Log in

De Duitse sociaaldemocratie op zoek naar een nieuw programma

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 9 (november), pagina 43 tot 50

De Duitse sociaaldemocratie historisch in de ban van het liberalisme

Na de Tweede Wereldoorlog voerden linkse regeringen in vele West-Europese landen grote hervormingen door in de traditionele kapitalistische structuren. In Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië werden spoorwegen, mijnen, staalfabrieken en energieproducerende ondernemingen genationaliseerd. In Frankrijk, Nederland en Noorwegen richtten linkse regeringen een planbureau op dat aan de bedrijven richtlijnen gaf betreffende de uit te voeren investeringen. In West-Duitsland daarentegen greep er een terugkeer plaats van een (tijdens het nazistisch regime) door de overheid overheerste economie naar een vrijemarkteconomie. Toen op 14 augustus 1949 in West-Duitsland voor het eerst vrije verkiezingen werden gehouden, bleek de coalitie van de Christliche Demokratische Union (CDU) met de Beierse Christliche Soziale Union (CSU) de sterkste groep. De sociaaldemocraten van de SPD konden hun collectivistische dromen niet realiseren omdat de grote meerderheid van de Duitse bevolking afkerig stond ten opzichte van nationaliseringen van bedrijven.
Om hun populariteit op te voeren, waren de Duitse sociaaldemocraten verplicht zich aan te sluiten bij de gedachte van een vrijemarkteconomie, gecorrigeerd door een reeks sociaal gerichte maatregelen. Op 15 november 1954 publiceerden ze hun Godesberger Programm. Naar liberaal voorbeeld werd de vrije mededinging als bron van economische vooruitgang en het behoud van een democratische maatschappij verheerlijkt. Socialistisch waren enkel het bepleiten van de nationalisering van bedrijven die over een natuurlijk monopolie beschikken en het voorzien van economische planning in door crisis getroffen sectoren. De SPD slaagde er evenwel niet in de coalitie CDU-CSU te verslaan. Pas toen in 1966 een recessie intrad en onenigheid in de regering ontstond tussen de kanselier Ludwig Erhard (CDU) en de liberale regeringspartner over het al of niet verhogen van de belastingen, moest het rechts kabinet aftreden. Er werd een coalitie gevormd van de twee grootste partijen: de CDU-CSU en de SPD. Karl Schiller (SPD), een professor economie van de universiteit van Hamburg, werd Minister van Economische Zaken. Hij lanceerde de leuze ‘Zoveel concurrentie als mogelijk, zoveel planning als noodzakelijk’. Dankzij de samenwerking met de ondernemers en syndicaten kon de overheid de loonsverhogingen beperken tot wat verantwoord was ingevolge de stijging van de productiviteit. Het succes van het economisch beleid verhoogde het vertrouwen in de SPD. Dankzij de gunstige economische evolutie en de populariteit van Willy Brandt als burgemeester van Berlijn en Minister van Buitenlandse Zaken behaalde de SPD op 18 september 1969 een verkiezingsoverwinning.

De grote coalitie van CDU-CSU en de SPD werd vervangen door een coalitieregering van de SPD met de liberalen (FDP). Willy Brandt werd kanselier en de CDU-CSU werd tot 1982 in de oppositie gedrongen. In dat jaar kwam een coalitie van de CDU-CSU met de liberalen tot stand onder leiding van Helmut Kohl. Die trad op 26 oktober 1998 af wegens financieel gesjoemel met overheidsgeld. De SPD won vervolgens de verkiezingen en Gerhard Schröder werd het hoofd van een regering van de SPD met de Groenen. Door de verkiezingen van november 2005 verloren de SPD en de Groenen hun parlementaire meerderheid, maar ook de oppositiepartijen konden geen regering vormen. De enige oplossing was de huidige coalitie van de twee grootste partijen: de CDU-CSU en de SPD. Zal dit gedwongen huwelijk eindigen zoals in 1969? Namelijk met een verkiezingsoverwinning van de SPD? (FAZ, 27/08/2007)

Socialistische aspiraties bij een groot deel van de Duitse bevolking

Deze regering van de grote coalitie voerde aanvankelijk een rechts beleid. Het beperken van de werkloosheidsuitkeringen tot een jaar na het ontslag, een maatregel van Gerhard Schröder, bleef behouden. De btw werd overeenkomstig het partijprogramma van de CDU-CSU met 2% verhoogd. De belastingen op de bedrijven werden verlaagd teneinde delokaliseringen naar lageloonlanden tegen te gaan.
De meeste werknemers zijn er echter van overtuigd dat ze door dit rechts beleid weinig voordeel halen uit de huidige hoogconjunctuur. Het zijn de managers en aandeelhouders van de grote Duitse bedrijven die het grootste deel van de supplementaire inkomsten opstrijken. Uit een onderzoek uitgevoerd door het bureau Emnid, in opdracht van het dagblad Die Zeit, blijkt dat een meerderheid van de Duitsers nu gewonnen is voor:
- meer staatsinterventie met het oog op het bestrijden van de nadelige gevolgen van de vrije mededinging en de economische globalisatie op de inkomensverdeling;
- afwijzen van privatiseringen van overheidsbedrijven zoals de spoorwegen, de post en de overheidsbanken van de diverse deelstaten;
- de afbouw van de atoomcentrales en grotere investeringen in alternatieve energiebronnen;
- het invoeren van een systeem van minimumlonen, teneinde aan alle werknemers en hun families een aanvaardbare levensstandaard te waarborgen; 72% van de ondervraagden was van oordeel dat de regering te weinig onderneemt om een maatschappij gebaseerd op sociale rechtvaardigheid te realiseren. Zelfs 68% van de kiezers van de liberale FDP was van mening dat het noodzakelijk is minimale lonen te voorzien (DZ, 09/08/2007).

Op basis van deze gegevens zou men verwachten dat bij de volgende verkiezingen (als de grote coalitie uiteenvalt) de linkse partijen SPD, de Groenen en Die Linke een overwinning zouden behalen. Die Linke is een coalitie van de gewezen Oost-Duitse communisten (PDS) met een beweging opgericht door Oskar Lafontaine. Hij was van 1995 tot 1999 partijvoorzitter van de SPD, maar trad af omdat hij het niet kon vinden met het vrij conservatief beleid van Gerhard Schröder (FAZ,18/06/2007).
Indien nu verkiezingen worden gehouden, zouden (volgens een onderzoek in oktober 2007 van het weekblad Der Spiegel) de CDU-CSU 39% en de FDP 8% van de stemmen behalen. De rechtse partijen zouden dus geen meerderheid bereiken in de Bundestag. De linkse partijen zouden, volgens datzelfde onderzoek, echter al evenmin een meerderheid van de zetels bekomen: de SPD zou slechts 28% van de stemmen krijgen, Die Linke 11% en de Groenen 10%, samen dus goed voor 49% (DS, 29/10/2007).
Angela Merkel is er zich van bewust dat ze, ondanks haar persoonlijke populariteit, niet met de liberalen zou kunnen regeren. Daarom wenst ze in het programma van haar partij en van de regering populaire doelstellingen op te nemen die in de regel verdedigd worden door de linkse partijen.

Angela Merkel voert een politiek met linkse en rechtse toetsen

Duitsland kent sedert het begin van 2006 een conjunctureel herstel. Het bruto binnenlands product (bbp) steeg met 2,5% (KHA, februari 2007, p.73). Voor 2007 is nog geen cijfer bekend, maar men verwacht een groei van 2,6% (NRC,11/09/2007, int.). Door de grote vraag naar uitrustingsgoederen vanwege de nieuwe EU-lidstaten en grote landen als China en Rusland is een op acht Duitse jobs een gevolg van de uitvoer.1 Mede hierdoor is de werkloosheid gedaald en het inkomen van veel Duitse gezinnen gunstig geëvolueerd. Hun vraag naar goederen en diensten is toegenomen. Dit heeft op zijn beurt de hoogconjunctuur aangewakkerd.
Samen met de verhoging van de btw heeft de hoogconjunctuur geleid tot een stijging van de belastingsopbrengst. De Minister van Financiën Peer Steinbrück (SPD) deelde op de samenkomst van de regeringleiders te Meseberg in Brandenburg mee dat de begroting van 2007 zou worden afgesloten met een tekort van slechts 0,2% van het bbp. In 2006 was dit nog 1,6% (DS, 10/09/2007).
Optimisten beweren dat minister Steinbrück opzettelijk een klein tekort voorspelt omdat hij bij een aankondiging van een begrotingsoverschot vreest dat te veel ministers voorstellen tot het opdrijven van de uitgaven zullen voorleggen. Zo verlangt de meerderheid in Merkels partij om een begrotingsoverschot aan te wenden voor belastingsverminderingen. In mei 2007 werd de vennootschapsbelasting al verlaagd van 39 tot 30%.

Merkel is met haar sociaaldemocratische regeringspartners te Meseberg overeengekomen geen verdere verlaging van de bedrijfsbelastingen toe te staan. Een overschot in de begroting zal worden aangewend voor milieubeleid, familiale politiek en sanering van de financiën van de ziektezorg.
De uitstoot van koolzuurgas zou tegen 2020 met 40% moeten dalen ten opzichte van 1990 (FAZ, 23/08/2007, int.). Angela Merkel wenste evenwel geen verhoging van de belastingen op de grote wagens, om de afzetmogelijkheden van Duitse firma’s als Mercedes, BMW en Porsche niet in gevaar te brengen. Ze aanvaardde dat de directeur van Porsche tijdens een vergadering van de Europese Commissie het voorstel bestreed om de belastingen op grote, energieverslindende wagens te verhogen. Eigenlijk wenst ze dus eerder een ‘zacht’ energiebeleid dat de Duitse industriële ontwikkeling niet afremt (DZ, 06/06/2007). De Duitse delegatie bereikte dat pas in 2012 de gemiddelde CO2-uitstoot van auto’s zal worden gereduceerd van 160 tot 120 mg per km.
Inzake familiale politiek wenst Merkel het voor de werkende vrouwen gemakkelijker te maken buitenhuiselijke arbeid te combineren met kinderzorg. Daartoe wil ze met subsidies de oprichting van kindercrèches aanmoedigen. Aan de gemeentelijke overheden zullen vanaf januari 2008 financiële middelen worden verstrekt om kindercrèches op te richten en pleegmoeders aan te werven. In de jaren 2008-2013 zullen 750.000 opvangplaatsen voor baby’s worden gecreëerd. De regering zal hiertoe 2,15 miljard euro beschikbaar stellen (FAZ, 29/08/2007).
Wat de financiering van de gezondheidszorg betreft, is een hervorming noodzakelijk. Er bestaan naast elkaar een officieel systeem van gezondheidszorg (gefinancierd door bijdragen van de werkgevers en werknemers) en een systeem van verzekering met premiebetaling door privépersonen. Wie geniet van een ziekteverzekering in het officieel systeem mag gratis een dokter raadplegen. Op een specialist mag hij slechts gratis beroep doen mits een doorverwijzing van zijn huisdokter. Dit systeem leidt tot een hoge consumptie aan gezondheidszorgen, gezien noch de dokters noch de patiënten er belang bij hebben de raadplegingen te beperken. Het invoeren van een remgeld zou de kosten drukken, maar tegelijk de armere patiënten ertoe aanzetten doktersbezoek uit de weg te gaan. Het zou dus een asociaal effect ressorteren.
Kanselier Angela Merkel bekende te Meseberg dat ze nog niet had berekend hoeveel haar ecologisch en sociaal beleid zou kosten (FT, 25/08/2007). De meeste conservatieve leden van de CDU bekritiseren haar beleid, maar durven haar regering niet ten val te brengen. Ze vrezen dan de volgende verkiezingen te verliezen.

De CDU zal op 2 december 2007 een congres te Hanau houden, alwaar de CDU-minister-presidenten van meerdere deelstaten met elkaar zullen debatteren (DW, 04/09/2007). De twee belangrijkste concurrenten van Merkel voor het CDU-voorzitterschap, Roland Koch (minister-president van Hessen) en Christian Wulff (minister-president van Niedersachsen), moeten zich voorbereiden op verkiezingen in hun deelstaat begin 2008. Ze vermijden daarom een te rechts programma. Roland Koch, die als een rechtse hardliner staat aangeschreven, verklaarde in Die Welt dat hij geen tegenstander is van een sociale politiek, maar dat men evenwel niet te vlug mag hervormen gezien de kiezers tijd nodig hebben om zich aan nieuwe wetten aan te passen (DW, 04/09/2007).

SPD staat voor moeilijke keuze

De sociale plannen van Angela Merkel hebben de SPD in een moeilijke positie gebracht. Ze kan tegen Merkel niet opbieden inzake sociaal beleid, want dan dreigt een overheidsdeficit en moet hun eigen Minister van Financiën Peer Steinbrück ingrijpen. Bij het overleg inzake het beleid voor de volgende twee jaar (te Meseberg) werd tussen de CDU-CSU en SPD ministers op de meeste punten een akkoord bereikt, maar er blijven twistpunten.
De vice-kanselier Franz Müntefering (SPD) wenst bijvoorbeeld een wetsontwerp in te dienen om in alle bedrijfstakken een minimumloon in te voeren. Nu bestaat zo’n systeem alleen in de bouw, afbraakbedrijven, ondernemingen voor schilderwerken en dakwerken (FAZ, 18/09/2007). Müntefering wil dat ook de 200.000 werknemers van de Posterijen door zo’n systeem beschermd worden. Hij wil daarenboven de evolutie van de werklozensteun koppelen aan deze van dit minimumloon. Dit voorstel zou een stijging van de werklozensteun tot gevolg hebben. Het verwekte dan ook heftige oppositie binnen de CDU (DW, 03/08/2007), maar werd op de vergadering te Meseberg echter niet eens besproken!
Ook inzake het energiebeleid verschillen de SPD en de CDU-CSU van mening. De SPD Minister voor Milieubeleid Sigmar Gabriel wil de wet betreffende de afbouw van de kerncentrales, goedgekeurd onder de coalitie van de SPD en de Groenen, uitvoeren. De minister stelt voor zeven oude atoomcentrales nog tijdens deze legislatuur te sluiten en als tegenprestatie de voorziene levensduur van de moderne centrales te verlengen. Dit voorstel wordt door de Groene parlementsleden gesteund, maar door de CDU-CSU en de liberalen verworpen. De CDU Minister voor Industrie Michael Glos stelt dat de alternatieve methodes om energie te produceren onmogelijk de elektriciteit zullen leveren die de Duitse nijverheid nodig heeft. Volgens de vigerende wetgeving moeten tegen 2009 echter vier kerncentrales worden gesloten. Dit zou de uitschakeling betekenen van een achtste van de huidige stroomproductie (FAZ, 03/09/2007).

Maar ook binnen de SPD heerst er onenigheid. Zo wensen heel wat SPD-leden de sympathie van de jongeren te winnen door de verplichte legerdienst af te schaffen. Nu overtreft het aantal dienstplichtigen de behoeften van het Duitse leger en worden veel vrijstellingen verleend. Andere SPD-leden stellen voor het principe van de dienstplicht te behouden, en alleen jongeren die een legerdienst wensen te vervullen, te mobiliseren. Er is binnen de SPD ook heel wat weerstand tegen de deelname van Duitse troepen aan de VN-interventie in Afghanistan. De leiding van de partij is evenwel niet bereid nu reeds in beide zaken een beslissing te effen. Een ander probleem waarover in de partij onenigheid heerst, is het voorstel van de SPD Minister van Verkeerswegen Wolfgang Tiefensee om de spoorwegen gedeeltelijk te privatiseren. De Duitse spoorwegen hebben dringend behoefte aan een grote kapitaalsinjectie om het net te verbeteren en lijnen voor hogesnelheidstreinen aan te leggen. Gezien de federale regering de financiële last van die projecten liever niet op zich wenst te nemen, wordt uitgekeken naar privé-investeerders.Tiefensee heeft een wetsontwerp voorbereid waarbij de overheid de eigendom van het net behoudt, maar de exploitatie overgemaakt wordt aan een gemengde maatschappij met een privé-participatie. In de rangen van de SPD is verzet gerezen tegen dit ontwerp. Men vreest dat een dergelijke gemengde maatschappij de prijs van de reiskaartjes zal opvoeren en bovendien minder rendabele verbindingen zal afschaffen (FAZ, 17/09/2007). Andrea Ypsilanti, de SPD-kandidate voor het presidentschap in de deelstaat Hessen, stelt voor de kapitaalsinjectie te realiseren door de uitgifte van een zogenaamde ‘Volksanteile’. Die zouden geen stemrecht in de beheerraad van de spoorwegen verlenen, maar elk jaar een dividend opleveren van minstens 5% (DZ, 06/09/2007).

Het is duidelijk dat de tegenstelling tussen de linker- en de rechtervleugel in de SPD toeneemt. Na het vertrek van Gerhard Schröder werd Franz Müntefering partijvoorzitter en vervolgens vice-kanselier. Zijn opvolger Matthias Platzeck, minister-president van de deelstaat Brandenburg, werd ziek en werd in april 2006 opgevolgd door Kurt Beck, minister-president van Rheinland-Pfalz.
Er was ondertussen heel wat verzet gerezen tegen het uitgesproken rechtse beleid van de SPD-leiding. Heel wat leden namen ontslag en de partij leed bij verkiezingen in de deelstaten regelmatig een nederlaag. Slechts in 5 van de 16 deelstaten neemt de SPD nog deel aan de regering (DS, 22/10/2007). Kurt Beck tracht tussen de linkse en rechtse strekkingen te bemiddelen en krijgt daardoor veel steun vanwege de talrijke partijleden die een scheuring willen vermijden (DW, 05/09/2007). Hij mist charisma, maar is een harde werker. Zo bereidde hij een ontwerp van een Grundsatzprogramm voor. Dit ontwerp werd begin 2007 op het congres te Bremen aan de regionale partijorganisaties overgemaakt. Meer dan 300 amendementen werden op dit ontwerp ingediend. In dit geamendeerd ontwerp wordt gesteld dat de SPD streeft naar een ‘vrije, rechtvaardige en solidaire maatschappij. Aan iedereen moet de mogelijkheid worden gegeven zich zo op te leiden dat hij arbeid kan vervullen dat hem een voldoende inkomen verzekert en geen gevaar inhoudt voor zijn gezondheid. De partij wenst daarom in alle industrie- en dienstentakken het minimumloon in te voeren’.

Op haar recent congres te Hamburg (26 tot 29 oktober) werd het gewijzigde Grundsatzprogramm goedgekeurd. Dit stemde Franz Müntefering tevreden want zijn voorstel om in alle industrietakken minimumlonen in te voeren, werd door Kurt Beck bijgetreden. Wat de onenigheid tussen Müntefering en Beck betreft, over het al of niet toekennen van twee (in plaats van één) jaar steun aan werklozen van meer dan 45 jaar, werd een compromis gevonden. Müntefering zal in de regering Becks voorstel verdedigen, maar zal (om de kosten te beperken) aanvaarden het recht op steun voor jongere werklozen in te korten.
Op het congres steunde Gerhard Schröder de kandidatuur van Kurt Beck voor een nieuw mandaat als partijvoorzitter. Beck verkreeg 95% van de stemmen, wat zijn prestige fel verhoogde. Hij vermeed onderwerpen waarover in de partij onenigheid heerst, maar bepleitte in zijn redevoering een beleid dat gericht is op de belangen van de meerderheid van de werkende bevolking. Beck beloofde onder meer volgend jaar het land rond te reizen om te vernemen wat de leden van de verschillende partijafdelingen wensen. Problemen waarover geen eensgezindheid heerst, zullen worden bestudeerd door commissies (DS, 22/10/2007).
Het is duidelijk dat hij een linkser beleid wenst te voeren om kanselier Merkel, tegen de verlangens van de meerderheid van haar partij in, te dwingen sociale maatregelen, voorgesteld door de socialisten, bij te treden. Beck hoopt op die manier zijn populariteit te verhogen en vele linkse socialisten die geneigd zijn zich aan te sluiten bij Die Linke ervan te overtuigen bij de volgende verkiezingen toch voor de SPD te stemmen. Merkel zit uiteraard verveeld met het socialistisch voorstel om de werklozen ouder dan 45 jaar recht te geven op twee jaar steun. De rechtse vleugel van haar partij werpt op dat ingevolge de hoogconjunctuur de meeste werklozen gemakkelijk een job kunnen vinden. Wie toch werkloos blijft, wenst niet te werken of arbeidt in de alternatieve sector met een inkomen dat veelal hoger is dan dit van reguliere werknemers. Deze stelling gaat echter niet op voor werklozen in de gewezen DDR. Daar komt nog veel onvrijwillige werkloosheid voor (HFD, 10/09/2007, int.). Al deze werklozen na enige tijd verwijzen naar de openbare onderstand leidt tot uitwijking van vele jongeren naar het Westen. De Oost-Duitse deelstaten komen hierdoor in een algemene recessie terecht, want de daling van de inkomens verwekt een vermindering van de afzet van de plaatselijke middenstandsbedrijven.

Kurt Beck gokt erop dat Angela Merkel bereid zal zijn een deel van de hogere uitgaven voor werklozensteun met een overheidssubsidie te dekken, indien de begroting kan worden afgesloten met een klein overschot. Dit zou een breuk in de regeringscoalitie voorkomen en beletten dat Beck nu niet met verkiezingen wordt geconfronteerd. Gezien de populariteit van Merkel is hij immers niet zeker de verkiezingen te winnen. Beck hoopt ondertussen dat Die Linke bij de verkiezingen in de deelstaten Hamburg, Hessen en Niedersachsen minder dan 5% zal behalen en bijgevolg geen zetels in die deelparlementen zal bekomen. Bij de volgende Bundestag-verkiezingen zullen dan veel linkse socialisten voor de SPD stemmen uit vrees dat een stem voor Die Linke geen zetel oplevert. De SPD zou dan bijna zoveel zetels verwerven als de CDU-CSU, waardoor Beck met de liberalen een regering zou kunnen vormen (DW, 05/09/2007). Beck regeert in zijn deelstaat immers samen met de liberalen en meent dat ze ook op het nationale niveau bereid zijn tot een dergelijke coalitie.

Indien de liberale FDP en de SPD samen niet genoeg zetels zouden verwerven, kan Beck ook op de Groenen beroep doen. De liberale woordvoerder in de Bundestag, Guido Westerwelle, bekritiseert regelmatig Merkels politiek, maar is echter een tegenstander van de sluiting van de kerncentrales, hetgeen ingaat tegen het programma van de Groenen (DW, 13/09/2007).
Jürgen Trittin, fractieleider van de Groenen, verkiest op zijn beurt dan weer een coalitie met de SPD en Die Linke (Rot, Rot, Grün). De burgemeester van Berlijn, Klaus Wowereit, is eveneens voorstander van zo’n coalitie, maar vreest dat Beck en Lafontaine elkaar niet kunnen uitstaan zodat na de verkiezingen van 2009 zo’n coalitie uitgesloten blijft (DS, 22/10/2007). SPD Minister van Financiën Peer Steinbrück steunt dan weer de anti-Lafontaine houding van Beck. Hij beweert dat als de SPD een uitgesproken linkse koers inslaat ze veel stemmen aan de rechtse partijen zal verliezen. Vele vakarbeiders aanvaarden niet dat oudere werklozen vroegtijdig stoppen met werken en dan teren op de bijdragen van degenen die verder arbeiden (DS,15/10/2007).

Beck staat dus voor een moeilijke keuze. De meeste SPD ministers wensen de samenwerking met de CDU-CSU tot in 2009 verder te zetten. Dit houdt evenwel in dat Merkel haar populariteit kan verhogen door regelmatig op de televisie te verschijnen als verdedigster van de Duitse belangen tegenover de vooraanstaande leiders van de grote naties. Uit een opinieonderzoek van Der Spiegel blijkt dat 56% van de Duitsers Merkel waardeert voor haar buitenlands beleid, maar slechts 19% ingenomen is met haar binnenlandse en 13% met haar sociale politiek (DS, 29/10/2007). Het is dus weinig waarschijnlijk dat bij verkiezingen in de deelstaten, waar uitsluitend binnenlandse problemen ter sprake komen, de CDU haar sterke positie zal bewaren. Vallen de verkiezingen in de drie voormelde deelstaten voor de SPD gunstig uit, dan zal Beck wellicht Merkel confronteren met sociale eisen die voor haar conservatieve achterban onaanvaardbaar zijn. In dat geval valt de regering en komen er vervroegde verkiezingen.

Conclusie

Zoals hiervoor uiteengezet, was Duitsland het eerste Europese land na WO II waar de socialistische partij overschakelde van een marxistische doctrine (gericht op geleidelijke etatisering van de economie) naar een pleidooi voor een vrijemarkteconomie. Ook na de ineenstorting van het Sovjet-imperium zweeg de SPD over de wenselijkheid van een gemengde economie. In tegenstelling tot andere Europese landen grepen er onder de Duitse rood-groene regering privatiseringen van overheidsbedrijven plaats. Meteen werd door het globaliseringsproces aan bedrijven de mogelijkheid geboden arbeidsintensieve onderdelen van hun producties over te brengen naar lageloonlanden. Dit leidde niet alleen tot het teloorgaan van vele jobs voor arbeiders en bedienden, maar het betekende ook dat goed opgeleide technici en managers niet meer veilig zijn voor het verlies van hun betrekking en voor een substantiële daling van hun inkomen.
De sociaaldemocratische partijen bleken in de meeste landen niet in staat tegen deze evolutie in te gaan. Dit verwekte twee antipodische reacties. In sommige landen zoals Frankrijk en België verloren de socialistische partijen een deel van hun kiezerskorps aan ultra-nationalistische partijen die propaganda voerden tegen de inwijking van vreemdelingen. In andere landen, waaronder Duitsland met Die Linke en Nederland met de SP, groeit er een linkse oppositie tegen de traditionele sociaaldemocratische partij. Deze oppositie vindt gehoor bij een toenemend deel van de bevolking die niet meer gelooft in de weldaden van de socialemarkteconomie en die maatregelen verlangt tegen de nadelige gevolgen van de globalisering. Binnen de betrokken sociaaldemocratische partijen leidt dit tot een splitsing in een rechtervleugel (die een beleid voortzet in de trend van het verhogen van de concurrentiekracht van de bedrijven) en een linkervleugel (die aansluiting zoekt bij de linkse beweging). Wie in die strijd het overwicht zal halen, zal van land tot land verschillen. Wat Duitsland betreft, verklaarde Gerhard Schröder dat een fusie tussen de SPD en Die Linke op lange termijn onvermijdelijk is (DS, 22/10/2007).

Of er in Duitsland (indien niet in 2009, dan toch in 2013) een linkse regering tot stand zal komen die, in een klimaat van een toenemende liberalisering van de handel en kapitaalsbewegingen, een voldoende sociaal beleid op gang kan brengen, is moeilijk te voorzien. Het gevaar bestaat dat, indien zoals in België en Nederland de socialistische partij er niet in slaagt de werknemers tegen massale afdankingen te beschermen, racistische partijen als het Vlaams Belang en de Partij van de Vrijheid daaruit voordeel halen. In Duitsland verwierf de racistische Nationaldemokratische Partei (NPD) op het einde van de jaren 1960 zetels in de parlementen van zeven westelijke deelstaten. Ingevolge twisten onder haar leiders en de oprichting van concurrerende partijtjes gingen deze machtsposities weer verloren. Pas na 2000 verwierf ze opnieuw zetels in twee deelstaten van de gewezen DDR, namelijk in Sachsen (in 2004) en in Mecklenburg-Vorpommern (in 2006). Dit wijst erop dat het neofascisme vooral doorbreekt in streken met hoge werkloosheid. Op die plaatsen wordt de inwijking van vreemdelingen aangevoeld als een gevaar voor de werkgelegenheid en het behoud van een relatief gul systeem van gezondheidszorg en sociale hulpverlening. Om de opmars van dergelijke neofascistische bewegingen af te remmen, is een planmatig industrialisatiebeleid noodzakelijk. De Franse president Nicolas Sarkozy heeft bijvoorbeeld duidelijk te kennen gegeven dat hij een dergelijk beleid zal voeren om de modernisering van de Franse industriële structuur te waarborgen. In Duitsland zou zo’n beleid een terugkeer inhouden naar de politiek van Karl Schiller. Hij was Minister van Economie in de coalitieregering van CDU’er Kurt Georg Kiesinger (1966-69) en in die van de SPD met de FDP onder leiding van Willy Brandt. Wat het gevaar van een herleving van de NPD wel enigszins kan afremmen, is de opkomst van concurrerende bewegingen. Zo heeft de Partij van de Vrijheid in Nederland een concurrent in de beweging van Rita Verdonck. In Vlaanderen verloor het Vlaams Belang bij de voorbije verkiezingen stemmen aan de partij van Jean-Marie Dedecker. Opportunisten gebruiken het wantrouwen ten opzichte van de traditionele partijen om een parlementszetel te verwerven.

Gaston Vandewalle 2
Professor emeritus Universiteit Gent

Noten
1/ Hyeong-Ki Kwon, Markets, Institutions and Politics under Globalisation, In: Comparative Political Studies, februari 2004, p. 89.
2/ Met mijn beste dank aan Dr E. Stetter, directeur van de Friedrich Ebert Stiftung in Brussel voor het verstrekken van aanvullende inlichtingen.

*Gebruikte afkortingen: *
DS: Der Spiegel; DW: Die Welt; DZ: Die Zeit; FAZ: Frankfurter Allgemeine Zeitung; HFD: Het Financieel Dagblad; KHA: Keesing Historisch Archief; NRC: NRC Handelsblad

sociaaldemocratie - Duitsland - SPD

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 9 (november), pagina 43 tot 50