Log in

Welk nieuw paradigma voor de sociaaldemocratie?

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 4 (april), pagina 64 tot 71

Het positieve aan crisissen is dat ze aanzetten tot zelfreflectie. Het is dan ook geen toeval dat we de voorbije maanden steeds meer teksten onder ogen kregen die op zoek gaan naar een nieuw paradigma voor de sociaaldemocratie. Eindelijk, zeg maar.

In het eigen Vlaanderen hadden we van binnen de socialistische partij Bart Martens’ Nieuw Land in Zicht en van buiten de partij onder andere Rood zonder Roest. Met dit laatste boek wensten redacteurs Carl Devos en Rudi Vander Vennet de basis te leggen voor een heuse Vlaamse sociaaldemocratische denktank naar buitenlandse voorbeelden als Policy Network (Groot-Brittannië), Friedrich Ebert Stiftung (Duitsland) en de Wiardi Beckman Stichting (Nederland).
Vooral dat Policy Network is heel actief bezig met het zoeken naar een nieuw paradigma voor de sociaaldemocratie. Onder redactie van Patrick Diamond en Roger Liddle kwam vorig jaar Beyond New Labour: The Future of Social Democracy in Britain uit, waarin specifiek voor Groot-Brittannië op zoek werd gegaan naar een nieuwe sociaaldemocratische leidraad. Daarnaast werden talrijke andere publicaties door het Policy Network uitgebracht waarin nieuwe ideeën voor een sociaaldemocratisch programma en specifieke sociaaldemocratische beleidsvoorstellen werden ontwikkeld.1

Wanneer al deze teksten in een kort tijdsbestek worden gelezen, vallen enkele gemeenschappelijkheden op. In dit artikel wil ik ten eerste deze rode draden bespreken. Vervolgens wil ik de vraag stellen of de oplossingen voor de crisis van links die in deze teksten naar voren worden geschoven, volstaan. Dus of het nieuwe paradigma dat door de mist kan worden herkend, en dat in Beyond New Labour met developmental state expliciet een noemer heeft gekregen, het potentieel heeft om van de sociaaldemocratie opnieuw een leidende politieke kracht in Europa te maken. Vooruitlopend: ik meen van niet. De verschillende voorstellen, maar het nieuwe paradigma van developmental state in het bijzonder, lijden in meer of mindere mate aan dezelfde gebreken. Ze blijven gevangen in het idee dat staten veroordeeld zijn tot scheepsbouwers, die een zo sterk mogelijke boot moeten bouwen die de golven van de globalisering kan trotseren, met slechts beperkte mogelijkheden om vervolgens de koers te bepalen. Dit impliceert dat de sociaaldemocratie de bal niet uitverdedigd krijgt, en stilaan haar progressieve etiket voor een conservatief moet inruilen.

RODE DRADEN

Een eerste rode draad doorheen de verschillende teksten is de aanleiding voor het zoeken naar een nieuw paradigma voor de sociaaldemocratie en dus voor de boeken, essays en papers die de voorbije maanden zijn verschenen. Deze aanleiding is een dubbel gevoel van falen. Ten eerste uit het tekortschieten zich het meest zichtbaar in achtereenvolgende verkiezingsnederlagen in Europese landen alsook bij de Europese verkiezingen van 2009. Het gevoel van falen heeft, ten tweede, diepere gronden dan verkiezingsnederlagen, en terecht. De sociaaldemocratie slaagt er ook niet meer in het maatschappelijke debat te beheersen. De vaststelling die met recht in verschillende teksten wordt gemaakt, is dat de sociaaldemocratie het door rechts gedomineerde debat ondergaat, in de verdrukking komt en vaak het enige antwoord vindt in het gedeeltelijk meestappen in het rechtse discours.

Een tweede rode draad is de impact van de financieel-economische crisis. In plaats van het grote gelijk van links is deze crisis ook een crisis van de sociaaldemocratie geworden. Ze maakt duidelijk dat links geen alternatief klaar heeft voor het neoliberale beleid dat met de crisis haar ware gelaat heeft getoond. Integendeel, het waren hoofdzakelijk realistisch rechtse politici die met een opportunistisch discours de vruchten van de crisis hebben geplukt, met Sarkozy als typevoorbeeld.2 Deze dubbele crisis maakt duidelijk dat de sociaaldemocratie dringend nood heeft aan een nieuw wervend verhaal, een coherente toekomstvisie in plaats van losse ideetjes, een nieuw paradigma dus. Ook de klimaatcrisis is een onvermijdelijke factor in alle denkoefeningen, al is er variatie in het belang dat er aan wordt gehecht (bijvoorbeeld de bepalende factor in Bart Martens’ zoektocht in Nieuw Land in Zicht, minder centraal in Beyond New Labour).

Een derde rode draad is dat deze zoektocht naar een nieuw paradigma zich ent op het vorige sociaaldemocratische verhaal dat indertijd over heel Europa een verregaande invloed had op centrumlinks: de derde weg. Het is daarbij opvallend dat veel van diegenen die zich bezighouden met het nadenken en schrijven over de zoektocht naar een nieuw sociaaldemocratisch paradigma ‘oud-strijders’ van de derde weg zijn. Roger Liddle en Patrick Diamond zijn voormalige adviseurs van Tony Blair en Peter Mandelson. Wouter Bos gaf onlangs, voor hij zijn vertrek uit de politiek aankondigde, de 21e Den Uyl-lezing getiteld ‘De Derde Weg voorbij’, waarin hij ervoor pleitte het androgyne kind niet met het badwater weg te gooien. Hij was de ‘Prins van Paars’ van de PvdA, die midden jaren 1990 tot de partij toetrad toen die onder leiding van Kok al een aantal jaren een derde weg beleid avant la lettre voerde. De zoektocht naar ideologische vernieuwing van de sociaaldemocratie wordt ondertussen onder de noemer ‘The Amsterdam Process’ geleid door Policy Network en de Wiardi Beckman Stichting.

Het is, gezien de achtergrond van de auteurs, dan ook geen toeval dat Beyond New Labour en de andere teksten die door het Policy Network en anderen zijn gepubliceerd eerder een restauratie van de derde weg dan een compleet nieuw paradigma voorstellen. Deze hervorming is een reactie op de vele kritieken die op de derde weg zijn gekomen, de constructiefouten die bij de implementatie ervan ook voor de grondleggers aan het licht zijn gekomen en de financieel-economische crisis, die ons in een nieuwe wereld heeft gedropt. Hieronder leg ik kort uit tot welk paradigma deze oefening voor Policy Network leidt.

DEVELOPMENTAL STATE: PARADIGMATISCHE RESTAURATIE

Het nieuwe paradigma dat in Beyond New Labour naar voren wordt geschoven, is dat van de developmental state. Dit is voor Diamond en Liddle een staat met sterkere en meer gefocuste strategische capaciteiten dan de huidige West-Europese staten. Dit idee bepleit een nieuwe derde weg, opnieuw tussen de twee historisch dominante visies op de rol van de staat uit de twintigste eeuw van een laissez-faire staat en een omvangrijke staat die beschermt van wieg tot graf. De developmental state is volgens hen evenwel minder minimalistisch dan de enabling state van New Labour. Terwijl de enabling state de structurele veranderingen van de mogelijkheden van de staat als onvermijdelijk gevolg van de globalisering zag en dus aanvaardde dat de enige mogelijke beleidsoptie was om een zo aantrekkelijk mogelijke omgeving te scheppen waarin bedrijven in een wereldwijde kapitalistische en hypercompetitieve context kunnen floreren, moet de staat volgens deze nieuwe visie via haar strategische capaciteiten durven ingrijpen in de markt om deze te ordenen. Dit houdt geenszins de terugkeer naar de sociaaldemocratische visie op de omvangrijke staat uit de jaren 1970 in, wel een meer capabele strategische staat die kan sturen en tussenkomen in de steeds complexere netwerken en instellingen van een geglobaliseerde economie en samenleving, aldus de auteurs. Het Scandinavische flexicurity model blijft hierin als voorbeeld worden gezien. Meer van dezelfde focus op onderwijs en vaardighedenontwikkeling, activering van de arbeidsmarkt, competitie, infrastructuur en onderzoek dus. Deze kenmerken van de enabling state moeten in het nieuwe paradigma worden aangevuld met een hedendaags (groen en kennis-)industrieel beleid dat focust op bepaalde sectoren, technologieën en regio’s die door de staat als kampioenen worden geïdentificeerd. Hiermee wordt dus opnieuw erkend dat in vele domeinen enkel de staat een onvervangbare rol kan spelen. Klimaatbeleid wordt als voorbeeld bij uitstek gezien.

Bovenstaande paragraaf geeft zeer beknopt weer hoe de auteurs van Beyond New Labour de nieuwe rol van de (sociaaldemocratische) staat zien. Mijn visie is dat, in tegenstelling tot wat de auteurs beweren, de developmental state net als de enabling state een reactieve competition state blijft, een staat die gestructureerd en gefocust is op de globale en transnationale krachten in een open wereldeconomie. Globalisering blijft in dit paradigma een onvermijdelijkheid waarmee we allen worden geconfronteerd. Een niet te stuiten storm die slechts beperkte ruimte aan staten laat om de architectuur van de dijken te bepalen om de ermee gepaard gaande vloedgolf te kanaliseren. Het verschil met de enabling state bestaat er wel in dat met de developmental state de consensus over de instrumenten die kunnen worden ingezet, is verschoven. Van de visie dat neoliberale (Washington consensus) recepten als deregulering, privatisering, liberalisering en belastingvermindering, die de staat uitkleden, onontbeerlijk zijn om de strijd in de mondiale competitie niet te verliezen naar het standpunt dat (ook) een nieuw (kennis- en groen) industrieel beleid noodzakelijk is om te overleven en te gloriëren in de globale tijd waarin we leven.

Deze verschuiving van de consensus is natuurlijk een goede zaak, begrijp me niet verkeerd. Maar belangrijk in de zoektocht naar een nieuw sociaaldemocratisch paradigma is dat het wel degelijk al een consensus is: alle (centrum)partijen zijn ondertussen reeds deze richting ingeslagen, tot dat inzicht gedwongen door de financieel-economische en klimaatcrisis. Wel biedt het kansen aan sociaaldemocraten om deze koers die zowat iedereen heeft genomen verder naar links te sturen. Daarvoor moeten we, mijns inziens, af van globalisering als onvermijdelijk gegeven en van een daaruit voortvloeiende eenzijdige focus op de aanbodzijde van de economie.

Ik meen dat een developmental state niet voldoet als toekomstig sociaaldemocratisch paradigma. Zelfs een groene developmental state volstaat niet. Zoals hierboven gesteld: met de nadruk op een vernieuwd, modern, groen industrieel beleid loopt het achter de feiten aan. Centrumrechtse regeringen als de Franse en Duitse hebben dit vernieuwd industrieel beleid reeds omarmd. Het moet de voorbije jaren toch duidelijk zijn geworden dat een sociaaldemocratisch programma dat slechts accenten wil leggen, dat niet meer dan marginaal verschilt van de consensus noch kan wegen op het maatschappelijke debat en dat dus niet kan sturen, noch electoraal succes oplevert. Er is een meer radicaal maar haalbaar, tot de verbeelding sprekend nieuw project nodig. Hieronder wil ik aanvoeren dat dit project inderdaad groen en politiek gestuurd moet zijn (daarin is het congruent met enkele aspecten van het developmental state paradigma), maar verder moet gaan dan dat. De Green New Deal die al overal opgang heeft gemaakt, moet ook duurzaam en sociaal en daarom lokaal zijn.

DEGLOBALISERING ALS KANS

Om dat te bewerkstelligen moet de sociaaldemocratie in de ontwikkeling van een toekomstvisie anticiperen op toekomstige deglobalisering3, deze transitie in de hand werken, sturen en gebruiken als hefboom voor een meer sociaal rechtvaardig en duurzaam beleid. Met deglobalisering wordt hier een lokalisering van productie en consumptie bedoeld. Dit impliceert een inkrimping van transport, en van globale goederen- en dienstenhandel zowel als financiële stromen.

Deglobalisering is een alsmaar vaker voorspelde uitkomst van de klimaat-, energie- en financieel-economische crisissen waarin we ons momenteel bevinden en waarvan zeker de eerste twee niet snel zullen verdwijnen. Integendeel, zonder ingrijpende beleidsveranderingen zullen ze zelfs verergeren. Net zoals globalisering geen natuurkracht was en is, maar er is gekomen door politieke beslissingen (naast technologische innovaties) zal ook deglobalisering echter geenszins automatisch gebeuren. Op langere termijn lijkt het om onze planeet van klimatologische ondergang te redden wel een onvermijdelijkheid, maar zover komen veronderstelt onderweg wel politieke keuzes.
Voorlopig wordt het tegendeel, namelijk verdere globalisering als de oplossing voor de meervoudige crises, in de hoogste politieke cirkels naar voor geschoven: een snel Doha Akkoord in de Wereldhandelsorganisatie als motor voor wereldwijde economische groei om uit de financieel-economische crisis te geraken; versnelde liberalisering van milieugoederen en -diensten en technologie-innovatie en -transfers als oplossing voor de klimaat- en energiecrisis. Dit zijn zeker niet allemaal en enkel te verfoeien maatregelen, maar het geeft wel aan dat deglobalisering geen vanzelfsprekend toekomstscenario is, en er niet vanzelf zal komen.
Deglobalisering is een antwoord op de visie, die alsmaar meer opgang maakt, dat enkel technologische vooruitgang (groene productie-, transport- en energietechnologische innovatie) niet zal volstaan om de opwarming van de aarde voldoende in te perken. Laat staan dat het mogelijk zal zijn om deze klimaatdoelstelling te bereiken en tegelijkertijd de mondiale ongelijkheden op het vlak van energiegebruik en economische ontwikkeling op te lossen. Hiervoor is een culturele revolutie nodig. Zulke culturele revolutie moet echter politiek aangevuurd en politiek vertaald worden.

Het is hier dat een historische kans zich aandient voor de sociaaldemocratie. De nefaste gevolgen van globalisering voor de sociaaldemocratie zijn bekend: ‘[t]here is an insoluble contradiction within contemporary social democracy between economic globalisation and egalitarian community’, zoals de Britse politiek filosoof John Gray het in 1996 verwoordde.4 Globalisering, maar vooral beleid van liberalisering (van handel en kapitaal), deregulering en privatisering dat als reactie op het geloof in de onvermijdelijkheid ervan deze nog versterkte, heeft beperkingen opgelegd aan de mogelijkheden voor herverdelend en sociaal beleid. Doordat risicokapitaal en productief kapitaal wel foot-loose zijn geworden terwijl arbeid nog steeds veel minder mobiel is, is het de laatste die steeds meer lasten moet dragen. De grenzen aan het belasten van arbeid zorgen dan weer voor een fiscale crisis van de staat, met minder ruimte voor sociaal beleid langs uitgavenzijde als gevolg. Daarmee werd de sociaaldemocratie van haar voornaamste instrumenten beroofd om haar egalitaire doelstellingen te bereiken.

Moe getergd van zoeken naar nieuwe riemen om mee te roeien heeft de sociaaldemocratie met de derde weg dan maar beslist om haar doelstellingen aan te passen. Niet langer gelijkheid, maar gelijkwaardigheid en gelijke kansen werden de nieuwe sociaaldemocratische idealen. Ik meen dat de drie crises waarin we ons met z’n allen globaal bevinden (op het vlak van klimaat, energie en financieel-economisch) voor de sociaaldemocratie net de kans biedt om haar oude objectieven van volledige werkgelegenheid en sociale rechtvaardigheid opnieuw realistisch voorop te stellen.
De uitbouw van een groene economie, bepleit in andere voorstellen als de Green New Deal en groene developmental state, gecombineerd met deglobalisering kan voor de creatie van lokale werkgelegenheid zorgen. Dit is een thema dat in tijden van de pan uit swingende werkloosheidscijfers, fabriekssluitingen en delokalisatie zeker weerklank zal vinden bij een groot deel van de bevolking. De beteugeling van de mobiliteit van (financieel en productief) kapitaal biedt vervolgens de kans om opnieuw een meer sociaal rechtvaardig beleid te voeren.

De noodzakelijke culturele revolutie impliceert ook dat het dogma van economische groei moet worden opgegeven. Ook voor de sociaaldemocratie was economische groei lang een theorema, omdat het als voorwaarde voor werkgelegenheidscreatie, herverdelend en sociaal beleid werd gezien. Deglobalisering zal hiervoor echter weer meer mogelijkheden scheppen wanneer de mobiliteit van kapitaal en productie wordt ingeperkt. Terwijl ook arbeidsherverdeling voor meer werkgelegenheid kan zorgen en een bijna utopische winst aan vrije tijd voor mensen kan betekenen.5

Een aantal zaken moeten duidelijk zijn. Eén, dit is geen reactionair verhaal. Deglobalisering zal er net komen door progressieve beleidsingrepen die voor een internalisering van de negatieve effecten van de huidige globale economische ordening zorgen, broodnodig om het voortbestaan van onze planeet te waarborgen. Dit vergt wel politieke keuzes. Het maken van die keuzes biedt kansen aan de sociaaldemocratie om een meer sociaal rechtvaardig beleid te voeren. Bovendien staat het een toekomstgerichte revolutionaire ecologische modernisering van onze economie voor die politiek moet worden gestuurd naar sociaal rechtvaardige en duurzame lokale productie, decentralisering van energieopwekking en -consumptie, en transport tot het hoogstnodige beperkt.
Twee, deglobalisering in combinatie met een New Green Deal veronderstelt geen politieke deglobalisering, maar net versterkte global governance. Deglobalisering mag geen protectionistisch beleid inhouden dat de historische schuld van de geïndustrialiseerde westerse landen voor de klimaatopwarming alsnog afwentelt op ontwikkelingslanden. Via een mechanisme van ‘gelijke uitstootrechten per mens’ (zoals voorgesteld door Bart Martens in Nieuw Land in Zicht), dat vooraleer we tot zulke gelijkheid gekomen zijn voor financiële transfers van de (historisch) grote vervuilende geïndustrialiseerde landen naar ontwikkelingslanden zal zorgen, moet op termijn voor mondiale gelijkheid zorgen. Daarvoor zijn veel ambitieuzere akkoorden nodig dan wat nu, na Kopenhagen, op tafel ligt. Ook zullen internationale regels in andere domeinen, zoals op het vlak van handel6, moeten worden aangepast om deglobalisering op een vredevolle manier te begeleiden. Bovendien vergt de realisatie van dit nieuwe paradigma ook op andere domeinen net verdere Europese integratie, hoe contradictorisch dit op het eerste zicht ook mag lijken.
Ten derde verschilt dit sociale-deglobalisering-als-paradigma dat ik voorstel uiteraard in finaliteit van de oefeningen die door anderen die ik boven heb aangehaald, is gemaakt. Het hanteert een veel langer termijnperspectief dan de meeste van de andere teksten, die een stuk meer op korte termijn gericht en dus pragmatischer zijn. Dit essay wil niet de aanzet voor het sp.a programma voor de volgende verkiezingen zijn. Het wil in de eerste plaats prikkelen en debat stimuleren over een nieuwe utopie voor de sociaaldemocratie. Een utopie in de zin van ‘ontwerp van ideale toestand’ op lange termijn, niet in die andere betekenis van ‘niet te verwezenlijken ideaal’, wat het volgens velen wel zal zijn.7 Vele van de grootste verwezenlijkingen van de mens zijn ooit als ‘niet te verwezenlijken’ bestempeld en het zijn vaak diegenen die er bij te verliezen hadden die dat het eerst en het hardst riepen. Een groene, sociaal rechtvaardige en gedecentraliseerde wereld zal niet voor morgen zijn, maar het is een realistische utopie, die de sociaaldemocratie opnieuw een paradigma aanreikt dat haar duidelijk onderscheidt van andere politieke stromingen en dat tot de verbeelding zal spreken van zowel haar traditionele achterban als van het verlichte deel van de andere maatschappelijke klassen.

TOT SLOT

Natuurlijk zijn er nog heel veel aspecten die moeten worden uitgeklaard aan deze toekomstvisie, en geeft ze geen antwoord op een aantal andere prangende maatschappelijke problemen, bijvoorbeeld op de communautaire en culturele breuklijn. Het is ook vanzelfsprekend dat de weg van de huidige toestand naar dit toekomstscenario lang en moeizaam zal zijn. De overgang moet uiteraard langs democratische weg en dus incrementeel gebeuren en er is nog veel studiewerk nodig om de juiste instrumenten en sequentie te bepalen. Het doel hier was echter op zoek te gaan naar een nieuw paradigma voor de sociaaldemocratie op lange termijn, dat de sociaaldemocratie opnieuw onderscheidt van de mainstream en in staat stelt te denken en te handelen richting een rechtvaardiger wereld. Ten slotte claim ik overigens geen originaliteit voor bovenstaande ideeën, maar hoop wel dat ze door publicatie in dit blad een stimulans zullen geven aan een meer radicaal debat over de toekomst van de sociaaldemocratie in Vlaanderen.

Ferdi De Ville
Wetenschappelijk onderzoeker, Centrum voor EU-studies (UGent)

Noten
1/ Onder andere het pamflet Jobs, industry and opportunity: Growth strategies after the crisis; en de papers Challenging the politics of evasion: the only way to renew European social democracy en An EU “fit for purpose” in the global age - Can we rise to the challenge? zijn interessante denkstukken.
2/ De recente impopulariteit van zulke rechtse leiders als Sarkozy en Merkel, de euforie over het succes van de Franse PS bij de regioverkiezingen van maart 2010 en de hernieuwde kansen van de Nederlandse PvdA onder leiding van Job Cohen mogen geen aanleiding zijn om terug achterover te leunen. Natuurlijk is politiek voor een deel een slingerbeweging, maar het doel van de sociaaldemocratie moet zijn om de staaf waaraan de slinger is opgehangen zo links mogelijk te krijgen.
3/ De term deglobalization wordt vaak toegeschreven aan Walden Bello. Hij schreef in 2002 Degloblization: Ideas for a New World Economy. Geschreven in 2002 worden andere dan de klimaat/energie en financieel/economische crises naar voor geschoven als oorzaken waarom we naar een gedeglobaliseerde wereld (moeten) gaan. Dit paradigma was bovendien vooral gericht op ontwikkelingslanden.
4/ Uit Frank Vandenbroucke, 1998, Globalisation, Inequility and Social Democracy, Introduction.
5/ Zie New Economics Foundation, 2010, 21 Hours. Why a Shorter Working Week Can Help Us All to Flourish in the 21th Century, http://dnwssx4l7gl7s.cloudfront.net/nefoundation/default/page/-/files/21\_Hours.pdf.
6/ De focus van het wereldhandelssysteem moet verschuiven van markttoegang naar ‘beleidsruimte’, zoals bepleit wordt door de Turkse Harvardeconoom Rodrik. Terwijl het wereldhandelssysteem kan blijven bestaan om er op toe te zien dat handelsbeleid door nationale overheden op een niet-discriminerende manier wordt gevoerd, moet het wel opnieuw meer ruimte laten aan overheden om subsidies te geven, milieu- en sociale regels aan te nemen, beperkingen op te leggen aan kapitaal en hooggeschoolden, die de belangrijkste belastbare basis voor sociale rechtvaardig beleid vormen.
7/ De deglobalisering die hier wordt bedoeld, is niet zo radicaal als op het eerste zicht mag lijken. Het is een visie die ook de grondlegger van sociaaldemocratisch naoorlogs economisch beleid John Maynard Keynes genegen was. Hij stelde: ‘I sympathize […] with those who would minimize, rather than those who would maximize, economic entanglement between nations. Ideas, knowledge, art, hospitality, travel - these are the things which should of their nature be international. But let goods be homespun whenever it is reasonably and conveniently possible; and, above all, let finance be primarily national.’

sociaaldemocratie - ideologie - socialisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 4 (april), pagina 64 tot 71