten voor zijn aangeduid, gaat de zetel naar de eerstvolgende kandidaat van de lijst of - als dat niet meer mogelijk is - naar de eerstvolgende kandidaat van een verbonden lijst die behoort tot de taalgroep waarvoor nog zetels vacant zijn. Vandaar het belang voor partijen om over de taalgrens heen samen te werken. Indien een lijst of de ermee verbonden lijst geen kandidaten meer heeft die voldoen aan de vereiste taalgroep, gaat de zetel naar de eerstvolgende lijst die in aanmerking komt voor een zetel en die beschikt over kandidaten die behoren tot de vereiste taalgroep. Taalgroepen kunnen dus geen zetels afsnoepen van elkaar.

Om dit voorstel te realiseren, moeten twee artikels uit de Grondwet gewijzigd worden (Artikel 61, tweede lid, en Artikel 63, paragraaf 2).

Reacties van de verschillende

partijen

Over de reacties op de doelstelling van het voorstel kunnen we kort zijn. Terwijl de meeste Franstalige partijen deze expliciet onderschrijven, gaan de Vlaamse partijen hier veel minder op in. In zekere mate is Open Vld een uitzondering hierop. Aan Franstalige kant, daartegen, is net de MR de grote afwezige in het debat, ook al sprak partijvoorzitter Didier Reynders zich er positief over uit. En daarnaast zijn er de krachten die ijveren voor meer België, en die dit voorstel een - zij het uiterst bescheiden - stap in de goede richting vinden. Met betrekking tot die laatste groep valt wel op te merken dat zij op zich niet gekant zijn tegen meer legitimiteit, maar uiteindelijk vooral geïnteresseerd zijn in meer directe communicatie tussen de bestuurders op het federale niveau en heel de bevolking.

In de reacties op het voorstel voor een federale kieskring viel op dat de meeste Franstalige partijen expliciet ingingen op de achterliggende doelstelling, en deze ook goedkeuren. Bij Ecolo hoeft dit niet te verwonderen; de partij heeft al langer het idee van een federale kieskring in haar programma staan. Ook in de officiële reacties van cdH en PS staat de directe communicatie met de burgers van de andere taalgroep centraal. Zij zien veel heil in het feit dat politici rechtstreeks hun beleid en programma uitleggen aan de kiezers van de andere taalgroep, en verwachten dat het kan leiden tot meer begrip en vooral ook solidariteit tussen de landsdelen. Beide partijen gaan mee in de redenering van de Paviagroep dat het kandideren over de taalgrenzen heen een dynamiek op gang zou brengen waarin bestuurders rechtstreeks communiceren met alle geledingen van de bevolking, ook die van de andere taalgroep.

Bij de Vlaamse partijen vond het voorstel de meeste steun bij Open Vld. Die steun had echter eerder betrekking op het middel, dan op de doelstelling erachter. Open Vld wil wel praten over het voorstel, maar een federale kieskring staat zeker niet bovenaan de liberale agenda. Bovendien kan die evengoed betrekking hebben op de Senaat. Daarnaast laat de partij alle deuren open voor andere middelen om de federatie te versterken (zoals een Senaat van de deelstaten of een Grondwettelijk hof). Centraal staat het versterken van de federatie, eerder dan het verhogen van de legitimiteit via een rechtstreekse dialoog tussen het federale niveau en alle burgers van het land. Het middel van de federale kieskring vindt bijval omdat het in die logica past. Maar Open Vld gaat minder dan de Franstalige partijen rechtstreeks in op de nood aan directe communicatie.

Voor de rest zijn de officiële reacties van de Vlaamse partijen vooral afwijzend. In tegenstelling tot PS en cdH, die in hun reacties expliciet inpikken op het doel en dat op zich ook goedkeuren, spreken de Vlaamse partijen zich niet zo direct uit over het doel. In het algemeen wordt het voorstel als overbodig beschouwd, zowel in zijn finaliteit als in de uitwerking ervan. CD&V en sp.a lieten weten dat het voorstel niet realistisch is en niet beantwoordt aan de Belgische realiteit. De N-VA is explicieter: er bestaat geen Belgische democratie meer; er bestaan twee democratieën, of (zoals op door de Vlaamse Volksbeweging geanimeerde blogs gereageerd wordt) België bestaat de facto uit twee naties. En daarom zijn ook geen ‘socialiserende banden’ nodig. Die rechtstreekse dialoog tussen de bevolking en de federale instellingen, die federale dynamiek en legitimiteit is niet nodig of alleszins al voldoende aanwezig. Volgens CD&V kunnen de kiezers het beleid op federaal niveau wel degelijk beoordelen. N-VA ziet geen reden om het federale niveau te versterken.

CD&V is meer gefundeerd in het afwijzen van het voorstel. Ze verwijst naar het feit dat de voorwaarden op slagen niet vervuld zijn, doordat in dit land voor een tegenovergestelde weg (lees: die van de middelpuntvliedende krachten) gekozen werd. Een soortgelijke reactie kwam van Johan Vande Lanotte. Hij gaat er eveneens van uit dat het middel niet het geschikte is. Verwijzend naar de koningskwestie dreigt het voorstel, volgens hem, de communautaire verhoudingen nog meer op scherp te stellen. Die scherpte ligt hem in het feit, aldus de sp.a-voorzitter, dat we twee publieke opinies hebben en het geheel bijeengehouden wordt doordat die twee publieke opinies elk hun mening kunnen hebben. Daarmee onderschrijft hij volledig een Lijphartiaanse logica van een klassieke consensusdemocratie, terwijl het voorstel van de Paviagroep zich eerder in een Horowitziaanse traditie situeert. Daarin wordt een rechtstreeks contact tussen verschillende maatschappelijke groepen gestimuleerd, onder andere in het zoeken van electorale steun bij andere groepen. In dat opzicht onderschrijft het officiële standpunt van de sp.a evenmin de doelstelling van het Pavia-voorstel. Het Belgische politieke systeem is inderdaad vooral gebaseerd op het model van een consensusdemocratie, maar dit neemt niet weg dat het de federale instellingen aan legitimiteit ontbreekt.

De polarisering zou ook tot uiting kunnen komen in het feit dat politici zeer weinig stemmen halen in de andere taalgroep. En wat dan? Hoe legitiem is een federale premier die vooral in een taalgroep verkozen wordt? De federale kieskring zou uiteindelijk expliciet maken wat nu in de feiten gebeurt. Maar een politiek bestel, dat gebaseerd is op compromissen, is niet gebaat met dit soort expliciete tegenstellingen. De enige repliek die hierop gegeven kan worden, is dat elke stem uit de andere taalgroep er een meer is dan er nu zijn. Toegegeven, dit is een zwak argument. Daartegenover staat de kritiek van Vincent de Coorebyter, algemeen directeur van de Crisp (Centre de recherches et d’information socio-politiques), dat een federale kieskring enkel iets verandert als het aantal verkozenen groot is. Omdat partijen dan met de gevoeligheden van de kiezers van de andere gemeenschap rekening moeten houden. Hij heeft op dit vlak een punt, ook al omdat een groot aantal kandidaten in de federale kieskring de polarisering rond een strijd der titanen zou afzwakken. Maar dat maakt het voorstel niet politiek meer aanvaardbaar.

Spirit laat eveneens weten het nut van een federale kieskring echt niet in te zien, maar gaat verder niet in op de doelstelling van het voorstel. De partij is er wel van overtuigd dat een federale kieskring alleen maar negatieve gevolgen gaat hebben, doordat die de bestaande evenwichten tussen de verschillende taalgroepen op de helling zet. Hoe dit zou gebeuren, wordt verder niet uitgelegd. Het voorstel voor de federale kieskring zou immers de verhoudingen tussen de taalgroepen niet wijzigen. De reactie van spirit wijst op nog meer misverstanden. Zo wordt gesteld dat, vanuit de logica van het Pavia-voorstel, landen zonder nationale kieskringen als ondemocratisch bestempeld kunnen worden. Dat terwijl het voorstel slechts stelt dat in federale systemen een dialoog mogelijk moet zijn tussen de regering van de federatie en heel de bevolking. Zoals eerder al werd uiteengezet, ontbreekt dit in België door die gescheiden kieskringen en het gebrek aan andere mechanismen die deze rechtstreekse dialoog tot stand kunnen brengen. Hieruit kunnen we echter niet afleiden dat de Paviagroep ervan uitgaat dat alle systemen zonder nationale kieskringen ondemocratisch zijn. Zij beschikken immers over andere mechanismen die een dialoog tussen overheid en bevolking mogelijk maken.

Het Vlaams Belang ziet eveneens vooral negatieve gevolgen in wat het consequent een ‘unitaire’ kieskring noemt. Die wordt als archaïsch gezien, een retour die het de Franstaligen mogelijk maakt zich te moeien met Vlaamse zaken. Dit laatste is interessant. De partij draait de logica van het voorstel namelijk om. Inspraak wordt ‘zich komen moeien’. De idee dat alle burgers hun federale politici of tenminste de politieke partijen waar zij toe behoren tot de verantwoording moeten kunnen roepen, wordt geïnterpreteerd als ‘burgers die zich overal mee kunnen komen moeien, ook met zaken die hen niets aanbelangen’. Als dus Franstalige burgers een federale minister van een Vlaamse partij tot de orde willen roepen, is dat voor het VB een inmenging in zaken die hen niets aangaan. Tot nader order heeft het federale beleidsniveau nog altijd betrekking op heel het Belgische grondgebied. Het was te verwachten dat het Vlaams Belang de doelstelling achter het voorstel niet onderschrijft. Alles wat een betere werking van de federale instellingen zou kunnen bewerkstelligen, wordt per definitie afgewezen. Die federale instellingen zijn er voor hen immers te veel aan.

Nog discussiepunten

Een weerkerende kritiek op het voorstel is dat het zal leiden tot schizofrenie binnen de partijen. Politici hebben de neiging hun uitspraken aan te passen aan het niveau waarop zij actief zijn. Door de federale kieskring enerzijds en de provinciale anderzijds zouden politici van eenzelfde partij tegengestelde standpunten kunnen innemen (Eric Donckier, Het Belang van Limburg, 17/02/07). Dit zou transparantie niet bevorderen omdat de kiezers uiteindelijk niet meer weten waarvoor zij gestemd hebben (Bart Sturtewagen, De Standaard,15/02/07). Maar uiteindelijk bestaat die schizofrenie nu ook al. Zo houdt Karel De Gucht er andere standpunten op na dan Fientje Moerman, van dezelfde partij maar lid van een andere regering. Een federale kieskring zou die schizofrenie meer expliciet maken en in dit opzicht net tot meer transparantie kunnen leiden. De kwestie is of de kiezers die schizofrenie gaan smaken. Maar daar wil het voorstel net de vinger op leggen.

Ten slotte, een parallel die herhaaldelijk getrokken wordt in de kritiek op een federale kieskring is die met de kieskring B-H-V. Terwijl CD&V zich afvraagt hoe we een federale kieskring moeten aanpakken als we het probleem van B-H-V nog niet eens opgelost krijgen, zien partijen als spirit en het Vlaams Belang in de federale kieskring een B-H-V in het groot, een argument dat ook Le Vif/L’Express vertolkt. Echter, achter de federale kieskring zit een andere finaliteit en zijn er ook andere belangen mee gemoeid. In een federale kieskring zouden de verhoudingen tussen Nederlandstaligen en Franstaligen vastliggen en zou voor heel het grondgebied dezelfde regels gelden. Een soortgelijke bedenking kan geformuleerd worden bij de kritiek dat het voorstel al eens op tafel lag, nl. voor de rechtstreekse verkiezingen van het Europees Parlement in 1979, en het toen niet haalde. Ook in dat voorstel waren de verhoudingen tussen de taalgroepen niet vastgelegd.

Echter, ook het vastleggen van de numerieke verhoudingen tussen Franstaligen en Nederlandstaligen wordt bekritiseerd. Deze zou haaks staan op de idee van nationaal verkozenen in een federale kieskring (lees: daarin zouden de taalverhoudingen niet op voorhand mogen vastliggen). De vraag, in dit geval, is wat het doel en wat het middel is. Quota, in welke vorm dan ook, zijn een middel, en geen doel op zich. In dit geval dienen ze het doel van de versterkte legitimiteit, die ontstaat door een rechtstreekse dialoog tussen de bestuurders van de federatie en heel de bevolking. Bij de huidige verhoudingen zou die dialoog niet ontstaan zonder een gegarandeerde vertegenwoordiging voor Nederlandstaligen en Franstaligen. De kans is groot dat het gros van de kiezers zijn stem niet zou geven aan een kandidaat van de andere taalgroep indien dat ten koste van het aantal mandatarissen voor de eigen taalgroep zou gaan. Partijen zouden trouwens mobiliseren rond dit thema. En daarmee zou heel de bedoeling van een federale kieskring teniet gedaan worden. De gegarandeerde vertegenwoordiging van de twee taalgroepen is in dit geval een middel om te kunnen komen tot een functionerende federale kieskring. Op de blog van de Paviagroep werd in dit verband ook de vraag geopperd of die gegarandeerde vertegenwoordiging niet het ene democratisch deficit inwisselt voor een ander. Stel dat alle kiezers enkel op Franstalige kandidaten kunnen stemmen: hoe zouden dan de 9 Nederlandstaligen in het parlement kunnen zetelen? De schrijver geeft toe dat dit volkomen utopisch is, maar het punt bevestigt wel dat regels in hun context geplaatst moeten worden; en dat geldt ook voor de numerieke verhouding tussen de taalgroepen. Men kan tegen quota, tegen het vastleggen van de verhoudingen tussen de taalgroepen gekant zijn, maar men mag dat niet verwarren met de federale kieskring en de finaliteit erachter.

Met betrekking tot de numerieke verhoudingen wordt op de blog van de Paviagroep verder geargumenteerd dat de Duitstalige bevolking ook een plaats moet krijgen in de Kamer, gezien daarin de bevolking vertegenwoordigd wordt. Of die eis al dan niet gerechtvaardigd is, is een andere kwestie, maar in het Pavia-voorstel gaat het om een legitiem federaal bestuur en een directe band tussen de bestuurders en heel de bevolking. De Duitstalige kiezers kunnen zoals alle anderen via een federale kieskring rechtstreeks verantwoording eisen van alle partijen die op het federale niveau actief zijn.

Reflectie op de reacties

Eén zaak mag duidelijk blijken uit de reacties op het voorstel van de Paviagroep voor een federale kieskring: het gros van de Nederlandstalige en Franstalige politieke actoren en commentatoren gaat uit van verschillende realiteiten. De eersten vinden het voorstel achterhaald en te laat komen. Het is dan ook daar dat de meeste argumenten tegen het voorstel te vinden waren. Vaak is men tegen zowel de doelstelling als tegen de daartoe ingezette middelen achter het voorstel gekant. Soms uit principe, soms omdat het debat niet zuiver gevoerd wordt. Want uiteindelijk wordt op het eigenlijke doel, dat van het legitiem functioneren van de federale democratie, weinig ingegaan. Toch nood aan wat meer dialoog, tenminste daarover dan?

Petra Meier
Docente Politieke Wetenschappen, Universiteit Antwerpen 3

Noten
1/ Lezers die graag het volledige voorstel erop na willen lezen, kunnen dit doen op de website van de Paviagroep: www.paviagroup.be. Er is tevens een blog waarop zij commentaar kunnen geven op het voorstel en in discussie kunnen treden met de leden van de Paviagroep.
2/ Reilly B. (2002), Electoral Systems for Divided Societies, in: Journal of Democracy, 13, p. 156.
3/ De auteur is tevens lid van de Paviagroep. Zij schreef deze bijdrage in eigen naam.

kieswetgeving - Pavia

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 3 (maart), pagina 11 tot 18