Log in

Hoofddoeken in de Vlaamse scholen: zoektocht naar middle ground

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 5 (mei), pagina 49 tot 58

Een recent arrest van de Raad van State doet vermoeden dat de politieke wereld zich de komende maanden weer mag buigen over het hoofddoekendebat.1 Op donderdag 18 maart volgde de Raad van State het advies van de auditeur en schorste het algemeen principieel hoofddoekenverbod in het Gemeenschapsonderwijs.2 Deze schorsing geldt zolang het Grondwettelijk Hof beraadt over de prejudiciële vraag wie een algemeen hoofddoekenverbod mag instellen. Dit duurt zeker enkele maanden tot een jaar. Het is te verwachten dat er geen algemeen verbod op religieuze tekens komt in het Gemeenschapsonderwijs voor het schooljaar 2010-2011.Dit artikel brengt kort in herinnering hoe we in deze situatie kwamen en wat dit nieuwe arrest van de Raad van State kan betekenen. Het is hoe dan ook aan de decreetgever om tussen te komen. We gaan in op de mogelijkheden voor de decreetgever met een grote nadruk op middle ground oplossingen.

HET HOOFDDOEKENVERBOD: EEN VRAAG VAN BEVOEGDHEID

De Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (hierna: ARGO) stelde een algemeen principieel verbod op opvallende religieuze kentekenen in als reactie op de opgestarte procedures tegen het hoofddoekenverbod in twee Antwerpse athenea. De athenea van Antwerpen en Hoboken hadden een verbod op de dracht van opvallende religieuze tekenen binnen de schoolmuren in het nieuwe schoolreglement ingevoerd. In september 2009 verwierp de Raad van State een beroep tegen de invoering van deze schoolreglementen om procedurele redenen.4 De klacht was buiten de beroepsperiode van 60 dagen na invoering van het reglement ingediend. Ook tegen het algemeen principieel verbod werd een procedure ingesteld.

De auditeur van de Raad van State meende dat, in lijn met de Grondwet, de ARGO geen dergelijk algemeen verbod kon instellen, maar dat dit enkel toekwam aan de wetgever. De rechtspraak van de Raad van State was duidelijk over wie geen algemeen principieel verbod mocht invoeren. In een arrest van 2 juli 2009 stelde de Raad dat enkel de neutraliteitsverklaring de ‘vrijheid van uitdrukking’ op algemene wijze kan inperken en dat een hoofddoekenverbod niet automatisch volgt uit de neutraliteitsverklaring. Dit betekent dat de raad van bestuur van een scholengroep geen verbod op opvallende religieuze symbolen kan instellen voor haar scholen op basis van de neutraliteitsverklaring. De Raad van State benadrukte in 2009 dat een scholengemeenschap of directie wel een ‘uitvoeringsmodaliteit’ kan opleggen zolang dit niet neerkomt op een algemeen verbod. Zo wordt er aanvaard dat scholen het dragen van religieuze tekenen of kledij reglementeren zonder een totaal verbod in te voeren. Bijvoorbeeld, scholen kunnen een verbod toestaan op bepaalde religieuze kledij indien dit het onderwijs fysiek bemoeilijkt zoals de gezichtssluier (niqaab). Bovendien hebben verschillende rechtbanken aanvaard dat een school een verbod kan invoeren, als uit de concrete omstandigheden blijkt dat met het dragen van een bepaald religieus symbool expliciet conflict wordt opgezocht en daarbij de ordehandhaving op school en de bescherming van de rechten van de overige leerlingen in het gedrang komen.5

Het is minder duidelijk wie er wel bevoegd is om een algemeen principieel verbod in te voeren. In eerdere arresten leek de Raad van State te suggereren dat dit de ARGO toekwam door te stellen dat dit orgaan bevoegd was voor het opstellen van de neutraliteitsverklaring op basis van het Bijzondere Decreet op het Gemeenschapsonderwijs (hierna: GO) van 1998.6 In het arrest van 18 maart 2010 dat het algemeen principieel verbod van het GO behandelt, ontkent de Raad van State dat dit in zijn vorige rechtspraak te lezen was. Cruciaal in deze zaak is of een algemeen hoofddoekenverbod valt onder het artikel 24, §5 van de grondwet dat de essentiële beschikkingen inzake onderwijs opdraagt aan de decreetgever. Het Grondwettelijk Hof benadrukte reeds dat bepaalde aspecten kunnen worden toevertrouwd aan andere organen, maar dat er geen delegatie mogelijk is door de decreetgever van de essentiële elementen van de organisatie van onderwijs.7 In het arrest van 18 maart lijkt de Raad van State zelf te suggereren dat het grondwettelijk legaliteitsbeginsel een voorafgaand optreden van de decreetgever verreist voor de invoering van een algemeen principieel verbod op de dracht van religieuze kentekenen. De Raad besluit dat er in elk geval ernstige twijfel bestaat over de vraag of de ARGO een algemeen principieel verbod kan instellen en dus een prejudiciële vraag moet stellen.

De Raad van State beperkt zich in dit arrest enkel tot de legaliteitsvraag, maar gaat niet in op de vraag of zo’n verbod bovendien in overeenstemming is met de vrijheid van religie of meningsuiting en of een dergelijk verbod gerechtvaardigd kan worden op basis van andere belangen. Indien het Grondwettelijk Hof zou antwoorden dat de ARGO wel degelijk een dergelijke beslissing kan nemen, zal de Raad deze vragen alsnog moeten beantwoorden. Het is nu eerst aan het Grondwettelijk Hof om deze vraag te beslechten, maar dit arrest geeft duidelijk te kennen dat de Raad alvast gelooft dat een optreden van de decreetgever nodig is in het licht van de grondwet om een dergelijk algemeen principieel verbod in te voeren. Op basis van eerdere uitspraak, is er een grote kans dat het Grondwettelijk Hof tot dezelfde conclusie zal komen. Deze ‘wachttijd’ geeft in elk geval de mogelijkheid om na te denken over een mogelijke wetgeving.

DE BESTAANDE PARADOX VAN HET HOOFDDOEKENVERBOD

Het hoofddoekenverbod in België was tot nu toe gekenmerkt door een grote paradox: enerzijds kent het onderwijs geen algemeen principieel hoofddoekenverbod, maar anderzijds werd in het merendeel van de scholen, in het bijzonder in stedelijk gebied, een verbod op duidelijke religieuze kentekenen ingevoerd. Zoals reeds boven aangehaald kan een individuele school in uitzonderlijke omstandigheden een verbod invoeren. Zo vond het Hof van Beroep te Antwerpen een hoofddoekenverbod in de Provinciale Handelsschool van Hasselt terecht, omdat het verbod een reactie was op een bijzonder militante houding van een minderheid van de moslimmeisjes. Deze meisjes beschuldigden de leerkrachten dat ze omwille van racistische overwegingen meisjes met een hoofddoek minder punten gaven. In dezelfde zaak benadrukte de rechter wel dat een dergelijk verbod enkel mogelijk was bij een ‘ernstige ordeverstoring’ waarbij er ‘verstoring van het normaal verloop van de onderwijsactiviteiten’ plaatsvond en waarbij het verbod gericht was tegen ‘het exces dat de rust in de school en in het onderwijs verstoort’. In een arrest van 2 juli 2009 viel de Raad van State deze redenering bij. De Raad stelde dat een verbod in een schoolreglement enkel gerechtvaardigd is door een aanwijsbare negatieve invloed of door de concrete omstandigheden in de school of scholengemeenschap die een verbod uit redenen van ordehandhaving of veiligheidsvoorschriften rechtvaardigen.8
Ook de schooldirectie van het Atheneum van Antwerpen sprak van een onhoudbare situatie waarbij de groepsdruk de laatste jaren zo was opgelopen dat bepaalde leerlingen zich gedwongen voelden tot het dragen van een hoofddoek.9 Deze rechtspraak ziet een hoofddoekenverbod als de uitzondering die enkel gerechtvaardigd kan worden door uitzonderlijke omstandigheden binnen de school.

Politiek leek er geen meerderheid te vinden om het dragen van hoofddoeken op school te verbieden. Begin 2004 dienden senatoren Destexhe en Lizin een voorstel van resolutie in die zich uitsprak voor een algemeen hoofddoekenverbod in het onderwijs.10 De resolutie vond geen weerklank en werd weggestemd. Naar aanleiding van de hetze die hieromtrent was ontstaan, richtte Marie Arena, toenmalig minister van Integratie, de Commissie van Interculturele Dialoog op. De Commissie kwam in 2005 tot de opvallende consensus dat de focus van het integratiedebat zich elders situeert dan op het terrein van de hoofddoek op school. De vraag is natuurlijk of het federale niveau ook maar enigszins iets te zeggen heeft in deze discussie. De neutraliteitsverklaring van het GO die uitgaat van het bijzonder decreet is Vlaamse materie. Zelfs al wil men de discussie vanuit de federale wet op discriminatie benaderen, alleen de Gemeenschappen zijn bevoegd om een discriminatieverbod zoals opgevat in de wet te laten doorwerken in het Vlaamse Gemeenschapsonderwijs. De discussie werd dan ook gevoerd in het Vlaamse halfrond.11 Maar dit resulteerde niet in een eenvormige beslissing. In 2007 antwoordde toenmalig minister van onderwijs Frank Vandenbroucke dat de omgang met uiterlijke tekenen van godsdienstige overtuiging binnen gemeenschapsscholen geen zaak was van de Vlaamse overheid, maar wel van de schoolbesturen zelf.12 De minister meende dat scholen best zelf kunnen inschatten wanneer een dergelijk verbod gerechtvaardigd is op basis van hun pedagogische project. Indien studenten zich door een beslissing van de school gediscrimineerd voelen, zo vervolgde hij, kunnen ze nog steeds naar de rechtbank trekken waarbij een rechter kan oordelen of het verbod gerechtvaardigd is in het licht van de vrijheid van religie.

De situatie in de scholen staat echter in schril contrast met de juridische en politieke consensus die een hoofddoekenverbod als uitzondering ziet. Reeds in 2002 meldde onderzoeker Bouselmati dat er in meer dan de helft van de Brusselse scholen een hoofddoekenverbod bestond.13 Op het einde van het schooljaar 2006-2007 meldde Le Soir dat ongeveer 90% van de Brusselse scholen erover dacht om een hoofddoekenverbod in te voeren. Een dergelijke tendens breidde zich snel uit naar andere grote steden zoals Antwerpen. Het domino-effect dat zich hier afspeelt, werd beschreven door academici Coene en Longman.14 De vrije scholen begonnen met het hoofddoekenverbod zowel uit redenen van het onderwijsproject (de katholieke scholen), als om redenen van selectie in leerlingen. Dit leidde tot een grotere concentratie van allochtone leerlingen in de gemeenschapsscholen. Het gevolg hiervan was dat ook steeds meer scholen van het GO zich gedwongen voelden om tot een verbod over te gaan. Enkele gemeenschapsscholen vreesden dat de instroom van nieuwe leerlingen die specifiek om redenen van het dragen van een hoofddoek voor het GO kozen de groepsdruk zou verhogen naar andere moslimleerlingen van meer liberale islamitische achtergrond. Bovendien vreesden ze als concentratieschool bestempeld te worden. Daardoor belandde het Vlaamse onderwijs op verschillende plaatsen in de paradox waar het recht en de politiek stellen dat een hoofddoekenverbod de uitzondering is, terwijl in de praktijk het duidelijk is dat het toelaten van de hoofddoek steeds meer een uitzondering is.

PRIMAAT VAN DE POLITIEK

De bestaande paradoxale situatie is ongezond. In principe hebben leerlingen het recht om uiterlijke kentekenen van hun geloof te dragen. Toch worden ze geconfronteerd met het feit dat steeds minder scholen dit toelaten. De status quo redenering van voormalig minister Vandenbroucke dat scholieren steeds naar de rechtbank kunnen trekken, gaat niet op. De lange procedures schrikken leerlingen af. Als een leerling gelijk krijgt voor een rechtbank, is er door deze lange procedures een grote kans dat het reglement pas aangepast wordt als de leerling de school reeds heeft verlaten. Dit contrast tussen een principieel recht en de feitelijke realiteit is ongezond voor een rechtstaat.

Bovendien voelen sommige scholen, door het bestaande domino-effect, zich gedwongen tot het invoeren van een hoofddoekenverbod zonder dat hierbij algemeen geldende richtlijnen zijn om hen de weg te wijzen. Zo verplaatst het strijdtoneel zich naar de schoolpoort zoals bleek tijdens de protesten voor het Atheneum te Antwerpen. Een algemene principiële regel is vanuit die optiek noodzakelijk. Eva Brems en Patrick Loobuyck benadrukten in hun open brief15 dat het belangrijk is om te denken over een netoverschrijdende regel. Anders zou het GO benadeeld worden indien er niet voor een algemeen verbod wordt gekozen. Het Grondwettelijk Hof benadrukte dat de neutraliteitsregel als ingeschreven in de grondwet voor het GO rechtvaardigt dat gemeenschapsscholen niet over dezelfde vrijheid in keuze van godsdienstig of filosofisch concept beschikken.16 Dit staat natuurlijk niet in de weg dat de decreetgever een algemene regel uitwerkt over de netten heen zolang het de mogelijkheid van het godsdienstige en filosofisch pedagogisch project van de vrije scholen niet in de weg staat. Het vrij onderwijs moet dus meer betrokken worden in het debat, in het bijzonder in stedelijk gebied waar de scholen van de verschillende netten vaak dicht bij elkaar gelegen zijn.

Meer algemeen moeten we ons afvragen of het niet aan de democratisch verkozen wetgever is om te beslissen over een dergelijke fundamentele keuze waarbij verschillende grondwettelijke rechten en belangen in het geding zijn. Het Duitse Grondwettelijke Hof benadrukte dat het groeiende religieus pluralisme in de samenleving vraagt dat de wetgever de limieten vaststelt van religieuze uitingen op school.17 Het Hof benadrukt dat het aan de wetgever is om te beslissen over dergelijke grote essentiële politieke keuzes in de maatschappij en grondrechtenrelevante vraagstukken die voor grote maatschappelijke verdeeldheid zorgen. Het Duits Grondwettelijk Hof verdedigt het primaat van de politiek in het beslechten van essentiële vraagstukken, zij het binnen de grenzen van wat de grondwet, het Europees en internationaal recht toelaten.

POLITIEKE KEUZES BINNEN JURIDISCHE GRENZEN

Er is een grote kans dat de wetgever na het arrest van het Grondwettelijk Hof zal moeten optreden. De minister van onderwijs, jeugd, gelijke kansen en Brussel Pascal Smet (sp.a) heeft intussen ook al gezegd dat hij deze periode aangrijpt om, in overleg met zijn collega’s in de Vlaamse regering, een maatschappelijk gedragen voorstel uit te werken.18 De keuzes voor de wetgever zijn niet onbeperkt. De regelgeving moet in overeenstemming zijn met fundamentele rechten gewaarborgd door de grondwet, het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en nu ook het EU-Handvest ter Waarborging van Fundamentele Rechten. Een eerste mogelijkheid voor de decreetgever is de inschrijving van een algemeen principieel verbod in het decreet op het GO. Deze keuze heeft het voordeel van de duidelijkheid en uniformiteit. Het ontlast scholen om zelf een afweging te maken en de controverse binnen de schoolmuren te halen. Bovendien zou men kunnen stellen dat er hiervoor draagvlak is omdat het ARGO reeds besliste tot een dergelijk verbod en vele gemeenschapsscholen een dergelijk verbod in hun reglement invoerden. Maar zoals eerder aangehaald is het hoofddoekenverbod in de vele gemeenschapsscholen een gevolg van het domino-effect waarbij vele scholen om andere redenen dan intimidatie of excessen een dergelijk verbod invoerden. Bovendien was de keuze van het ARGO vooral ingegeven ter bescherming van zijn scholen die reeds een dergelijk verbod invoerden tegen allerhande procedures in de nasleep van de procedure tegen het Koninklijk Atheneum in Antwerpen. Een algemeen verbod kan ertoe leiden dat meer leerlingen van allochtone afkomst voor vrije scholen kiezen van islamitische inslag of voor thuisonderwijs wat integratie en gelijkheid zeker niet bevorderen. Uit de eerste resultaten blijkt echter dat de meeste leerlingen van de Koninklijke athenea te Antwerpen zich gewoon weer inschreven.19 De vraag blijft echter of zo’n verbod niet strijdig is met de fundamentele rechten.

Voorstanders van een algemeen principieel verbod verwijzen graag naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om te verdedigen dat een hoofddoekenverbod niet strijdig hoeft te zijn met de vrijheid van godsdienst.20 Het Hof stelde dat een hoofddoekenverbod op een Turkse universiteit verenigbaar was met de vrijheid van godsdienst vanwege de specifieke omstandigheden en ontstaansgeschiedenis van Turkije. Men vergeet daarbij meestal het arrest in zijn geheel en in zijn context te lezen. Het feit dat een meerderheid van de bevolking islamitisch is en er tendensen bestaan vanuit extreem religieuze islamitische hoek (die gevaarlijk lijken voor de rechtsstaat, democratie en rechten en vrijheden van de burgers) waren overtuigende omstandigheden voor het Hof Mensenrechten voor het besluit dat een dergelijke beslissing binnen de beoordelingsruimte van Turkije viel. In de beoordeling hiervan liet het Hof een brede marge van appreciatie aan de lidstaten. De focus op de Turkse context doet vermoeden dat een verbod voor leerlingen enkel verenigbaar is met de vrijheid van godsdienst als de concrete situatie dit rechtvaardigt. Dit arrest lijkt erop te wijzen dat, voor wat betreft het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de regel het toelaten van hoofddoeken voor leerlingen en het verbod de uitzondering is. Academici gaan ervan uit dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens waarschijnlijk zou oordelen dat ook het Franse verbod binnen de beoordelingsruimte van Frankrijk valt op basis van de specifieke culturele achtergrond. Het begrip laïcisme staat immers in de Franse grondwet en verantwoordt zo de absolute neutraliteit in het Franse onderwijs.

De vraag is echter of er in Vlaanderen ook een dergelijke context is. De voormalige minister van onderwijs in de Franstalige Gemeenschapsregering Françoise Dupuis stelde alvast dat de Franse aanpak haaks staat op de actieve neutraliteit van het eigen onderwijs, aangezien neutraliteit in België tot doel heeft om tolerantie t.a.v. andere religieuze of filosofische identiteiten te bevorderen.21 Het Vlaamse onderwijs is een product van dit actief pluralisme t.a.v. de verschillende filosofische en religieuze visies. Zo biedt het GO de keuze voor zowel lessen godsdienst als zedenleer aan. In tegenstelling tot Frankrijk wordt religie dus niet volledig buiten de schoolmuren gehouden. De neutraliteitsverklaring van het GO spreekt over respect voor het pluralistische waardepatroon en actieve verdraagzaamheid. Het hoofddoekenverbod is een trendbreuk met het actief pluralisme, eigen aan het Vlaamse onderwijs.

Een tweede optie is de bevestiging van het recht op dragen van religieuze kentekenen in het decreet waarbij enkele uitvoeringsmodaliteiten opgenomen worden. De decreetgever kan in een dergelijke wet de voorwaarden opnemen die de rechtspraak reeds stelde voor de mogelijkheid tot een verbod door een enkele school. Ten eerste zou een school de uitvoeringsmodaliteiten kunnen blijven regelen zoals veiligheidsvoorschriften die het dragen van religieuze symbolen beperken in bepaalde lessen zoals waar er gewerkt moet worden met gevaarlijke machines. Ten tweede kan een individuele school een hoofddoekenverbod instellen, als dit (1) op basis van concrete omstandigheden op de school is (2) waarbij met het dragen van opvallende religieuze symbolen expliciet conflict wordt opgezocht en daarbij de ordehandhaving op school en de bescherming van de rechten van de overige leerlingen in het gedrang komen en (3) dit telkens maar voor een schooljaar is waarna de situatie geëvalueerd moet worden.22 Een dergelijke regel zou het actief pluralistische project van het GO kracht kunnen bijzetten en de vrije keuze van onderwijs versterken, maar anderzijds ook toelaten dat druk en intolerantie bestraft wordt om zo de godsdienstvrijheid van iedereen te garanderen. Het bestaan van deze rechtspraak heeft tot nu toe geen rust gebracht in het onderwijslandschap.23 Het zijn nog steeds de individuele scholen die deze afweging moeten maken en de druk voelen doordat andere scholen ook verboden instellen. Zoals aangegeven komt dit grotendeels doordat weinigen klacht indienen uit vrees voor lange procedures. In Nederland beoordeelt het Centrum Gelijke Behandeling alle klachten tegen schoolreglementen die een hoofddoekenverbod instellen.24 De procedure voor het CGB is kosteloos, de oordelen worden op een korte termijn beslecht en de oordelen worden zeer goed opgevolgd (tot 85%). Indien men het niet eens is met het oordeel, kan men alsnog naar een rechtbank. De Nederlandse rechter volgt meestal het oordeel van het CGB. In praktijk leidt dit ertoe dat dit orgaan op snelle en efficiënte wijze de meeste klachten behandelt. De vele zaken over wijzigingen in het schoolreglement i.v.m. religieuze symbolen bij het CGB zorgden voor meer uniformiteit in het onderwijslandschap. Deze aanpak sluit echter niet uit dat er wederkerende discussies zullen blijven komen in de schoot van individuele scholen.

ZOEKEN NAAR

MIDDLE GROUND

Het belangrijkste argument tegen een algemeen principieel hoofddoekenverbod is de vrijheid van religie. De Raad van State stelde zeer expliciet in het arrest van 18 maart 2010 dat het niet aan de rechter is om te beoordelen of het dragen van een hoofddoek al dan niet een religieuze verplichting is voor islamieten. Vrijheid van godsdienst is geen algemeen recht en kan worden ingeperkt om andere belangen te vrijwaren zoals de bescherming van de religievrijheid van anderen. Welke afweging men ook maakt, een inperking van godsdienstvrijheid moet steeds evenredig zijn. Indien men besluit dat een inperking van godsdienstvrijheid nodig is, blijft een totaal verbod een allerlaatste redmiddel en is het enkel gerechtvaardigd binnen een bepaalde context zoals de Turkse zaak duidelijk maakt. Dit is een nuance die reeds lang verloren lijkt in het debat. Minder verstrekkende opties kwamen tot nu toe te weinig aan bod in Vlaanderen. Een eerste mogelijkheid is het uitwerken van uniforme regels of richtlijnen rond het dragen van expliciete religieuze symbolen. Bijvoorbeeld, in het Verenigd Koninkrijk kozen vele scholen voor uniformen die de rekening hielden met de religieuze identiteit van de leerlingen. Dergelijke regels zouden kunnen beschermen tegen excessen en de geloofsuiting van leerlingen mogelijk maken. Dit zou een gebalanceerde beperking van de godsdienstvrijheid betekenen.

Een tweede voorstel is de garantie van het dragen van religieuze tekens afhankelijk te maken van een bepaalde leeftijd.25 Het dragen wordt dan gekoppeld aan een leeftijd waarop jongeren hier bewust voor kunnen kiezen. Een dergelijk voorstel zou gerechtvaardigd kunnen worden door het mogelijk maken van vrije keuze en zelfbeschikking. Waarden waarop zowel de voor- als tegenstanders van een hoofddoekenverbod zich beroepen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens benadrukte reeds dat godsdienstvrijheid niet alleen het recht inhoudt om te geloven en dit met uitwendige symbolen te benadrukken, maar ook het recht om niet te geloven.26 Op de overheid rust daarom een positieve verplichting om burgers tegen religieuze dwang te beschermen. Met het instellen van een leeftijdsgrens voor een verbod garandeert de overheid dat scholen de keuze van leerlingen voor het dragen van een religieus teken niet kunnen verbieden als zij de nodige maturiteit hebben. Een dergelijk voorstel past binnen de context van het actief pluralisme eigen aan het onderwijslandschap in Vlaanderen. De huidige neutraliteitsverklaring roept immers het GO op om de filosofische, ideologische en godsdienstige opvattingen van de leerlingen en hun ouders te eerbiedigen.

De decreetgever kan de keuze voor een dergelijke leeftijd of voor bepaalde beperkende regels op religieuze tekens niet willekeurig vaststellen. Om tot een aanvaardbaar voorstel te komen, moeten zowel de religieuze gemeenschappen als het onderwijsveld betrokken worden. Een voorbeeld hiervan is een arrest van het Britse House of Lords dat stelde dat een school wel degelijk een uniform aangepast voor moslima mocht invoeren indien er bij het uitwerken van dit uniform de nodige aandacht was besteed aan de religieuze en filosofische overtuigingen van de leerlingen.27 De House of Lords stelde dat de totstandkoming van het uniform in overleg met de religieuze gemeenschappen de inperking van de uitdrukking van religie rechtvaardigde. De vereiste van participatie is niet steeds makkelijk: de religieuze gemeenschappen zijn soms verdeeld in verschillende groepen zonder duidelijke leiding of de leiding wordt niet altijd gevolgd. Er blijft bovendien de vraag naar een minimumvereiste van aanwezigheid in Vlaanderen van een religieuze gemeenschap om betrokken te worden. Tot slot, dergelijke oplossingen sluiten de mogelijkheid van groepsdruk niet volledig uit. In dergelijke gevallen moeten scholen nog altijd optreden. Een goed uitgewerkt plan tegen pestgedrag is cruciaal. Bovendien verhinderen dergelijke principiële regels natuurlijk niet dat de bestaande rechtspraak over uitzonderingsgevallen zou komen te vervallen. Zoals reeds eerder aangehaald, kunnen deze voorwaarden best in de wetgeving ingeschreven worden en met een effectief toezicht in het oog gehouden worden.

CONCLUSIE

Er is een onhoudbare paradox ontstaan tussen de politieke en juridische theorie en de realiteit door het tekortschieten van de Vlaamse politiek. De delicate beslissingen werden vele jaren overgelaten aan de individuele scholen. Er is een grote kans dat het arrest van het Grondwettelijk Hof de decreetgever zal dwingen om op te treden, als is het maar tot het vaststellen van de richtsnoeren of randvoorwaarden. Er is nood aan een degelijk debat dat verder kijkt dan het ‘alles mag of niets kan’ van de huidige discussie en uitgaat van het actief pluralisme eigen aan het Vlaamse onderwijs. Sommige politici zullen misschien diep zuchten bij aandacht voor het hoofddoekendebat op school. Inderdaad, de bevindingen van de Commissie Interculturele Dialoog tonen aan dat de beslechting van het hoofddoekdebat onbelangrijk is in het licht van de grotere uitdagingen van integratie.28 Voor de emancipatie van de moslimvrouw zijn er belangrijkere elementen zoals het verzekeren van een betere en hogere opleiding of een betere kennis van het Nederlands.29 En toch is dit debat belangrijk omdat het symbool staat voor vele andere - reeds aanwezige of toekomstige - dilemma’s die gepaard gaan met een multiculturele samenleving.

Catherine Van de Heyning 30
** FWO onderzoeker aan de Faculteit Rechten, Universiteit Antwerpen**

Noten
1/ Dit artikel concentreert zich enkel op het hoofddoekenverbod voor leerlingen. Voor de regeling op het dragen van religieuze tekens voor leerkrachten spelen nog andere argumenten. Ook dit zou best geregeld worden in wetgeving. Opvallend is dat in de meeste EU lidstaten de discussie zich enkel afspeelt i.v.m. het dragen van religieuze tekens door leerkrachten en niet t.a.v. leerlingen.
2/ Raad van State, arrest nr. 202.039, 18 maart 2010.
3/ De Raad van State laat de reglementen die een hoofddoekenverbod invoerden voor deze algemene regeling van het Gemeenschapsonderwijs ongewijzigd.
4/ Raad van State, nr. 196.092, 15 september 2009.
5/ Zie bv. Hof van Beroep te Antwerpen, 14 juni 2005.
6/ Raad van State, arrest nr. 195.044, 2 juli 2009.
7/ Zie bv. Grondwettelijk Hof, nr.2/2006, 11 januari 2006.
8/ Dit arrest handelde over een leerkracht islamonderwijs die haar hoofddoek niet wilde afnemen tijdens de pauze. Het arrest is voor deze discussie vooral interessant vanwege de focus van de Raad van State op de neutraliteitsverklaring. Zie Raad van State, arrest nr. 195.044, 2 juli 2009
9/ ‘Hoofddoeken verboden in atheneum van Antwerpen en Hoboken’, Gazet van Antwerpen, 23 juni 2009.
10/ Senaat, sessie 2003-2004, 14 januari 2004, 3-451/1.
11/ O.a. een visiestuk van Patrick Dewael pleitte voor een hoofddoekenverbod. Patrick Dewael, ‘Elke dwang tot sluieren is onaanvaardbaar’, De Morgen, 10 januari 2004.
12/ ‘Gemeenschapsscholen kunnen nog altijd zelf beslissen over hoofddoek’, De Morgen, 23 oktober 2007.
13/ M. Bouselmati (2002). Le voile contre l’intégrisme : le foulard dans les écoles, Labor, Bruxelles.
14/ G. Coene en C. Longman, ‘Ceci n’est pas une voile: De Belgische Hijab ter Discussie’, paper CESO.
15/ Open brief Eva Brems en Patrick Loobuyck, ‘Een hoofddoekenverbod als uitzondering, niet als regel’, De Standaard, 15 maart 2010. Deze open brief werd ondertekend door academici van de verschillende Vlaamse universiteiten.
16/ Grondwettelijk Hof, nr. 110/98, 4 november 1998.
17/ Bundesverfassungsgerichtshof, 2BvR 1436/02, 24 september 2003, § 64-71. De verzoekster verwijst expliciet naar deze rechtspraak in het arrest van de Raad van State van 18 maart 2010.
18/ Handelingen Vlaams Parlement, sessie 2009-2010, nr.28.
19/ ‘33 uitschrijvingen na hoofddoekenverbod Antwerps atheneum’, De Morgen, 3 september 2009.
20/ EHRM, Sahin t. Turkey, nr. 44774/98, 29 juni 2004.
21/ Ricardo Guttierrez, ‘Foulard à l’école: les se dévoilent’, Le Soir, 20 mei 2009.
22/ Zie o.a. Raad van State, nr. 196,092, 15 september 2009 en Raad van State, nr. 195.044, 2 juli 2009.
23/ De andere kant van de taalgrens koos reeds voor een dergelijke decretale beslissing. Het Decreet van de Franstalige Gemeenschap aangaande de neutraliteit van het Gemeenschapsonderwijs stelt dat de vrijheid van godsdienst en de uiting daarvan door leerlingen gegarandeerd worden zolang deze niet botst met de uitoefening van de rechten van de mens, de reputatie van anderen, de nationale veiligheid, de publieke orde of de morele waarden.
24/ Het moet niet verwonderen dat deze taak werd opgedragen aan het Centrum voor Gelijke behandeling aangezien dit debat in Nederland, in tegenstelling tot België, vooral werd gezien vanuit een discriminatieperspectief. In principe zou men in België kunnen verwijzen naar de antidiscriminatiewet. Echter, Foblets en Velaers stellen dat deze federale wet geen toepassing kan hebben op de Gemeenschapsmateries en dus onderwijs. J. Velaers en M.C. Foblets, ‘De hoofddoek, het onderwijs en de antidiscriminatiewet’, Rechtskundig Weekblad 2006-2007, vol. 4, p. 129.
25/ Zie Open brief Eva Brems en Patrick Loobuyck, De Standaard, 15 maart 2010.
26/ EHRM, Youngs, James en Webster t. Verenigd Koninkrijk, nr. 7601/76; 7806/77, 13 augustus 1981, §57 en recentelijk in EHRM, Lautsi t. Italië, nr. 30814/06, 3 november 2009, § 47.
27/ House of Lords, R (Begum) v Governors of Denbigh High School [2006] UKHL 15.
28/ E. Delruelle en R. Torfs (2005) Commissie voor Interculturele Dialoog. Eindverslag en getuigenissen. Overhandigd aan de Minister van Gelijke Kansen, Sociale Integratie en Interculturaliteit, Christian Dupont, mei 2005.
29/ Nüssbaum ziet vooral de rol van cultuur op religie en niet vice versa als een belangrijke reden voor onderdrukking. Zij wijst erop dat de zoektocht naar middle ground belangrijk is voor de emancipatie van vrouwen vanuit een traditionele cultuur waar vrouwen als minderwaardig worden gesteld. Interview M. Nüssbaum, ‘Women’s rights, Religion and Liberal Education’, Conversations with History series, Berkeley Institute for International Studies.
30/ Dit artikel is een aangepast versie van een eerdere draft van september 2009. Ik ben verschillende mensen uit de academische en politieke wereld bijzonder dankbaar voor commentaar, in het bijzonder professor Popelier en Bob Van den Broeck.

onderwijs - hoofddoeken - actief pluralisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 5 (mei), pagina 49 tot 58