Abonneer Log in

Spek met eieren

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 9 (november), pagina 66 tot 68

Verder kijken dan je neus lang is, dat lijkt wel het leidmotief van het zeer lezenswaardig interview met Fons Leroy, gedelegeerd bestuurder van de VDAB, over het arbeidsmarktbeleid in een knelpunteneconomie verschenen in Samenleving en politiek van september 2009. Blijven investeren in de versterking van de competenties van iedereen die nu in de werkloosheid terecht komt wegens de herstructureringen ten gevolge van de crisis of voor wie pas op de arbeidsmarkt komt en niet aan de slag kan, vormt de kern van zijn betoog. Zorgen dat niemand achterblijft in deze crisis en afgeschreven wordt om weg te zinken in langdurige uitzichtloze werkloosheid is een terechte zorg. Ons tegelijk voorbereiden op een toekomstige arbeidsmarkt na de crisis, waar tekorten en spanningen weer zullen opduiken, is meer dan noodzakelijk. De uitdagingen van de verzilvering en de verkleuring van de samenleving nu grondig voorbereiden, getuigt van een vooruitziend beleid. De VDAB speelt hierin een sleutelrol en de ombouw van de sluitende begeleidingsaanpak naar een sluitende maatpakbenadering is het correcte antwoord op de diversiteit binnen de groep werklozen. Maar niet voor iedereen kan de VDAB een maatpak aanmaken. Dat geeft Leroy trouwens ook toe als hij vaststelt dat ‘één op vijf langdurig werklozen (20%) nooit aan werk geraakt, zelfs niet in alternatieve circuits als de sociale economie’. Hun maatschappelijke activering is inderdaad geen spek voor de bek van de VDAB. Daar hebben zij niet de knowhow voor, noch behoort dit tot de eigenlijke missie van de VDAB: de regulering van de arbeidsmarkt door vraag en aanbod te matchen, ook al houdt dit in dat ze daartoe zowel vraag als aanbod moet ‘bewerken en ondersteunen’.

OCMW’s daarentegen hebben wel troeven en knowhow in huis om mensen in armoede een begeleiding op maat te bieden. Hun missie bestaat er in om iedereen het recht te bieden tot een menswaardig bestaan, tot maatschappelijke integratie (wet oktober 2002). Met de RMI-wet hebben de OCMW’s een wettelijke opdracht gekregen inzake socio-professionele inschakeling op maat van de cliënt. Art 6 van deze wet benadrukt dat de tewerkstelling die voorgesteld wordt door het OCMW moet zijn aangepast aan de persoonlijke situatie en capaciteiten. Zo hebben de OCMW’s een aantal instrumenten ter beschikking om activeringstrajecten op maat uit te tekenen. Het is bijvoorbeeld mogelijk een aantal stappen in de richting van een jobdoelwit te nemen terwijl er parallel gewerkt wordt aan de algemene welzijnstoestand. OCMW’s zijn ook het best geplaatst om op individueel niveau te achterhalen wat precies de behoeften zijn van een cliënt op basis van een persoonsgerichte screening.

De ‘zo snel mogelijk op werk gerichte aanpak’, waarvoor de VDAB pleit, is ons inziens vaak zeer zinvol en efficiënt voor een heleboel werkzoekenden, maar niet voor mensen met een complexe armoedeproblematiek. Niet omdat we deze mensen willen ‘bepamperen’, maar omwille van het feit dat we in de praktijk constateren dat het gewoon niet werkt. Mensen die in crisis toekomen bij het OCMW en daardoor ook ver van de arbeidsmarkt verwijderd zijn, hebben behoefte aan méér dan alleen arbeidsmarktgerichte dienstverlening zoals screening, bemiddeling, competentieontwikkeling en loopbaanbegeleiding. Eerst moeten de onmiddellijke problemen opgelost worden en de toestand van bijvoorbeeld thuisloosheid of schuldoverlast of afsluiting van gas en elektriciteit aangepakt en gestabiliseerd worden. Wat voor zin heeft het om deze OCMW-cliënten standaard naar de VDAB te sturen wanneer men op voorhand al weet dat ze de persoon toch niet zal kunnen verder helpen en terug zal moeten doorverwijzen?

Eenzelfde screeningssluis of toegangspoort voor iedereen onafgezien de vertrekpositie lijkt ons wat te neigen naar ‘administratief pestgedrag’. De al getraumatiseerde mensen in armoede sturen we zo van het kastje naar de muur. Want de VDAB heeft noch de knowhow, noch de missie om de globale persoon met al zijn verschillende problemen te helpen. Een gerichte inschrijving op het moment dat de cliënt wel klaar is voor de arbeidsmarkt is ons inziens efficiënter en kostenbesparend. Ook voor de VDAB, die zich zo kan concentreren op zijn eigen missie. Een dynamische aanpak waarbij men streeft naar samenwerkingsverbanden met partners biedt voor deze doelgroep immers meer kansen op succes ten opzichte van de gestandaardiseerde trajecten van de VDAB. Daarom overspeelt Fons Leroy ook zijn hand als hij zich afzet tegen de ‘parallelle circuits’ in de OCMW’s die een wettelijke opdracht hebben om leefloners te begeleiden in hun traject naar werk.

Bovendien gebruiken OCMW’s een brede interpretatie van het begrip activering, waarbij een proces doorlopen wordt via een traject, op maat, aangepast aan tempo, verlangen en draagkracht van mensen in armoede waardoor we op lange termijn ook grotere successen kunnen boeken. Wij pleiten dan ook voor deze bredere interpretatie van activering, een geleidelijk proces naar werk gezien dit de kansen op een duurzame activering verhoogt. Gezien de verre afstand van de arbeidsmarkt is het immers niet altijd realistisch te streven naar formele, betaalde arbeid. Finaliteit moet ‘duurzame integratie’ zijn. Zelfs wat de ‘werk’-dimensie betreft, moet dit begrip ruim omschreven worden. Naast reguliere en sociale tewerkstelling behoren ook arbeidszorg, vrijwilligerswerk en elke vorm van ‘maatschappelijke participatie’ tot de legitieme opties voor een succesvolle activering. Het is dan ook een beetje te kort door de bocht om te stellen dat ‘leefloners vaak langere circuits van integratie doorlopen dan andere werkzoekenden met vergelijkbare kenmerken’.

Het ‘overnemen’ van de screeningstaken en ‘intakeopdracht’ van het OCMW lijkt een beetje op een ‘vijandig overnamebod’. Er moet worden vermeden dat organisatiebelangen primeren op belangen van de cliënt waarbij deze laatste riskeert een speelbal te worden tussen organisaties. Zoals gezegd moeten parallelle circuits vermeden worden maar in plaats van op te roepen om opdrachten van de partner over te hevelen pleiten wij er voor om te streven naar samenwerking tussen de verschillende diensten (VDAB, OCMW, Kind&Gezin, CGGZ) op basis van complementariteit en evenwaardigheid, vertrekkend van de eigen missie waarbij kwaliteitszorg moet primeren boven kwantitatieve doelstellingen en samenwerking moet primeren boven concurrentie. Uit recent onderzoek over duurzame activering in de OCMW’s, uitgevoerd door Oases (UA) en de Universiteit Luik blijkt dat een goede samenwerking tussen VDAB en OCMW’s een voorwaarde tot succes is om tot een duurzame inschakeling in de arbeidsmarkt te komen. Maar dit pas als er eerst voorafgaandelijk een traject is uitgewerkt, gericht op empowerment en versterking van de competenties en de persoonlijkheid van de leefloners door de OCMW’s. De holistische aanpak van de OCMW’s is evenzeer een voorwaarde tot succes. Goede samenwerking is dus pas mogelijk als er echt respect is voor de wederzijdse missie en opdracht van OCMW en VDAB.
Dus niet zoals de kip die tegen het varken zegt ‘laten we een nieuw product op de markt brengen: spek met eieren’. Pas in een open respectvolle samenwerking zullen we iedereen een kans bieden om volwaardig in de samenleving te participeren.

*Julien Van Geertsom
Directeur POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie *

OCMW - VDAB - Fons Leroy

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 9 (november), pagina 66 tot 68