Log in

'Wat als de olie op is?'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 6 (juni), pagina 78 tot 80

Wat als de olie op is?

Filip Van Den Abeele en Lieven Scheire
Bogerhoff & Lamberigts, Gent, 2009

Wat als de olie op is? pretendeert het ultieme boek te zijn ‘voor wie energie nodig heeft’. Het belooft ‘de harde feiten’ en dat ‘de mythes doorprikt’ zullen worden.
Het is zeker een informatief boek en het is zonder twijfel ook een modern boek. En dat zelfs in twee opzichten. Het is ten eerste afgestemd op een generatie die korte, hapklare brokjes informatie gewend is. Zo wordt de tekst van Filip Van Den Abeele steeds onderbroken door ‘de stelling van Scheire’, waarin Lieven Scheire een zijsprongetje maakt en meestal een theoretisch fysisch of chemisch concept toelicht. Die stellingen zijn de enige bijdrage van Scheire, zodat de indruk ontstaat dat de bekendheid van Scheire als grappige fysicus hier ietwat schaamteloos ingezet wordt als verkoopsargument. Ten tweede is energie een uiterst actueel en modern thema. Het energievraagstuk staat centraal in de problematiek van de klimaatverandering en is een van de belangrijkste uitdagingen voor deze eeuw.
Het boek is vlot leesbaar en er wordt geprobeerd om regelmatig luchtig uit de hoek te komen tussen al het statistisch en wetenschappelijk materiaal door. Soms gaan die pogingen uit de bocht, zoals de poging om de wet van Bernoulli uit te leggen aan de hand van het laten van een wind in een vliegtuig… Gelukkig maakt het boek wel de verwachtingen waar wat het informatieve betreft. Je vindt er een zeer groot aantal feiten, statistieken en wetenswaardigheden over energie in terug. Ook wordt een interessant historisch perspectief geschetst. Het olietijdperk, toch de basis van ons huidige energie- of zelfs samenlevingsmodel, is immers nog maar een goede honderd jaar bezig. We stoken dus letterlijk de natuurlijke rijkdommen van deze planeet aan een hels tempo op. De helft van de in totaal 1000 miljard vaten opgepompte olie werd immers in de laatste 20 jaar verbruikt.

Het boek behandelt de manier waarop we tot op dit ogenblik voorzien in onze energiebehoeften en hoe we met energie omgaan. Dan wordt gekeken, voor wat fossiele en nucleaire brandstoffen betreft, hoe het gesteld is met de voorraden die beschikbaar zijn en die nog voorspeld worden als ooit rendabel ontginbaar.
Dit biedt een duidelijk beeld op de toekomst van onze huidige energiehuishouding: het idee dat de voorraden aan fossiele energiebronnen snel opgesoupeerd zullen zijn, blijkt minstens voor nuancering vatbaar. Zo blijken zowel van aardgas en vooral steenkool een nog behoorlijk grote voorraad aan ontginbare reserves beschikbaar te zijn. Aardolie is nog de minst langdurig beschikbare fossiele energievorm, waarvan de voorraden tegen 2050 zullen uitgeput zijn. Tenzij we ook de niet-conventionele aardoliebronnen kunnen aanboren, dan kunnen we nog minstens een extra kwart eeuw verder. Aardgas is nog comfortabeler: daarvan kunnen we nog 60 jaar verbruiken, en zelfs 130 jaar als we de vermoede voorraden meerekenen. En dat ondanks het feit dat in de jaren 1960 nog biljoenen kubieke meters aardgas werden afgefakkeld op boorplatformen… Wat nu uiterst waardevol is, werd toen als een hinderlijk afvalproduct beschouwd. Met steenkool kunnen we zelfs nog 165 jaar doorgaan, waardoor dit de meest langdurig beschikbare fossiele energievorm is.
Maar dan steekt een tweede probleem de kop op: de milieu-impact van het gebruik van fossiele brandstoffen. Het boek focust uitsluitend op het klimaatprobleem, en negeert grotendeels problemen als fijn stof, zwaveldioxide, stikstofoxide, enzovoort.

Daarna behandelt het boek de mogelijke alternatieven voor fossiele brandstoffen. Hoe wordt kernenergie ingezet voor de productie van elektriciteit? Wat zijn de voor- en nadelen van nucleaire energie? En hoe zit het met groene energie, op basis van hernieuwbare bronnen?

Het boek wil kritisch zijn, en doorprikt een aantal misverstanden en vooroordelen over groene energie. Het nog gebrekkige rendement van zonne-energie wordt terecht onderstreept. De auteurs stellen dat ze enkele groene ‘mythes’ willen doorprikken, niet uit cynisme, maar uit realisme.
Ook kernenergie wordt kritisch behandeld: ‘in een stabiele wereld zonder menselijke fouten is kernenergie een betere oplossing dan fossiele brandstoffen. Maar we leven natuurlijk niet in een stabiele wereld zonder menselijke fouten.’ En dan hebben we de problematiek van het nucleaire afval nog niet aangeraakt. Trouwens, de voorraad gemakkelijk, lees goedkoop, te ontginnen uranium zal sneller uitgeput zijn dan de olievoorraden!
Ook de moedige poging om de kostprijs en de CO2-uitstoot van de verschillende fossiele, nucleaire en hernieuwbare productiemethodes te becijferen, leidt - naast de terechte bedenking dat dit hoogstens zeer ruw geschat kan worden en dat de onder- en bovengrenzen vaak absurd ver uit elkaar liggen - tot de conclusie dat wind- en zonne-energie weliswaar niet CO2-neutraal zijn, maar wel veel beter scoren dan fossiele energiebronnen. Hoewel terecht opgemerkt wordt dat ‘groen’ en ‘duurzaam’ ondertussen overhypete marketingterminologie geworden is, ligt de toekomst onvermijdelijk in de hoek van hernieuwbare energiebronnen. Het belang van energiebesparing mag echter niet uit het oog verloren worden, een nuance die het boek - allicht om redenen van beknoptheid - niet voldoende legt en pas in de conclusies opduikt. Energie-efficiënte wordt bij wijze van besluit uitgeroepen tot de energiebron van de toekomst.
Aan de hand van een toekomstverkenning worden nog meer misverstanden aangepakt. Dat waterstof een energiebron zou zijn bijvoorbeeld. Het tijdperk van waterstof als energiedrager ligt nog een heel eind van ons verwijderd, zowel om technische redenen als omwille van het feit dat de productie van waterstof voorlopig nog veel meer energie vergt dan het gebruik ervan uitspaart. De toekomst ziet er dus tegelijk heel anders en toch nog vertrouwd uit: steenkool gaat voorlopig niet weg, net als aardgas. Van aardolie zullen we nog het snelst moeten afkicken. Kernenergie blijft een omstreden keuze, gelet op het afvalprobleem en de veiligheidsaspecten, zowel operationeel als het gevaar voor terrorisme.
Of je het nu graag hoort of niet, de toekomst kleurt daarom groen, ook op energievlak. Het komt er wel op aan om de juiste keuzes te maken inzake technologie en ondersteuningskader. Keuzes die gezien het (nog) niet rendabele karakter van de meeste hernieuwbare energiebronnen, door de overheid moeten worden gemaakt. De toekomst ligt trouwens minstens ten dele bij een aantal minder in de kijker lopende, maar potentieel interessante energiebronnen, zoals de diverse soorten biomassa.

Als conclusie komen TINA en TANIA op de proppen, de 2 Shell energietoekomstscenario’s. Op korte termijn is voor heel wat toepassingen geen werkbaar alternatief voor aardolie beschikbaar: There Is No Alternative, dus. Het langetermijnperspectief is iets genuanceerder, maar toch: There Are No Ideal Answers als alternatief voor fossiele brandstoffen.
Het boek eindigt met een pleidooi tegen egocentrisme. Wie alleen naar zijn eigen directe energieverbruik kijkt, ziet nog niet de helft van het volledige plaatje. Als voorbeeld wordt de diepvriesmaaltijd gebruikt, wie denkt heel wat energie te besparen door deze langzaam in de koelkast te ontdooien en snel in de microgolf op te warmen, vergist zich. De energie nodig voor het bereiden, afkoelen, invriezen, stockeren en vervoeren van de maaltijd is immers een veelvoud van de uitgespaarde energie. Energie is en blijft dus bij uitstek een maatschappelijk probleem.

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 6 (juni), pagina 78 tot 80