Abonneer Log in

'Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 65 tot 68

Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet

Tim Jackson
Uitgeverij Jan van Arkel, Utrecht i.s.m. _Oikos_, 2010

Sinds het rapport van de Club van Rome dat de toen provocerende titel Grenzen aan de groei droeg, zijn er verscheidene rapporten verschenen die op een of andere manier het thema van de (ecologische) eindige planeet en de moeilijke verhouding met de economische groei behandelen.
Het jongste werk in die rij is het tot boek verwerkte rapport dat Tim Jackson en zijn team schreef voor de ‘Sustainable Development Commission’ van de Britse regering. Toen het rapport op de regeringstafel kwam mocht het niet openbaar gemaakt worden. De tekst werd ‘verbannen’ naar een website. Daar werd het zo vaak gelezen dat aan Tim Jackson werd gevraagd het te verwerken tot een boek.
De meerwaarde van het boek is dat er niet alleen een stevig onderbouwde analyse wordt gemaakt van de huidige economie van de groei en meer bepaald wat de recente economische crisis ons daarover leert, maar dat er ook een aanzet wordt gegeven aan een mogelijk alternatief. De ideeën van Jackson zijn in sommige ogen misschien erg utopisch, maar is niet elke maatschappijverandering er gekomen vanuit utopisch denken?

Voor de auteur is de groei van de economie de grote boosdoener voor wat er vandaag misgaat. Aan de basis van de huidige crisis ligt wat hem betreft dan ook de schuld, de consumentenschuld (door consumptie gedreven krediet), de overheidsschuld en de buitenlandse schuld. Financiële instellingen zijn in zijn ogen goed weg gekomen. De overheid heeft ze blindelings gered door zelf een massa geld in de banken te stoppen en er nauwelijks iets voor terug te vragen. De zogenaamde strengere controles stellen weinig voor en dus is het bij de bankwereld weer business as usual.
Uiteraard suggereert Jackson hier al dat er grenzen moeten komen aan de groei. Daarbij maakt hij wel een onderscheid tussen de economie in het Noorden en die in het Zuiden, waar groei tot een aanvaardbaar welvaartpeil nog een tijd moet kunnen blijven doorgaan. Daarbij publiceert hij een erg belangrijke grafiek waaruit duidelijk blijkt dat wanneer eenmaal een bepaalde welvaart wordt bereikt (ca. 9000 dollar BBP per persoon) het menselijk geluk (gezondheid, levens-verwachting, onderwijs) nog nauwelijks toeneemt met de stijging van het inkomen.
In het boek wordt niet alleen de focus gericht op materiële welvaart, maar ook op een breder begrip van welvaart (lichamelijke en geestelijke gezondheid, democratie en onderwijs, vertrouwen, veiligheid en gemeenschapszin, maar ook relaties, zinvol werk en de mogelijkheid tot deelname aan het maatschappelijk leven). Een veelzeggende grafiek over subjectief welbevinden, het resultaat van een peiling in opdracht van de BBC van 2005, bevestigt deze nood aan herdefiniëring van welvaart. In dalende volgorde vinden de respondenten dat partner/echtgenoot/familie voor 47% hun geluk bepaalt, gezondheid voor 24% en werk bijvoorbeeld voor 2%. Dit is natuurlijk een moeilijk discours, want hoe meet je geluk en welbevinden?
In elk geval is het duidelijk dat het BBP geen bruikbaar meetinstrument is om de welvaart te meten. Samen met vele anderen vindt Jackson dat er andere manieren moeten worden gezocht om een brede welvaart te meten.
Uiteraard komt Jackson uiteindelijk ook uit bij de ecologische grenzen van de economische groei. Er bestaan vandaag grosso modo twee manieren om met de eindigheid van onze planeet om te gaan. Sommigen pleiten voor een relatieve ontkoppeling. De economie moet meer doen met minder. Vanuit een (te?) sterk geloof in de technologische vooruitgang denkt men op termijn het ecologisch evenwicht te kunnen herstellen. Weer anderen tonen aan dat enkel een radicale absolute ontkoppeling redding kan brengen. Het is zoals de auteur zegt een grimmige keuze die niet eenvoudig te maken is.
Brengt een ‘Green New Deal’ een oplossing? Goede poging vindt Jackson maar ontoereikend. Naast de kleine stapjes zullen er sprongen moeten worden gemaakt.
De auteur wijst elke individuele lezer op zijn of haar verantwoordelijkheid. We zitten volgens hem immers gevangen in de’ ijzeren kooi’ van het consumentisme. Consumeren heeft stilaan nog weinig te maken met het verwerven van noodzakelijke materiële goederen, maar meer met aanzien, status en voortdurende drang naar nieuwigheden, niet in het minst aangedreven door een sterke publiciteits- en media-wereld.

Wat stelt Tim Jackson als alternatief?
Hij plaatst zijn actiepunten binnen een grotere structurele ingreep, namelijk de overgang naar een andere, ecologische macro-economie. Wie een concrete blauwdruk voor de toekomst verwacht blijft op zijn honger zitten, maar Jackson geeft wel een aanzet voor hoe het anders zou moeten. Noem het een soort 12 puntenprogramma die de basis kan vormen voor een overgang naar een duurzame economie.

  1. Er moeten duidelijke grondstoffen- en emissieplafonds worden ingevoerd. Het is overduidelijk dat de grondstoffen uitgeput geraken en de uitstoot van diverse gassen voor een dergelijke klimaatverandering zorgen dat onze planeet zelf kapot gaat. Op basis van deze plafonds moeten reductiedoelstellingen van wezenlijk belang worden voorgesteld.
  2. Een fiscale hervorming voor duurzaamheid. Daarbij zou er een verschuiving moeten komen van de belastingdruk op het economisch goed (bijvoorbeeld het inkomen) naar het ecologisch ‘kwaad’ (de vervuiling). In die zin moeten nieuwe belastingen op het gebruik van koolstof bijvoorbeeld gecompenseerd worden door een verlaging van de belastingen op arbeid.
  3. Steun voor een ecologische transitie in ontwikkelingslanden. Daarbij zijn o.m. investeringen in duurzame energie, energiezuinigheid, zuinig omgaan met grondstoffen, infrastructuren met lage CO2-uitstoot en het beschermen van koolstofopname (bossen) en biodiversiteit van vitaal belang. Een Tobintaks zou voor de nodige middelen kunnen zorgen.
  4. Ontwikkeling van een ecologische macro-economie. Hiervoor is het nodig om de vooroordelen over de productiviteit van arbeid en kapitaal te herzien. In plaats daarvan moet men zich inzetten voor een structurele transitie naar koolstofarme, arbeidsintensieve activiteiten en sectoren. Zouden mensen bijvoorbeeld niet bereid zijn hun spaargeld te beleggen in ecologische investeringen, die financieel minder rendabel zijn, maar op lange termijn belangrijke maatschappelijke doelstellingen realiseren?
  5. Investeren in werkgelegenheid, activa en infrastructuur. Het is bekend dat ecologische investeringen voor flink wat werkgelegenheid kunnen zorgen. Maar Jackson vindt dat er ook verder moet worden nagedacht over wat hij noemt de ‘investeringsecologie’. Het gaat dan over de investeringsvoorwaarden, de mate en de duur van het rendement en de structuur van de kapitaalmarkten. Dit leidt, volgens Jackson, tot lastige vragen over de eigendom van bezittingen (activa) en de zeggenschap over wat ze opleveren.
  6. Financiële en fiscale voorzichtigheid bevorderen. De voornaamste les uit de recente economische crisis is ongetwijfeld dat er een nieuw tijdperk van financiële en fiscale voorzichtigheid moet worden ingeluid. Daarbij gaat het o.m. over de hervorming van de financiële markten, het verbod op gewetenloze marktpraktijken (zoals short-selling), de vermindering van buitengewone beloningspakketten voor topmanagers, een betere bescherming tegen consumentenschuld, een stimulans voor particulier sparen, maar ook over de Tobintaks en een grotere publieke controle over de geldverstrekking.
  7. Het herzien van de nationale rekeningen. De kritiek op het BBP als maatstaf voor economisch welzijn is bekend en wordt door een ruime groep van economisten en beleidsmakers gedeeld. Er zijn al diverse pogingen ondernomen om een correctere maatstaf te ontwikkelen. De tijd is rijp om werk te maken van een nieuw wereldwijd bruikbaar meetinstrument dat veel beter duurzame economische welvaart en welbevinden uitdrukt en voor nationale rekeningen kan worden gebruikt.
  8. Arbeidstijdbeleid. Jackson pleit ervoor om het beschikbare werk te verdelen. Daarbij zijn arbeidstijdverkorting en een betere balans tussen werk en vrije tijd de oplossing.
  9. Aanpak van systeemgebonden ongelijkheid. Onderzoek toont aan dat samenlevingen met grote sociale ongelijkheid slechter scoren op het vlak van gezondheid, sociale effecten en levenskwaliteit. Bovendien zwengelen ze de ‘statusconsumptie’ aan. Mensen willen consumeren wat de ‘beteren’ ook verbruiken. Ongelijkheid aanpakken vermindert dus de sociale kosten, verbetert de levenskwaliteit en verandert de dynamiek van de statusconsumptie.
  10. Het meten van mogelijkheden en ontplooiing. In het huidige BBP wordt er niet uitgedrukt welke ontplooiingskansen de mensen krijgen. De idee om een nationale welzijnsrekening te ontwikkelen is misschien nog zo gek niet. De Nederlandse ‘capabilities index’ komt aardig in de buurt. Als je die welzijnsrekening dan ook nog zou kunnen integreren in de nationale rekeningen, dan kan je misschien economische winst- en verlies rekeningen corrigeren.
  11. Het versterken van het sociaal kapitaal. Eigenlijk houdt Jackson een pleidooi voor meer overheid. Geen eenvoudig verhaal in een wereld waar de overheid steeds vaker op de korrel wordt genomen. Toch zijn de voorstellen van Jackson logisch: scheppen en in stand houden van publieke ruimtes, aanmoedigen van duurzaamheidinitiatieven van lokale gemeenschappen, terugdringen van het woon-werkverkeer, het bieden van scholing voor groene banen, meer verantwoordelijkheid voor planning in de handen van lokale gemeenschappen, bescherming van de publieke omroep, subsidies voor musea, openbare bibliotheken, parken en groene ruimten. Vergeten we niet dat Jackson denkt binnen een Britse context waar de overheid nog meer uitgekleed werd dan bij ons. Zeer concreet gelooft hij sterk in de mogelijkheden van de lokale sociale economie. Die economie wordt nu wel smalend de Assepoestereconomie genoemd, omdat ze in de marge blijft van de huidige economische context, maar niets belet dat haar uitgangspunten ook de ‘reguliere’ economie grondig beïnvloeden.
  12. De cultuur van het consumentisme ontmantelen. Dit is ongetwijfeld het meest delicate voorstel, want het raakt ons individueel consumptiepatroon. Het spook van het consuminderen daagt dan op. Jackson wijst niet met het vingertje maar wil dat de commerciële media bijvoorbeeld sterker gereguleerd worden. Hij pleit ook voor reclamevrije zones en voor het inrichten van commercievrije ruimten voor burgers. Fair trade is een goed voorbeeld, maar gaat spijtig genoeg nog niet ver genoeg. Jackson wil consumptie niet gaan bestraffen, maar vindt het essentieel dat mensen aantrekkelijke alternatieven voor zich zien voor de consumptiegerichte manier van leven.

Meer en meer organisaties, van vakbonden tot andersglobalisten, ecologisten en bewuste economisten zijn er zich van bewust dat de tijd dringt. Als we een vreedzame en aanvaardbare overgang naar een duurzame economie van de toekomst willen maken, dan moet er dringend een visie worden ontwikkeld over die ecologische welvaarteconomie. Het boek van Tim Jackson geeft hiervoor een duidelijke voorzet. Waar wachten we nog op?

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 65 tot 68