Abonneer Log in

Arm Europa?

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 6 (juni), pagina 44 tot 54

Of ik dat geld voor de excursie nu eindelijk eens kon geven. ‘De leraar vraagt er al een hele week om.’ En of we nu nog een computer gingen kopen? ‘Iedereen zit op Facebook en wij hebben niet eens internet. Ze lachen met mij, mama!’ ‘Tegen je eigen dochter moeten zeggen dat het nog even moet wachten - goed wetende dat het allesbehalve beter zal zijn volgende maand - dat wens ik echt niemand toe.’

Als u aan dit artikel begint, is de kans relatief klein dat u zich ooit al in een gelijkaardige situatie hebt bevonden. Gelukkig maar. Dat er überhaupt nog armoede bestaat in Europa is een schande. Op een zo rijk continent had armoede al lang uitgeroeid moeten zijn. Vandaag is dat niet het geval. Integendeel. De economische crisis van de laatste jaren heeft het probleem weer heel prominent op de agenda geplaatst. Maar eigenlijk was het nooit helemaal weg. Ook voor de crisis waren bijna 80 miljoen Europeanen arm. Het kader voor politieke oplossingen is de laatste decennia sterk veranderd. De nationale welvaartstaten van weleer zijn niet langer het belangrijkste strijdperk. De globalisering en Europeanisering brachten daar verandering in. De Europese Unie speelt vandaag een beslissende rol in onze nationale politiek. In dit artikel zullen we uiteenzetten voor welke uitdagingen dat ons stelt en welke mogelijkheden dat biedt voor een beter armoedebeleid. Welke tol en toekomst zien we voor Europa in de bestrijding van armoede?

DE SCHANDE GEOBJECTIVEERD: ENKELE CIJFERS

Laten we beginnen met de feiten. We wezen er al op dat de crisis een bijzonder negatieve invloed heeft op de situatie van sociaal zwakkeren. Uit een recente publicatie van Decenniumdoelen blijkt dat sinds het uitbreken van de crisis alle indicatoren rood uitslaan. Zowel de objectieve als subjectieve parameters geven een duidelijke neerwaartse trend aan. Ook een rapport van het Rode Kruis wijst heel duidelijk in die richting.1 Heel erg verrassend is dat niet. Het zijn altijd de zwaksten die het sterkst lijden onder crises. Het is echter van belang omdat de cijfers die we hier zullen citeren grotendeels dateren van voor de crisis.2 In België kent in 2008 zo’n 15% van de bevolking een groot armoederisico.3 Het gaat om een groep van ongeveer 1,5 miljoen mensen. Het percentage kinderen met een hoog armoederisico ligt gevoelig hoger: namelijk 17%. Als we weten dat er ongeveer 2,2 miljoen Belgen zijn tussen 0 en 17 jaar, wil dat zeggen dat er op dit moment in ons land zo’n 375.000 kinderen in armoede opgroeien. De Europese cijfers zijn zo mogelijk nog dramatischer. Zo’n 17% - oftewel 80 miljoen mensen - leeft onder de armoedegrens in de EU. Onder hen 19 miljoen kinderen.4

Deze algemene cijfers vertellen niet alles. Verschillende groepen kennen heel uiteenlopende armoederisico’s. Zo lopen vrouwen een hoger risico. Hetzelfde geldt voor migranten, laaggeschoolden, werkzoekenden en kinderen. Belgische gepensioneerden lopen met 21% een gevoelig hoger risico dan gemiddeld. België doet het in vergelijking met andere Europese landen trouwens bijzonder slecht in deze categorie. De laagste pensioenen verhogen is dan ook geen overbodige luxe. Laaggeschoolden lopen in België een armoederisico van 23%. Hooggeschoolden een risico van 6%. Migranten van Turkse en Marokkaanse afkomst in België lopen een wel erg hoog armoederisico. Ook hier ontbreekt consequent statistisch materiaal maar uit cijfers van begin jaren 2000 blijkt dat bij hen het armoederisico meer dan 55% bedroeg.5 Of het vandaag spectaculair beter is, valt te betwijfelen. De combinatie van een aantal factoren leidt overigens tot een exponentiële toename van het armoederisico.

Het armoederisico varieert van Lidstaat tot Lidstaat. Negatieve uitschieters zijn Roemenië, Letland en Bulgarije. De besten van de klas zijn de Scandinavische landen, Tsjechië en Slowakije.6 België bevindt zich in de middenmoot. De verschillen tussen de Lidstaten zijn niet onverklaarbaar. Ze zijn terug te voeren tot het beleid dat de verschillende overheden voeren.

VERSCHILLENDE WELVAARTSTATEN, VERSCHILLENDE RESULTATEN

Het probleem van kinderen in armoede ligt me bijzonder nauw aan het hart. Maar hoe groot mijn verontwaardiging en woede soms ook zijn, emotionaliteit is zelden een goede raadgever. We hebben nood aan wetenschappelijk stevig onderbouwde beleidsinitiatieven. Daarom heb ik Oases de opdracht gegeven studiewerk te doen naar de situatie in de EU en de Lidstaten.7 Uit deze studie komt duidelijk naar voor dat bepaalde landen kinderarmoede een stuk beter aanpakken dan anderen. Zowel in Vlaanderen, België als Europa moeten we daaruit lessen trekken.

Grosso modo kan men stellen dat de meeste Europese landen - althans in naam - welvaartstaten zijn. In de wetenschappelijke literatuur onderscheidt men verschillende soorten welvaartstaten: liberale, conservatieve en sociaaldemocratische. Kort gezegd worden sociaaldemocratische welvaartstaten gekenmerkt door genereuze uitkeringen, sterke bescherming tegen risico’s, een uitgebreide diensteninfrastructuur, universele rechten en een hoge tewerkstellingsgraad. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de liberale welvaartstaten. Ze zijn marktgerichter, bieden slechts minimale bescherming en de ongelijkheid is er groot. De conservatiefcorporatistische welvaartstaten bevinden zich tussen de twee. De invloed van de christendemocratie is er erg groot en het doel van de welvaartstaat is het in stand houden van traditionele samenlevingsverbanden zoals het traditionele gezin (man-vrouw). Wie daar buiten valt, is een stuk kwetsbaarder.

Uit het onderzoek blijkt dat sociaaldemocratische welvaartstaten veel betere resultaten inzake armoedebestrijding bij kinderen kunnen voorleggen.8 De sociaaldemocratische welvaartstaten doen het overigens ook in het algemeen bijzonder goed. Het zijn koplopers in zowat alle domeinen. Kijk er de internationale rankings inzake armoede, welvaart, gelijkheid, innovatie, welzijn enzovoort maar op na. De bekendste voorbeelden zijn Zweden, Denemarken, Noorwegen en Finland. De slechtste resultaten behalen de liberale welvaartstaten. De ongelijkheid is er een stuk groter en het percentage mensen in armoede ligt er gevoelig hoger. De Angelsaksische landen zijn de exponenten van dit model maar ook veel nieuwe EU-Lidstaten bevinden zich in deze categorie. De conservatiefcorporatistische welvaartstaten bevinden zich ook qua resultaten tussen de twee andere. België behoort tot deze middencategorie.

Het studiewerk van Danielle Dierckx en Peter Raeymakers toont dus ondubbelzinnig aan dat sociaaldemocratische welvaartstaten veel sterker zijn in het bestrijden van kinderarmoede. Op haast alle indicatoren9 scoren landen als Zweden en Denemarken het best. België neemt - zoals steeds - een middenpositie in.
Het blijft belangrijk te benadrukken dat de Scandinavische landen op bijna alle vlakken een model zijn. Dat is niet nieuw maar in de huidige context krijgt het een hernieuwde urgentie. We staan vandaag immers in heel Europa voor een enorme uitdaging. Er moet stevig bespaard worden. De crisis heeft de overheidsfinanciën van de meeste Europese landen diep in het rood gedwongen. Het redden van de banken, de relancemaatregelen, de oplopende socialezekerheidskosten gecombineerd met dalende inkomsten zorgden voor een explosieve cocktail. Daarenboven lijkt er op de markten en beurzen een haast constante paniekstemming te heersen. Enerzijds willen investeerders de garantie dat ze hun geld terug zien. Ze willen dus besparingen en budgettaire orthodoxie. Anderzijds vreest men dat die budgettaire orthodoxie het prille economische herstel zal fnuiken. Ten slotte is er nog een andere - mijns inziens heel belangrijke - bekommernis. Blinde besparingen zouden een sociaal bloedbad veroorzaken. De armoede zou spectaculair toenemen.

Op welke manier moeten we de huidige situatie dan aanpakken? Eerst en vooral: budgettaire orthodoxie is een noodzaak. De begroting laten ontsporen heeft zeer asociale gevolgen. Je verschuift de inspanning naar volgende generaties en riskeert in de huidige omstandigheden het mikpunt van allerlei speculanten te worden. Het Griekse en Spaanse voorbeeld illustreert hoe onwenselijk dat is.
Maar we mogen niet blind besparen. Een goede kok snijdt verstandig. Niet in zijn eigen vingers dus. Wat we nodig hebben, is een duidelijke lijn: aan de basis van budgettaire orthodoxie moet een budgettaire strategie liggen. In deze strategie moet je duidelijk maken waar je naar toe wil, hoe je wil investeren, hoe je wil blijven beschermen. Dit voorkomt dat je hard maar contraproductief bezuinigt.
Om die besparingen tot een goed einde te brengen is een enorme gezamenlijke inspanning nodig. Zeer zeker, de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen, maar ieder van ons zal zijn deel moeten doen. Het is dan ook cruciaal dat iedereen daartoe de kans krijgt. Het Belgische pensioendebat is in dat opzicht verhelderend. Er wordt terecht op gewezen dat de vergrijzing een probleem vormt. Maar dat er op dit eigenste moment zo’n 375.000 Belgische kinderen en jongeren in een kansarme omgeving opgroeien, lijkt niet relevant voor heel wat partijen. Ze dwalen. Als we het potentieel van onze jeugd niet maximaal benutten, brengen we onze eigen toekomst in gevaar. De vergroening van onze grotere steden maakt de uitdaging des te groter.

Het debat over armoede en meer specifiek kinderen in armoede staat dan ook centraal in het debat over de toekomst van ons welvaartsmodel. Kinderen zijn de toekomst. Opdat ze zichzelf kunnen ontplooien zijn een aantal zaken essentieel. Goede scholen, een gezonde en veilige leefomgeving, de mogelijkheid te sporten, bij verenigingen te gaan zijn er slechts enkele. Maar het meest fundamentele is het gezin waarin iemand opgroeit. Dat is in vele - soms zelfs alle - opzichten bepalend voor iemands toekomst. Het is dus duidelijk dat kinderarmoede niet losgezien kan worden van armoede in gezinnen. Een juist structureel beleid bestaat er dan ook uit gezinnen te ondersteunen. De samenleving moet meer en meer de hoeksteen van het gezin (alle mogelijke samenlevingsvormen tussen twee partners waarbij kinderen in het spel zijn) worden.10 De manier waarop we de samenleving organiseren heeft immers wezenlijke gevolgen voor het leven binnen gezinnen. Als er niet voldoende betaalbare kinderopvang is, kan een alleenstaande ouder niet gaan werken. In een tweeouder gezin zal een van de ouders gedwongen thuis moeten blijven. Kinderen waarvan een van de ouders niet werkt, zien hun toekomstperspectieven ingeperkt. Kinderen die in werkzoekende gezinnen opgroeien hebben echt spectaculair minder kansen in het leven.11 Hetzelfde verhaal voor scholing. Niet alle ouders kunnen hun kinderen dezelfde ondersteuning geven. Sommigen spreken de taal onvoldoende, anderen genoten zelf onvoldoende scholing of trekken zich het lot van hun studerende kinderen amper aan. Dat kinderen van universitairen heel vaak zelf ook naar de universiteit gaan, ligt heus niet alleen aan hun superieure genen. Aan ons dus de uitdaging te zorgen voor kwaliteitsvolle begeleiding. Alleen zo kunnen alle kinderen hun talenten ten volle ontplooien en ze dus - rechtstreeks of onrechtstreeks - ten bate van de maatschappij aanwenden.

DE ROL VAN EUROPA

De rol die Europa in dit alles te spelen heeft, is op het eerste zicht niet geheel duidelijk. Het is immers niet de EU die schoolgelden bepaalt of uitkeringen verhoogt. Er bestaat ook geen Europese sociale zekerheid.
Nochtans heeft de Europese integratie een heel tastbare invloed op het beleid. Het Europese project is eerst en vooral een economisch project. Een eengemaakte en vrije markt is het hoofddoel. Maar de blinde liberaliseringen hebben in vele gevallen geleid tot asociale diensten. Daar zijn vooral de sociaal zwakkeren het slachtoffer van. Sinds de jaren 1980 - het beginpunt van de grote liberaliseringsgolf - nam de ongelijkheid in België dan ook stelselmatig toe.12 Eenzelfde evolutie is waarneembaar in de ons omringende landen.
De toenemende ongelijkheid is dus deels toe te schrijven aan het Europees beleid. Wil dat dan zeggen dat we maar uit de Unie moeten stappen? Helemaal niet. De baten van de Europese integratie wegen ruimschoots op tegen de kosten ervan. Bovendien heeft het Europees niveau ook een bijzonder groot potentieel om dingen ten goede te veranderen. Voor België maar ook en vooral voor de andere Lidstaten. Zich afzijdig houden zou een fatale beslissing zijn.

Ik spreek bewust van een potentieel omdat de Europese Unie een positieve rol kan spelen maar dit tot nog toe vaak nagelaten heeft. Hoe komt dat?
Het antwoord is tweeledig. Enerzijds heeft de Europese Unie een structurele zwakte: negatieve integratie (het vrijmaken van de gemeenschappelijke markt) is veel makkelijker te verwezenlijken dan positieve integratie (gezamenlijk beslissen over bijvoorbeeld sociaal beleid). Voor de negatieve integratie baseert de Commissie zich op de liberale verdragen. Met de hulp van het Europees Hof van Justitie heeft de Commissie zo al heel wat liberaliseringen doorgedrukt tegen de wil van de Lidstaten in. Voor positieve integratie ligt dat moeilijker. De verdragen zijn er een onvoldoende sterke basis en de besluitvorming is zo complex dat het vaak onmogelijk blijkt zelfs maar de kleinste stappen vooruit te zetten.13 Anderzijds is het ook een kwestie van politieke wil. Of liever - in de realiteit- een manifest gebrek eraan.

Sinds eind jaren 1990 probeert men meer en meer sociale doelstellingen te integreren in het Europees beleid. Een welkom gevolg van de groeiende kritiek op het neoliberale beleid van de EU.
Zo was er de hyperambitieuze Lissabonstrategie (2000-2010). Deze strategie zou van Europa de meest competitieve kenniseconomie van de wereld maken. Naast een hele resem economische maatregelen bevatte de Lissabonstrategie ook een sociaal luik. Armoede zou binnen de 10 jaar een beslissende klap worden toegebracht, zo klonk het zelfverzekerd. Ook volledige tewerkstelling was een van de verklaarde objectieven. De basisgedachte van de Lissabonstrategie was dat een sterkere groei vanzelf tot sociale vooruitgang zou leiden. Een beetje zoals Kennedy ooit zei: ‘rising tide lifts all boats’. Was het maar zo eenvoudig. In de praktijk slaan kleine bootjes vaak lek als het tij stijgt.
De ambitieuze Lissabondoelstellingen moesten worden gerealiseerd met een wel erg origineel instrument: de Open Coördinatie Methode (OCM). Het komt er kortweg op neer dat staten worden aangemoedigd om hun beleid op elkaar af te stemmen en van elkaar te leren - het zogenaamde ‘mutual learning process’. Ze doen dat alles uit vrije wil en er is geen hogere autoriteit die hen er op welke wijze dan ook toe kan verplichten. Er zijn verschillende variaties op de OCM. Het een al vrijblijvender dan het ander. Het bekendste voorbeeld ervan is het stabiliteits- en groeipact (3%-60% begrotingsnorm).

Voor het armoedebeleid betekent de OCM dat er nationale rapporten (NAP) worden opgesteld waarin de Lidstaten hun doelstellingen oplijsten. Idealiter zijn deze doelstellingen afgesteld op die van de andere Lidstaten. In de beste der werelden worden de gemeenschappelijke Europese doelstellingen in de Lidstaten omgezet. In de praktijk doet elke Lidstaat zijn zin. Daar is een eenvoudige reden voor. De NAP worden weliswaar doorgelicht en gekeurd maar het zijn de Lidstaten zelf die oordelen of er vooruitgang gemaakt werd. Niemand durft andere landen bekritiseren uit angst volgende keer zelf aan de schandpaal te worden genageld. En op die manier worden er dus heel wat rapporten geschreven, wordt er een schijn van beleid gecreëerd en gebeurt er in de praktijk bijzonder weinig.

We willen niet zover gaan te zeggen dat de Open Coördinatie Methode totaal onzinnig is. De OCM kan een zekere invloed hebben op het beleid van de Lidstaten. In België leidde de armoede OCM bijvoorbeeld tot een efficiëntere participatie van de belangenorganisaties aan het beleid. Ook wordt er sinds het opstellen van de NAP iets meer over de taalgrens gekeken. Ook het prominent op de agenda verschijnen van kinderarmoede kan niet losgezien worden van het Europees kader. In het algemeen zorgen de NAP trouwens voor een grotere aandacht voor de armoedeproblematiek.14 De OCM is bovendien een ingenieuze manier om waar het de EU aan bevoegdheden en middelen ontbreekt de basis voor een gemeenschappelijk beleid te leggen.
Blijft het feit dat 10 jaar na het afkondigen van de Lissabonstrategie die laatste een totale mislukking blijkt en dat de armoede in de EU niet gedaald is. Wel integendeel.

EU2020: MEER VAN HETZELFDE

De nieuwe EU2020 strategie dreigt op alle vlakken een waardige opvolger van de Lissabonstrategie te worden. We krijgen hetzelfde gedateerde verhaal: meer liberalisering, meer efficiëntie, meer flexibiliteit en harde activering zonder garantie op sociale vooruitgang. Dit verhaal is niet alleen door de financieel-economische crisis achterhaald. De sociale verwezenlijkingen van de liberale aanpak waren al voor 2008 weinig indrukwekkend (zie supra).

Het EU2020-voorstel van de Commissie bevat één bijzonder goede doelstelling. Om zich een socialer gelaat aan te meten heeft de Commissie aan zijn voorstel een ambitieuze ‘armoededoelstelling’ toegevoegd. Ze doet dat deels onder druk van het Europees Parlement dat al jaren om een sterker sociaal beleid vraagt. Hoe dan ook, het Commissievoorstel zegt de volgende 10 jaar het aantal armen terug te willen dringen met 20 miljoen. Op het eerste zicht lijkt dat minder ambitieus dan de in 2000 geformuleerde doelstelling (‘armoede uitroeien’) maar doordat het dit keer om een becijferbaar en dus controleerbaar objectief gaat, is het in feite ambitieuzer. Over hoe deze sociale doelstelling te bereiken, bleef de Commissie wel vaag.
Voor de Europese Raad, daartoe aangespoord door de ministers van financiën (ECOFIN), gaat zelfs een vaag voorstel te ver. Ze vroeg om ‘meer studie naar passende indicatoren’. Of dit diplomatische zinnetje ook meteen de doodsteek van de doelstelling wordt, is nog niet duidelijk. Waakzaamheid is echter geboden. Een aantal Lidstaten (waaronder Duitsland en Nederland) zijn als de dood voor een socialer Europees beleid. Ze zijn het beu Zahlmeister te spelen. Maar kan de EU zich verder ontwikkelen als de sterkste schouders niet bereid zijn zwaardere lasten te dragen? Ik vrees ervoor.
Zelfs als de goede en eerbare doelstellingen van EU2020 behouden blijven en er een aantal zaken worden aangepast, dreigt nog steeds de mislukking voor EU2020. Het blijft immers een papieren tijger gebaseerd op een tandenloze OCM. Uiteindelijk doen de Lidstaten gewoon waar ze zelf zin in hebben. In het licht van de Griekse crisis is dat geen al te best nieuws. Voor de 80 miljoen Europeanen - waarvan dus 19 miljoen kinderen - is dat in deze barre economische tijden zelfs ronduit slecht nieuws.

NAAR EEN EFFICIËNT EUROPEES ARMOEDEBELEID

Dat het ook anders kan, zullen we met onderstaande voorstellen aantonen. We moeten eerst en vooral de bestaande OCM versterken. Dat is noodzakelijk maar zal niet volstaan. We moeten verder gaan en het juiste kader scheppen voor een optimaal Europees en nationaal armoedebeleid. Dat is cruciaal.

Een sterke Open Coördinatie Methode: geen contradictio in terminis

De OCM is zeker niet het door ons geprefereerde werkinstrument. Het is echter wel een methode om tot een grotere convergentie van het beleid te komen zonder dat de EU dwingende maatregelen neemt. Een krachtig Europees armoedebeleid ligt in de huidige context helaas erg moeilijk. Men kan dat betreuren maar het mag zeker geen reden zijn om helemaal niets te doen. Bovendien is de OCM, zoals reeds aangehaald, een opstap naar een echt gemeenschappelijk beleid.

Een aantal kleine ingrepen kan de efficiëntie van de OCM spectaculair vergroten. We moeten ervoor zorgen dat Lidstaten echt aangespoord worden om over de grenzen te kijken en zich aan de - duidelijk geformuleerde - gemeenschappelijke doelstellingen te houden. Het van elkaar leren moet veel beter georganiseerd worden. Steden met gelijkaardige problemen moeten worden aangemoedigd praktijken uit te wisselen. Niet alleen in theorie maar ook in praktijk.
‘Name and shame’ rapporten zijn een ander mogelijk middel om de OCM te versterken. Op die manier zou een land dat manifest slecht presteert daarvoor door een onafhankelijke instelling tot de orde worden geroepen. Die instelling moet - zoals supra aangetoond - onafhankelijk zijn. Dat veranderen zou al een behoorlijke aanmoediging zijn om een zekere inspanning te doen. Wie wil er immers voor de hele Unie en zijn eigen publieke opinie ten schande worden gemaakt omdat hij een waardeloos armoedebeleid voert? We zien vandaag dat uit de rapporten die de Commissie over de begrotingstoestand15 in de Lidstaten publiceert, gretig geciteerd wordt in de pers. Hoewel zo’n rapport geen rechtstreekse invloed op het regeringsbeleid heeft, is het wel degelijk een sterk argument in het debat.
Ten tweede zouden landen die goede resultaten halen en actief meewerken aan het uitwisselen van goede praktijken daarvoor beloond moeten worden met extra fondsen (o.m. uit het Sociaal Fonds of een nieuw te creëren fonds). Het zou voor een heel aantal landen een belangrijke incentive zijn om de gemeenschappelijke doelstellingen au sérieux te nemen. Bovendien heeft deze werkwijze zijn nut bewezen voor de OCM-werkgelegenheid. Ook deze beslissing moet door een onafhankelijke instantie genomen worden.
Dit zijn ingrepen die de sociale OCM een stuk sterker kunnen maken maar geen institutionele revolutie vergen. De EU2020 strategie wil de armoede OCM vervangen door een zogenaamd ‘Sociaal Platform’. We hopen dat men de naamsverandering aangrijpt om de door ons voorgestelde verbeteringen door te voeren. Cosmetische veranderingen zullen niet volstaan.

Een sterk Europees kader voor een optimaal armoedebeleid

De grootste en tevens belangrijkste uitdaging is het creëren van een algemeen Europees kader voor optimale armoedebestrijding. Concreet wil dat zeggen dat de nationale beleidsinitiatieven ingebed moeten worden in een vruchtbaar en stimulerend Europees geheel. Zoals we hebben gezien scoren sociaaldemocratische welvaartstaten zeer goed inzake armoedebestrijding. Europa moet er dan ook de kernelementen van overnemen. Deze zijn: een sterk sociaal vangnet met als vaandeldrager voldoende uitkeringen; het recht op een uitgebreide, kwalitatieve en universele dienstverlening; en ten slotte een actief en inclusief arbeidsmarktbeleid met als doel volledige tewerkstelling.
Het mag verbazen maar de basis daarvoor is reeds aanwezig. In een aanbeveling, getiteld ‘actieve insluiting’ (2008), doet de Commissie voorstellen in die richting. Met Actieve Insluiting (Active Inclusion) bedoelt men een goede mix tussen activering en een sterk sociaal vangnet. Concreet stelt de aanbeveling dat alle Lidstaten een adequaat minimuminkomen moeten garanderen. Diensten moeten kwalitatief, toegankelijk en betaalbaar zijn. De arbeidsmarkt ten slotte moet actief en inclusief zijn.16  

VAN AANBEVELING NAAR PRAKTIJK

Het grote probleem met deze aanbeveling is uiteraard dat ze op geen enkele manier bindend is. De uitdaging voor Europese socialisten is tweeledig. Ten eerste moet de aanbeveling in wet (kaderrichtlijn of richtlijn) omgezet worden. De dag dat deze aanbeveling wetskracht krijgt zal een heel belangrijke horde op weg naar een sociaal Europa genomen zijn. Ten tweede moeten we er over waken dat bij het omzetten van de aanbeveling de sociaaldemocratische visie de overhand houdt. Elk van de drie deelgebieden kan immers zo gedefinieerd worden dat de uitwerking ervan volledig wordt uitgehold.

Eerst en vooral moet er een kaderrichtlijn komen die alle lidstaten van de EU verplicht een adequaat minimuminkomen te garanderen aan zijn burgers. Een adequaat minimuminkomen ligt ten minste op 60% van het mediaan inkomen in de Lidstaat. Een kaderrichtlijn is bindend maar laat heel veel ruimte aan de Lidstaten inzake omzetting. Dat is een goede zaak. Elk land is anders. Er zijn verschillende tradities en systemen. Daarmee moeten we rekening houden. Van belang is dat elk land dat lid is of wil worden van de EU het Europese sociale model onderschrijft. Europa is meer dan een markt. Het is een waardengemeenschap. Sociale rechten en waarden maken Europa tot wat het is. Het is daarin dat we ons het meest onderscheiden van de rest van de wereld. Het kan dus niet dat bepaalde landen minimuminkomens aanbieden die de armoedegrens zelfs niet benaderen. Het gaat inderdaad vooral om de nieuwe Lidstaten maar ook om Duitsland waar het Bundesverfassungsgericht onlangs oordeelde dat de Hartz IV uitkeringen er ‘duidelijk onvoldoende zijn’. In België ligt het leefloon op 727 euro. Om de Europese norm te respecteren moeten we onze leeflonen (en andere basisuitkeringen zoals pensioenen) optrekken tot ten minste 878 euro. Dat vergt grote inspanningen en kan niet van de ene dag op de andere gerealiseerd worden. Het moet echter wel het streefdoel zijn.

De rol die Europa kan spelen in het garanderen van goede dienstverlening is bijzonder uitgesproken. Het moet gedaan zijn met de blinde liberaliseringen. Sterke openbare diensten zijn een essentieel onderdeel van de Europese welvaartstaten. De EU mag daaraan niet raken. Daarom moet er heel voorzichtig worden omgesprongen met het verder vrijmaken van bepaalde sectoren. Daarenboven moet er een wettelijk kader komen dat de sociale economie en allerlei andere sociale diensten van algemeen belang beschermt. Die bevinden zich momenteel in een grijze zone. Dat moet veranderen. Openbare diensten mogen niet langer beschouwd worden als iets vervelends en onnatuurlijks dat we slechts onder bepaalde voorwaarden tolereren. Als dat een revolutie in de geesten van de Europese technocraten vereist, het zij zo. Gelukkig heeft het Europees Parlement sinds enkele jaren meer macht en kunnen we Commissievoorstellen corrigeren waar nodig. We hebben dat met veel succes gedaan met de Bolkensteinrichtlijn. Anne Van Lancker heeft daarvoor terecht veel lof gekregen.

Wat het arbeidsmarktbeleid betreft: het promoten van activering en flexibeler arbeidsmarkten moet gepaard gaan met een nadruk op de kwaliteit (en beschikbaarheid) van werk en inclusieve arbeidsmarkten. Activering is een goede zaak maar mag niet leiden tot het ontstaan van een klasse van working poor. Maar de nieuwe jobs moeten dan wel kwalitatief zijn. Het is onverdedigbaar dat werkzoekenden na hun activering de klasse der working poor vervoegen. Activering mag geen stok zijn die mensen van de regen in de drup drijft.
Er moeten ook meer verregaande sociale minimumstandaarden komen. Dat gaat van minimumverloningen over maximale werktijden tot de rol van de vakbonden binnen bedrijven. Het kan niet dat bepaalde Lidstaten hun normen verlagen (of laag houden) om zich een betere concurrentiepositie te verwerven. De Europese eenmaking mag geen race to the bottom worden. Integendeel, het moet de bedoeling zijn onze hoge sociale standaarden in de hele Unie ingang te doen vinden. Om onze werknemers te beschermen maar vooral ook uit solidariteit met alle Europese werknemers. Zo’n beleid bestaat trouwens al voor milieu. Daar legt de EU stelselmatig minimumstandaarden op. De achterliggende gedachte is dat het gevaarlijk zou zijn Lidstaten toe te laten bedrijven te lokken met ondermaatse milieunormen. Dat zou ons en ons milieu onherstelbare schade toebrengen. Het Europees hof van Justitie erkent dat milieu in deze primeert op de markt. De analogie met ons sociaal stelsel is overduidelijk.

TUSSEN DROOM EN DAAD: AAN POLITIEK DOEN IN POST-NATIONALE TIJDEN

Tussen droom en daad staan altijd hindernissen. In Europa is dat nog meer het geval dan elders. Het duurt vaak heel lang eer een bepaald idee ingang vindt. Dat je de steun van de Commissie en het Europees Parlement hebt, volstaat zelden. De aanbeveling rond actieve insluiting bijvoorbeeld werd niet in wetgeving omgezet omdat de Europese raad zich er tegen verzette. De Europese raad heeft een enorme macht en het is duidelijk dat de huidige samenstelling van de raad (een duidelijk rechtse meerderheid) voor onze agenda een probleem vormt.
Maar we mogen ons daar niet achter verschuilen. Het is in de lange geschiedenis van de sociale strijd nooit gemakkelijk geweest om dingen ten goede te veranderen. Ook onze voorgangers stonden voor enorme uitdagingen. Zij hebben zich daardoor niet laten afschrikken. Als socialisten hebben we de morele plicht om aan de kar te blijven trekken. We moeten de mensen bewustmaken, hen overtuigen, verenigen en de strijd met zo veel mogelijk gelijkgezinden voeren.
Het Europese niveau is ingewikkeld en functioneert op een voor burgers ondoorzichtige manier. Het ziet er niet naar uit dat dit de eerste jaren zal veranderen. Het is nu eenmaal niet eenvoudig om 27 landen te laten samenwerken. Wat ook de tekortkomingen van de Europese Unie mogen zijn; ons terugtrekken in België of Vlaanderen heeft geen zin. We zouden er de sociaal zwakkeren zeker geen dienst mee bewijzen.

Ik sluit me dan ook volmondig aan bij de analyse van Caroline Gennez en Dirk Van der Maelen.17 De toekomst van het socialisme en dus van de sp.a is Europees en internationaal. De uitbouw van een goed georganiseerde Europese socialistische beweging is cruciaal. Dat geldt voor de socialistische partijen maar geldt, mijns inziens, a fortiori voor de vakbonden en andere middenveldorganisaties. Wat nu al te vaak ontbreekt in Europa is een sterk ontwikkelde civil society. Een Europees middenveld zeg maar. We moeten Europese coalities vormen om de agenda te kunnen bepalen. Alleen zullen we het niet halen. We moeten dan ook onze banden met ngo’s en de samenleving aanhalen. Het nieuwe verdrag laat toe een Europees Burgerinitiatief te organiseren. Het is aan de Europese socialisten om de juiste initiatieven te ondersteunen en mee te organiseren. Slechts door op een slimme manier onze krachten te bundelen met gelijkgezinden zullen we in Europa resultaten boeken.
Ook op nationaal niveau kunnen we meer doen. We moeten strenger zijn voor onze regeringen en voor wat ze uitspoken op Europees niveau. Bepaalde ministers leggen geen enkele rekenschap af voor hun daden. Dat is oneerlijk en ondemocratisch. Zo beweerde de regering Leterme II van het sociale een prioriteit te maken tijdens het Europees voorzitterschap. Wat Didier Reynders ondertussen vertelde in ECOFIN (de oppermachtige raadsformatie van ministers van financiën) kan niemand met zekerheid weten. Men spreekt soms van een democratische deficit in Europa. We kunnen een deel daarvan eenvoudig verhelpen door onze nationale ministers beter te controleren.
Enkel als we op alle niveaus de druk opvoeren, kunnen we wegen op de besluitvorming en het Europa van de 21ste eeuw mee vorm geven. Vooruitgang is nog steeds mogelijk. Maar dan moeten we nu actie ondernemen om onze gemeenschappelijke toekomst veilig te stellen. Dat zijn we verschuldigd aan onszelf maar vooral aan de 19 miljoen kinderen die in Europa in armoede leven.

Kathleen Van Brempt
Europees parlementslid sp.a

Noten
1/ Decenniumdoelen, Armoedebarometer 2010; The International Red Cross, The economic crisis and its humanitarian impact on Europe, October 2009.
2/ Dat is tevens een van de grote problemen. Het cijfermateriaal loopt hopeloos achter op de realiteit, wat een efficiënt armoedebeleid niet ten goede komt.
3/ Wie een inkomen inferieur aan 60% van het mediaan nationaal inkomen heeft, kent een verhoogd armoederisico. Dit is de zgn. Europese armoedenorm. Cijfers Bestat.
4/ Cijfers van Eurostat 2007 en Bestat 2008.
5/ Cijfers uit 2001: B. Robaeys & N.Perrin (onderzoekers); J. Vranken & M. Martiniello (Promotoren), Armoede bij personen van vreemde herkomst becijferd , een onderzoek in opdracht van de Koning Boudewijn Stichting, 2006.
6/ Bij die laatste twee dient wel opgemerkt dat ze het vooral dankzij de berekeningswijze goed doen. Inzake materiële deprivatie doen ze het een stuk slechter. Zie hiervoor: Goedemé Tim. Armoede in de Europese Unie: loopt er een scheidslijn tussen Oost en West?, in: Arm Europa: over armoede en armoedebestrijding op het Europese niveau , 2009, pp. 103-124.
7/ D. Dierckx en P. Raeymakers, Kinderen in Armoede in een Europees Beleidsperspectief, probleemanalyse en aanbevelingen, 2010.
8/ D. Dierckx en P. Raeymakers, op.cit.
9/ Materieel welzijn, huisvesting en omgeving, opvoeding en onderwijs, gezondheid, veiligheid en risicogedrag en subjectief welbevinden.
10/ K. Van Brempt, Verder dan morgen. Gesprekken met uitzicht op de toekomst, Antwerpen, Houtekiet, 2008.
11/ D. Dierckx en P. Raeymakers, op.cit.
12/ In 1990 lag de Gini-coëfficiënt op 0,297. In 2005 op 0.364: een duidelijke stijging van de inkomensongelijkheid dus.
13/ F. Scharpf, Positive and Negative Integration in the Political Economy of the European Welfare States, in: Governance in the European Union, 1996.
14/ B. Van Hercke, Hoezo, ver van ons bed? Over de wisselwerking tussen het Belgische en Europese armoedebeleid, in: Arm Europa, armoede en armoedebestrijding op het Europese niveau, 2009.
15/ In het kader van het ‘groei-en stabiliteitspact’.
16/ Commission recommandation on the active inclusion of people excluded from the labour market, Brussels, [30.09.2008] C(2008).
17/ Samenleving en politiek, januari 2010.

armoede - armoedebestrijding - Europa 2020 - Europese Unie

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 6 (juni), pagina 44 tot 54