Log in

Woonbeleid: geprangd tussen selectiviteit en legitimiteit?

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 2 (februari), pagina 11 tot 20

Ze leken als sneeuw voor de zon verdwenen, de Vlaamse huisvestingsproblemen. Tenminste als de weinige berichtgeving in de media als maatstaf geldt. Ook in het Vlaamse parlement is er sinds het aantreden van de nieuwe regering weinig beroering waar te nemen. Het was dan ook schrikken toen De Morgen op 27 november 2009 kopte dat de grootste Vlaamse sociale huisvestingsmaatschappij een dakloze een sociale huurwoning weigert, omdat hij… ‘dakloos’ is. Sindsdien zijn gure tijdingen niet meer uit de lucht: we weten intussen dat er in 2009 meer mensen uit hun huis zijn gezet, konden de klassieke (kerst)plaatjes van aanschuivende, bevroren daklozen aanschouwen en het schaamrood op de wangen zindert nog na na de beelden van de schrijnende woonomstandigheden van enkele Roma gezinnen in Gent. Dat een gebrek aan effectiviteit van het huisvestingsbeleid er misschien voor iets tussen kon zitten, kwam blijkbaar bij niemand op.

De vele huisvestingsministers en schepenen van wonen werden met rust gelaten. Zelf hielden ze zich ook gedeisd. Dit is niet echt verwonderlijk aangezien ze zich de afgelopen jaren hebben uitgesloofd om aan te tonen dat het vooral de middenklasse is die huisvestingsproblemen ervaart. De middenklassers kunnen zich, zo luidt de stelling, nauwelijks nog een eigen woning permitteren omdat een huis vandaag dubbel zoveel kost dan 10 jaar geleden. En een eigen huis moet, want het is, zo vindt in elk geval de sp.a de beste vorm van pensioensparen. De Standaard-commentator Bart Sturtewagen is het daar volkomen mee eens is: ‘Het bezit van een huis maakt, voor onze ouder wordende bevolking, bovendien een hemelsbreed verschil. Wat de waarde van een modaal pensioen over enkele jaren zal zijn, weet niemand, maar gerede twijfel is gewettigd. Wie tien jaar geleden geen huis kocht, maar het geld op de beurs inzette, heeft in het beste geval geen al te groot verlies geleden. Nu het er alle schijn van heeft dat het economisch herstel amechtig wordt, valt te vrezen dat de aandelenmarkten de komende jaren geen vetpot worden. Geen betere verzekering voor de oude dag dan een eigen huis, dus. Nog steeds en meer dan ooit’ (22/12/2009). En inderdaad, het Belgische vastgoed blijkt behoorlijk wat waard te zijn: samen 969 miljard euro (De Morgen, 02/12/2009).

Deze berichten vestigen de aandacht op twee zaken. De eerste betreft de vaststelling dat de beleidsverantwoordelijken hard hun best doen om meer huisvestingssubsidies naar de middenklassers te sluizen; de tweede dat zij die het meest urgent een woning nodig hebben door de sociale huursector de rug worden toe gekeerd. Probleem 1 is gerelateerd met de legitimiteit van het huisvestingsbeleid; probleem 2 met de selectiviteit. En beiden leven blijkbaar op gespannen voet.

LEGITIMITEIT VERSUS SELECTIVITEIT

Op de kaft van Luc Huyses boek De lange weg naar Neufchâteau (1996) lezen we dat een democratie o.a. op de pijler ‘legitimiteit’ rust. ‘Legitimiteit is de overtuiging, in brede lagen van de bevolking, dat de politieke instellingen en hun equipage het vertrouwen waard zijn’. Ook de toekomst van de sociale zekerheid hangt af van haar legitimiteit. In de praktijk houdt dit in dat een voldoende grote groep van de bevolking van de voordelen moet kunnen genieten, dus ook de middenklasse. Omdat ze er flink aan mee betaalt. De redenering is dan dat de middenklasse zou weigeren aan een verzorgingsstaat bij te dragen als de voordelen naar anderen gaan (Van Oorschot, 2000 in navolging van o.a. Wilensky en Galbraith). Als we meer specifiek de beleidsdaden inzake wonen van de afgelopen jaren bekijken, zouden we kunnen besluiten dat de middenklasse er dringend terug bij gehaald werd: de uitsluitingsgrenzen van zowat alle subsidies zijn de hoogte in gegaan. M.a.w. de doelgroepen werden uitgebreid.
Naast de legitimiteitvraag, is er echter ook de vraag naar de effectiviteit. Helpt het beleid haar eigen doelstellingen realiseren? Concreet: zorgt het woonbeleid ervoor dat voor elke inwoner het grondwettelijk vastgelegde recht op wonen gerealiseerd wordt? Of is het beleid daartoe op goede weg? Lang hoeft niet naar het antwoord gezocht te worden. Het recht op wonen is niet voor iedereen gerealiseerd. En goed op weg zijn we ook niet echt (De Decker, 2009).

Probleem 1 suggereert dat het woonbeleid te selectief is en dat daardoor haar draagvlak taant. In de wereld van het woonbeleid is dit een breed gedragen opvatting. Probleem 2 suggereert dan weer dat het beleid niet doelgericht genoeg is waardoor diegenen die echt overheidshulp om zich naar behoren te huisvesten nodig hebben naast de prijzen grijpen. Dit is een overtuiging die leeft onder welzijnswerkers, en bijvoorbeeld straathoekwerkers er toe aanzet om kerststallen te huur stellen (De Standaard, 24/12/2009).
We zullen in drie stappen aantonen dat deze laatste stelling de correcte is. We tonen allereerst aan dat het Matteüseffect in de wereld van de woonsubsidies nog steeds levend en wel is. Daarna tonen we aan dat de middenklassen nauwelijks woonproblemen kennen. En ten slotte bekijken we specifiek de sociale huursector, een sector die hunkert naar de instroom van meer gegoede huurders. Terugkijkend lijken we getuige te zijn van wat Zizek (2009) een fetisjistische ontkenning noemt - ‘Ik weet het, maar ik wil het niet weten wat ik weet, dus weet ik het niet’ (p. 56) - en bijgevolg doen we verder zoals we bezig waren.

MATTHEÜS ZWAAIT MET ZWIER DE SCEPTER

De sociale eigendomsverwerving is het voorbeeld bij uitstek (samen met de studiebeurzen) van een selectieve sociale voorziening, waarbij de voordelen (…) voorbehouden zouden moeten blijven aan de lagere inkomensgroepen. In feite lukt deze selectiviteit niet, en behoren de kopers van collectief gebouwde woningen1 en meer nog de individuele bouwers met [bouw- of koop-] premie relatief meer tot de hogere en zelfs tot de hoge inkomenscategorieën’ (p. 358).
Deze passage komt uit het klassieke werk Het Matteüseffect van Herman Deleeck en collega’s waarin ze aantonen dat de hogere sociale categorieën in een aantal sectoren méér participeren aan de sociale voorzieningen en aldus een groter aandeel van de sociale overheidsuitgaven opnemen dan de lagere (1983, p. XI). Een van die sectoren is de huisvestingssector. Dit is zo omdat voor eigendomsverwerving de feitelijke toegangsdrempel hoog ligt omdat betrokkenen zelf een behoorlijk eigen kapitaal moeten inbrengen. Dit is echter evenzeer zo omdat de uitsluitingsgrenzen zeer hoog liggen. Of m.a.w. omdat de overheid weinig selectief is.
Deleeck e.a. stellen ook vast dat de sociale huursector behoorlijk selectief is: ‘in die zin dat de voorziening meer dan proportioneel door de lagere categorieën opgenomen wordt’ (p. 359). Maar dit betekent niet, zo stellen ze, dat de marginale bevolkingscategorieën in de sociale huursector aan hun trekken komen. Demal-Durez (1982) kwam rond dezelfde tijd ook tot de vaststelling dat ongeveer een derde van de sociale huurders een inkomen heeft dat hoger is dan de uitsluitingsgrens. Ook Notredame (z.d.) wijst er op dat de sociaaleconomische selectiviteit van de sociale huursector beperkt is omdat relatief hoge inkomens ook gebruik kunnen maken van de voorzieningen. Ook hij rekent een belangrijk deel van de huurders tot de onrechtmatige begunstigden. Een gelijkaardig standpunt werd ook ingenomen door Koninklijk Commissaris voor het Migrantenbeleid (1991). Notredame pleitte later voor een betere toegankelijkheid van de sociale huurwoningen voor kansarmen. In dat licht opteerde hij zelfs onomwonden voor het uitdrijven van ‘te-veel-verdieners’ uit hun sociale huurwoning (VHM Info, april 1993).

Op basis van gegevens voor 1995, werd de hardnekkigheid van het Matteüseffect door De Decker (2005) herbevestigd. 40% van de subsidies gaan naar de 20% meest welvarende huishoudens, terwijl de 20% laagste inkomens slechts 10% krijgen. Niet alleen als groep profiteren de hoogste inkomens het meest, ook als individu. Het is vooral de fiscale aftrek van de hypotheeklening die voor scheeftrekking zorgt, al wordt ook vastgesteld dat de voordelen van Vlaamse tegemoetkomingen in het kader van de eigendomsverwerving ook bovenproportioneel naar de midden- en hogere inkomensgroepen gaan. Het zijn enkel de voordelen van de sociale huursector en de huursubsidie die in hoofdzaak bij de lagere inkomens terechtkomen.
Dat in het huisvestingsbeleid een omgekeerd herverdelingseffect speelt, is op basis van gegevens voor 2005 nogmaals aangetoond. Häffner & Heylen (2009) stellen immers vast dat na het uitbetalen van alle subsidies de ongelijkheid tussen de hogere en lagere inkomens toeneemt. Een effect dat men niet direct verwacht van wat als een sociaal beleid doorgaat…

Op basis van het cijfermateriaal is de legitimiteitvraag dus niet aan de orde. Dit is niet verwonderlijk, want eigenlijk hebben onze overheden nooit de intentie gehad om huisvestingssubsidies selectief aan een beperkte(re) groep lage inkomens toe te kennen. Dat dit ook nu niet het geval is blijkt uit Tabel 1. Daarin is aangegeven in welk deciel de inkomensgrenzen van de diverse huisvestingssubsidies vallen.2 Concreet betekent dit dat minstens 60% van de netto belastbare inkomens in Vlaanderen beneden de uitsluitingsgrens voor een sociale huurwoning vallen; voor een renovatiepremie betreft dit minimum 90% van de aangiften. Uit Tabel 1 blijkt overduidelijk dat er op dit moment nauwelijks van een intentionele selectiviteit sprake is. Met als uitzondering de budgettair piepkleine huur- en installatiepremie, zitten voor de overige tegemoetkomingen telkens minimum 60% van de aangiften onder de grens. Voor de eigendomsondersteunende subsidies is dit minimum 90%.

DE MIDDENKLASSE HEEFT GEEN HUISVESTINGSPROBLEEM

Voor een meerderheid van de tussenkomsten die woningeigendom ondersteunen, bestaat er dus nauwelijks enige selectiviteit. Toch heeft er zich de afgelopen jaren in beleidskringen een wel heel bizarre redenering ontwikkeld: omdat de huizenprijzen sterk stijgen, moeten de inkomensgrenzen van de diverse huisvestingssubsidies3 omhoog om diegenen te helpen die net boven de vorige grens zitten.4 Terwijl men eigenlijk zou verwachten dat de inspanningen voor de laagste inkomens toenemen omdat ze het meest last hebben van de stijgende woonkosten.
Neen dus. En dat terwijl onderzoek keer na keer aantoont dat er voor de middenklassen weinig aan de hand is. Eigenaars met afbetalingslast5 hebben een gemiddelde woonquote van 21,7% (Tabel 2); de gemiddelde afbetaling van starters6 is 22.3% (Heylen & Winters, 2008). Als wordt aangenomen dat de banknorm van 33% de kritische grens is, kan niet anders dan geconcludeerd worden dat de afbetalingslast laag is. Ook voor jonge eigenaars! Bovendien blijkt dat het gemiddelde woonquote voor afbetalende eigenaars de afgelopen jaren slechts beperkt is toegenomen: van 19,6% in 1995 naar 21,7% in 2005. Bovendien zit slechts 11,7% met een afbetalinglast die de kritische drempel overschrijdt.
Vergelijken we dit met de sociale en private huursector, dan stellen we vast dat ook de sociale huursector het goed doet, met een gemiddelde woonquote van 22,5% en slechts 8,4% van de huurders die meer dan 33% van het inkomen aan wonen betaalt. Dit contrasteert met de private huursector waar de gemiddelde woonquote net geen 30% is en waarin ook net geen 30% van de huurders meer dan 1/3 van het inkomen aan wonen spendeert. De woonquote voor particuliere huurders is de afgelopen 10 jaar wel sterk gestegen: van 21,8% in 1995 naar 29.5%.

En een ander benadering levert een gelijkluidend resultaat. De Decker, e.a. (2008) keken naar de evolutie tussen 1982 en 2005 van het resterend inkomen, dit is wat huishoudens overhouden na het betalen van hun (naakte) woonlasten. De vastgestelde patronen verschillen duidelijk tussen huurders en eigenaars: laatstgenoemden doen het beter, huurders slechter. Het resterend inkomen daalt voor de huurders vanaf 1992 en deze daling is versterkt na 1997, wat niet het geval is voor eigenaars. Ook al steeg de afbetalingslast voor laatstgenoemden sterk, hun resterend inkomen steeg of bleef stabiel, dit omdat hun inkomen in die periode ook sterk steeg.
Ten slotte willen we er nog op wijzen dat bepaalde groepen in 2005 een resterend inkomen hebben dat lager is dan in 1985. Dit betreft voor de eigenaars-met-hypotheek enkel huishoudens die tot het eerste inkomensquintiel behoren of (brug)gepensioneerd7 zijn. Voor huurders betreft dit vrijwel alle onderscheiden categorieën: gemiddelde huurders; huurders uit het eerste inkomensquintiel; huurders die lager, lager middelbaar of hoger middelbaar onderwijs hebben gevolgd; (brug)gepensioneerde huurders; huurders die ziek of arbeidsongeschikt zijn; huurders met een gezinshoofd ouder dan 45 jaar; alleenstaande huurders en koppels met kinderen die huren.
Uit dit alles volgt dat er nauwelijks toegankelijkheids- noch betaalbaarheidproblemen op de eigendomsmarkt zijn. Hoe is het dan te verklaren dat we overspoeld worden met tijdingen over de dreigende onbetaalbaarheid? Kloppen de mediakoppen dan niet?
Het is onmiskenbaar zo dat de gecommuniceerde nominale bedragen die betaald worden voor de aankoop van woningen en gronden de voorbije tien jaar sterk zijn gestegen: maal 2 voor woningen, maal 3 voor bouwgronden. Maar dit gaat niet gepaard, zoals zojuist aangetoond, met een toegenomen afbetalingslast. Een combinatie van factoren zorgt er immers voor dat met eenzelfde aandeel van het inkomen een veel hoger bedrag op tafel kan worden gelegd (De Decker, 2007). In de eerste plaats verklaart de inflatie al een deel van de stijging van de woonkosten. Daarnaast zijn de lonen de afgelopen 10 jaar sterker toegenomen dan de inflatie. Maar vooral de lage rentelast is verantwoordelijk voor de toename van prijzen: voor eenzelfde afbetalingslast kunnen we vandaag nominaal een pak meer lenen dan in tijden met hoge interesten. Bovendien speelt ook nog eens de verlenging van de ontleningperiode. Ook een aantal fiscale maatregelen zoals de meeneembaarheid van de registratierechten en de woonbonus jagen de prijzen de hoogte in - want het is een misvatting dat overheidssteun de prijzen stabiliseert of naar beneden haalt; het omgekeerde is waar.

DE SOCIALE HUURSECTOR OP ZOEK NAAR DE

DEUS EX MACHINA

De middenklassen hebben dus nauwelijks problemen om zichzelf behoorlijk te huisvesten. Bovendien worden ze reeds meer dan behoorlijk met overheidssubsidies bediend. Het legitimiteitvraagstuk is dan ook niet aan de orde, of zou het toch niet mogen zijn. Dit geldt niet voor de sociale huursector. Ook al is het geen gevolg van een specifiek op selectiviteit gericht beleid, de sociale huursector is vandaag behoorlijk selectief. Dit maakt de sector dan ook behoorlijk effectief: zoals we hoger zagen, liggen de woonquote behoorlijk laag en onderzoek toont aan dat de sociale huurder daarvoor een meer dan behoorlijke kwaliteit krijgt (Heylen e.a., 2007). Onder de echte ‘woonbehoeftigen’ is de sector dan ook behoorlijk populair: de wachtlijsten zijn ellenlang, net als de wachttijden. En beiden lijken toe te nemen.

Het is onmiskenbaar zo dat het profiel van de sociale huursector de laatste 20 jaar gewijzigd is. Was een doorsnee sociale huurder in het verleden een klassiek gezin, dan is dit vandaag niet langer het geval. Eenoudergezinnen, alleenstaanden en huurders die van een uitkering moeten leven, domineren vandaag. De sector verarmt en verkleurt. En al zijn ze nog een kleine minderheid, er wonen vandaag ook meer ex-gevangenen, ex-psychiatrische patiënten en ex-verslaafden dan ooit in de sociale huursector. Deze ontwikkeling ondergraaft de legitimiteit van de sociale huursector. Nogal wat steden en gemeenten kondigen een bouwstop af en vele anderen staan zeer huiverig tegenover de inplanting van een nieuwe sociale huurwijk. De Vlaamse woningbouwers staan evenmin te trappelen om, zoals het decreet op het grond- en pandenbeleid het wil, een sociale mix te realiseren. Want sociale huurwijken worden geassocieerd met onleefbare armemensenwijken. En wie wil nu onleefbare wijken op zijn grondgebied?

Om het ‘draagvlak’ van de sociale huursector te verhogen, is de voorgestelde remedie het verhogen van de sociale mix - een methodiek waarvan effecten verondersteld worden. Sociaal mixen komt er op neer om (a) middenklassers en gezinnen met kinderen aan te trekken en (b) de instroom van ongewenste sujetten te verminderen. Er is de afgelopen 20 jaar dan ook voortdurend aan het toewijzingsbeleid gesleuteld. Zonder veel succes. En omdat het verhogen van inkomensgrenzen nauwelijks effect heeft (gehad), zijn er steeds nieuwe criteria aan toegevoegd, waaronder de bereidheid om Nederlands te leren, het proefcontract, de mogelijkheid om lokale toewijzingsregels in te voeren (zoals het bij voorrang toewijzen aan mensen met werk), of het weigeren van mensen met een verleden als probleemhuurder. Het zijn echter allen nepvoorwaarden: de armen zullen blijven instromen, want ze zijn de enige echte kandidaten. Het mikken op de middenklassen is daarom een doodlopend straatje. Ze komen niet naar de sociale huursector omdat ze in Vlaanderen zonder veel problemen eigenaar van een huis kunnen worden. Al zal de negatieve berichtgeving van de aflopen jaren hun mogelijke kandidaatstelling ook geen goed gedaan hebben.
Het kan inderdaad moeilijk ontkend: er heeft zich in/over de sociale huursector in de loop van de jaren 1990 een vilein vertoog ontwikkeld, vaak aangezwengeld door direct betrokkenen. Zaakvoerders, voorzitters, huisvestingsministers, parlementsleden en partijvoorzitters hebben georeerd dat de sociale huursector niet deugt. Minister Anciaux zag de sociale woonwijken in brand staan en zijn opvolger Gabriëls vond de Antwerpse Silvertopflats niet goed genoeg voor zijn konijnen (De Decker, 2005). Het negatieve beeld dat vandaag over de sociale huursector bestaat, als een sector van arme, lastige mensen die samenhokken in onleefbare wijken waar ruzie en conflicten het dagelijkse leven beheersen, is mee gecreëerd door de sector en ‘haar vrienden’. Het is alsof een garagehouder van zijn auto’s zou zeggen dat ze niet deugen.

De vraag moet worden gesteld of dit zelfvernietigende discours is ontstaan als gevolg van de toestand op het terrein. Of zijn er andere redenen? De feitelijke toestand lijkt er in elk geval geen aanleiding toe te geven. Onderzoek doet immers besluiten dat er zich in de sociale huursector geen algemeen leefbaarheidsprobleem stelt (Pannecoucke e.a., 2001; Stoops & Albertijn, 2003). Er is geen algehele malaise. Uit de meest recente bevraging blijkt dat 89,9% van de huurders tevreden of zeer tevreden is met zijn woning; 86,7% is tevreden met zijn woonomgeving (Heylen, e.a. 2007). En steeds meer zaakvoerders geven trouwens aan dat de lastpakken enkelingen zijn. Trouwens, mocht het in de sociale huursector elke dag hommeles zijn, we zouden het in de krant lezen.
Het zelfvernietigende discours heeft dan ook eerder te maken met de aanhoudende houding van de beleidswereld ten aanzien van de sociale huursector. Inderdaad: aanhoudend. De sociale huursector is bij ons immers altijd al een vreemde eend in bijt geweest; of, zoals Goossens (1982) het stelt, een Fremdkörper in een land dat haar huisvestingsproblemen liever via private paden en eigendom wil oplossen. Met als gevolg dat noch op het politieke noch op het maatschappelijke vlak, een strijd gestreden wordt voor meer sociale huursector8, laat staan voor een meer performante sociale huursector. Vanaf de jaren 1980 hebben de onderscheiden ministers er vanuit het perspectief van de sociale huisbazen er een zootje van gemaakt. Zelf werden en worden de sociale huisvestingsmaatschappijen tegelijkertijd geconfronteerd met een verarming en verkleuring van hun publiek (met een effect op de financiële leefbaarheid), met een toenemende onderhoudsbehoefte, met langere wachtlijsten en een mondiger publiek. Daartegenover staat (o.a.) een bouwstop, de onzekerheid of er gebouwd of gerenoveerd kan worden wegens het ontbreken van een langetermijnplanning (o.a. omdat niet elke minister pro sociale huisvesting is), lange en steeds langere doorlooptijden van dossiers, een toenemende bevoogding vanuit Brussel, lokaal gezaag over het uitblijven van vaak reeds jaren aangekondigde realisaties, het niet aansluiten van omgevingswerken bij de woningen waardoor (zagende) bewoners soms jaren door de modder moeten ploeteren, het steeds wijzigende sociale huurbesluit, en steeds nieuwe financieringstechnieken zonder dat dit de financiële leefbaarheid op lange termijn garandeert. Men zou van minder gefrustreerd raken.

Het lijkt er op dat de sociale huisvesting met de goede zaak bezig is, maar geen gehoor krijgt voor haar problemen. En de problemen raken niet opgelost. Een kat in het nauw kan rare sprongen maken. Blijkbaar was zelfstigmatisering dan maar de strategie om aandacht te trekken. Het heeft veel weg van de relschoppers in de Franse banlieues die rel schoppen omdat men naar hen zou kijken (Zizek, 2009). Maar men heeft in de eigen voet geschoten. Daardoor is een paradox ontstaan: op het ogenblik dat een verdubbeling van de sociale huurwoningvoorraad aan de orde is, gaan de lokale besturen op de rem staan. En het zijn de sukkelaars die de rekening betalen…
Er is nog een tweede paradox. Eigenlijk ligt het voor de hand dat de sociale huursector woningen voorziet voor zij die zichzelf niet op de woningmarkt kunnen behelpen, maar haar huidig discours richt zich op het uitsluiten van bepaalde categorieën en het aantrekken van huishoudens die geen sociale huurwoning nodig hebben. En dit terwijl er een andere piste mogelijk was geweest: i.p.v. achter ongrijpbare doelgroepen te lopen, had men kunnen lobbyen voor ondersteuning van de realiteit: kaders en middelen voor zorg, bewonersbegeleiding en inspraak. Maar op deze terreinen staan we vrijwel nergens. De sociale huursector heeft zichzelf vastgezet, ze heeft haar eigen legitimiteit ondergraven op het moment dat door demografische veranderingen en de globalisering de woonproblemen toenemen.

TOT SLOT

Hoewel de tegemoetkomingen van de diverse overheden voor wonen in ons land in het verleden evenmin zelden selectief waren, stellen we vast dat de afgelopen jaren de doelgroepen van het woonbeleid steeds groter worden. Louter afgaand op de gehanteerde uitsluitingsgrenzen moet men concluderen dat de huisvestingsproblemen in ons land gigantisch groot zijn. Niets is minder waar: een overgrote meerderheid woont goed, groot en betaalbaar. De toegankelijkheid is voor de brede middenklasse de laatste paar jaren nauwelijks moeilijker geworden. Het is dan ook verwonderlijk dat steeds meer middelen gericht worden op mensen die eigenlijk geen steun voor het verwerven of behoud van een eigen woning nodig hebben. Nog meer bizar is dat de sociale huursector zich de laatste paar jaar, daarin gevolgd door de beleidsverantwoordelijken, richt op huishoudens die geen sociale huurwoning willen en op het afstoten van huishoudens die dringend een woning nodig hebben. Met als brutaal gevolg dat bijvoorbeeld daklozen terug naar af worden gestuurd.

Wil een welvaartsstaat voldoende draagvlak behouden, dan is één van de stelregels dat ook de middenklassers voldoende moeten profiteren. We hebben aangetoond dat er zich momenteel m.b.t het woonbeleid ter zake geen echt probleem stelt. Integendeel, de midden en hogere inkomensgroepen halen verhoudingsgewijs meer uit het systeem dat ze er in stoppen. Dit ten koste van de echt lage inkomensgroepen.
Dit is geen nieuwe (vast)stelling. Deleeck e.a. legden het Matteüseffect al bij het begin van de jaren 1980 bloot en de omgekeerde herverdeling bestaat vandaag nog steeds. Het gild der beleidsmakers weet dat de selectiviteit van ons woonbeleid niet goed zit, maar negeert het en kan zo op het met drogredenen ingeslagen pad verder blijven gaan. Dit pragmatisme is in haar uitkomst heel cynisch, bijvoorbeeld wanneer een welzijnswerker zijn zoveelste dakloze terug de kou in moet sturen.

Pascal De Decker
Docent Hogeschool Gent en Sint-Lucasarchitectuurschool Gent/Brussel

Referenties
- De Decker, P. (2005) In sommige sociale woonblokken zou ik mijn konijnen nog niet durven steken; in: De Decker, P., Pannecoucke, I. & L. Goossens (red.), Wonen aan de onderkant, Garant, Antwerpen, pp. 283-298.
- De Decker, P. (2005) Wie geniet van de overheidsuitgaven voor wonen in Vlaanderen?; in: De Decker, P., Pannecoucke, I. & L. Goossens (red.), ibid., pp. 397-436.
- De Decker, P. (2007) Is wonen niet altijd te duur?; in: Ruimte & Planning (27) 1, pp. 3-9.
- De Decker, P. (2009) Het woonbeleid over een andere boeg; in: Devos, C. & R. Vander Vennet (red.) Rood zonder roest, Van Halewyck/Stichting Gerrit Kreveld, Leuven, pp. 253-263.
- De Decker, P., Heylen, K. & I. Pannecoucke (2008) Wat huishoudens overhouden na het betalen van hun woonuitgaven, 1985-2005; in: Ruimte & Planning (28) 2, pp. 8-27.
- Deleeck H., e.a. (1983) Het Matteüs-effect. De ongelijke verdeling van de sociale overheidsuitgaven in België, Kluwer, Antwerpen.
- Demal-Durez, M. (1982) De begunstigden van het sociaal huisvestingsbeleid, N.I.H., Brussel.
- Goossens, L. (1982) Het sociaal huisvestingsbeleid in België. Een historisch-sociologische analyse van de maatschappelijke probleembehandeling op het gebied van het wonen, Faculteit Sociale Wetenschappen-KUL, Leuven.
- Häffner, M. & K. Heylen (2008) Betaalbaarheid van het wonen in Vlaanderen en Nederland, https://steunpuntwonen.be/Documenten/steunpunt-ruimte-en-wonen-2007-2011/2008/2008-01-betaalbaarheid-vlaanderen-nederland-rappor.pdf.
- Heylen, K. e.a. (2007) Wonen in Vlaanderen. De resultaten van de woonsurvey 2005 en de uitwendige woningschouwing 2005, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel.
- Heylen, K. & S. Winters (2008) Betaalbaarheid van het wonen voor starters op de woningmarkt, https://hiva.kuleuven.be/resources/pdf/publicaties/R1233.pdf.
- Huyse, L. (1996) De lange weg naar Neufchâteau, Van Halewyck, Leuven.
- Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid (1991) Synthesenota van het Tussentijds rapport over het ‘Ontstaan en de Bestendiging van concentratiebuurten in België’, Brussel.
- Notredame, L. (z.d.) Kwalitatieve woonbehoeften in de sociale huisvesting, Studiegroep Mens & Ruimte, Brussel.
- Pannecoucke, I., e.a. (2001) Profiel van de sociale huurder en subjectieve beleving van de realisaties van de sociale huursector, OASeS/CSB, UFSIA, Antwerpen.
- Stoop, R. & M. Albertijn (2003) Beter een goede buurt dan een verre vriend. Bewoners van Antwerpse sociale woningen over de leefbaarheid van hun omgeving, SOMA - Databank sociale planning, Antwerpen.
- Van den Bossche, F. (2009) Wonen. Beleidsnota 2009-2014.
- Van Oorschot, W. (2000) De legitimiteit van de sociale zekerheid; in: Klosse, S. (red) Sociale Zekerheid: een ander gezichtspunt, Die Keure, Brugge, pp. 37-76.
- Zizek, S. (2009) Geweld, Boom, Amsterdam.

Noten
1/ Dit zijn woningen gekocht van de Nationale Landsmaatschappij, de zogenaamde kleine landeigendommen.
2/ We moeten benadrukken dat uit deze tabel niet direct de grootte van doelgroepen kan worden afgelezen.
3/ Ook minister Van den Bossche (2009) kondigt in haar beleidsbrief een verhoging van de inkomensgrenzen aan.
4/ Een redenering die als voordeel heeft dat men ze kan volhouden tot iedereen van alles kan genieten en de reeds beperkte selectiviteit volledig verdwenen is.
5/ Dit is een kleine helft van alle eigenaars.
6/ Een ‘starter op de woningmarkt’ is een huishouden waarvan de vorige woning van de referentiepersoon de ouderlijke woning was en waarvan de referentiepersoon niet ouder was dan 30 jaar op het moment van de verhuis. Een bijkomende voorwaarde is dat de verhuis uit de ouderlijke woning niet langer dan 5 jaar geleden plaatsvond (periode 2000-2005).
7/ Dit betreft een heel kleine groep.
8/ Het decreet op het grond- en pandenbeleid voorziet in de bouw van 43.000 sociale huurwoningen. Dit zal in beste geval volstaan om het marktaandeel te consolideren. Er is een onmiddellijke behoefte aan 180.000 extra sociale huurwoningen.

woonbeleid - sociale huisvesting - sociale huursector

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 2 (februari), pagina 11 tot 20