Abonneer Log in

Het kapitalisme is weer helemaal terug!

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 1 tot 2

Het woord ‘kapitalisme’ hebben we enkele jaren niet gehoord in de media, maar dankzij de financiële crisis is het weer helemaal terug. Ondanks schandalige pleidooien van bepaalde experten, politici en editorialisten om de financiële wereld ‘de nodige rust te gunnen om te herstellen’, is de tijd rijp voor een democratisch debat over de organisatie van onze economie in het algemeen en de financiële sector in het bijzonder. Want dat er heel wat te bespreken valt, is wel duidelijk.

Het debat moet zich niet alleen toespitsen op individuele verantwoordelijkheden, maar vooral op de globale handelswijze van de banken, verzekeraars en andere financiële spelers. Waar bovenop de collectieve verantwoordelijkheid van onvoldoende risicobeheersing nog individuele beheersfouten gemaakt werden, zoals blijkbaar het geval was bij de overname van ABN-AMRO, moeten deze individuele verantwoordelijkheden natuurlijk onderzocht worden.
De laatste jaren is de financiële sector ontspoord in een evolutie naar steeds meer oncontroleerbare financiële instrumenten. Door de impact van een systeemcrisis in de bancaire wereld op de (pensioen)spaarders, maar ook door de besmetting van de reële economie door de financiële problemen, is dat onaanvaardbaar. De eigenlijke opdracht van banken moet zijn om de reële economie te ‘smeren’. Het aanbieden van kredietlijnen op korte en investeringskredieten op lange termijn is nodig om handel en industrie te ondersteunen. De huidige overslag van de crisis uit de financiële naar de reële economie brengt deze rol in het gedrang.
De oorsprong van de crisis ligt in het roekeloos toekennen van leningen in de VS, het land waar iedereen, inclusief de regering, op krediet leeft. Maar de ineenstorting van de Amerikaanse vastgoedmarkt kon zich alleen in het financiële systeem van de VS verspreiden en vervolgens overslaan naar de rest van de wereld omdat er een heel onoverzichtelijke kluwen van afgeleide producten en andere financiële instrumenten ontwikkeld werd. De winsthonger had nood aan manieren om de tegenvallende rendementen op te krikken. Helaas leidde dat tot matroesjka-kredieten: leningen en andere financiële producten werden zoveel keer (her)verpakt, dat niemand meer kon zien wat de echte waarde van de inhoud was - net zoals bij de pittoreske Russische poppen. Ook de ratingbureaus konden de reële waarde niet meer beoordelen, terwijl zij nochtans de garantie moest bieden voor het vertrouwen waarop heel de financiële sector draait. Of beter draaide, totdat de val van de Amerikaanse zakenbank Lehman het vertrouwen van institutionele en gewone beleggers schaadde. De economie werd hierdoor lamgelegd omdat de blindelingse kredietverstrekking stokte. Het smeermiddel van de economie haperde, met alle gevaren voor de industrie en handel van dien. Dat ligt ook aan de zeepbelallures die deze nieuwe financiële producten automatisch in zich dragen. Door het telkens herverpakken en opnieuw verkopen, blaas je de virtuele monetaire inhoud ervan steeds verder op.
Waarom is niemand ingegaan tegen de praktijk van ongebreidelde winstmaximalisatie via ondoorzichtige en onbegrijpelijke financiële instrumenten? Dat is een belangrijke, mogelijk de belangrijkste vraag als deze crisis diepgaand geanalyseerd wordt. Er zijn wel degelijk toezichtorganen en -procedures, maar die hebben de gevaren duidelijk niet voldoende, noch tijdig ingeschat. Het resultaat is dat een reddingsoperatie door de overheid onvermijdelijk was. De oude strijdkreet uit socialistische programma’s om de banken te nationaliseren, is weer (even) werkelijkheid geworden. Het gaat echter om een curatieve ingreep, die op zich niet leidt tot een structurele verbetering van de situatie. Het vertrouwen herstellen is een ding, het opleggen van regels die een te risicovol gebruik door de bankiers van het spaargeld van de bevolking moet tegengaan, is nog iets heel anders. In de toekomst zou het financiële systeem beter op iets meer stabiele grondvesten gebaseerd worden. Vertrouwen is immers net iets te broos als fundament.
Het vertrouwen was zo groot, dat de financiële spelers in feite niet meer stilstonden bij wat er aan de gang was. ‘Bankiers zouden alleen producten aan de spaarders en beleggers mogen aanbieden die ze zelf begrijpen’, is een stelling waartegen de bankiers zelf gezondigd hebben. Noch de mensen aan de loketten, noch de directieraden, noch de raad van bestuur van veel banken wisten nog echt waarmee ze bezig waren. Ze konden dus ook de risico’s van hun beleid niet inschatten. Het kind van de rekening is in de eerste plaats de pensioen-spaarder, die in blind vertrouwen (zowel in de kennis en kunde van de bankier, als in de toezichthoudende rol van de overheid) een tak 23 of tak 21 product aankocht en de spaarder die werd verleid tot het investeren in gestructureerde producenten.
De gedeeltelijke nationalisatie is dus geen langetermijnoplossing. De interventies van de laatste dagen zijn eerder kurieren am Symptom, met als jammerlijk bijeffect dat na de energiesector, ook de kern van onze financiële instellingen in Franse en (in minder mate) Nederlandse handen is. Een structurele oplossing kan alleen van het verbeteren en intensifiëren van het regulatoir kader komen. Meer en betere regulering is nodig om zowel het geschokte vertrouwen van de spaarders weer op te bouwen, als om nieuwe overmatig risicovolle wanpraktijken tegen te houden die het systeem zelf in gevaar brengen. De overheid, ongeacht of het om de nationale of om supranationale toezichthouders gaat, heeft daar meer kennis en meer mensen voor nodig. Het brengen van meer transparantie in de economie en de financiële sector in het bijzonder is uiterst belangrijk in het streven naar een gezonde economie en het beperken van risicovol gedrag.
Als socialisten moeten we ons bewust zijn van zowel de gevaren als de kansen van de markteconomie. De gevaren moeten we maximaal beheersen door een sociaal en ecologisch gecorrigeerde markteconomie na te streven. Daarvoor is het nodig de marktkracht in te zetten om onze sociale en ecologische doelstellingen te bereiken, eerder dan de marktkrachten tegen te werken met goedbedoelde, maar ondoelmatige regelgeving. Tegelijk moeten we de democratische controle op de werking van de markteconomie versterken via het concept van regulering, waarbij ook de regulatorentoezichthouders zelf gecontroleerd worden. Dat is een les die we uit deze crisis alvast kunnen trekken.
Ondertussen moet de vraag gesteld worden of ook de reële economie geen reddingsplan nodig heeft. In tijden van krapte op de arbeidsmarkt is een injectie van de omvang van de stimuleringsplannen - zoals de New Deal en de Keynesiaanse politiek - die ons uit de depressie van de jaren 1930 haalden zeker nog niet aan de orde, maar echte koopkrachtbeschermende maatregelen dringen zich in ieder geval nu al op.

Dirk Van Evercooren
Redactielid Samenleving en politiek

edito - kapitalisme - financiële crisis

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 1 tot 2