Abonneer Log in

Een gedeelde Europese identiteit: noodzakelijk en (on)mogelijk

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 10 (december), pagina 37 tot 44

Europa heeft nooit bestaan. Het is niet de som van soevereine naties die elkaar in raden ontmoeten wat hen tot een geheel maakt. We moeten Europa volledig creëren. Het moet zich daarnaar gedragen.

(Jean Monnet, 1950)1

Hoewel er nu stilaan wat verandering in komt, hebben nogal wat progressieve politici en intellectuelen de laatste decennia de vraag naar de eigen identiteit en gemeenschapsvorming ten onrechte ‘rechts’ laten liggen. Het was, zo dacht men, een thema voor nationalisten, conservatieven, communitaristen en traditionalisten. Identiteit was belangrijk, maar dan enkel de identiteit van ‘de ander’, van ‘minderheden’. Denken over de eigen identiteit, laat staan die in de verf zetten, zou alleen maar getuigen van etnocentrisme of van een misplaatst en neokoloniaal superioriteitsdenken. Dit gold voor het denken over nationale identiteit, maar zeker ook voor de Europese identiteit. Vandaar dat er stemmen opgingen om Europa te zien als een stap op weg naar wereldburgerschap. Moest de noodzaak van een particuliere, gedeelde identiteit nu maar eens niet in vraag worden gesteld? Moeten mensen niet solidair zijn met de mens ‘als mens’ en hebben we dan aan mensenrechten en een vorm van kosmopolitisch wereldburgerschap niet genoeg? Zulke dunne kosmopolitische identiteit veronderstelt dat wat Europeanen met elkaar zouden delen, eigenlijk ook met andere mensen gedeeld kan worden. Er zijn geen specifieke Europese waarden. Er is geen specifieke Europese cultuur of identiteit.

Belang van een gemeenschappelijke Europese identiteit

Hoe belangrijk kosmopolitisch denken ook is, het is onvoldoende als grondslag voor een politieke gemeenschap. Een politieke gemeenschap kan niet zonder een gemeenschappelijk ‘wij-gevoel’, hoe dun dit ook moet worden ingevuld. Zeker wie streeft naar een sociaal Europa, waarin ook solidariteit en herverdeling in de praktijk moeten worden gebracht, kan niet rond de vraag naar vormen van ‘sociale cohesie’ en ‘wederzijdse betrokkenheid en identificatie’ als noodzakelijk maatschappelijk draagvlak voor een herverdelende politiek.
We kunnen het vraagstuk van een gedeelde Europese identiteit daarom niet zomaar naast ons neerleggen. Een gevoel van belonging together op Europees niveau is geen overbodige luxe. Het is sociologisch en politiek naïef te veronderstellen dat solidariteit als abstract principe kan functioneren in een ‘gemeenschap van vreemden’. Solidariteitsmechanismen ontwikkelen zich niet in abstracto. Solidariteit wordt steeds in praktijk gebracht in een concrete gemeenschap van mensen die zich in elkaar erkennen en die een vorm van (lots)verbondenheid met elkaar voelen.

Vormen van sociale, zingevende en vertrouwenscheppende bindingen tussen burgers zijn dus noodzakelijk. Dit geldt op het niveau van de regio’s, de natiestaten, maar ook voor Europa. Tot op het niveau van de natiestaat kon sociale cohesie tot stand komen onder het motto ‘één regio/staat - één taal - één cultuur’. Hoewel dit principe onder druk staat door globalisering en immigratie blijven nationbuilding policies hun functie vervullen. Het creëren, stimuleren en verspreiden van een gedeelde nationale identiteit kan gebeuren via media, onderwijs, politiek, feestdagen en taalverwerving. Nationale identiteiten en gemeenschappen zijn niet louter ‘ingebeeld’, ze zijn soms erg tastbaar. Mensen weten zich op nationaal niveau met elkaar verbonden omdat ze dezelfde taal spreken en dezelfde bekende Vlamingen, politici, vakbonden en sport- en muziekidolen met elkaar delen. Deze nationale identiteit staat religieuze en etnische diversiteit trouwens ook helemaal niet in de weg.

De zoektocht naar gemeenschapsvormende elementen op Europees niveau is een ander paar mouwen. Wat bindt de Bulgaar met de Fries, de Spanjaard met de Roemeen? Hoe kunnen mensen die duizenden kilometers van elkaar wonen en een verschillende taal spreken een gemeenschappelijke identiteit ontwikkelen? De Europese identiteit modelleren als een (quasi-)nationale identiteit lijkt uitgesloten.2 De elementen en mechanismen die op het niveau van de natiestaat gemeenschapsbevorderend werken, zijn niet (of toch in veel mindere mate) aanwezig op het Europese niveau. Hoe kunnen Europeanen zich met elkaar verbonden weten als ze niet eens dezelfde taal spreken, geen duidelijk traceerbaar gemeenschappelijke geschiedenis hebben en niet dezelfde publieke ruimte, opinie, cultuur en civil society met elkaar delen? Nochtans is het juist op dat Europese niveau dat een gemeenschappelijke identiteit het meest nodig is. Want, hoe sterker de sociale, culturele, etnische of linguïstische diversiteit binnen een samenleving, hoe moeilijker het zal zijn een draagvlak te vinden voor solidariteit.

Europees burgerschap

Veel Europese politici zijn zich pijnlijk bewust van deze paradoxale situatie; er is in het verleden dan ook meermaals ingezet op de constructie van een Europees ‘wij-gevoel’. Als de Europese identiteit en het Europees bewustzijn niet bestaan, dan moet het maar gecreëerd of uitgevonden worden - dit was bij heel wat nationale identiteiten trouwens niet anders. Zo verwachtten sommigen één en ander van het Europees burgerschap dat in het Verdrag van Maastricht (1992) in de steigers werd gezet. Het Europees burgerschap is echter een supranationale juridische status, een formele relatie dus tussen het individu en de Europese politieke gemeenschap. Dergelijk gedeeld burgerschap is verschillend van een gedeelde politieke identiteit waarover we het hier willen hebben. Anders dan het formele burgerschap refereert een gemeenschappelijke politieke identiteit naar het feit dat individuen zich ook identificeren met die politieke gemeenschap.3

Europese symbolen

Midden de jaren 1980 heeft de Europese Gemeenschap inspanningen gedaan om een gedeelde Europese identiteit te creëren. Op de Europese top in Fontainebleau in 1984 heeft de Raad besloten om tegemoet te komen aan ‘the expectations of the people of Europe by adopting measures to strengthen and promote its identity and its image both for its citizens and for the rest of the world’. Om dit te coördineren en A people’s Europe voor te bereiden, werd het Adonnino Comité opgericht. Eén van de resultaten van de werkzaamheden was de Europese vlag. Terwijl de vlag voor het eerst werd gehesen aan het Berlaymontgebouw op 29 mei 1986, werd ook de Europese hymne gespeeld: Ode aan de Vreugde, uit de negende symfonie van Beethoven. Er werd ook een Europese feestdag vastgelegd. De keuze viel op 9 mei, de datum waarop de Franse minister van buitenlandse zaken Robert Schuman in 1950 zijn toespraak hield die heeft geleid tot de eerste stappen naar een Europese integratie. De Raad van Fontainebleau stelde ook voor om werk te maken van een Europees paspoort, een Europees rijbewijs, Europese sportteams en -evenementen, uitwisselingsprogramma’s voor jongeren binnen en buiten de Unie, en de invoering van een Europese munt, de ECU (die als abstracte korfmunt al in 1979 was ingevoerd). Dit alles had de bedoeling de identificatie van de burgers met Europa te vergroten.
In de geest van de werkzaamheden van het Adonnino Comité zijn later nog tal van andere European identity building policies bedacht, besproken en sommige ook geïmplementeerd. In 1988 besliste de Europese Raad om ook een Europese dimensie in het schoolcurriculum in te voeren om het bewustzijn van een gedeelde cultuur en geschiedenis te versterken. Dit resulteerde in een tekstboek L’Europe: Histoire des Peuples, geschreven door de Franse historicus en academicus Jean-Baptiste Duroselle. Ook de invoering van de Euro in 2001 is een belangrijk symbool van gemeenschappelijkheid geworden, ook al was dat misschien niet meteen de eerste functie van deze munt.

Top-down benadering

De Euro-symboliek wordt op hoog niveau ingevoerd met de bedoeling dat de burgers zich daarmee gaan identificeren. Vanuit diezelfde top-down benadering zijn er ook auteurs en politici die geloven dat de (goede) werking van de Europese instellingen vanzelf tot meer Europese identiteit op het terrein kan leiden.4 Het bestaan van supranationale instituties en een Europese politiek kan de ontwikkeling van een Europees demos met een gemeenschappelijke identiteit inderdaad stimuleren, maar dan moet het zogenaamde democratische tekort waarmee Europa kampt grondig worden aangepakt. Bovendien moet in dat verband ook verder gedacht worden hoe de idee van representatie beter gestalte kan krijgen. Indien de mensen zich op Europees niveau vertegenwoordigd weten, kan dit ook de betrokkenheid met Europa vergroten.

Nogal wat politici lijken te denken dat het kan volstaan om de burgers te wijzen op de voordelen die de Europese politieke constructie heeft. Deze vorm van output legitimacy is echter opnieuw onvoldoende. Misschien draagt Europa inderdaad bij aan de welvaart en de veiligheid van haar burgers en heeft ze een unieke capaciteit om politieke problemen vreedzaam aan te pakken; dit besef is onvoldoende als grondslag voor en legitimering van een sociaal Europa. Burgers die Europa afrekenen op wat het voor hen heeft gedaan, zijn immers calculerende burgers, geen solidaire burgers, geen burgers die samen een demos vormen. Een gedeelde Europese identiteit is trouwens van een gans andere orde dan gedeelde instemming over de voordelen van Europa. Het laatste is een perceptie, een overtuiging; het eerste heeft te maken met hoe mensen gevoelsmatig tegenover Europa staan. Echter, niet alleen de belangen van de burgers moeten worden aangesproken, maar ook hun gemoed. De idee dat de Europese identiteit een puur non-emotional identity zou zijn, is intern tegenstrijdig. Akkoord dat de emoties minder radicaal of intens zijn dan wanneer het over nationale identiteiten gaat, maar stellen dat de identiteit niet meer kan zijn dan een gedeelde politieke cultuur (mensenrechten, democratie, rechtstaat) en een gemeenschappelijk verlangen om economisch voordeel te halen uit het EU-burgerschap, is te mager.5

Bottum-up benadering

De voorbije jaren werd ook terecht geïnvesteerd in een groot scala aan samenwerkingsprogramma’s in onderwijs, onderzoek en cultuur om zodoende een gedeelde identiteit te voeden. Het gaat dikwijls om dure projecten waar op het eerste gezicht slechts enkelingen van profiteren (studenten die op Erasmus gaan, leerkrachten die betrokken zijn bij een Comenius project, jongeren die aan een Europees uitwisselingsproject kunnen deelnemen, etc.). Dergelijke projecten kunnen echter meer betekenen dan enkel tegemoetkomen aan een kosmopolitisch verlangen van een happy few. Deze projecten kunnen worden ingezet als een bescheiden middel om van onderuit, vanuit de bevolking zelf de Europese identificatie te vergroten. Hierdoor wordt de top-down benadering vanuit de Eurocraten en Europese instellingen aangevuld met een bottum-up benadering die vertrekt vanuit de mensen zelf. Ook op nationaal niveau worden de nation building policies immers best aangevuld met een benadering van onderuit, een benadering die insisteert op lotsverbondenheid en identificatie door concrete ontmoetingen en gedeelde participatie in gemeenschappelijke projecten.6 Wat mensen delen, ontstaat door het gedeeld participeren zelf; het uitgangspunt van een gezonde solidariteit ligt in reële contacten en interacties met medemensen. Dit idee is gemakkelijker te verwezenlijken op het niveau van de straat, de wijk, de werkvloer, de school, de sportclub of de gemeente; maar het is niet onmogelijk om hier, weliswaar beperkt, ook op in te spelen in de Europese context. Een gevoel van gedeeld burgerschap kan ontstaan wanneer Ingmar, José en Agnieszka elkaar kunnen ontmoeten of zich engageren voor dezelfde doelstellingen.

Lotsverbondenheid en wederzijdse identificatie die de nationale en culturele verschillen overstijgen, kunnen worden bevorderd door een gedeelde participatie en reële contacten. Mogelijks liggen hier nog onbenutte kansen waar in de toekomst (nog) meer kan worden op ingezet. Zo is het, vanuit dit perspectief, ook belangrijk dat er zich een Europees middenveld kan ontwikkelen dat meer is dan de vrijblijvende som van individuele nationale representatieve organisaties. Misschien moeten die organisaties - ik denk aan vakverbonden, consumentengroepen, ngo’s, vertegenwoordigers van jeugdbewegingen, onderwijs, etc. - nog beter bekijken hoe ze niet alleen naar boven toe werkzaam en nuttig kunnen zijn (het gaat dan vooral om lobbyactiviteiten). Ze moeten ook naar beneden toe inzetten op een grotere betrokkenheid en participatie van hun leden. Hierbij kan aandacht worden besteed aan de mogelijkheid tot laagdrempelige internationale contacten en uitwisselingen, ook voor mensen die daarin normaal gezien nauwelijks geïnteresseerd zouden zijn of daartoe geen kansen zouden krijgen. Ook de uitbouw van een Europese publieke ruimte moet verder ontwikkeld worden. Dit is geen gemakkelijke oefening met al die verschillende talen. Er kan gedacht worden (en men heeft daar ook al aan gedacht) om media op Europees niveau te organiseren zodoende ook het Europees debat meer aandacht te kunnen geven en een Europees politiek discours ingang te laten vinden. Er zijn ook mensen die er in dit verband voor pleiten om echte Europese politieke partijen te ontwikkelen. Nu zijn er enkel Europese fracties zoals de PES of de EVP die bestaan uit vertegenwoordigers van de nationale en regionale partijen.

Voelen mensen zich Europeaan?

Uit de Eurobarometer 68 (najaar 2007) blijkt dat gemiddeld 20% van de Europese burgers zich betrokken weet bij Europese aangelegenheden. Wat België betreft, blijken de meeste Belgen zich te interesseren voor politiek, maar slechts 27% van hen zegt zich ook ‘betrokken te voelen bij de Europese aangelegenheden’. Met dat resultaat plaatst België zich op de derde plaats onder de Lidstaten.
Wat betreft de gehechtheid blijkt dat Belgen in eerste instantie gehecht zijn aan hun land (84%) en aan hun stad of dorp (83%). De gehechtheid aan de EU scoort met 65% niet zo slecht. Het ligt 16% hoger dan het Europese gemiddelde. Op regionaal niveau is die gehechtheid vooral terug te vinden in Brussel (81%) en in Wallonië (73%). Uit nadere analyse blijkt dat voornamelijk jonge, hoogopgeleide en linksgeoriënteerde mensen een positief beeld hebben van de EU en er zich mee vereenzelvigen.7

Dat mensen zich met meerdere identiteiten vereenzelvigen, is niet verwonderlijk of problematisch. In een globaliserende wereld zijn ‘veelvuldige identiteiten’ eerder norm dan afwijking.8 Zo blijkt een sterke Europese identiteit een sterke nationale identiteitsbeleving niet uit te sluiten. Integendeel, ze gaan dikwijls samen.9 De verhouding tussen verschillende identiteiten is geen zero sum game; de Europese en de nationale identiteit zijn geen communicerende vaten. Als de Europese identiteit een kans wil maken, dan zal het zich veeleer complementair en niet als tegenstelling ten aanzien van de nationale en andere identiteiten van mensen moeten ontwikkelen. De Europese identiteit is een ‘toegevoegde identiteit’ die zich pas kan ontplooien als een reconstructie en verrijking van de nationale en regionale identiteiten waarop ze steeds geënt zal zijn. Nogal wat mensen proberen daarom de Europese identiteit ook te denken als een component van de particuliere nationale identiteiten.10 In dat verband is het niet verwonderlijk dat lokale nationalistische partijen, zoals de Scottish National Party, ook een Europees luik van de eigen nationale identiteit promoten en pro-Europese standpunten verdedigen.11

Verschillende Europese identiteiten

Deze Europeanisering van de nationale identiteit toont ook aan dat die Europese identiteit geen monolithisch geheel is dat bij iedereen op dezelfde manier invulling moet krijgen. Het kan best zijn dat de Europese identiteit van de gemiddelde Belg (deels) anders is dan de Europese identiteit van de gemiddelde Bulgaar of Spanjaard. Verschillende nationaliteiten hebben een verschillend collectief geheugen en dat zal zich ook uiten bij de invulling van de Europese identiteit. We moeten dus niet zozeer op zoek gaan naar een enkelvoudige, samengesmolten Europese identiteit; de Europese zaak is ook gediend met de wederzijdse erkenning van verschillende Europese identiteiten.12 Met andere woorden, de Europese democratie moet worden gedacht als een demoi-cratie. Het is niet zozeer belangrijk dat iedereen zich op dezelfde manier Europeaan voelt. Wat belangrijk is, is dat iedereen zich op de één of andere manier Europeaan voelt en dat een Europees bewustzijn onderdeel wordt van de nationale identiteiten.

Tussen Westfalen en Kosmopolis13

Europa moet dus niet gedacht worden als een (federale) superstaat of een (federale) supernatie die gebouwd is op één nationale of Europese cultuur. Een Europese natiestaat is niet alleen onwenselijk en overbodig, ze is ook onmogelijk. De lat mag dus iets lager liggen en de diversiteit moet meer dan op het nationale niveau blijvend een plaats krijgen. Anderzijds is de Europese identiteit toch ook weer meer dan een kosmopolitische attitude. Het kan weldegelijk particuliere culturele en historische elementen bevatten, ook al kunnen die van regio tot regio verschillen. Europa overstijgt de idee van de soevereine natiestaat, maar staat ook niet gelijk aan een vorm van wereldburgerschap die niet langer cultureel zou zijn ingebed. Het is, in de woorden van Habermas, een ‘post-nationale constellatie’ waarin de politieke gemeenschap niet langer op basis van een gedeelde culturele identiteit kan worden geïntegreerd, maar waarbij de idee van het construeren van een gedeelde identiteit als mogelijkheidsvoorwaarde voor het functioneren van een politieke gemeenschap niet wordt opgegeven.14 Habermas zelf stelt een nieuwe vorm van patriottisme voor: het constitutioneel patriottisme. Het gaat om een abstract and legally mediated solidarity amongst strangers15, gebaseerd op gedeelde waarden van vrijheid, gelijkheid en democratie waarop een sociaal Europa zich kan vestigen. Vandaar dat Habermas steeds voorstander is geweest van een Europese Grondwet.16 Dergelijke Grondwet is volgens hem een zinvol ijkpunt voor de publieke identificatie met een nieuwe politieke gemeenschap.
Deze abstracte, juridische en post-nationale identiteit (al dan niet rond een echte ‘Grondwet’) is het minimum waarop Europa kan inzetten, maar het mag wat mij betreft niet het enige zijn. Deze dunne civic identity moet worden aangevuld met maatregelen die gemeenschapsvorming van onderuit bevorderen, zodat deze eerder rationele identiteitsvorming ook affectief ingebed kan worden. In dat verband moet dan ook niet alleen benadrukt worden wie Europeanen zijn, maar ook wat ze samen doen.17

Conclusie: … alsof wij Europeanen zijn

Als Europa meer wil zijn dan een economische actor en een vrijgemaakte markt, kunnen we de vraag naar een gedeelde Europese identiteit niet zomaar naast ons neerleggen. Het functioneren van een sociaal Europa als politieke gemeenschap veronderstelt dat burgers zich met Europa en andere Europeanen kunnen vereenzelvigen. Het gevoel dat de Europeanen een gemeenschap vormen en dat er dingen zijn die hen binden is noodzakelijk wil men voldoende draagvlak hebben om een politiek te voeren die ook solidariteit en herverdeling vergt.
Deze gemeenschappelijke Europese identiteit kan echter onmogelijk gemodelleerd worden naar het model van de nationale identiteit. Hiervoor is het Europees terrein te divers op vlak van taal, cultuur, religies, politieke tradities en sociale gewoontes. De EU zal het zonder een Europees Volk moeten stellen - in de romantische, nationalistische betekenis van het woord.
Dit betekent niet dat een vorm van gemeenschappelijke identiteit helemaal onmogelijk is.18 Van bovenuit kunnen allerlei European identity builders hun rol spelen. Dit kan gaan van het abstracte constitutioneel patriottisme tot concrete Euro-symboliek. Daarnaast moet ook worden ingezet op identiteitsvorming van onderuit. In een context van diversiteit ontstaan een gedeelde identiteit en een gevoel van lotsverbondenheid in belangrijke mate door reële contacten en door gedeelde participatie. Mensen moeten concreet ervaren dat ze ‘als Europeanen’ in dezelfde sociale, politieke, juridische en economische ruimte leven en een gedeelde politieke toekomst hebben; ook al zijn er tal van elementen zoals taal, cultuur en religie die hen van elkaar scheiden.

De Europese identiteit die tot stand komt, zal een bescheiden identiteit zijn, in vergelijking met meer krachtige identiteiten zoals nationaliteit, godsdienst en (etnische) cultuur. Het zal een toegevoegde identiteit zijn die de andere identiteiten niet opheft, maar in rekening brengt. Een Europese identiteit kan slechts tot stand komen en effectief zijn als ze geënt is op deze meer basale identiteiten. Dit betekent dat de gedeelde Europese identiteit niet voor iedereen dezelfde zal zijn. Ze zal steeds gekleurd zijn door de nationale, regionale cultuur waarbinnen ze tot stand is gekomen. De bedoeling van een beleid om de Europese identiteit te versterken (van boven- of van onderuit) is dus haar burgers te laten denken alsof er een Europees volk bestaat, alsof ze Europeaan onder de Europeanen zijn. Nog meer dan op nationaal niveau zal de inbeelding en het alsof gehalte van de gedeelde identiteit een rol spelen. Het zoeken naar een manier om dat alsof gevoel van gemeenschappelijkheid te versterken, is een belangrijke uitdaging voor de toekomst, wil een sociale en politieke Europese Gemeenschap kans hebben op slagen.

Patrick Loobuyck
Redactielid Samenleving en politiek

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ Booker Ch. & North R., The Great Deception: A Secret History of the European Union, Ed. Antet, pp. 38-39 (mijn vertaling).
2/ Versus De Beus J. (2001), Quasi-national European identity and European democracy, in: Law and Philosophy, 1, pp. 283-311.
3/ Davidson A.C. (2008), Through thick and thin: ‘European identification’ for a justified and legitimate European Union, in: Journal of Contemporary European Research, 4, 1, pp. 32-47, p. 34.
4/ Bruter M. (2005), Citizens of Europe?, Palgrave Macmillan, Houndmills, pp. 30-36; Laffan B. (2004), The European Union and its institutions as ‘Identity Builders’, in: Herrmann R.K., Rise T. & Brewer M.B. (eds.), Transnational identities. Becoming European in the EU, Rowman & Littlefield, Oxford, pp. 75-97.
5/ Voor een dergelijke niet-emotionele voorstelling van zaken zie Guibernau M. (2007), On European identity, in: The identity of nations, Polity, Cambridge, ch. 4, pp. 115-116.
6/ Loobuyck P. (2006), Wat hebben Thomas, Kevin en Mohammed met elkaar te maken? Burgerschap en nationaliteit als politiek-filosofische concepten, in: Samenleving en politiek, 13, 2, pp. 45-55.
7/ Petithomme M. (2008), Is there a European identity? National attitudes and social identification toward the European Union, in: Journal of Identity and Migration Studies, 2, 1, pp. 20-23.
8/ Herrmann R. & Brewer M.B. (2004), Identities and institutions: becoming European in the EU, in : Herrmann R.K. et. al., p. 8.
9/ Hedetoft U. (1994), National identities and European integration ‘from below’: bringing people back in, in: Journal of European Integration, 18, 1, p. 19.
10/ Petithomme M. (2008), Is there a European identity?, pp. 28-31.
11/ Hoppe M. (2005), Sub-state nationalism and European integration: constructing identity in the multi-level political space of Europe, in: Journal of Contemporary European research, 1, 2, pp. 13-28, p. 20; Csergo Z. & Goldgeier J.M. (2004), Nationalist strategies and European integration, in: Perspectives on Politics, 2, 1, pp. 21-37.
12/ Nicolaidis K. (2004), We, the Peoples of Europe…, in: Foreign Affairs, 83, 6, pp. 97-110.
13/ Cf. Kraus P. (2003), Cultural pluralism and European polity-building: neither Westphalia nor cosmopolis, in: Journal of common markes studies, 41, 4, pp. 665-86.
14/ Habermas J. (1998), Die postnationale Konstellation, Suhrkamp, Frankfurt-am-Main.
15/ Habermas J. (1995), Remarks on Dieter Grimm’s ‘Does Europe need a constitution?’, in: European Law Journal, 1, 3, pp. 303-307, p. 305. Zie ook Habermas J. (1992-3), Citizenship and national identity: some reflections on the future of Europe, in: Praxis International, 12, 1, pp. 1-19.
16/ Zie o.a. Habermas J. (2001), Why Europe needs a constitution, in: New Left Review, 11, september-oktober, pp. 5-26.
17/ Nicolaidis K. & Weatherill S. (2003), Whose Europe? National models and the constitution of the European Union, Oxford University Press, Oxford, p. 144.
18/ Dit is wat men noemt de no-demos thesis: op Europees niveau is een gedeelde identiteit onmogelijk, dus komt ook de legitimiteit van de Europese politiek op losse schroeven te staan en lijkt een sociale, herverdelende politiek uitgesloten. Verdedigers van de no-demos these concluderen meestal dat de natiestaat de belangrijkste, meest efficiënte en natuurlijke niveau is om politiek te bedrijven.

Europese identiteit - Europees burgerschap

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 10 (december), pagina 37 tot 44