Log in

'Vlaamse' en 'Belgische' betogers onder de loep

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 2 (februari), pagina 27 tot 35

In de aanloop naar en in de nasleep van de verkiezingen van 10 juni 2007 liepen de communautaire spanningen hoog op. De partijen profileerden zich sterk op communautaire thema’s en de massamedia besteedden erg veel aandacht aan de tegenstellingen tussen Vlamingen en Franstaligen. Maar de Belgen zouden geen echte Belgen zijn als ze niet naar één van hun meest vertrouwde middelen grepen om druk uit te oefenen op de politiek en om hun ongenoegen over de gang van zaken te uiten: betogen. België is hét land van de betogingen. Nergens ter wereld rapporteren burgers in hogere mate dat ze ooit aan betogingen hebben deelgenomen dan bij ons, en Brussel is zonder twijfel één van de betogingshoofdsteden van de wereld. Als het politiek spant, dan trekken Belgen de straat op. Zo ook in 2007 toen de communautaire conflicten crescendo gingen. Op 6 mei 2007, dus voor de verkiezingen, betoogden op initiatief van het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV) ongeveer 1.500 Belgen in Sint-Genesius-Rode. Ze kwamen op straat voor een vergaande staatshervorming, voor de splitsing van België en voor de onafhankelijkheid van Vlaanderen. Goed een half jaar na de verkiezingen, op 18 november 2007, toen de regeringsonderhandelingen op de klippen liepen door de communautaire tegenstellingen, verzamelden meer dan 20.000 Belgen in Brussel voor de eenheid van België. Zij beantwoordden daarmee aan de oproep van Marie-Claire Houard die een aantal weken daarvoor ook al een grootschalige (online) petitie startte om de eenheid van België te bewaren. Hun belangrijkste eis: dat de politiek zich niet langer zou bezighouden met het communautaire maar met de ‘echte problemen van de mensen’.

Beide betogingen vertolkten een eisenpakket dat lijnrecht tegenover elkaar staat: meer Vlaanderen versus meer België (of zeker niet mínder België). In dit artikel gaan we na of deze betogingen ook qua deelnemers van elkaar verschillen. Zijn ze elkaars tegenpolen of zijn ‘Vlaamse’ en ‘Belgische’ betogers, ondanks hun diametraal tegengestelde opvattingen, toch min of meer van hetzelfde soort? We denken zo ook iets te kunnen bijleren over de ‘Vlaamse’ en de ‘Belgische’ strijd. Door welke segmenten van de bevolking wordt die gedragen? In welke mate verschilt de Vlaamse beweging van de ‘Belgische beweging’ (als die al bestaat)? Met andere woorden: wie er voor wat op straat komt, kan ons heel wat bijbrengen over de structuur van de communautaire breuklijn die ons land het laatste jaar, en vermoedelijk in de jaren die nog komen, politiek sterk heeft beziggehouden.

Waarop baseren we ons als we uitspraken doen over wie er op straat is gekomen op 6 mei en op 18 november 2007? Op beide betogingen organiseerde de onderzoeksgroep Media, Middenveld & Politiek (M²P) van de Universiteit Antwerpen een bevraging onder de deelnemers. Op de Mars voor Vlaamse onafhankelijkheid in Sint-Genesius-Rode werden 554 betogers ter plekke onderworpen aan een korte vragenlijst. Op de Mars voor Eenheid waren dat er 515. Voor beide betogingen was een goede 43 percent (respectievelijk 235 en 221 respondenten) bovendien bereid om nadien thuis een uitgebreidere lijst in te vullen en terug naar de onderzoekers op te sturen. De selectie van de respondenten tijdens de betogingen werd opgezet volgens een specifieke, beproefde methode die er voor zorgt dat elke betoger evenveel ‘kans’ heeft om te worden geselecteerd voor bevraging (voor meer details over de methode zie www.m2p.be). De mensen die weigerden mee te doen aan de korte face-to-face bevraging waren op één hand te tellen. Onze ervaring leert inderdaad dat de overgrote meerderheid van betogers bereid is om in een kort praatje een aantal vragen te beantwoorden. Veel minder mensen zijn bereid om ook thuis nog een langere vragenlijst in te vullen. Maar door de uitgebreide postenquête aan het face-to-face gedeelte te koppelen weten we op een aantal belangrijke variabelen welke personen hun vragenlijst terugsturen en welke niet. We kunnen dus de zogenaamde response bias inschatten. Op de twee betogingen waarvan sprake, was het verschil op deze variabelen tussen beide groepen, degenen die alleen mondeling meewerkten en degenen die ook nog een postenquête invulden, telkens niet significant.1 Dat versterkt ons vertrouwen dat de resultaten die we hieronder voorstellen als een min of meer representatieve steekproef van de populatie van beide betogingen kunnen worden beschouwd.2

We hebben het in wat volgt eerst over de redenen waarom de twee groepen betogers op straat kwamen, dan over hun politieke voorkeuren en politieke attitudes, vervolgens over hun socio-demografisch profiel, om af te sluiten met de manier waarop ze gemobiliseerd werden.

Waarvoor komen ‘Vlamingen’ en ‘Belgen’ op straat?

Laten we beginnen met het doel van de twee betogingen. Het is nogal logisch dat die sterk van elkaar verschillen. De belangrijkste eis van de betoging in Sint-Genesius-Rode was de splitsing van België en de onafhankelijkheid van Vlaanderen. Zo’n 56 percent van de ondervraagde betogers vindt deze eis de belangrijkste doelstelling van de betoging. Een goede 26 percent kwam in de eerst plaats op straat om te eisen dat ‘de strijd voor Vlaamse onafhankelijkheid op alle fronten moet worden aangepakt’. Samengeteld betekent dit dat 82 percent van de betogers op 6 mei in de eerste plaats op straat kwam voor Vlaamse onafhankelijkheid. De resterende 18 percent komt ofwel in de eerste plaats op straat om hun solidariteit te tonen met de inwoners uit de Vlaamse rand rond Brussel (5 percent), om de jarenlange communautaire wantoestanden aan te klagen (6 percent), of om politici onder druk te zetten om iets aan de situatie te doen (7 percent).

Diametraal daaraan tegengesteld zijn de doelen van de betogers op de Mars voor Eenheid op 18 november. De grootste groep kwam in de eerst plaats op straat voor de eenheid van België (45 percent). Zo’n 24 percent zegt in de eerst plaats de solidariteit tussen Vlamingen en Walen te willen uitdrukken. Ongeveer 23 percent komt in de eerste plaats op straat om de politici duidelijk te maken dat ze zich met meer dringende zaken moeten bezighouden dan de staatshervorming. De overige 9 percent wil in de eerste plaats aantonen dat slechts een minderheid van de Belgen voor een verdere hervorming van de staat is. We stelden de ‘Belgische’ betogers geen vragen over het terugschroeven van de regionalisering van bevoegdheden en kunnen dus geen antwoord geven op de vraag of het hier echte belgicisten betreft die de staatshervorming ook echt willen omkeren.

Komen betogen voor één of andere zaak is één ding, maar hoe worden de kansen ingeschat dat het doel ook zal worden bereikt? De meningen zijn in beide betogingen verdeeld. De betogers op de Vlaamse Mars zijn ronduit pessimistisch ingesteld: 52 percent zegt dat de betoging er niet in zal slagen haar doel te bereiken, 22 percent houdt het schip in het midden en 26 percent meent dat de betoging wel succes zal kennen. De betogers op de Mars voor Eenheid zijn een stuk optimistischer: meer dan een derde denkt dat de betoging zijn doel zal bereiken. Een even groot aantal respondenten denkt echter van niet of houdt er een neutrale mening op na. De verschillen tussen ‘Vlaamse’ en ‘Belgische’ betogers zijn waarschijnlijk voor een stuk terug te voeren tot de aard van hun eisen: Vlaamse onafhankelijkheid is een radicale eis die helemaal breekt met het status-quo. De kans dat een betoging zal helpen om zulk revolutionair doel te bereiken, moet inderdaad als laag worden ingeschat. Helemaal anders ligt dat bij de Mars voor Eenheid. België bestaat en het is tot nader orde nog steeds één. In zekere zin kwamen de ‘Belgische’ betogers dus op straat voor het behoud van het status-quo; en dat is natuurlijk veel makkelijker realiseerbaar dan de revolutionaire Vlaamse eis. Opvallend is dat beide groepen pessimistisch gestemd zijn als het aankomt op de responsiviteit van de politici. Diegenen die in de Mars voor Eenheid in de eerste plaats politici willen vragen zich met de ‘echte problemen’ bezig te houden, zijn het minst overtuigd dat de betoging dit doel zal helpen bereiken. Ook op de Vlaamse Mars zijn diegene die in de eerste plaats op straat komen om politici onder druk te zetten pessimistischer wat betreft de effectiviteit van de betoging dan hun collega-betogers. Beide groepen voelen zich dus niet gehoord door de politieke klasse. En dat is waarschijnlijk ook de reden dat ze op straat komen.

Vlaams Belang versus Franstalige partijen

Ondanks het gebrek aan vertrouwen in de reactie van politici op de betoging konden beide betogingen op heel wat openlijke steun van politici rekenen, weliswaar uit twee totaal verschillende kampen. De Mars voor Eenheid kreeg heel wat bijval van (voornamelijk) Franstalige politici: onder meer de Donnea (MR), Di Rupo (PS), Durant (Ecolo) en Milquet (cdH) tekenden present. Op de Vlaamse Mars liepen er heel wat prominente partijfiguren van het Vlaams Belang mee, zoals Filip Dewinter, Gerolf Annemans en Frank Vanhecke. We kunnen verwachten dat de partijvoorkeur van de betogers zelf ook sterk verschilt. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. Tabel 1 geeft de resultaten. We vergelijken de stemintentie van de Vlaamse Mars met het echte stemgedrag op 10 juni 2007 van de Belgische Mars.

Tabel 1. Stemvoorkeur voor de federale verkiezingen van 10 juni 2007 (in %)

Noot: Op beide betogingen werd gepeild naar de stemkeuze voor de federale verkiezingen van 10 juni 1007. Voor de Vlaamse Mars betekent dit correcter de voorkeur en niet de eigenlijke keuze. De verkiezingen moesten immers nog plaatsvinden.

Op de Vlaamse Mars is het overgrote deel van de betogers van plan om op het Vlaams Belang te stemmen (66 percent). Het gaat dus om het meest radicale deel van de Vlaamse beweging die op 6 mei 2007 op straat kwam, dat zich in de marge van het Vlaamse partijlandschap bevindt. Ongeveer 20 percent van de Vlaamse betogers zegt op het Vlaams kartel (CD&V/N-VA) te zullen stemmen, vermoedelijk gaat het hier vooral om N-VA-kiezers. De andere partijen zijn totaal afwezig. Op de Mars voor Eenheid is de politieke diversiteit veel groter. Vooral de Franstalige liberalen (23 percent), de Franstalige groenen (21 percent) en de Franstalige christendemocraten (16 percent) zijn sterk vertegenwoordigd. Bij de relatief zwak vertegenwoordigde Vlaamse politieke partijen is Open Vld (10 percent) de relatieve uitschieter. Op de Belgische betoging zijn vooral de socialistische kiezers, zowel aan Vlaamse als aan Franstalige kant, helemaal niet sterk aanwezig. Socialisten lijken niet zo wakker te liggen van de eenheid van België (maar ook niet van de onafhankelijkheid van Vlaanderen).

Naast de sterk verschillende politieke voorkeur verschillen beide groepen betogers ook nog op andere politieke attitudes. Zo zegt maar liefst 58 percent van de betogers op de Vlaamse Mars heel ontevreden en slechts 3,5 percent (heel) tevreden te zijn over de werking van de democratie in België. Bij de Mars voor Eenheid is dat respectievelijk 6 percent en 46 percent van de deelnemers. ‘Vlaamse’ betogers zijn dus fundamenteel ontevreden over de Belgische democratie, dat verklaart hun hang naar een onafhankelijk Vlaanderen, terwijl ‘Belgische’ betogers best tevreden zijn.

Socio-demografisch profiel van de betogers

De ‘Vlaamse’ en ‘Belgische’ betogers komen dus voor andere redenen op straat, ze verschillen van elkaar qua optimisme, ze stemmen op andere partijen en denken anders over de Belgische democratie. Betekent dat het ook socio-demografisch gesproken om andere groepen gaat? Niet helemaal. De verschillen qua geslacht, leeftijd en diploma zijn substantieel maar toch ietwat kleiner. Op de Vlaamse Mars vinden we gemiddeld genomen meer mannelijke, iets jongere en lager opgeleide betogers dan op de Mars voor Eenheid (zie Tabel 2).

Tabel 2. Socio-demografische gegevens (in %)

Noot: de missings bij ‘beroepssituatie’ blijken voor het overgrote deel mensen met een leeftijd hoger dan 65.

De Vlaamse Mars is een frappant mannelijke optocht, de vrouwen zijn er heel sterk in de minderheid; de Mars voor Eenheid is quasi gelijk ‘bemand’ door mannen en vrouwen. De gemiddelde leeftijd is iets jonger op de Vlaamse Mars maar we zien we in vergelijking met de Mars voor Eenheid wel duidelijk meer ‘Vlaamse’ plus-vijfenzestigers. In vergelijking met andere betogingen - deze beide betogingen kaderen in een groter onderzoek waarbij we reeds tientallen andere betogingen hebben geënquêteerd3 - zijn beide communautaire betogingen qua gemiddelde leeftijd wel aan de hoge kant (gemiddeld 46 tegenover 42 jaar).

De Vlaamse Mars was een initiatief van het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV) maar bouwde voort op een Vlaamse strijd van meer dan zestig jaar met als belangrijkste vertegenwoordiger de in 1956 opgerichte Vlaamse Volksbeweging (VVB). We zien dit duidelijk weerspiegeld in het professionele profiel van de ‘Vlaamse’ betogers met een relatief hoger aantal studenten en gepensioneerden. De Mars voor Eenheid, het initiatief van slechts één persoon, blijkt vooral (zeer) hoogopgeleide, werkende veertigers en vijftigers aan te spreken. Maar ook hier is er weer een opvallende delegatie gepensioneerden die voor de Belgische zaak op straat komt.

Een socio-demografisch kenmerk van de betogers dat we even apart willen belichten, is taalachtergrond (Tabel 3). Voor de Vlaamse Mars was dit - niet zo verwonderlijk - 100 percent Nederlandstalig en we hoeven er dan ook niet verder bij stil te staan. Op de Mars voor Eenheid ligt de zaak wat gecompliceerder. We stelden onze respondenten twee vragen: waar ze woonden (postcode) en welke taal ze thuis spraken. We zien op de Mars voor Eenheid een duidelijk overwicht van Franstaligen (65 percent) tegenover Nederlandstaligen (21 percent) of tweetaligen (15 percent). Qua woonplaats zijn de Brusselaars de grootste groep, gevolgd door de Walen en de Vlamingen. Met elkaar gekruist levert dat een beeld op van een grote groep Franstalige Brusselaars, bijna een derde van alle betogers (31 percent), gevolgd door Franstalige Walen (24 percent) en Nederlandstalige Vlamingen (12 percent). Het aantal ‘zuivere’ Vlamingen - Nederlandstalig en wonend in Vlaanderen - is dus erg beperkt maar ook het aantal ‘zuivere’ Walen - Franstalig en wonend in Wallonië - is eigenlijk niet zo groot. De meerderheid van de betogers heeft een ambivalent ‘taalstatuut’: ze spreken een andere taal dan waar ze wonen, ze wonen in tweetalig gebied of ze zijn zelf tweetalig (samen 64 percent). Dat zijn dus de echte Belgen of, tenminste, de Belgen die voor België op straat willen komen. Het lage aantal Vlamingen op de Mars voor Eenheid werd door sommigen ten dele toegeschreven aan de summiere berichtgeving over de Mars voor Eenheid in de Vlaamse pers. Hier komen we in de volgende sectie op terug.

Tabel 3. Taal per gewest voor de Mars voor de Eenheid (in %)

Noot: de cijfers geven totaalpercentages weer

Mobilisatie en sociale beweging: organisaties versus media

De wijze waarop beide betogingen ontstonden, verschilt fundamenteel. Zoals eerder al aangegeven, lag het organiseren van de Vlaamse Mars bij de KVHV en de VVB, kernorganisaties van de Vlaamse beweging. De Mars voor Eenheid daarentegen kwam er na een oproep van Marie-Claire Houard, zonder duidelijke organisationele banden noch ervaring met het organiseren van betogingen. In De Standaard van 16 november 2007 staat te lezen: ‘De organisatoren herhalen tot vervelens toe dat de beweging ‘apolitiek en spontaan’ is. (...) Vandaar dat het er af en toe wat verwarrend aan toegaat’, zei medeorganisator Andy Vermaut, na een chaotische persconferentie gisterenmiddag’. Een analyse van de mediaberichtgeving in de aanloop naar beide betogingen zou wellicht aantonen dat de Vlaamse Mars maar op een magere mediabelangstelling kon rekenen terwijl de Mars voor Eenheid heel wat meer aandacht wegkaapte, zeker aan de Franstalige zijde. Vertaalt die verschillende organisatorische achtergrond, langs de ene kant een gestructureerde beweging en langs de andere kant een informele structuur maar met steun van veel media, zich ook in kenmerken van de betogers?

Zeker en vast. Tabel 4 illustreert dit zeer duidelijk. We vroegen de respondenten vooreerst met wie ze naar de betoging gekomen waren. De Vlaamse Mars bestaat voor meer dan de helft uit mensen die in het gezelschap van medeleden van een organisatie opstappen (53 percent). Het gaat hier dus om een typische strak georganiseerde betoging, vergelijkbaar met de reguliere protestacties die door de grote vakbonden opgezet worden. Op de Mars voor Eenheid zien we bijna exact het omgekeerde: hier betoogt men in de eerste plaats in informeel gezelschap, met familie of vrienden (samen 76 percent). Heel wat mensen komen op de Belgische mars bovendien alleen betogen (20 percent). In dit opzicht vertoont de ‘Belgische’ betoging veel gelijkenissen met de Witte Mars van 1996. Beide betogingen zijn niet echt geworteld in de professionele sfeer: het aantal mensen dat met collega’s of medestudenten komt, is verwaarloosbaar.

Tabel 4. Gezelschap op de betoging (in %)

Noot: oorspronkelijk konden de respondenten meerdere antwoorden aankruisen. Hier werd echter telkens de meest ‘formele’ categorie weerhouden. Respondenten die dus zowel ‘partner’ als ‘medeleden’ aankruisten, belanden in de laatste categorie.

Een tweede indicator voor de wijze waarop de betoging georganiseerd is en de sociale beweging er achter functioneert, is het kanaal waarlangs men informatie over de betoging verkreeg. Opnieuw zien we heel sterk tegengestelde patronen (Tabel 5). Daar waar de betogers op de Vlaamse Mars in de eerste plaats via andere leden van een organisatie over de betoging hoorden, zijn dat bij de betogers op de Mars voor Eenheid in de eerste plaats de klassieke massamedia (TV, kranten en radio). Daarnaast blijken vrienden, familie en in het bijzonder nieuwe communicatietechnologieën (websites, e-mail) voor beide betogingen relatief belangrijk. De Vlaamse Mars kent dus een typisch ‘gesloten’ mobilisatiepatroon, sterk steunend op een hecht netwerk van organisaties. De Mars voor Eenheid heeft een diametraal tegengesteld ‘open’ mobilisatiepatroon, waarin de massamedia een grote rol spelen en waarin organisaties zo goed als afwezig zijn.

Tabel 5. Infokanaal over betoging (meerdere antwoorden mogelijk) (in %)

Noot: de percentages zijn berekend op het aantal respondenten

Laat ons ten slotte nagaan of die verschillende mobilisatiepatronen zich ook vertalen in een verschillende ervaring met betogen. We verwachten in het bijzonder dat de ‘Vlaamse’ betogers, door hun veel sterkere inbedding in organisaties, ook veel meer een ‘verleden’ van betogen hebben dan de ‘Belgische’ betogers. Dat blijkt ook zo te zijn (Tabel 6). Typisch voor de Mars voor Eenheid is het hoge aantal mensen dat voor het eerst op straat komt: 26 percent zei nooit eerder op straat te zijn gekomen. Het verschil met de Vlaamse Mars is enorm. De betoger op de Vlaamse Mars heeft duidelijk veel meer betogingservaring: bijna de helft zegt al meer dan 10 keer op straat te zijn gekomen, terwijl dat bij de ‘Belgische’ betoging amper 6 percent is. Kortom, qua mobilisatie, protestervaring en dus de soort van sociale beweging die beide betogingen opzetten, zijn er fundamentele verschillen.

Tabel 6. Betogingservaring (in %)

Conclusie

Betogen voor meer Vlaanderen en op straat komen voor de eenheid van België zijn, hoewel het om dezelfde vorm van protest of ‘politieke participatie’ gaat, totaal tegengestelde politieke statements. We zijn in de voorgaande bladzijden nagegaan of de verschillen tussen de ‘Vlaamse’ en de ‘Belgische’ betogers verder gaan dan hun evidente andere opvattingen over de communautaire kwestie. Alles welbeschouwd zijn de verschillen tussen beide groepen frappant. Het begint al bij de inschatting van het effect van de betoging waaraan men deelneemt en waarbij de ‘Vlamingen’ heel wat pessimistischer - of realistischer? - zijn over de uitkomst ervan dan de ‘Belgen’. De communautaire breuklijn vertaalt zich ook in een sterke partijpolitieke polarisatie waarbij de ‘Vlaamse’ betogers voor totaal andere partijen stemmen dan de ‘Belgische betogers’. De partijpolitieke radicaliteit en homogeniteit op de Vlaamse Mars lag wel veel hoger dan op de Mars voor Eenheid. De Vlaamse beweging, zo denken we te mogen afleiden, zit veel duidelijker en in een sterk omschreven partijpolitieke niche dan de Belgische beweging, als we al van zulk fenomeen mogen spreken. Ook socio-demografisch vonden we opvallende verschillen: het gaat in zekere mate om verschillende soorten mensen die voor meer Vlaanderen en voor het behoud van België op straat komen. De Vlaamse zaak is veel meer aantrekkelijk voor mannen, wat meer voor jongeren, wat meer voor lager geschoolden en wat meer voor studenten en gepensioneerden dan de Belgische zaak. ‘Belgische’ betogers zijn in de middenleeftijd, professioneel actief en vooral hoger geschoold. Opvallend is het grote aantal ‘taalambivalenten’ onder de ‘Belgische’ betogers. Vooral de organisationele achtergrond van beide betogingen was helemaal anders. De ‘Vlaamse’ betogers werden door organisaties gemobiliseerd en kwamen in gezelschap van medeleden de straat op. Ze hadden veel betogingservaring. De ‘Belgische’ betogers echter komen met familie of vrienden, ze weten het via de media en velen hebben bijzonder weinig betogingservaring. De Mars voor Vlaamse Onafhankelijkheid doet qua mobilisatie dan ook sterk denken aan een klassieke vakbondsbetoging, terwijl de Mars voor Eenheid sterk aanleunt bij de Witte Marsen van de jaren 1990.

Om af te ronden kunnen we stellen dat we hier twee mooie voorbeelden hebben van wat we langs de ene kant een ‘oude’ sociale beweging kunnen noemen - strak georganiseerd met ervaren, mannelijke militanten die via organisaties op straat gebracht worden en die zich homogeen partijpolitiek vertaalt - en langs de ander kant een typische ‘nieuwe’ beweging die meer drijft op de media, op de inspiratie van het moment, waarbij organisaties veel meer op de achtergrond staan en waarbij de partijpolitieke affiliaties meer heterogeen zijn. We moeten natuurlijk opletten om deze bevindingen, die zijn gebaseerd op twee eenmalige evenementen, zomaar te generaliseren naar ‘de’ Vlaamse of ‘de’ Belgische beweging. Deelnemen aan een betoging hangt sterk af van omstandigheden en dus heeft elke betoging voor een stukje een unieke dynamiek. Deze Vlaamse betoging, bijvoorbeeld, was erg radicaal in zijn eisen en andere Vlaamse manifestaties brengen misschien een wat ander publiek op straat. Bovendien was ook de omvang van beide manifestaties niet echt vergelijkbaar. Toch denken we dat onze data aangeven dat aan de communautaire breuklijn, waarvan we gedurende twee strijdmomenten de pols hebben genomen, een echte sociale breuklijn met duidelijk verschillende bevolkingsgroepen beantwoordt.

Stefaan Walgrave, Jeroen Van Laer en Joris Verhulst
Onderzoeksgroep Media, Movements and Politics (M²P), Universiteit Antwerpen

Noten
1/ De Mann-Whitney U-test voor geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, politieke interesse en twee stellingen over het thema van de betoging die het verschil vergelijkt van de gemiddelden op de genoemde variabelen tussen diegene die de uitgebreide lijst wel en niet terugstuurden, bleek telkens niet significant. Dat betekent dat beide groepen vergelijkbaar zijn.
2/ Zowel wat de Vlaamse Mars als de Mars voor Eenheid betreft waren er een aantal factoren die het consequent volhouden van onze methode niet vereenvoudigden. Zo werd voor de Vlaamse Mars door de burgemeester van Sint-Genesius-Rode een korter parcours uitgestippeld dan de organisatoren in gedachte hadden. Ongeveer in het midden van het parcours konden de betogers de aanwezige politiemacht toch overtuigen om het volledige parcours af te leggen. Dit zorgde echter voor een lang oponthoud waardoor de massa betogers zich tijdelijk ‘opstapelde’ op een groot kruispunt. Een deel van de betogers keerde zelfs huiswaarts. Pas toen de mars opnieuw vertrok, werd er verder uitgedeeld. Het is onduidelijk in welke mate het aandeel afgehaakte betogers tijdens de ‘eerste helft’ van de betoging de kans kreeg om te worden bevraagd. Ook op de Mars voor Eenheid kende het parcours een aantal opvallende hindernissen, waaronder de opsplitsing van het parcours ter hoogte van de Bischoffsheimlaan, de Regentenlaan en de Belliardtunnel, waardoor telkens ‘één helft’ van de betoging tijdelijk niet kon worden bevraagd.
3/ Op dezelfde wijze als op de Vlaamse Mars en Mars voor Eenheid werden onder meer op de volgende betogingen enquêtes uitgedeeld: Nationale Manifestatie voor Mensen zonder Papieren (25 februari 2006, Brussel), Nationale Anti-oorlogsbetoging (19 maart 2006, Brussel), Internationale betoging tegen de herstructureringen bij InBev (28 maart 2006, Leuven), Stille Mars ter nagedachtenis van Joe Van Holsbeeck (23 april 2006, Brussel), Stille Optocht tegen Zinloos Geweld en Racisme (26 mei 2006, Antwerpen) en de Nationale Solidariteitsbetoging met de werknemers van VW Vorst (2 december 2007, Brussel).

betoging - Vlaamse Rand - opiniepeilingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 2 (februari), pagina 27 tot 35