Abonneer Log in

Politieke en sociale internetwerken

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 3 (maart), pagina 49 tot 55

Tijdens de verkiezingscampagne stortten veel kandidaten zich op de moderne sociale netwerken op het internet. Maar ze gebruikten die zelden of nooit interactief, wat nochtans het fundament is van Facebook, Twitter of Netlog. En ook in het politiek beleid nadien wordt er in België traditioneel weinig gedialogeerd met burgers. Het kan anders!

FACEBOOK

Ik kreeg op 21 december 2009 een mailtje van president Barack Obama.

Geert,
Early this morning, the Senate made history and health reform cleared its most important hurdle yet - garnering the 60 votes needed to move toward a final vote in that chamber later this week.
After a nearly century-long struggle, we are now on the cusp of making health insurance reform a reality in the United States of America.
These are not small changes. These are big changes. They’re fundamental reforms. They will save money. They will save lives.
And your passion, your work, your organizing helped make all of this possible. Now it’s time to finish the job.
Thank you,
President Barack Obama

En zo krijg ik sinds zijn verkiezing regelmatig mailtjes van hem. Toen ik een Facebook vriend van hem werd, waren we met zowat 250.000. Sinds hij president is wint hij nog elke dag aan supporters en zijn heeft zowat 6 miljoen aanhangers. En zijn communicatieploeg heeft het gebruik van sociale netwerken op internet tot een nieuwe vorm van politieke kunst verheven. Zo kregen we op de verkiezingsavond allemaal een berichtje van hem dat hij nu naar Daley Plaza in Chicago trok voor zijn acceptance speech, maar hij wou eerst zijn supporters danken omdat het zonder ons niet zou gelukt zijn. Telkens berichtjes met een link naar een speciaal opgenomen filmpje. En hij houdt dat momentum vol. De opvallendste was een waarbij hij zijn economisch herstelplan aankondigde maar me vroeg om vrienden en buren bij mij thuis uit te nodigen om een filmpje te bekijken dat het plan voorstelde. En als we vragen of bedenkingen hadden mochten we die opsturen… Ik vermoed dat met die antwoorden niet veel meer gebeurt dan wat er indertijd met ‘Kleurrijk Vlaanderen’ gebeurde. In 2002 mochten alle Vlamingen op een website reageren op een visietekst van de Vlaamse Regering. Zeer modern voor die tijd, maar men vergat een paar medewerkers aan te duiden die de reacties ook nog eens zouden lezen. Maar in de Verenigde Staten is er al lang een traditie om elke politieke beslissing vooraf te pollen, om na te gaan wat populair is en wat niet.1
Een interactief gesprek met een doelgroep geeft zeker een gevoel van betrokkenheid dat veel waard is. Obama geeft telkens weer het idee dat onze mening en acties er toe doen. Begin februari 2010 organiseerde zijn campagneteam ook interviews met de leden van zijn ‘Organising for America’. Op zijn verkiezingssite MyBarackObama.com konden zijn aanhangers zelf blogs maken over politieke thema’s, politieke aanbevelingen naar het campagneteam sturen, zelf activiteiten organiseren en zelfs van thuis uit een telefooncampagne voeren om kiezers op te roepen. Anderzijds werd met cookies het verdere surfgedrag van bezoekers aan hun site in kaart gebracht zodat ze hun politieke campagnes konden afstemmen op de interesses van die bezoeker. Ik vraag me wel af welke reclame iemand toegestuurd kreeg die eerst Obama’s site bezocht en nadien die van Playboy…

Voor het bestaan van Facebook en Twitter was het ondenkbaar dat een politicus even een paar miljoen brieven zou versturen. E-mail adressen zijn iets gemakkelijker te gebruiken maar moeilijk te vinden (zou trouwens geen slecht idee zijn voor een nieuwe soort Gouden Gids). Met de sociale netwerken kan je met een paar klikken miljoenen mensen bereiken. Tenminste als ze willen lezen wat je schrijft. En een bericht of een mail vanwege de president van Amerika zelf lees je toch (zelfs als die van Nixon zou zijn gekomen)? Ik denk zelfs dat ik vaker de Koninklijke Boodschap iets aandachtiger zou bekijken indien die met ‘Beste Geert’ zou beginnen in plaats van met ‘Waarde Landgenoten’.

Wat Obama doet is zeker een veel verstandiger manier met omgaan met de nieuwe interactieve kanalen op internet dan al de politici (en bedrijven) die dit gewoon als nog eens een nieuw kanaal beschouwen om de bevolking uit te leggen hoe goed ze bezig zijn. De perschef laadt elke ochtend een ingekorte versie van zijn laatste persbericht in Facebook en klaar is kees. En zo kan ik elke dag lezen dat Minister huppeldepup een bezoek brengt aan een zeer interessante instelling. Het is ook niet moeilijk te herkennen welke politicus zelf op het netwerk zit en welke alleen maar het werk zijn van de communicatie-jongens. Toen Fientje Moerman schreef dat ze die ochtend was gewekt door een dertig kilo zware hond, twijfelde ik er niet aan dat geen enkele perschef dat in haar plaats zou schrijven. Maar onze politici kaarten zelden of nooit een beleidsvraagstuk aan. Terwijl een basisregel van interactieve communicatie is dat die al eens in twee richtingen verloopt. Er zijn een paar uitzonderingen. Geert Lambert kreeg vrij veel steun en/of advies van zijn Facebook vrienden tijdens de slotfase van Spirit. Bart Caron ontketende er in januari 2010 een flinke discussie over de nieuwe aartsbisschop van België.

Maar het valt me toch sterk op dat tijdens de verkiezingscampagne er veel meer activiteit was op Facebook dan nadien. Ook al omwille van de dwaze ‘Obarometer’ van De Standaard. Die meet immers enkel de kwantiteit van wat politici met sociale media doen: hoeveel Facebook vrienden, hoeveel twitters. Bekijken wàt ze daar doen, of welke impact dat heeft is veel moeilijker te meten en dus doen we dat maar niet. Terwijl een eenrichtingsverkeer op Facebook even relevant is als een verkiezingsfolder in de brievenbus. Die moet al erg opvallend zijn om niet recht in de papierbak te eindigen. Ik weet overigens uit betrouwbare bron dat een partij zich goed georganiseerd heeft om haar leden te mobiliseren om op de fora van bijvoorbeeld De Standaard de juiste boodschap te brengen. Het verklaart alvast enkele van de polls op die website. Het zal desgewenst ook niet zo moeilijk zijn om de eigen leden tot ‘vriendschap’ te bewegen. Maar daar heb je op zich dan nog geen stem méér mee.

Facebook heeft nochtans alles om de spreekwoordelijke ‘toog’ te vervangen. U kent dat wel, als een politicus de vox populi wou inroepen als argument dan citeerde hij wat de mensen op café er van vonden. Op Louis Tobback na, die zijn kapper als referentiepunt had. De gelijkenissen met die politicus op café en op Facebook zijn trouwens treffend. Je ziet er niet véél, en de meeste beperken zich tot wat reflexmatig handjes schudden om dan met de eigen getrouwen een bier te drinken. Je hebt dan wel al eens een dronken onverlaat die wat naar de verkozene des volks roept, maar dat is zelden interessant genoeg om ernstig op in te gaan. En dat is natuurlijk ook het risico bij alle sociale media. Het niveau van veel tussenkomsten op de lezersfora van kranten is soms echt ontstellend. En racistische, sexistische en anti-Waalse uitlatingen zijn er schering en inslag. Maar het kan zeker ook anders. En dan krijg je de echte stem van het volk, niet bijgespijkerd door opiniepeilers of redacties.

EEN TRANSPARANTE EN INTERACTIEVE OVERHEID

Op de laatste Ministeriële conferentie over E-government in Zweden2 in 2009 werd een stevige verklaring afgelegd om de burgers voortaan een verhoogde toegang te geven tot overheidsinformatie, een grotere transparantie en effectieve middelen om zich actief te kunnen engageren in het politieke besluitvormingsproces. Op de conferentie werd opnieuw vaak verwezen naar de Verenigde Staten waar alle informatie nu verzameld wordt op één site, USA.gov. Het Vlaamse Decreet Openbaarheid van Bestuur regelt het recht van de burger om een antwoord te krijgen op zijn vragen (met enkele uitzonderingen). In de USA moet je het niet meer vragen, je zoekt het gewoon via die site of je googlet het.
Bedrijfjes gingen daar al met die informatie aan de slag zodat je nu per wijk kan bekijken wat de misdaadcijfers zijn, of op je iPhone kan zien waar er een bus in je buurt naar de juiste bestemming gaat, en wanneer die aan je halte komt. Een Britse site laat je toe een afweging te maken tussen de vastgoedprijzen in de buurt van Londen en de tijd die je nodig hebt om van daar te pendelen naar het centrum. Op http://www.farmsubsidy.org kan je alle landbouwsubsidies van Europa doorzoeken. De Belgische lijst wordt merkwaardig niet door een boer maar door Tiense Suiker aangevoerd, die trouwens de derde grootste ontvanger van gans Europa blijkt te zijn. Alvast een mooi voorbeeld wat die roep om meer transparantie kan betekenen.
Op de NHS-site in Engeland kan men niet alleen de officiële rating door de NHS van elk ziekenhuis lezen, maar bovendien mogen patiënten ook hun eigen waardering meegeven. De NHS heeft dat initiatief trouwens genomen nadat eenzelfde vorm van rating al een paar jaar op een private website te vinden was. En dan gaven ze er begrijpelijkerwijs de voorkeur aan om die feedback van patiënten tenminste te kunnen koppelen aan hun officiële ratings, en er over te waken dat die commentaren niet al te sterk gemanipuleerd werden door toevallige voorbijgangers. De private versie was al die tijd zeer populair, omdat mensen nu eenmaal de ervaring van andere gebruikers relevanter en objectiever vinden dan de reclame van een instelling zelf. En het vertrouwen in de officiële beoordelingen is ook niet altijd even groot.
Wat al jaren voor restaurants en hotels gebeurt, komt er nu ook aan voor de publieke sector. Zeker diensten die in een min of meer concurrentiële omgeving werken mogen zich voorbereiden op een kritische waardering door hun gebruikers. Wat niet vanzelfsprekend is. Denk maar aan de gecrispeerde manier waarop het Vlaamse onderwijsveld reageerde toen de inspectieverslagen van de scholen de eerste keer werden gepubliceerd. Maar voor de burgers zelf biedt zo’n openheid over de overheidsinformatie niets dan voordelen. En er kan nog weinig onder de mat geveegd worden.

En dat is nog maar het hoofdstuk ‘transparantie’. Het Europese voornemen om voortaan ook interactief de burgers bij het beleid te betrekken lijkt me pas echt revolutionair. Dit is niet direct de manier waarop de overheid de laatste 2000 jaar met het electoraat omging (als er al een was). Al maakten de Zwitsers natuurlijk wel allusies op de traditie met hun Landsgemeinde. Gans de wereld heeft ondertussen een systeem met een representatieve democratie, waarbij de vertegenwoordigers geacht worden het algemeen belang te behartigen en daar bij de volgende verkiezingen worden op afgerekend. Wat de Europese Ministers nu voorstellen is om die burgers ook bij concrete dossiers interactief te betrekken bij de besluitvorming. Technisch geen enkel probleem, maar politiek niet zo voor de hand liggend. Kijk maar hoe het ondertussen wereldberoemde referendum over de Oosterweelverbinding in Antwerpen werd geanalyseerd. Voor de ene een bindende beslissing van het volk, voor de andere hooguit een opiniepeiling. Maar als denkoefening is die Lange Wapper geen slecht voorbeeld om eens na te gaan hoe men dat dossier wel transparant en interactief had kunnen aanpakken. De klassieke manier was om vanuit de overheid zelf een volledig plan te maken, en dat enkel in functie van de wettelijk voorziene goedkeuring- en adviesrondes te publiceren. Het grote codewoord hierbij is telkens ‘controle’. Men wil zo graag elk proces van begin tot einde totaal kunnen beheersen, en alle onvoorziene omstandigheden vermijden of ontmijnen. Jammer genoeg hebben ze al eens te maken met mondige en verstandige burgers die het toch niet eens zijn met de duurbetaalde wijsheid van een ontwerpbureau en een communicatie-expert.

Hoe zou het Antwerps dossier gelopen zijn indien men al had gediscussieerd met de bevolking vooraleer de keuze tussen een tunnel of een brug definitief was gemaakt? In het open debat hadden voor- en tegenstanders van een van beide opties wellicht alle mogelijke argumenten aangebracht. Of ze hadden, zoals nu gebeurde, ook zelf alternatieven uitgewerkt. De regering had dan een keuze kunnen maken op basis van veel meer informatie dan deze van één kamp, en tegelijk een goed zicht gekregen op de gevoeligheden langs beide kanten. En opnieuw lenen de sociale media zich zeer goed om dat soort debatten te voeren, al zal een moderator zeker nodig blijven. Zoals de lezersfora van een aantal kranten leren, zijn niet alle tussenkomsten van de modale Vlaming hoogstaande argumenten. Maar niet alle vragen die daar door de kranten zelf gesteld worden, getuigen van veel goede smaak. En in elk publiek debat zal het persoonlijk belang van elke deelnemer ongetwijfeld zwaar doorwegen. Het zal een opdracht blijven om uit al die tegenstrijdige opinies een maatschappelijke en politieke consensus te distilleren. Maar dat is gewoon al eeuwenlang de essentie van politiek. En voor de duidelijkheid, wat we vooral niet moeten doen is de politieke besluitvorming herleiden tot een vorm van televoting.
Zoals voor het stuk over ‘transparantie’ zal ongetwijfeld ook voor ‘interactie’ blijken dat de overheid op termijn zal moeten kiezen. Zelf meedoen of voorbijgestoken worden door de internauten zelf.

En dat is tot slot de ware uitdaging voor de politici en de overheidsdiensten in de 21ste eeuw. Nog te vaak behandelen ze nieuwe problemen met de technieken, structuren en instrumenten van de 19de eeuw. Veel managers beschouwen ICT nog steeds als niet meer dan de opvolger van de tikmachine. Gewoon een snellere en efficiëntere manier om de bureaucratie te laten functioneren. Terwijl met die nieuwe technologieën de overheid haar uiteindelijke doelstelling voor een betere mobiliteit, milieu, onderwijs, gezondheid enzovoorts heel anders kan bereiken dan met de oude aanpak met formulieren, subsidies en reglementen.

De geschiedenis leert dat die innovatieve nieuwe manier van leven ook in goede banen zal moeten worden geleid. Zoals bij de verspreiding van de automobielen er ook verkeersreglementen nodig werden, zal enige intelligente regelgeving op internetverkeer nodig zijn. Mensen zullen met enig vertrouwen moeten kunnen kopen en betalen via internet, en hackers moeten even hard aangepakt worden als inbrekers. Wat dus ook een versterking van de bestaande wetten en politie op dat terrein verantwoordt. Als steeds meer overheidsdienstverlening mogelijk wordt door het consulteren van de informatie die de overheid al opvroeg, is het de moeite te investeren in de kwaliteit en beschikbaarheid van die databronnen. En in een paar redelijke regels voor de bescherming van je privacy.
Maar die regels overstijgen de capaciteit van één land. De nieuwe media gaan de wereld rond zonder zich veel te moeten aantrekken van de wetgeving van een land. De lokale providers zijn zeker nog gebonden, maar men moet de mogelijkheden om via satellieten informatie rond te sturen niet onderschatten.

De mensen die vandaag in de overheid actief zijn mogen gerust zijn: het zal uw tijd nog wel duren. Zoals het ook een paar decennia geduurd heeft vooraleer de maatschappelijke gevolgen van de uitvinding van de stoommachine, de trein, de auto en het vliegtuig te merken waren. Maar wie al die nieuwe evoluties in goede banen wil helpen leiden, kan er maar beter bij het prille begin, vandaag dus, aan beginnen. En doe liefst ook niets contraproductief.
Je kan moeilijk als overheid pleiten voor E-government, e-democracy, e-commerce en tegelijk taksen heffen op PC’s en downloads. Want als een burger die belastingen wil ontwijken dan is de keuze gemakkelijk: niet meedoen met al die e-dinges. Maar sinds kort staan dat soort taksen net wel op de agenda om de auteursrechtenorganisaties een plezier te doen. Vanaf 1 februari 2010 betaal je de Auvibel-taks op harde schijven, USB-sticks en GSM’s die ook muziek kunnen spelen. En er is een Groen!-wetsvoorstel om downloaden te belasten. Dus iedereen zal moeten meebetalen om te compenseren voor de illegale downloads. Niet direct maatregelen om innovatie te bevorderen, maar dat zal de Vlaamse kleinkunstenaars wellicht een zorg wezen.

Een land, zelfs de Europese Unie moet opletten met wat het op internet wil doen. De grootste uitdaging zou op termijn wel eens in de relevantie van de landen zelf kunnen liggen. Toen de actieradius van de mensen hooguit dertig kilometer was groeiden de stadsstaten. Met een goed wegenstelsel kwamen de huidige landen in bereik. De Verenigde Staten hebben dan weer heel veel te danken aan de treinverbindingen tussen Oost en West. Maar voor de jongeren van vandaag zijn onze landsgrenzen nog nauwelijks relevant. Via internet hebben ze vrienden over de ganse wereld. De betekenis van landsgrenzen is al lang niet meer wat die was ten tijde van de stadsstaten, de natiestaten of zelfs de Verenigde Staten van Amerika of Europa. Voor wie muziek uit Londen ophaalt, software koopt in India, chat met Australiërs en via Facebook en YouTube kennissen heeft overal ter wereld stopt de wereld al lang niet meer in Menen, Maaseik of Musson. Het was dan ook geen verrassing dat in een reactie van de Belgische internetondernemers er onverbloemd gedreigd werd met een verhuis. Ze schreven in een open brief: ‘Hoe harder de tang wordt dichtgeknepen met oude begrippen als staten en regio’s, hoe sneller die concepten zichzelf zullen uitsluiten uit de informatiemaatschappij. Het begrip ‘staat’ groeide aan belang tijdens de industriële revolutie, toen de belangrijkste productiemiddelen geografisch gebonden waren. Vandaag zijn die hulpbronnen virtueel, mobiel, ‘in the cloud’. En dus zullen cashflow en toegevoegde waarde daar ontstaan waar de omgeving, de infrastructuur en het juridisch-fiscaal kader dat optimaal mogelijk maken. Hoe meer regels, taksen en onzekerheid, hoe sneller de internetondernemers België zullen verlaten’.3

Als men domme dingen doet met internetgebruikers dreigen niet alleen de bedrijven andere oorden te zoeken, met een beetje inspanning weet niemand op het internet nog waar je woont. Zoals het sinds 1993 een gekende slogan is: ‘On the Internet, nobody knows you’re a dog’. En evenmin dat je een Belg bent... Maar enige internationale regulering van wat op internet kan en niet kan zou zeker welgekomen zijn. Niemand wil graag z’n spaarboekje op de Bahama’s zien eindigen.
Zoals radio en televisie de politieke praktijk zelf ingrijpend hebben veranderd, is het tijdperk aangebroken waarin de nieuwe communicatiemiddelen de samenleving zelf gaan veranderen. Wie over tien jaar nog politiek relevant wil zijn, kan er maar beter eens goed kennis mee maken. En die netwerken vooral niet behandelen als een modernere manier om zelfverheerlijking te bussen.

Geert Mareels
Redactielid Samenleving en politiek
Vlaams E-governmentmanager

Noten
1/ Dick Morris. Behind the Oval Office: Getting Reelected Against All Odds. Renaissance books, 1998.
2/ Ministerial Declaration on eGovernment approved unanimously in Malmö, Sweden, on 18 November 2009.
3/ Open brief over de USB-taks, 14 januari 2010. Verschenen in De Tijd en diverse websites.

internet - overheidsdiensten - participatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 3 (maart), pagina 49 tot 55