Log in

Wegwijs in het labyrint van de kartelfinanciering

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 10 tot 19

Inleiding

Zoals de titel aangeeft was de wet inzake de beperking van de verkiezingsuitgaven en de open boekhouding van de partijen, in 1989 goedgekeurd, er onder meer op gericht om de financiering van de partijen transparant te maken. De boekhouding van de partijen werd vanaf dan jaarlijks publiek gemaakt, zodat iedereen gemakkelijk kon nagaan waar de partijen hun centen halen en waar ze die aan uitgeven. In 1999 kwam het ideaal van een volledig doorzichtige partijfinanciering nog een stuk dichterbij. Vanaf dan werden de partijen immers verplicht om een geconsolideerde boekhouding neer te leggen, die ook de inkomsten van de componenten van de partijen (fracties, studiedienst, enz.) omvat.
Vandaag staan we echter weer een stuk verder af van dit ideaal, en dat heeft alles te maken met de kartelvorming, als gevolg van de in 2002 ingevoerde kiesdrempel. Kartels vertroebelen de transparantie van de partijfinanciering. Dat komt omdat er in de hoger vermelde wetgeving impliciet van uitgegaan wordt dat aparte partijen ook aparte lijsten indienen bij de verkiezingen. De in 1989 ingevoerde overheidsdotatie wordt toegekend aan een partij (technisch gezien aan een met de partij verbonden vzw), grotendeels op basis van het aantal stemmen voor de lijsten van die partij.1 Het is de boekhouding van de partij die de dotaties ontvangt die vervolgens openbaar wordt gemaakt. Door de vorming van kartels is die band tussen de partijen en de lijsten echter doorgeknipt: op één lijst staan nu kandidaten van verschillende partijen. De overheidsdotatie, die wordt berekend op basis van alle stemmen die het kartel behaalde, gaat niet langer naar de partijen als dusdanig, maar wel naar een de facto conglomeraat van partijen. Binnen dat conglomeraat worden de middelen dan verder verdeeld over de partijen die er deel van uitmaken, en dit op basis van intern afgesproken criteria. Anders gezegd: de verdeling van de overheidsmiddelen over de partijen wordt voor een stuk onttrokken aan de overheid en gebeurt via onderlinge afspraken tussen de kartelpartners. De boekhouding die publiek wordt gemaakt, is niet langer die van de partijen maar wel van het conglomeraat van partijen dat de overheidsdotatie ontvangt. Hieronder zullen we nagaan in welke mate het mogelijk is om op basis van die kartelboekhouding de boekhouding van de afzonderlijke partijen te reconstrueren. Maar duidelijk is alvast dat het veel minder gemakkelijk is dan vroeger om zicht te krijgen op de financiering van de partijen.
De kartelvorming maakt het eveneens moeilijker om zicht te krijgen op de verkiezingsuitgaven van de partijen. Ook de aangifte van de uitgaven gebeurt op basis van de lijsten. We weten dus wel wat het kartel als geheel uitgeeft, maar niet hoe die uitgaven zijn verdeeld over de kartelpartners. Hetzelfde geldt voor wat betreft de uitgaven van de kandidaten. In het officiële verslag van de Controlecommissie worden alle uitgaven van de kandidaten opgeteld per lijst, maar niet per partij. Uit dit verslag kunnen we dus niet langer opmaken wat de totale campagnekostprijs was van de afzonderlijke partijen, dit wil zeggen wat alle kandidaten van een partij samen hebben uitgegeven.
In deze nota doen we een poging om op basis van de beschikbare gegevens toch zoveel mogelijk klaarheid te scheppen over de financiering van kartels. In eerste instantie proberen we de inkomsten van de afzonderlijke kartelpartners in kaart te brengen. Zoals al aangekondigd doen we dit op basis van de gepubliceerde boekhoudingen en gaan we na in hoeverre die een houvast bieden om de financiën van de kartelpartijen in kaart te brengen. Daarna bekijken we de uitgavenzijde en berekenen we (op basis van eigen data) welk aandeel elk van de verschillende kartelpartners had in de totale campagne-uitgaven van het kartel. We doen dit zowel voor de federale verkiezingen van 2003 als voor de regionale en Europese verkiezingen van 2004.

De overheidsinkomsten van de kartels

Wie krijgt de subsidies?

Volgens de wet van 1989 is het strikt genomen niet de partij als dusdanig, maar wel een met de partij verbonden vzw die de overheidsdotatie ontvangt en een boekhouding indient. Aangezien de overheidsdotatie voor een groot deel wordt toegekend op basis van het op de (gezamenlijke) lijsten aantal uitgebrachte stemmen kan de dotatie enkel worden toegekend aan het kartel als geheel.2 Dit impliceert dat de kartelpartners ofwel een nieuwe gezamenlijke vzw kunnen oprichten om de dotatie te ontvangen, ofwel één van beide vzw’s kunnen aanwijzen voor het ontvangen van de gezamenlijke dotatie. De wet is minder duidelijk over de implicaties hiervan voor het indienen van de boekhoudingen.
Dit probleem stelde voor het eerst in 1995, toen de toenmalige PRL een kartel vormde met het FDF. In het verslag betreffende de financiële verslagen van de partijen voor het boekjaar 1995 wordt vastgesteld dat de dotatie op vraag van beide partijen wordt gestort aan de vzw van de PRL. Het verslag stelt verder dat PRL-FDF voortaan als één partij wordt beschouwd in de zin van artikel 1 van de wet, zodat het FDF voortaan geen aparte boekhouding meer moet indienen. Een jaar later bleek dit systeem toch niet helemaal te werken. Met het oog op het creëren van een maximale transparantie dienden PRL en FDF toch afzonderlijke boekhoudingen in voor 1996. Daaruit bleek dat de PRL 12 miljoen BEF had doorgestort naar het FDF. De Controlecommissie maakte echter bezwaar tegen het feit dat de PRL dit bedrag had geboekt als een gift aan een component van de partij, terwijl het bedrag in de FDF-boekhouding verscheen als een overheidsinkomst. De Commissie vond dit verwarrend en besliste daarom dat PRL en FDF voortaan één gezamenlijke boekhouding moesten indienen, wat ook gebeurde vanaf het boekjaar 1997. Op die manier werd een belangrijk precedent gecreëerd: partijen die een kartel vormen, en dus een gezamenlijke federale dotatie ontvangen, moeten ook een gezamenlijke boekhouding indienen. Hieronder gaan we na wat dit concreet impliceert voor respectievelijk het kartel sp.a-spirit en CD&V/N-VA.

sp.a-spirit nam als kartel deel aan de federale verkiezingen van 2003 en krijgt daardoor één gezamenlijke federale dotatie. De partijen kozen ervoor om deze te ontvangen via een gezamenlijke, nieuw opgerichte vzw, meer bepaald de ‘vzw Beheer en Financiën Kartel sp.a/spirit’, afgekort BEFINKA. Artikel 3 van de statuten van deze vzw zegt dan ook: ‘De vereniging heeft tot doel de overheidsdotatie te ontvangen en beheren, overeenkomstig artikel 22 van de wet van 4 juli 1989 houdende de beperkingen, de controle van de verkiezingsuitgaven, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen. Inzonderheid staat de vereniging in voor de integrale financiering en de opvolging van de uitgaven voor de verkiezingen van Kamer, Senaat, Vlaams Parlement, Europees Parlement, Brussels Hoofdstedelijke Raad en Vlaamse Gemeenschapscommissie, ten behoeve van de kartellijst sp.a-spirit.’ Deze nieuwe vzw is paritair samengesteld uit de oude vzw’s van de sp.a (vzw OSP) en van spirit (vzw spirit), die elk drie leden afvaardigen in de Raad van Bestuur. Voor sp.a is dat de algemeen directeur van de partij, Alain André, voorzitter Johan Vande Lanotte en een mandataris, met name Thierry Vanderkindere. Voor spirit zetelt voorzitter Geert Lambert, ondervoorzitter Stefaan Walgraeve en penningmeester Pol Vanden Brempt. De statuten vermelden ook dat bij staking van stemmen, de stem van de voorzitter doorslaggevend is (art 21) én dat de voorzitter steeds een lid moet zijn uit de vertegenwoordiging van de vzw OSP (art 16).

CD&V en N-VA namen nog afzonderlijk deel aan de federale verkiezingen van 2003. Ze vormden pas voor de regionale en Europese verkiezingen van 2004 een kartel. Dit betekent dat ze nog elk afzonderlijk een federale dotatie krijgen (aan de respectievelijke financiële vzw, meer bepaald Agora voor CD&V en de N-VA vzw), en dus twee afzonderlijke boekhoudingen indienen. De regionale dotatie daarentegen is gezamenlijk en wordt ontvangen via de financiële vzw van CD&V, Agora. In de statuten van de vzw Agora werd artikel 3 door de algemene vergadering op 5 juli 2005 aangepast. Artikel 3 beschrijft het doel van de vzw; het luidt sindsdien als volgt: ‘De vereniging heeft tot doel, met uitzondering van enig winstoogmerk, CD&V en desgevallend andere politieke partijen waarmee CD&V een kartelovereenkomst heeft gesloten en dit voor de duur van de overeenkomst, financieel en materieel te steunen. Meer in het bijzonder zal de vereniging de dotaties die van overheidswege voor CD&V en voor een eventuele kartelpartner voorzien zijn, in ontvangst nemen. (…)’. Deze vzw is dus nog steeds een vzw van CD&V, maar in de Raad van Bestuur zetelt ook de directeur van N-VA, namelijk Piet De Zaeger. Hij is de enige afgevaardigde van N-VA in de achtkoppige Raad van Bestuur. Andere bestuurders zijn vier CD&V-afgevaardigden uit verschillende parlementen (Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Pieter De Crem en Yves Leterme), partijvoorzitter Jo Vandeurzen, algemeen secretaris van de partij Pieter Demeester en zijn voorganger Raf Suys (nu kabinetschef van minister Peeters). De statutenwijziging maakt het dus ook mogelijk om de vzw Agora vanaf de volgende verkiezingen te laten fungeren als vehikel om de gezamenlijke federale dotatie te ontvangen.

Wat de fractietoelagen betreft, is het verhaal iets anders. De fractietoelagen werden voor het eerst ingevoerd in Kamer en Senaat, en dat reeds in 1971. Alle andere parlementen volgden nadien dat voorbeeld en voerden via hun reglementen ook een stelsel van fractietoelagen in. Aangezien deze toelage aan de fractie wordt uitbetaald, krijgen de kartelpartijen logischerwijze één fractietoelage indien ze een gezamenlijke fractie vormen, en aparte toelagen indien ze aparte fracties vormen. sp.a-spirit besliste om zowel in het federale als in het Vlaamse parlement één fractie te vormen, zodat ze telkens een gezamenlijke toelage krijgen. CD&V en N-VA daarentegen vormen aparte fracties in het Vlaams Parlement en krijgen bijgevolg aparte toelagen.

Hoe worden de subsidies onderling verdeeld?

Voor wat betreft sp.a-spirit wordt in de statuten van de gezamenlijke financiële vzw BEFFINKA een verdeelsleutel vastgelegd. Artikel 32 van de statuten stelt: _‘De overheidsdotatie die de vereniging zal ontvangen in het kader van haar statutaire doelstelling wordt, na aftrek van de kosten eigen aan de vereniging, overgemaakt aan de deelnemende leden van de VZW volgens een verhouding 85 % voor de VZW OSP en 15 % voor de VZW Spirit. (…) De inkomsten en uitgaven door de kartellijst sp.a-spirit voor de parlementaire verkiezingen Kamer, Senaat en Vlaams Parlement gebeuren op basis van dezelfde verhouding.’ _Volgens artikel 32 van de statuten vervalt deze verdeelsleutel op 15 juni 2007. Daarna zal een nieuwe verdeelsleutel worden afgesproken die door een buitengewone algemene vergadering moet worden bekrachtigd. De algemene vergadering is momenteel paritair samengesteld uit leden van de vzw Spirit en de vzw OSP, en wordt voorgezeten door de voorzitter van de Raad van Bestuur, die ook hier een doorslaggevende stem heeft.
In de gezamenlijke boekhouding van sp.a-spirit vinden we enkel terug wat het kartel als geheel ontvangt aan dotaties en fractietoelagen. Er wordt niet gespecificeerd hoe de bedragen worden opgesplitst tussen de vzw OSP (dus de sp.a) en de vzw Spirit. Beide vzw’s worden wel opgenomen in de boekhouding als component van de partij, maar de detailinkomsten van deze vzw’s moeten niet worden vermeld. Op basis van de statutaire verdeelsleutel kunnen we wel zelf berekenen welke bedragen naar de twee componenten gaan, ten minste als we abstractie maken van de ‘kosten verbonden aan de vereniging’. Wanneer we dat voor alle federale en regionale dotaties en fractietoelagen doen (tabel 1), dan blijkt de sp.a in 2005 5.744.199 euro te hebben ontvangen. Spirit ontving 1.013.682 euro.

In de statuten van de vzw Agora (die de overheidsfinanciering voor het kartel CD&V/N-VA ontvangt) wordt niet gespecificeerd hoe de financiële middelen over de kartelpartners worden verdeeld. Het probleem stelt zich vooralsnog enkel voor de regionale dotatie, aangezien de beide kartelpartners nog steeds een aparte federale dotatie en aparte fractietoelagen ontvangen. Hoe de regionale dotatie wordt verdeeld, kan worden afgeleid uit de nog steeds aparte boekhoudingen van CD&V en N-VA. CD&V blijkt zowel in 2004 als in 2005 20% van de ontvangen regionale dotatie door te storten aan N-VA. Zo boekt CD&V in 2005 1.789.458,76 euro aan ontvangen regionale dotatie, waarvan ze 357.891,72 doorstort aan N-VA. De N-VA boekt ditzelfde bedrag als een overheidsinkomst en verduidelijkt daarbij dat het om een bedrag gaat dat door CD&V werd doorgestort.
Wanneer alle overheidsinkomsten van beide partijen worden opgeteld (tabel 1), dan blijkt CD&V in 2005 in totaal 6.226.280 euro aan overheidsmiddelen over te houden; N-VA verzamelt in datzelfde jaar 1.221.454 euro aan overheidsinkomsten. Als we beide bedragen optellen blijkt CD&V dus 83,6% van de inkomsten te krijgen en N-VA 16,4%. Hierbij kan ook nog worden aangestipt dat CD&V en N-VA een financiële bonus opstrijken doordat ze federaal nog als twee aparte partijen worden gesubsidieerd. Elke partij krijgt immers, naast een variabel bedrag per stem of zetel, ook een forfaitair bedrag. Een kartel dat uit twee aparte partijen of fracties bestaat, ontvangt dat forfaitaire bedrag twee keer, wat een jaarlijkse bonus van ongeveer 155.000 euro oplevert. Dit betekent meteen ook dat CD&V/N-VA die bonus zullen kwijtspelen wanneer ze vanaf 10 juni 2007 ook federaal als één partij zullen worden gesubsidieerd.

Tabel 1: de overheidsinkomsten van de kartelpartijen CD&V/N-VA en sp.a-spirit.

De verkiezingsuitgaven van de kartelpartijen

Vervolgens stelt zich de vraag hoe de uitgaven, en met name dan de verkiezingsuitgaven, worden verdeeld over de kartelpartners. Voor het bepalen van de maximumbedragen die de partijen en de kandidaten mogen uitgeven, wordt uitgegaan van de lijsten. Dit wil zeggen van de kartels, en niet van de partijen die er deel van uit maken. Het plafond van 1 miljoen euro voor de nationale campagne geldt met andere woorden voor het kartel als geheel. Ook het aantal kandidaten dat het maximumbedrag mag uitgeven, de topkandidaten als het ware, wordt bepaald op het niveau van het kartel. Dit aantal komt overeen met het aantal mandaten dat de lijst bij de voorafgaande verkiezingen haalde, plus één. Als een lijst bijvoorbeeld twee zetels haalde, dan mogen de twee eerstgeplaatste kandidaten op de lijst, plus één vrij te kiezen kandidaat, het maximumbedrag uitgeven. Indien de kartelpartners bij de vorige verkiezingen afzonderlijke lijsten indienden, dan moeten ze zelf bepalen van welke lijsten ze zichzelf als opvolger beschouwen.
Logischerwijze zijn dat de lijsten die door de grootste kartelpartner werden ingediend, aangezien die het meest eerstgeplaatste kandidaten opleveren. Minder evident is wat er gebeurt wanneer de kartelpartners bij een volgende verkiezing weer uit elkaar gaan. Slechts één van de partners kan zich dan als opvolger van de vroegere kartellijst uitroepen en de daaraan verbonden eerstgeplaatste kandidaten claimen. De andere partner wordt dan als een nieuwe partij beschouwd en houdt slechts één kandidaat per lijst over die het maximum mag uitgeven. Dat was bijvoorbeeld het geval met Groen! bij de verkiezing van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement in 2004. In 1999 had Agalev nog in kartel met de SP aan die verkiezingen deelgenomen. Het kartel haalde toen twee zetels, wat in 2004 recht gaf op drie topkandidaten. Die waren echter allemaal voor de sp.a, die inmiddels niet meer met Groen! maar wel met spirit in zee ging. De wet bepaalt niet wat er moet gebeuren wanneer hierover een conflict ontstaat. Maar hoe dan ook is het vooruitzicht om na een scheiding slechts een beperkte campagne te kunnen voeren voor een kleinere partner een niet onbelangrijke ontradende factor om het kartel op te blazen.

Het maximumbedrag van de topkandidaten wordt berekend op basis van het aantal bij de vorige verkiezingen ingeschreven kiezers in de kieskring. Door de provincialisering van de kieskringen is dit bedrag exponentieel gestegen, waardoor er een grote kloof is ontstaan tussen het (forfaitaire) maximum van een gewone kandidaat en het maximum van de top kandidaten. De kandidaten bovenaan de lijst worden hierdoor nog eens extra bevoordeeld. Bovendien vormt de keuze van de vrij te kiezen extra topkandidaat een belangrijke bijkomende inzet bij de lijstvorming en ongetwijfeld ook voorwerp van onderhandeling tussen de kartelpartners. De meest redelijke uitkomst daarvan lijkt te zijn dat de kleinere kartelpartner op elke lijst minstens één kandidaat krijgt die het maximumbedrag mag uitgeven en dus een volwaardige campagne kan voeren. En dit is ook wat effectief gebeurt, zoals blijkt uit tabel 2. Daarin geven we per kieskring de verdeling van de topkandidaten over de kartelpartners, zowel voor sp.a-spirit (2003 en 2004) als CD&V/N-VA (2004). Spirit krijgt in elke kieskring, bij elke verkiezing welgeteld één kandidaat die het maximumbedrag mag uitgeven. Ook N-VA mocht in de meeste kieskringen één topkandidaat leveren, met uitzondering echter van de beide verkiezingen in Brussel en in Limburg.

Tabel 2: de verdeling van de topkandidaten over de kartelpartners, in 2003 en 2004.

In 2003 gaf het kartel sp.a-spirit 950.621,60 euro uit voor de ‘nationale’ campagne. In 2004 was dat 928.303,41 euro. Het kartel CD&V/N-VA besteedde hieraan in 2004 991.814,10 euro. Uit de kartelaangiftes kunnen we niet afleiden hoe deze bedragen werden verdeeld over de kartelpartners. Voor wat betreft sp.a-spirit kunnen we ons wel baseren op de statutaire 85/15-verdeelsleutel, die niet alleen geldt voor de verdeling van de overheidsinkomsten, maar ook voor de uitgaven. Dit zou dan betekenen dat de nationale campagne in 2003 808.028,36 euro en in 2004 89.057,90 euro heeft gekost aan de sp.a. Kartelpartner spirit zou dan 142.592,24 euro betaald hebben in 2003 en 139.245,51 euro in 2004.

Voor wat betreft de individuele uitgaven kunnen we exact nagaan hoe die werden verdeeld over de kartelpartners. Dit is mogelijk omdat we, gebruik makend van het wettelijke inzagerecht, die aangiften zelf hebben geregistreerd en dus niet aangewezen zijn op de onvolledige informatie in het officiële verslag van de parlementaire Controlecommissie.
In de aangiften van de kandidaten wordt zowel het totale bedrag aan individuele verkiezingsuitgaven vermeld, als de herkomst van de middelen. We weten met andere woorden niet alleen hoeveel de individuele campagne heeft gekost, maar ook waar de kandidaat de centen vandaan heeft gehaald. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de financiering met eigen middelen, de financiering op basis van giften en de financiering door de partij. Door alle bedragen die in die laatste rubriek worden vermeld, kunnen we ons een goed idee vormen van de totale kostprijs van de campagne voor de partij. Temeer omdat het plafond voor de ‘nationale’ partijuitgaven vrij laag is (1 miljoen euro) mag worden aangenomen dat de partijen een deel van hun campagnebudget doorsluizen naar de individuele kandidaten, voornamelijk de topkandidaten. Dit totale bedrag dat het kartel doorschuift naar de kandidaten kunnen we wel opspitsen volgens partij, tenminste uitgaand van de (niet onlogische) veronderstelling dat elk van beide kartelpartners enkel de eigen kandidaten geld toeschuift.

Zowel in 2003 en 2004 leverde spirit een dikke 15% van alle kandidaten op de sp.a-spirit-lijsten. Maar het aandeel van de spirit-kandidaten in de totale individuele campagne-uitgaven was wel wat groter, meer bepaald 19,1%. Dit impliceert dat de spirit-kandidaten gemiddeld een duurdere campagne hebben gevoerd dan de sp.a-kandidaten. Maar als we dan kijken naar het deel van de individuele campagne-uitgaven dat werd betaald door de partij, dan zien we dat het aandeel van spirit daarin opnieuw zakt, namelijk naar 13,6% in 2003 en 16,4% in 2004. Hier komen we inderdaad zeer dicht in de buurt van de statutaire verdeelsleutel.
Dat het aandeel van spirit in de partijuitgaven lager is dan het aandeel in het totaal van de campagne komt omdat de spirit-kandidaten redelijk veel zelf betalen in vergelijking met de sp.a-kandidaten. Van alle individuele uitgaven van de sp.a-kandidaten werd in 2003 87,9% en in 2004 84,2% door de partij betaald. Bij spirit bedroegen die percentages respectievelijk slechts 58,3% en 70,7%. Uit eerder onderzoek3 weten we al dat sp.a-spirit een uitzonderlijk groot aandeel van de individuele campagne-uitgaven zelf betaalt. Van alle individuele uitgaven wordt ongeveer twee derden (66,6% in 2003, 67,3% in 2004) door de partij betaald, maar bij sp.a-spirit loopt dit op tot meer dan 80% (82,3% in 2003, 81,2% in 2004). Uit de opsplitsing tussen de kartelpartijen blijkt nu dat dit hoofdzakelijk een sp.a-fenomeen is, terwijl spirit veel dichter aansluit bij het gemiddelde partijprofiel.

Ook bij CD&V/N-VA gebeurt de lijstvorming blijkbaar volgens de magische 15%/85%-formule. In 2004 kwam het aantal N-VA-kandidaten in elk geval zeer dicht in de buurt van dat percentage. En hetzelfde geldt voor de verdeling van de uitgaven: de N-VA-kandidaten namen in totaal 14,4% van alle individuele uitgaven voor hun rekening. Maar het aandeel van de N-VA in de door de partij betaalde uitgaven was een stuk groter, namelijk 20,7%. Dat komt omdat de campagne van de N-VA-kandidaten in zeer grote mate door de partij is betaald. Niet minder dan 92,3% van alle uitgaven van N-VA-kandidaten werd gefinancierd door de partij. Bij de CD&V-kandidaten was dat slechts 58,5%, vergelijkbaar met het algemene gemiddelde. Daarnet gaven we al aan dat het aandeel van de individuele uitgaven betaald door de partij uitzonderlijk hoog is bij de sp.a. Nu blijkt echter dat in 2004 niet de sp.a, maar wel de N-VA de kampioen was op dat vlak.
Dit betekent meteen ook dat de N-VA in 2004 een vrij dure campagne heeft gevoerd. Alleen al de financiering van de individuele campagnes kostte de partij 279.269,9 euro. Ter vergelijking: in 2003, toen de partij nog apart opkwam, kostten de individuele campagnes slechts 198.870,3 euro aan de partij. Maar toen kwam daar natuurlijk nog de kostprijs van de nationale campagne bij, meer bepaald 864.943,5 euro. Het bedrag dat de N-VA ongetwijfeld opzij had gezet voor de nationale campagne van 2004, kwam echter grotendeels vrij toen op de valreep werd beslist om in kartel met CD&V naar de verkiezingen te stappen. We mogen er immers van uitgaan dat het grootste deel (85%?) van de nationale CD&V/N-VA-campagne door CD&V werd betaald. Kennelijk heeft de N-VA dan een deel van die vrijgekomen middelen doorgesluisd naar de N-VA-kandidaten.

Tabel 3: de verkiezingsuitgaven van de kartelkandidaten, opgesplitst per partij, in 2003 en 2004.

In theorie kon de N-VA in 2004 een aanzienlijke besparing realiseren dankzij het kartel omdat de partij plots geen eigen nationale campagne hoefde te voeren. Maar dit bedrag werd meteen geherinvesteerd in de campagne van de individuele kandidaten. Dit is in die zin merkwaardig omdat de N-VA het op dat moment financieel niet bepaald breed had, als gevolg van het wegvallen van de federale dotatie in 2003. Maar wellicht hield de kartelovereenkomst van 2004 ook in dat de CD&V hoe dan ook financieel borg zou staan voor N-VA, hetzij door de versoepeling van de criteria voor de federale dotatie af te dwingen bij de Vlaamse regeringsonderhandelingen, hetzij door de N-VA de nodige middelen toe te stoppen.

Besluit

Na enig puzzelwerk is het toch mogelijk gebleken om te reconstrueren hoe de inkomsten en de verkiezingsuitgaven van sp.a-spirit en CD&V/N-VA zijn verdeeld over de kartelpartners. Voor wat sp.a-spirit betreft, is dit grotendeels te danken aan het feit dat de statuten van de gezamenlijke financiële vzw BEFINKA ter zake klare wijn schenken en een verdeelsleutel vastleggen voor zowel de inkomsten als de uitgaven. Hier is het dus het kartel zelf dat voor de transparantie zorgt, ook al is het daartoe wettelijk niet verplicht. En wat betreft CD&V/N-VA hadden we geluk dat dit kartel pas na de verkiezingen van 2003 is gevormd, zodat CD&V en N-VA nog steeds een aparte federale dotatie ontvangen en bijgevolg een aparte boekhouding moeten publiceren. Vanaf de verkiezingen van 10 juni 2007 zal het kartel echter een gezamenlijke dotatie ontvangen en dus ook een gezamenlijke boekhouding publiceren. Aangezien CD&V/N-VA, in tegenstelling tot sp.a-spirit, niet werkt met een statutair vastgelegde verdeelsleutel, ziet het er naar uit dat we vanaf 2007 het raden zullen hebben naar de interne verdeling van de inkomsten en uitgaven. Tenzij ook CD&V/ N-VA zo vriendelijk zal zijn om die verdeling op vrijwillige basis publiek te maken.
Wat er ook van zij, de wetgeving inzake de financiering en de open boekhouding van de partijen houdt duidelijk onvoldoende rekening met de mogelijkheid dat verschillende partijen in kartel kunnen deelnemen aan de verkiezingen. Doordat enkel de (kartel)lijsten en niet de afzonderlijke partijen een boekhouding moeten publiceren, komt de transparantie van de partijfinanciering in het gedrang. De realiteit is dat we vandaag zijn aangewezen op de goodwill van de partijen zelf om te kunnen achterhalen hoe de overheidsfinanciering over de afzonderlijke kartelpartners wordt verdeeld. Een oplossing zou erin kunnen bestaan om ook de componenten van de partijen ertoe te verplichten om een gedetailleerde boekhouding te publiceren, als bijlage bij de geconsolideerde boekhouding van de partij. Wanneer twee partijen gezamenlijke lijsten indienen en dus een gezamenlijke federale dotatie ontvangen, dan worden hetzij beide, hetzij één van de kartelpartners immers beschouwd als een component van de partij, naast de fracties, de studiediensten, enz. Nu wordt van die componenten enkel een samenvattend overzicht van de inkomsten en de uitgaven opgenomen in de geconsolideerde boekhouding. Mochten ook de componenten worden verplicht om een gedetailleerde boekhouding in die zin te publiceren, dan zou meteen duidelijk worden hoe de vork aan de steel zit bij kartels. En dan zouden we opnieuw een flink stuk dichter bij het ideaal van een volledig transparante partijfinanciering staan.

Karolien Weekers en Bart Maddens
K.U.Leuven, Centrum voor Politicologie

Noten
1/ Formeel wordt een ‘politieke partij’ partij in de wet gedefinieerd als ‘een vereniging van natuurlijke personen, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, die aan door de Grondwet en de wet bepaalde verkiezingen deelneemt, die overeenkomstig artikel 117 van het Kieswetboek kandidaten voordraagt voor de mandaten van volksvertegenwoordiger en senator in elke kieskring van een gemeenschap of een gewest en die, binnen de grenzen van de Grondwet, de wet, het decreet en de ordonnantie, de totstandkoming van de volkswil beoogt te beïnvloeden op de wijze bepaald in haar statuten of haar programma.’ (Wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, art.1, 1°). Volgens deze definitie wordt het kartel als geheel dus als een politieke partij beschouwd. Daarnaast onderscheidt de wet ook de componenten van een politieke partij, meer bepaald ‘de instellingen, verenigingen, groeperingen en regionale entiteiten van een politieke partij, ongeacht hun rechtsvorm, die rechtstreeks verbonden zijn met die politieke partij’ (ibidem). Die componenten worden vervolgens limitatief opgesomd (de studiediensten, de wetenschappelijke instellingen, de vormingsinstellingen, de politieke omroepverenigingen, de financiële vzw, de arrondissementele afdelingen en de fracties). Volgens de letter van de wet valt een kartelpartij dus ook niet onder de definitie van ‘component’.
2/ De federale regelgeving houdt daarbij geen rekening met de mogelijkheid dat twee partijen slechts in een deel van de kieskringen een gezamenlijke kartellijst indienen. De Vlaamse regelgeving houdt daar wel rekening mee en bepaalt dat, indien twee partijen niet in alle kieskringen een kartel vormen, ze enkel het variabele en niet het forfaitaire deel van de dotatie krijgen (Reglement Vlaams Parlement, art. 9).
3/ Maddens B., Weekers K. en Noppe J., ‘De verkiezingsuitgaven van de Vlaamse kandidaten bij de verkiezingen van 18 mei 2003 en 13 juni 2004’, in: Res Publica, 58, 2006, 4, pp.472-492.

kartels - partijfinanciering - campagne

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 10 tot 19