Log in

Crisis in de media - en wat met het nieuws?

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 3 (maart), pagina 4 tot 15

De mediasector maakt nooit geziene woelige tijden door. Er wordt naar hartenlust gesaneerd en geherstructureerd, en daar zijn ook redacties het slachtoffer van. Journalistenjobs sneuvelen bij tientallen1, en dan gaat het nog niet eens over de talloze freelancers die geruisloos op zwart zaad worden gezet. Tegelijk worden almaar meer synergieën doorgevoerd, ook op redactioneel vlak. Meer en meer gaat het erop lijken dat we binnenkort in een heel ander, schraler medialandschap ontwaken. Hoog tijd dus voor een stevige bezinning door alle betrokkenen - van de mediabazen over de journalisten tot het publiek en de politieke verantwoordelijken. Want de media laten we best niet alleen aan commerciële uitgevers over.

EEN STUKJE GESCHIEDENIS

De crisis treft iedereen, dus waarom de mediasector dan niet? Toch is er wat de Vlaamse media betreft wel wat meer aan de hand. Al bij al is de mediacrisis de resultante van een drietal fundamentele ontwikkelingen in de jongste twee decennia. Die beuken vandaag cumulatief in op alle redacties, en zetten elke journalist onder een nooit geziene druk.

Omzeggens twintig jaar geleden maakte de Vlaamse pers definitief de omslag van (partij)politiek georganiseerde en geïnspireerde entiteiten naar zuiver commercieel gerunde ondernemingen. Terwijl de politiek verkavelde krantenbedrijven van weleer nog elk hun ideologisch afgebakend en gewaarborgd publiek hadden en dit ook hun enige referentie was, streven de commercieel geïnspireerde mediahuizen vandaag louter omzet- en rendementsmaximalisatie na. In de omroepsector werd vanaf 1 februari 1989 het monopolie van de openbare VRT gebroken in het voordeel van de commerciële zender VTM. Het gevolg zijn een commercialisering en een mediaconcurrentie die ongetwijfeld positieve, maar jammer genoeg ook negatieve effecten hebben gehad voor de kwaliteit van het nieuws en de journalistiek. Hoe hard het ook moge klinken, voor de moderne mediabedrijven primeert niet de inhoudelijke kwaliteit of het pluralisme van de geboden informatie, wel of er optimaal winst wordt geboekt. Deze media-economische logica kan evengoed tot verschraling en nivellering leiden als tot kwaliteit en pluralisme. Kwaliteit en pluralisme vormen voor de bedrijfsleiders en eigenaars in het moderne mediabestel met andere woorden geen primair doel, enkel een mogelijk bijproduct op weg naar rendement.
Ongetwijfeld moet dit verhaal worden genuanceerd. Zo zal de openbare omroep minder market driven opereren dan haar private concurrenten. Verder zullen ook de mediaverantwoordelijken hun uiterste best doen om binnen het kader van de wettelijkheid te blijven.2 Bovendien hechten journalisten sinds mensenheugenis uiterst veel belang aan het respecteren van een eigen deontologie.3 Samen met de Vlaamse mediadirecties richtte de VVJ in 2002 overigens de Raad voor de Journalistiek (www.rvdj.be) op, zodat deze beroepsethiek nog performanter kon worden bewaakt. Een heel specifieke illustratie van het uitgeven tegen de commerciële stroom in is het magazine MO\* van Roularta. Maar op de keper beschouwd zijn en blijven dit wel degelijk uitzonderingen op de dominante commerciële bedrijfscultuur binnen het Vlaamse mediabestel van vandaag.

‘NIEUWE MEDIA’

Binnen die context kregen de gevestigde media zowat een decennium geleden te maken met een nieuwe uitdaging in de vorm van de (nog vaak zo genoemde) ‘nieuwe media’. Digitale technologie deed de mogelijkheden om informatie te verspreiden exponentieel toenemen, en daar maakten velen ten overvloede ook gebruik van. Elk individu kan voortaan met woord en beeld het internet op. Het resultaat is een nog veel grotere concurrentie voor de ‘klassieke’ media. Met name jongeren blijken de mainstream media (pers en omroepen) eerder links te laten liggen en zoeken veeleer de nieuwe, alternatieve informatiekanalen op.

Meer en meer rijst de vraag of de bedrijfsverantwoordelijken van de Vlaamse media voldoende alert op die ontwikkelingen hebben ingespeeld. Tot dusver zijn de Vlaamse CEO’s er nauwelijks in geslaagd op het internet economisch verantwoorde businessmodellen te ontwerpen. Het ene mediahuis presteerde weliswaar beter dan het andere. Zo probeert de nieuwssite van De Standaard tenminste kwaliteit en verdienmodel zoveel mogelijk met elkaar te verzoenen. Dat De Persgroep nooit diezelfde kansen aan De Morgen heeft gegeven, getuigt van ofwel onkunde ofwel schuldig verzuim. Heeft de primaire focus op een pas verworven drukkerij die maximaal moest renderen sommige Vlaamse uitgevers parten gespeeld? Hoe dan ook, door hun inertie op de digitale snelweg hebben te veel Vlaamse mediahuizen ongetwijfeld belangrijke kansen verspeeld.

Parallel met de ‘nieuwe media’ kregen de mainstream media met nog een belangrijke challenger te maken: de gratis pers. In de Vlaamse dagbladsector bleef het fenomeen met Metro al bij al nog beperkt - gelukkig maar. Maar in de weekbladsector gaven meer en meer uitgevers wel royaal informatie weg. Op het internet werd ‘gratis’ zelfs de regel, wat deze nieuwe informatieplatformen omzeggens volledig overleverde aan de goodwill van adverteerders.
Opnieuw is de vraag: hebben de Vlaamse mediabazen de evolutie wel voldoende ingeschat? Zijn ze niet te snel meegegaan in de tendens van ‘vergratissing’ van het nieuws? Informatie - en zeker kwaliteitsinformatie - mag best iets kosten. En het maakt de media zoveel minder afhankelijk van de reclamesector. Het argument dat die informatie toch altijd ergens gratis verschijnt, is te makkelijk. Media die investeren in een eigen nieuwsaanbod kunnen en moeten er ook alles aan doen om ongewettigde overnames daarvan te vervolgen. Zo hebben de Franstalige dagbladuitgevers met hun succesvolle gerechtelijke actie tegen Google News bewezen dat internetparasitisme echt wel af te straffen valt.

CASINOKAPITALISME

De ‘nieuwe’ en gratis media vormen een structurele uitdaging voor de mainstream media, die zich eraan moeten aanpassen op het gevaar af uit de markt te worden gespeeld. En alsof dat nog niet voldoende was, is de mediasector sinds een goed half jaar tijd ook nog eens in een mogelijk nooit geziene conjunctuurcrisis gedompeld. Die vindt, voor de duidelijkheid, haar oorsprong niet in de mediasector zelf, wel in een tragisch casinokapitalisme. En nog een belangrijke vaststelling: deze crisis vreet niet of nauwelijks aan de markt van de nieuwsconsumenten. Integendeel: de honger van het publiek naar (kwaliteits)informatie blijkt nooit groter te zijn geweest. Waar het stokt, is bij de reclame-inkomsten. Zo heeft de belangrijke jobadvertentiemarkt te lijden onder het instorten van de arbeidsmarkt. Mogelijk kleuren de reclamecijfers op het einde van 2009 dus rood. Maar of dat zo donkerrood zal zijn als door sommigen wordt voorspeld, moet worden afgewacht. Bovendien blijft de vaststelling dat alle mediahuizen in de voorbije jaren meer dan royale bedrijfswinsten hebben geboekt. En dus verondersteld mogen worden voldoende financiële reserves opzij te hebben gezet om een recessie als deze even uit te zweten.

Anno 2009 komen de drie vermelde ontwikkelingen samen: commercieel gerunde bedrijven worden met structurele concurrenten geconfronteerd en belanden tegelijk in een conjuncturele storm. Het gevolg is nog meer van hetzelfde: de mediahuizen kiezen voor een nog commerciëlere koers, nog meer rationaliseringen en saneringen. Ook de redacties - nochtans het hart van elk mediabedrijf - ontspringen de dans niet. Het maakt de vraag hoe het dan zit met het pluralisme van de pers en de kwaliteit van het nieuwsaanbod, acuter dan ooit.

MAATSCHAPPELIJKE ROL

Die vraag is alleszins van wezenlijk belang. Iedereen zal beamen dat massamedia een vrij bijzondere rol vervullen in een maatschappij. Ze vormen een kleurrijke biotoop waarin het socio-culturele erfgoed van een samenleving volop kan gedijen en overleven. Tevens zijn media als onafhankelijke informatieleveranciers - meer en meer ook als interactieve informatieplatformen - een fundamentele bouwsteen van de democratie. De uitdrukking ‘vierde macht’ is overdreven: de media vormen geen homogeen machtsblok zoals de klassieke drie staatsmachten dat zijn. Maar journalisten hebben wel een essentiële rol te vervullen als eerstelijnsobservatoren en dito commentatoren van het maatschappelijke gebeuren. Hun verantwoordelijkheid is er een van ‘waakhond van de democratie’.

Dat leidt tot een moeilijke paradox: uitgesproken commerciële mediabedrijven worden verondersteld een essentiële maatschappelijke rol te vervullen. De fundamentele vraag is dan hoe deze tegenstelling te overbruggen valt. Een vraag die vandaag acuter is dan ooit. Een ding is zeker: alle actoren zullen hun verantwoordelijkheid moeten opnemen, van de eigenaars van de mediabedrijven over het personeel tot de overheid. Maar vooraleer elkeens verantwoordelijkheden precies kunnen worden bepaald, is het nodig dieper in te gaan op de huidige staat van de Vlaamse journalistiek. Hoe zit het vandaag met het pluralisme van onze pers en de kwaliteit van het nieuwsaanbod?

VOORUITGANG

Laten we wel wezen: de vrijemarktomgeving waarin de (nieuws)media sinds twee decennia functioneren, heeft ontegensprekelijk voordelen voor de kwaliteit en het pluralisme van het nieuwsaanbod. Zo heeft de scherpe onderlinge concurrentie tussen kranten en magazines deze ertoe aangezet zich voortdurend aan te passen en te verbeteren in functie van het bereiken van een zo groot mogelijk publiek. Het gevolg is dat het nieuws in de geschreven pers vandaag toegankelijker is dan vroeger. De keuze van thema’s, de uitwerking, de stijl en vormgeving kunnen het publiek zonder twijfel meer bekoren dan pakweg twintig jaar geleden het geval was.
In 1989 kreeg de commercialisering van de mediasector een uitgesproken gezicht: VTM werd gelanceerd als concurrent van de omroepmonopolist VRT. Nu heeft de komst van VTM ontegensprekelijk nieuwe tv-kijkers aangezet om het nieuws te volgen - en wie kan daar nu tegen zijn? Bovendien had VTM de verdienste de VRT tot meer performantie te dwingen. Er kan lang en uitvoerig gedebatteerd worden over het kwaliteitsniveau van de openbare omroep, maar zeker is wel dat zij vandaag meer gebruikers bereikt dan ooit.

En dan is er nog de sector van de ‘nieuwe media’. Het vrijemarktsysteem laat, in combinatie met de nieuwe mediatechnologieën, toe dat ook zij zich vrij ontwikkelen. Ook de klassieke mediabedrijven zijn nu trouwens de digitale snelweg opgereden. Die nieuwe media zorgen ontegensprekelijk voor een bijkomend informatieaanbod voor de mediaconsument. Ze lokken bovendien ook weer nieuwe groepen (met name jongeren) naar het nieuws, wat opnieuw een democratisch surplus oplevert.

PLURALISME IN GEVAAR

Daarmee is niet alles gezegd. Voor iedereen is intussen wel duidelijk dat de zakelijk-economische logica die het mediabestel vandaag domineert, erg sterk aan het doorschieten is. De nadelen van die galopperende commercialisering worden in het licht van de huidige crisis alleen maar duidelijker.
Zo gaat het niet goed met het pluralisme in de Vlaamse pers. Een belangrijk gevolg van de voortschrijdende commercialisering is namelijk dat alle mediahuizen vandaag ijveren voor een zo groot mogelijk afzetgebied in grosso modo dezelfde markt. Dat leidt tot vergrijzing, synergie en concentratie. Bij Corelio verdween Het Volk en worden De Standaard en Het Nieuwsblad almaar meer door dezelfde, eengemaakte redactie gemaakt. Bij De Persgroep is De Morgen langzaam maar zeker aan het verdampen, geprangd als ze zit tussen De Tijd en Het Laatste Nieuws. Ook bij Concentra leveren Gazet van Antwerpen en Het Belang van Limburg quasi dezelfde kopij, de regionale pagina’s daargelaten. Hoogstens maakt een uitgever nog een onderscheid tussen een paar deelmarkten, en wordt er gediversifieerd tussen een ‘kwaliteits-’ en een ‘populair’ nieuwsaanbod (met binnen dat laatste aanbod dan ook nog een ruime waaier aan regionale berichtgeving). Maar meer en meer gaan mediaverantwoordelijken ervan uit dat er straks binnen elk marktsegment nog plaats zal zijn voor één enkele titel. De drie grote Vlaamse krantenuitgevers zouden dan elk binnen hun eigen segment nog één enkele titel uitgeven. Een dergelijke quasi-monopoliesituatie zou ronduit dodelijk zijn voor de democratie.
Ook de VRT werkt nu, gedreven door de digitale mogelijkheden, met een eengemaakte redactie voor radio, tv en internet. Van een dergelijke rationalisering had men verwacht dat ze gepaard zou gaan met een uitbreiding van het intrinsieke nieuwsaanbod. Dat blijkt in de praktijk niet het geval: er is integendeel sprake van een verschraling van het nieuwsaanbod.4

Het is een algemene vaststelling: de technologische evolutie laat dan wel toe dat er steeds meer informatieplatformen worden gecreëerd, in de realiteit blijken al die mediaplatformen steeds minder authentiek nieuws voort te brengen. Sommige alternatieve nieuwssites leveren weliswaar verdienstelijke pogingen tot het brengen van een aanvullend nieuwsaanbod. Maar bij gebrek aan voldoende bedrijfsmiddelen blijven die pogingen toch vaak steken in goede bedoelingen zonder dat ze een echte toegevoegde informatiewaarde hebben.5

KWALITEIT OP DE HELLING

Nog een andere klacht doet gemeenzaam de ronde: dat ook de intrinsieke kwaliteit van het nieuwsaanbod achteruit gaat. Aan illustraties geen gebrek. Zo stellen sommige redactiechefs een tiener als richtinggevend voor het niveau van de informatie die ze in de krant willen. In veel media wordt enorm zwaar gefocust op faits divers en societynieuws, ten koste van politiek, buitenlands of cultureel nieuws. Ook de druk om almaar de eerste te zijn weegt op redacties, en fnuikt de ambitie van vele journalisten om goede - relevante en correcte - informatie te brengen. De opmars van online nieuws heeft die tijdsdruk nog fenomenaal doen toenemen. Sommige redactiekaders zetten redacteuren en fotojournalisten er intussen al te vaak toe aan de grenzen van de privacy te overschrijden in de jacht naar steeds spectaculairder nieuws. Het niveau van de onderzoeksjournalistiek in Vlaanderen is beschamend laag, de facto besteden de Vlaamse mediahuizen hieraan nauwelijks of geen middelen.6

Dezelfde commerciële logica zet de mediahuizen ertoe aan in de zoektocht naar nieuwe inkomsten soms verregaande toegevingen te doen aan adverteerders en nieuwsconsumenten. Vooral het eerste kan zowel de onafhankelijkheid als de intrinsieke kwaliteit van het nieuwsaanbod zwaar onder druk zetten. Publireportages of advertorials, zeker wanneer ze niet als zodanig worden geafficheerd, staan haaks op elke ernstige journalistiek.

Ter verduidelijking. De werking rond journalistieke deontologie, die de VVJ samen met de Vlaamse mediadirecties in de Raad voor de Journalistiek gestalte heeft gegeven, speelt in belangrijke mate in op deze negatieve tendensen. Zo bewaakt de Raad onder meer de deontologische principes inzake correctheid van de informatie en respect voor de privacy - principes die sinds lang in de journalistieke beroepscodes voorkomen. Maar verder dan het bewaken van deze minimumnormen voor het journalistieke functioneren gaat de Raad voor de Journalistiek niet. In zoverre dus ook ‘kwaliteitsnieuws’ wordt verwacht dat het deontologisch minimum overschrijdt, zullen extra inspanningen zich opdringen.

KWALITEIT IS MENSENWERK

De mediasector leeft van content, het weze in de vorm van informatie/nieuws, het weze in de vorm van reclame. We herinneren eraan dat in deze crisistijden het informatieaanbod en de consumentenmarkt hun performantie behouden, in tegenstelling tot de ineenduikelende reclamepoot. Hoe dan ook wordt die content per definitie door mensen aangebracht, wat van de media een arbeidsintensieve sector maakt. In principe hebben mediahuizen bijgevolg alle baat bij een maximale inzet van mensen en respect voor hun personeel. Of om het in crisistermen te zeggen: in het licht van het behoud van de kwaliteit van het nieuws, is elk ontslag van een journalist er eigenlijk een te veel.
In de praktijk blijken alle mediamanagers op hun personeel de bedrijfseconomische regels toe te passen die ze voor hun algemene management aanwenden. Dat komt neer op een loutere fixatie op kostenbeheersing en winstmaximalisatie, zonder echte bekommernis voor kwaliteit. Het personeelsbeleid van de mediahuizen levert met andere woorden een extra illustratie op van miskenning van de maatschappelijke verantwoordelijkheid, die ze ook hebben.

De voorbeelden zijn legio. In het permanente streven naar kostenbeperking worden redacties zo klein mogelijk gehouden. Ondertussen wordt van journalisten wel steeds meer en sneller werk verwacht. Dat leidt tot een al te hoge werkdruk op de meeste redactievloeren, en verhoogt bovendien de risico’s op mindere kwaliteit en zelfs fouten. Diverse recente studies en enquêtes bevestigen dat de combinatie onderbezette redacties en overdreven werkdruk een van de belangrijkste pijnpunten is voor de journalisten van vandaag.7
Ook het fenomeen van de multifunctionele en overal inzetbare journalist is in volle opgang. Aan redacteuren wordt meer en meer gevraagd ook beeldmateriaal te leveren, videojournalisten worden verondersteld zowel inhoudelijke als technische topkwaliteit te leveren, journalisten krijgen steeds vaker ook lay-outwerk of productieactiviteiten te verrichten, enzovoort. Ongetwijfeld wordt dit tot op zekere hoogte mogelijk gemaakt door de technologische ontwikkelingen in de communicatiesector. Niettemin verhoogt een en ander op soms onmenselijke wijze de werkdruk van de journalist. Bovendien lijdt in vele gevallen ook weer de kwaliteit (en zelfs de deontologie) van het geleverde werk onder de evolutie. Zo houdt goede beeldjournalistiek - persfotografie dan wel camerawerk - echt wel meer in dan even op een knopje drukken.

PENIBELE ARBEIDSSTATUTEN

Maar misschien staat tegenover al dat zware werk wel een riante vergoeding. Dat blijkt eerder tegen te vallen: de lonen van terreinjournalisten zijn echt wel van een bescheiden niveau. Het meest te klagen hebben nog altijd de freelance journalisten, die aan werkelijk beschamend lage tarieven worden vergoed.8 Dat ligt anders voor meer en meer hoofdredacteuren en andere redactieverantwoordelijken, die volgens het bonusprincipe worden vergoed en belangrijke extra’s incasseren wanneer hun titel bepaalde omzetnormen haalt. Of zo’n praktijken bevorderlijk zijn voor het pluralisme en de kwaliteit van het nieuws, is op zijn beurt een boeiende discussie waard.

Ondertussen blijft het fenomeen van de schijnzelfstandigheid in de Vlaamse media voortwoekeren. Ook al lijkt dit probleem juridisch uitgeroeid, dit wegens de heel beperkte invulling die het Hof van Cassatie aan ‘schijnzelfstandigheid’ heeft gegeven, in de praktijk worden nog heel wat journalisten continu door redactieverantwoordelijken ingeschakeld en opgevorderd zonder dat hen een behoorlijk arbeidscontract wordt gegund.
Ook daarbuiten is er de jongste jaren een onmiskenbare tendens naar flexibilisering van de arbeidsstatuten in de journalistiek. Hiervan zijn vooral jongere krachten het slachtoffer. Het groeiende fenomeen van de tijdelijke arbeidsovereenkomsten en interim-contracten illustreert dit ten overvloede. De werkonzekerheid die hiermee gepaard gaat, is allerminst bevorderlijk voor de kwaliteit en onafhankelijkheid die maatschappelijk gezien van journalistiek werk mogen worden verwacht.

De combinatie van hoge werkdruk, bescheiden vergoeding en slechte werkomstandigheden leidt er alleszins toe dat vele beginnende journalisten snel weer uitstromen. De gemiddelde Vlaamse journalist zit vijftien jaar in het vak. Dit heeft een directe weerslag op het niveau van ervaring en ‘geheugen’ in de sector, en dus op de kwaliteit van het journalistieke werk. Voor journalisten die het wel langer volhouden, loert trouwens een ander gevaar om de hoek. Een hardnekkig verschijnsel in de mediahuizen is dat ‘oudere’ journalisten vanaf een zekere leeftijd door hun hiërarchie aan de deur worden gezet. Ze zouden dan minder productief geworden zijn, of moeite hebben met de technologische evoluties. Een enkele redactiechef komt er zelf ronduit voor uit dat zo’n journalist ‘te duur’ geworden zou zijn. Al langer is duidelijk dat die praktijk een nefaste invloed heeft op de kwaliteit en diepgang van het nieuwsaanbod.

REDACTIONELE ONAFHANKELIJKHEID

En dan is er nog een pijnpunt dat aan de kwaliteit van het nieuwsaanbod vreet. Sommige mediamanagers ontzeggen hun redacties immers de redactionele onafhankelijkheid die nochtans broodnodig is voor eerlijke en correcte informatie. De huidige crisis verscherpt nog het gevaar dat directies en hoofdredacties journalisten gaan dwingen om hun redactionele werk te vermengen met publicitaire of promotionele belangen. Een redactiestatuut, dat de verhoudingen tussen redactie, hoofdredactie en management duidelijk vastlegt, kan hieraan tegemoetkomen. Op basis van zo’n statuut kan een redactieraad zich formeel kanten tegen elke ongeoorloofde inmenging van de directie in het journalistieke werk. Een redactiestatuut biedt met andere woorden vitaal tegengif tegen de ‘vriendelijke dictatuur’ die iemand als Christian Van Thillo als het ideale beheersmodel voor zijn nieuwsmedia ziet. Het getuigt van de te eenzijdig commerciële opstelling van mediaverantwoordelijken dat ze hun redacties zo’n statuut niet willen toekennen. Of dat ze nalaten het behoorlijk na te leven als het er wel is.9

De huidige crisistoestand blijkt de situatie van werknemers en medewerkers in de mediasector nog dramatisch te verergeren. De collectieve ontslagen die eind 2008 in enkele mediahuizen zijn aangekondigd, springen het meest in het oog. Maar intussen worden ook op individuele basis werknemers ontslagen (bij de Concentrakranten en Het Laatste Nieuws koos men voor die strategie) en worden freelancers in alle stilte aan de kant gezet. Wie in hun plaats komt, wordt systematisch bedacht met zeer tijdelijke en flexibele arbeidsstatuten. En ook het vergoedingsniveau boert zienderogen achteruit, terwijl de werkdruk op vele redactievloeren stilaan dramatische proporties aanneemt. Het is, met andere woorden, de hoogste tijd dat er iets gebeurt.

UITWEGEN VOOR DE CRISIS

Journalisten zul je niet horen zeggen dat ze in de huidige crisissituatie buiten schot moeten blijven. Iedereen zal inspanningen moeten doen om de vele uitdagingen te lijf te gaan. Maar in een mediabedrijf blijft de human factor natuurlijk wel cruciaal. Willen we de kwaliteit van ons nieuws behouden op het huidige niveau, dan kan eigenlijk geen enkele journalist worden gemist. Daarom zullen toch eerst inspanningen moeten worden geleverd door andere actoren, op andere niveaus dan de werkvloeren. Met name van de directies en aandeelhouders. En verder ook van de overheid mogen bijzondere engagementen worden verwacht. Die vloeien rechtstreeks voort uit het grote maatschappelijke belang dat de nieuwsmedia hebben.

Om ergens te beginnen: voor zowel grooteigenaars als kleinere aandeelhouders van de Vlaamse mediabedrijven is dit het moment om te getuigen van echt engagement in hun mediaproject. Noem het een bijzondere vorm van ethisch ondernemen. De uitzonderlijke crisissituatie in de media verantwoordt dat tijdelijk wordt afgezien van de klassieke winsttrekkingen. Of nog dat bij mindere resultaten van een deel van de groep het solidariteitsprincipe wordt toegepast, zodat ook wat minder presterende delen de gepaste overlevingskansen krijgen.
Personeel en medewerkers van de diverse mediahuizen stellen die vraag met des te meer klem nu alle mediahuizen het de voorbije jaren bedrijfseconomisch meer dan behoorlijk hebben gedaan. Dat heeft ook voor de aandeelhouders mooie dividenden opgeleverd.
De vraag is op dit moment bijzonder pertinent wat de verhouding tussen De Persgroep en De Morgen betreft. Jaren na elkaar wist het mediaconcern van Christian Van Thillo een oorlogskas op te bouwen die nu wordt bovengehaald voor de overname van de belangrijke PCM-krantengroep in Nederland. Op die overname staat op het ogenblik van dit schrijven een prijs van 120 miljoen euro. Tegelijk staat bij De Morgen in Vlaanderen een kwart van de banen op de tocht, enkel maar om te anticiperen op een worst case scenario verlies van 3 miljoen euro in 2009. De vraag is bijzonder acuut: hoeveel is het pluralisme in de Vlaamse kwaliteitspers waard?
Van echt geëngageerde eigenaars en aandeelhouders kan meer dan ooit worden verwacht dat ze investeren in hun mediabedrijf. Eén ding is zeker: in het met de dag uitdijende informatiemoeras zal het grote publiek almaar meer op zoek gaan naar betrouwbare informatie, die aansluit bij zijn noden en verlangens. In die zin is de toekomst van de mediasector fundamenteel veilig gesteld. Het verantwoordt des te meer dat er vandaag middelen en mensen worden vrijgemaakt om de toekomst van de mediasector vorm te geven.

BETER MANAGEMENT

Naast de aandeelhouders moeten ook de media-directies en hoofdredacties10 een tandje bijsteken. Hen komt het toe hun kranten, magazines, omroepen en websites definitief de nieuwe mediatijden binnen te loodsen. Dat veronderstelt dat ze (eindelijk) nieuwe businessmodellen weten te ontwikkelen die voldoende levensvatbaar zijn. Onvermijdelijk zullen daarbij de klassieke mediapaden worden verlaten. Zo is de toekomst overduidelijk aan sterke multimediale merken.11
Mediadirecties moeten er daarbij op letten niet toe te geven aan de verleidingen van de ‘alles gratis cultuur’. Informatie - en zeker kwaliteitsnieuws - is een behoorlijk arbeidsintensieve aangelegenheid en daar mag dus een prijs voor worden gevraagd. De Vlaamse pers haalt zijn inkomsten momenteel in een fiftyfifty-verhouding uit de lezersmarkt en de reclamemarkt, en dat blijkt vandaag een goede zaak. Het is aan de stabilisering van de lezersmarkt te danken dat de mediacrisis niet veel erger uitvalt dan nu het geval is. Amerikaanse kranten zijn veel afhankelijker van reclame-inkomsten (80%) dan van lezersbijdragen (20%), wat hen veel afhankelijker maakt van de kleinste conjunctuurschommelingen.

Maar zo’n stabilisering van de lezers- en kijkersmarkt moet je natuurlijk ook verdienen, elke dag opnieuw. En aangezien media op content draaien, en content mensenwerk is, moeten CEO’s en hoofdredacties dringend meer aandacht gaan besteden aan de werkvoorwaarden van hun personeel. Dat betekent bijvoorbeeld dat redacties optimaal worden bezet. Dat nieuwe krachten serieuze arbeidscontracten krijgen, en geen precaire tijdelijke statuten. Het dumpen van oudere journalisten mag nu echt wel stoppen, en in zoverre een afscheid zich toch opdringt moet dat gebeuren in de beste sociale omstandigheden, met maximaal gebruik van de mogelijkheden inzake tijdskrediet of eindeloopbaanregeling. Redactieverantwoordelijken maken ook nog te weinig gebruik van bijscholing- en reconversiemogelijkheden om personeelsleden aan boord te houden van het bedrijf.
Kwaliteit heeft tot slot te maken met de onafhankelijkheid van de redactie, die in eer en geweten verslag kan uitbrengen over het nieuws dat ze belangrijk vindt. Dat veronderstelt van managers en redactiechefs de naleving van zowel de beroepsethische codes als een redactiestatuut. Over redactionele kwesties moet er steeds maximaal overleg worden gepleegd met een redactieraad als spreekbuis van de redactie.

EERLIJKE REFLECTIE

Alle journalisten zijn het erover eens dat ze even goed verantwoordelijkheid moeten opnemen in de strijd tegen de mediacrisis. Dat betekent dan in de eerste plaats dat ze alles op alles blijven zetten voor een kwalitatieve berichtgeving aan hun publiek. Minstens zullen zij zich daarbij rekenschap geven van hun beroepsethische verplichtingen, zoals sinds lang opgenomen in diverse deontologische codes.
Maar op alle redactievloeren zijn de journalisten bereid tot meer. Als geen ander zijn ze zich ervan bewust dat de technologische evolutie andere, complexere taakinvullingen mogelijk maakt. Zo wordt het voor redacteuren steeds makkelijker om hun teksten meteen ook te gaan lay-outen. Zo is het ook voor omroepjournalisten steeds evidenter om hun reportage direct ook te monteren. Niemand betwijfelt verder dat de toekomst aan de crossmediale merken is. En dus zullen journalisten, parallel met hun artikel voor de krant, wel degelijk bereid moeten zijn gelijk ook een bijdrage te leveren voor de website of zelfs een video-opname te doen.
Op redacties bestaat een grote bereidheid tot een eerlijke reflectie hierover. Het belet niet dat hierbij steeds ook rekening moet worden gehouden met andere elementen dan kostenefficiëntie: de inhoudelijke kwaliteit van de berichtgeving in de eerste plaats, en verder de werkdruk (die onder geen beding mag toenemen) en het voldoende beschikbaar zijn van opleidingen in de nieuwe technologie.12
In het algemeen bestaat bij journalisten trouwens een brede goodwill om gebruik te maken van bijscholings- en reconversiemogelijkheden. In deze snel veranderende maatschappij en nog sneller evoluerende mediasector, is flexibiliteit meer dan ooit aan de orde. Maar dat veronderstelt natuurlijk dat die navormings- en omschakelingsmogelijkheden door de bedrijfsleiding ook worden aangeboden. En laat dat nu net zijn waar het schoentje knelt.

VOORWAARDELIJKE PERSSTEUN

Traditioneel heeft de overheid een onthoudingsplicht ten aanzien van de media. Voor een goede werking van de democratie is het nu eenmaal vooral van belang dat redacties vrijuit hun ding kunnen doen. Gemeenzaam wordt er dan van uitgegaan dat het pluralisme van de pers en de kwaliteit van het nieuwsaanbod voldoende zullen worden gevrijwaard.
Maar zoals de recente beurscrisis het faillissement van het wilde kapitalisme heeft blootgelegd, toont de huidige mediacrisis de beperkingen van het moderne mediabestel aan. En zoals de overheid volop investeert om het financiële systeem overeind te houden, past het haar om ook aan de mediasector ondersteuning te bieden. In het licht van de galopperende commercialisering van de nieuwsmedia, wordt het tijd dat de overheid haar onthoudingsplicht omzet in een zorgplicht.
Overigens verleent zowel de Belgische als de Vlaamse overheid nu reeds belangrijke steun aan de Vlaamse mediasector. De VRT wordt als openbare omroep omzeggens integraal met publieke middelen gefinancierd. Maar ook de private mediabedrijven genieten vandaag belangrijke overheidsstimuli. Op federaal vlak gaat het om BTW-vrijstellingen en voordelige posttarieven.13 Op communautair niveau wordt er sinds jaren perssteun verleend voor opleidingen of investeringen in nieuwe technologie. De commerciële omroepen genieten dan weer van beschermende reclamewetgeving. Zeker het vermelden waard zijn nog de lucratieve overheidsadvertenties die zowel federale als communautaire beleidsverantwoordelijken met grote regelmaat in alle media laten verschijnen.

Van journalistenzijde wordt die perssteun zeker geapprecieerd, en een verhoging ervan in deze barre tijden zou zeker meegenomen zijn. Onder meer investeringssteun voor nieuwe informatieplatformen kunnen de mediabedrijven vandaag best gebruiken. En wellicht kunnen ook op fiscaal of sociaalrechtelijk vlak (eventueel tijdelijke) extra steunmaatregelen voor de mediasector worden uitgewerkt.
Maar daar mag het niet bij blijven. De VVJ (Vlaamse Vereniging van Journalisten) vraagt al lang dat de perssteun aan de mediabedrijven wordt gekoppeld aan striktere voorwaarden, die rechtstreeks de kwaliteit van het nieuwsaanbod bevorderen. Concreet gaat het dan om factoren als de bezetting van de redacties, het respect voor CAO’s en redactiestatuten, het naleven van minimumvergoedingen voor freelancers en het aanbieden van voldoende bijscholing- en reconversiemogelijkheden in het bedrijf. Aan de VVJ moet een sleutelrol toekomen voor de controle van deze toekenningsvoorwaarden. Legistiek kan deze verbetering overigens uiterst snel worden doorgevoerd. De Vlaamse perssteun wordt sinds jaren toegekend via een Protocol tussen de Vlaamse overheid en de geschrevenperssector, en die regeling kan heel flexibel worden herbekeken.
En dan kan er nog een piste worden geopend. Dat is die van rechtstreekse verbetering van het persoonlijke statuut van de (beroeps)journalist. Zo zou een uitbreiding van het kunstenaarsstatuut sommige freelance journalisten wel eens van pas kunnen komen. Ook andere verbeteringen van de fiscale en sociaalrechtelijke positie van (freelance) journalisten behoren tot de mogelijkheden.

EN DE BURGER?

Welke rol is bij dat alles weggelegd voor de burger - degene om wie het uiteindelijk toch allemaal is te doen? Her en der wordt ervoor gepleit het publiek meer inspraak te geven in wat de media doen. Hun grote maatschappelijke belang verantwoordt nu eenmaal dat ook zij - zoals de overheid - meer nauwgezet worden gecontroleerd.
Ongetwijfeld is het van groot belang dat het publiek de media kritisch volgt en ook journalisten permanent op hun verantwoordelijkheden kan wijzen. Maar of dat moet leiden tot extra toezichtorganen, zoals sommigen suggereren, lijkt ons een brug te ver. Nu al beschikt het publiek immers over een kapitale sleutel om zijn oordelen en wensen te ventileren: dat is zijn koop-, lees-, kijk-, luister- en surfgedrag. In het kader van de toegenomen interactiviteit zijn de mogelijkheden om persoonlijk te reageren op het werk van de media bovendien fenomenaal toegenomen. En dan is er nog de Raad voor de Journalistiek, waarin onafhankelijke burgers ook al een gewaarborgde vertegenwoordiging hebben. Wat ons betreft moet de overheid dus niet onmiddellijk investeren in dergelijke controle-initiatieven. Een uitbreiding en verfijning van het KIK-project, dat middelbare scholieren laat kennismaken met kranten in de klas, is daarentegen misschien wel het overwegen waard.14

Pol Deltour
Nationaal secretaris van de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ) en de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (AVBB)

Noten
1/ Eind 2008 kondigde Corelio een collectief ontslag aan van 60 personeelsleden (op ongeveer 1000 in het totaal); daaronder 15 journalisten. Een dag later meldde De Persgroep dat ze bij De Morgen 26 mensen weg wil, of een kwart van de redactie. Bij VTM moeten 23 banen worden geschrapt. Eerder verklaarde de VRT al dat 150 natuurlijke afvloeiers niet worden vervangen. Sanoma dan weer doekte het magazine Milo op wegens tegenvallende reclamecijfers.
2/ Dat wordt hen overigens een stuk makkelijker gemaakt door het stelsel van de getrapte verantwoordelijkheid in persaangelegenheden (artikel 25 Grondwet), waardoor de journalist als eerste aansprakelijk zal worden gesteld voor vermeende tekortkomingen.
3/ Die is sinds 1953 vastgelegd in specifieke codes. De vandaag gangbare teksten zijn de Internationale Verklaring van Rechten en Plichten (München, 1971) en de Belgische Code van Journalistieke Beginselen (Brussel, 1982). Op dit moment wordt aan actualisering van deze codes gewerkt op Vlaams niveau. Voor een goed begrip: deze deontologie omvat minimumregels voor het journalistieke functioneren. Ze vormt nog geen waarborg voor enig ‘kwaliteitsniveau’ in de berichtgeving.
4/ Dat blijkt uit een interne enquête uit 2008 bij het VRT-personeel zelf.
5/ De Amerikaanse publicist Andrew Keen gaat in zijn boek De @-cultuur nog een stap verder, en stelt dat het Web 2.0 en de ‘amateurs’ die er op actief zijn onze cultuur ronduit kapot maken. Het internet moet dringend opnieuw in handen komen van echte professionals, zegt Keen.
6/ Enkele uitzonderlijke eigen media-initiatieven daargelaten, is het in Vlaanderen vooral het door de overheid gefinancierde Fonds Pascal Decroos dat onderzoeksjournalistieke projecten mogelijk maakt.
7/ In februari 2009 publiceerde de Gentse Arteveldehogeschool nog verontrustende bevindingen over de werkdruk, werkstress en burn-out bij Vlaamse journalisten. Bijna 1 op 3 loopt een verhoogd risico op burn-out of heeft last van klinische burn-out. Zie De Journalist van 26 februari 2009.
8/ Zie het Vademecum voor Zelfstandige Journalisten van de VVJ, dat ook op www.journalist.be is gepubliceerd.
9/ Een voorbeeld: de hoofdredacteur van De Morgen, afkomstig van VTM, kreeg een negatief advies van de redactieraad van de krant maar geniet niettemin het vertrouwen van de top van De Persgroep
10/ Hoofdredacteuren bevinden zich tegenwoordig in hun verhoudingen met de werkvloer vrij systematisch aan de kant van de directies. Ze zijn de ‘laatste der directeuren’ geworden in plaats van de ‘eerste der redacteuren’.
11/ Die focus op het mediamerk impliceert ongetwijfeld een zekere marketing, maar daar mogen redacties niet bij betrokken worden. Tussen die laatste en de commerciële diensten van het mediabedrijf blijft best een goede buffer staan, gebaseerd op een stevig redactiestatuut. Daarom was het ook zo jammer dat een Vlaamse hoofdredacteur zich in 2007 tot ‘marketeer van het jaar’ liet uitverkiezen.
12/ Zie De Journalist van maart 2008: ‘Multimediajournalist staat voor belangrijke uitdagingen’.
13/ Het is moeilijk een precies cijfer te plakken op de onrechtstreekse steunmaatregelen van lage posttarieven en btw-vrijstelling, maar het totale bedrag loopt in de vele miljoenen. In 1990 raamde De Post de tegemoetkoming voor kranten en tijdschriften al op 190 miljoen euro (Els De Bens & Karin Raeymaeckers, De Pers in België, LannooCampus).
14/ Inspiratie kan ook nog worden gehaald bij het project Education aux médias in de Franse Gemeenschap.

media - pers - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 3 (maart), pagina 4 tot 15