Abonneer Log in

Asielcrisis: stoere taal, beter beleid?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 1 (januari), pagina 29 tot 39

Vluchten is voor veel mensen geen keuze, maar een noodzaak. Een warm welkom doet dan veel. De voorbije maanden werd er terecht verontwaardigd gereageerd op het immobilisme van de regering. Want die slaagde er zelfs bij vriestemperaturen niet in om asielzoekers een bed te garanderen, laat staan de broodnodige begeleiding. Net zoals we koning winter zagen aankomen, is de opvang van asielzoekers geen probleem dat de regering plots overvalt. De chaos stemt mensen boos, en dat voedt de roep naar maatregelen. Vele politici spreken daarop harde taal en kondigen klinkende maatregelen aan. Dadendrang valt uiteraard toe te juichen, maar een aankondigingspolitiek die meedeint op het ritme van de waan van de dag leidt niet tot een asielbeleid dat werkt. Na alle emoties van de voorbije weken doet Vluchtelingenwerk Vlaanderen graag voorstellen voor een asielbeleid dat humaan en doeltreffend is.

TE VEEL ASIELZOEKERS ALS OORZAAK VAN DE CRISIS?

Laten we eerst een mythe doorprikken: we worden niet overspoeld door asielzoekers. Dat stelt ook VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR. Wereldwijd zijn 43 miljoen mensen op de vlucht. Vier vijfde van hen vlucht naar een plek in de streek van herkomst, vooral ontwikkelingslanden. Pakistan vangt 1,7 miljoen vluchtelingen op, Syrië 1,1 miljoen en Iran bijna 1 miljoen. In 2009 ontving Zuid-Afrika meer dan 222.000 asielaanvragen, bijna een kwart van de geregistreerde asielaanvragen wereldwijd (922.000) en haast zoveel als de volledige EU (246.000).

Hoe rijker een land, hoe beter het in staat is om mensen op de vlucht op te vangen. Wanneer we hun aantal afzetten tegenover het gemiddelde inkomensniveau van een land (bbp) per capita, stellen we vast dat in 2009 opnieuw Pakistan het hoogste aantal vluchtelingen opvangt (745 mensen per dollar bbp per capita), gevolgd door DRC (592), Zimbabwe (527), Syrië (244) en Kenia (237). De helft van mensen op de vlucht wereldwijd wordt opgevangen door 10 ontwikkelingslanden, stelt het UNHCR vast.

België krijgt per capita inderdaad meer asielaanvragen te verwerken dan andere EU-lidstaten. Het aantal asielaanvragen is de jongste tijd zeker opvallend gestegen. In 2010 zullen zo’n 20.000 asielaanvragen zijn ingediend. Maar we mogen niet vergeten dat het gros van de asielzoekers nog steeds uit landen als Afghanistan,Irak, Guinee, Kosovo en Congo is gevlucht. Bovendien bedroeg in 2000 het aantal aanvragen 42.000, terwijl de overheid daar helemaal niet was op voorbereid. ‘De situatie was toen erger dan nu, maar er stonden minder camera’s op gericht’, stelt Dirk Van den Bulck van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS). Tot slot: in ons land bedroeg het aantal geregistreerde asielaanvragen per dollar bbp per capita in 2009 welgeteld 0,5.

Niet het stijgend aantal asielzoekers, maar de politiek heeft de asielcrisis veroorzaakt. In 2007 werd met de Opvangwet beslist om asielzoekers niet langer financieel te steunen, maar om te voorzien in opvang en begeleiding. Een goede maatregel. Maar niemand stond er toen bij stil dat deze gans andere aanpak ook structureel meer opvangplaatsen zou vereisen. 10.000 asielzoekers gedurende zes maanden in centra opvangen en dan via een structureel goedwerkend spreidingsplan doorverwijzen naar OCMW’s: dat vraagt zo’n 15.000 opvangplaatsen. Diezelfde 10.000 asielzoekers opvangen gedurende een volledige asielprocedure die gemiddeld 13 maanden duurt en ze zonder goede afstemming naar OCMW’s doorverwijzen op het ogenblik dat ze erkend worden als vluchteling: dan zijn meer opvangplaatsen nodig. Het structurele plaatstekort stond dus in de sterren geschreven.

Naast dit structurele plaatstekort is er de moeilijke overgang van de materiële opvang naar de gemeentes en de OCMW’s voor financiële hulp (minder ‘doorstroom’). Bij gebrek aan duidelijke afspraken met OCMW’s verloopt de overgang van personen met een statuut aan het einde van de rit (erkenning als vluchteling, regularisatie of toekenning statuut bijkomende bescherming) van opvangcentra naar de gemeenten erg moeizaam. Vooral het vinden van een gepaste en betaalbare woning is een acuut probleem. Plaatsen die anders vrij zouden komen, blijven langer bezet en kunnen niet gebruikt worden voor nieuwkomers. De overgang van de materiële hulp naar de dienstverlening door het OCMW moet beter worden georganiseerd.

Ook weegt de opvangcrisis zwaar op de onderbemande Dienst Dispatching van Fedasil die de asielzoekers toewijst aan een opvangstructuur, een cruciale rol in het opvangtraject. Er zijn extra middelen en inspanningen nodig voor een efficiënte, transparante en structurele werking zodat de matching tussen de asielzoekers die zich melden en de beschikbare plaatsen goed kan gebeuren.

Op het plaatstekort werd niet adequaat gereageerd. Veel mensen op de vlucht kregen al in 2008 en 2009 geen opvang. Sommigen werden dan maar in hotels ondergebracht. Families werden bijeengepropt in miserabele en overbevolkte hotelkamers zonder de begeleiding waar ze recht op hebben. Anderen trachtten via de rechtbank hun recht op opvang te bekomen. Rechters zagen zich genoodzaakt hoge dwangsommen uit te spreken om de regering in beweging te krijgen. Intussen heeft het impulsieve beleid van de voorbije jaren heel wat mensen op het verkeerde been gezet. Zo voedde de jarenlange besluiteloosheid van de regering inzake regularisatie bij velen de hoop dat ze misschien toch in België zouden kunnen blijven. Samen met hotelopvang en dwangsommen wagen meer mensen dan gewoonlijk de stap naar België ook al hebben ze niet meteen een ‘asielprofiel’ (meer ‘instroom’). Tegelijk werd hierdoor het terugkeerbeleid bemoeilijkt (minder ‘uitstroom’).

Op hotelopvang en hoge dwangsommen wordt terecht verontwaardigd gereageerd. Ze staan symbool voor het falen van het beleid om in opvang te voorzien. Maar men kan niet spreken van een abnormale situatie die onbeheersbaar zou zijn. De overheid heeft immers de nodige hefbomen in handen om bijkomende plaatsen te creëren. Ondanks signalen van het terrein en later de bittere kou, heeft de regering pas na lang aarzelen werk gemaakt van noodopvangplaatsen. De mensen die er opgevangen worden, hebben nu eindelijk een dak boven hun hoofd, een bed om in te slapen en een maaltijd. Deze opvang is welkom maar komt rijkelijk laat. Bovendien gaat het hier duidelijk om crisisopvang en die vorm van ‘huisvesting’ mag uiteraard niet te lang duren. Asielzoekers moeten kunnen doorstromen naar kwaliteitsvolle opvang met begeleiding. Sommige van deze plaatsen zullen al in het voorjaar van 2011 niet meer beschikbaar zijn. En deze opvang is vooral bestemd voor nieuwkomers. Er is nog steeds geen oplossing voor de ongeveer 7.700 asielzoekers die nooit een opvangplaats hebben gekregen.

Vluchtelingenwerk pleit voor bijkomende structurele opvangplaatsen via de lokale opvanginitiatieven van de OCMW’s (LOI) en via individuele opvang georganiseerd door ngo-partners. Alle gemeenten moeten daarbij hun verantwoordelijkheid opnemen, want nu heeft slechts 80% van de Vlaamse gemeenten een LOI en zijn er grote verschillen in de opvangcapaciteit tussen de gemeenten. De druk om bijkomende opvangplaatsen te creëren kan niet langer vooral bij de grote steden worden gelegd.

De opvangwet is meer dan drieënhalf jaar geleden in voege getreden. De missie van deze wet is in het beleid niet tot uitdrukking gekomen. De regering deed weinig meer dan crisisbeheer. Vele aspecten van de wet zijn dode letter gebleven. Zo wachten we nog steeds op de uitvoering van artikel 35 van deze wet dat opleidingen en cursussen voorziet voor de begunstigden van de opvang. Ook de opvang in twee fasen (opvang in een collectieve opvangstructuur gevolgd door een opvang in een individuele opvangstructuur) bleef in de praktijk grotendeels dode letter. Daardoor moesten vele nieuwkomers veel te lang in een collectieve structuur verblijven wat onverenigbaar is met het respect voor het privéleven en de menselijke waardigheid.

Ondertussen werden in het parlement voorstellen ingediend om het recht op opvang te schrappen voor asielzoekers vanaf een tweede asielaanvraag (1887 van januari tot november 2010), asielzoekers uit EU-lidstaten (ongeveer 200 tot september 2010) en personen tijdens de procedure van het administratieve cassatieberoep bij de Raad van State (slechts 0,6% van alle begunstigden van de opvang). Men wil ook het recht op verlenging van de opvang afschaffen voor vreemdelingen die zich in de onmogelijkheid bevinden om terug te keren naar hun land van herkomst om redenen onafhankelijk van hun wil. Deze voorstellen tasten het fundamentele recht op opvang aan, terwijl de impact daarentegen miniem zou zijn. Vluchtelingenwerk ontwaart ook een zorgwekkende tendens: de nadruk die vroeger lag op materiële hulp en begeleiding lijkt nu te komen liggen op een uitsluitingsbeleid.

MORRELEN AAN DE ASIELPROCEDURE?

Veiligelandenlijst

Sommigen willen ‘misbruik’ van de asielprocedure en ‘onrechtmatige’ instroom stoppen door te werken met een lijst van ‘veilige landen’. Zoals gesteld komt het gros van de asielaanvragen nog altijd van mensen uit landen als Afghanistan, Irak, Guinee, Kosovo en Congo. Zo’n lijst zal dus maar relatieve impact hebben. Het blijkt ook moeilijk om te bepalen welke landen als veilig beschouwd kunnen worden. Van de drie EU-lidstaten die momenteel hun lijst met ‘veilige herkomstlanden’ publiek maken, is er maar één land dat op alle lijsten voorkomt: Ghana, en dan nog enkel voor mannelijke asielzoekers.

Ook blijken asielzoekers uit ‘veilige landen’ bescherming nodig te hebben. Zo kregen in 2010 in ons land 63 Serviërs het vluchtelingenstatuut. In Frankrijk kreeg in 2008 bijna 35% van de asielzoekers uit ‘veilige landen’ bescherming. Voor België zou dit op basis van dezelfde lijst 25% zijn… De lijsten zijn evenmin een garantie op een daling van het aantal asielaanvragen. In Frankrijk verdubbelde het aantal asielaanvragen van mensen uit ‘veilige landen’ zelfs tussen 2007 en 2008. In 2008 maakten ze er 9,5% van het totaal aantal asielaanvragen uit.

Het vroegere Arbitragehof vernietigde in 1993 in ons land een gelijkaardige maatregel. Volgens de zogenaamde ‘dubbele 5%-regel’ kon een asielaanvraag worden afgewezen indien de asielzoeker afkomstig is uit een land waarvan in het voorgaande kalenderjaar minstens 5% van de asielzoekers afkomstig is, en minder dan 5% van de definitieve beslissingen geleid hebben tot een erkenning als vluchteling aan personen uit dat land. Sommige huidige voorstellen gaan nog veel verder: het CGVS moet geen gehoor meer organiseren en er is enkel een annulatieberoep mogelijk.

Deze voorstellen zijn dus inefficiënt maar vooral gevaarlijk, want mensen die het écht nodig hebben, dreigen al op voorhand uitgesloten te worden. De beoordeling van het risicogehalte of de veiligheidsfactor van een land kan en mag nooit op algemene wijze worden beoordeeld. Er kunnen immers steeds individuele redenen zijn waarom een bepaalde persoon nood heeft aan bescherming, onafhankelijk van algemene overwegingen.

Ze zijn ook overbodig. Men kan sommige aanvragen al prioritair behandelen binnen redelijke tijdslimieten, mét alle garanties voor individuele behandeling. Zo kan het CGVS in bepaalde dossiers bij voorrang en binnen twee maanden beslissen: bij meervoudige aanvragen, onduidelijkheid inzake identiteit of valse informatie of stukken, vernietigen of verwijderen van identiteits- of reisdocumenten, wanneer de betrokkene de enkele bedoeling heeft om een uitzetting te verwijderen of het nemen van vingerafdrukken te verhinderen. Het CGVS kan dan zelfs voor asielzoekers in een gesloten centrum een beslissing nemen binnen 15 dagen. Tot slot kan men aan het CGVS vragen om bepaalde dossiers bij voorrang te behandelen. Zo kan men adequaat reageren wanneer men een grote toestroom uit bepaalde landen vaststelt. De staatssecretaris heeft hiervan recent gebruik gemaakt en het CGVS gevraagd aanvragen uit Servië en Macedonië bij voorrang te behandelen.

Geen asiel voor EU-burgers

Er is ook beroering ontstaan over het feit dat in België ‘zelfs EU-burgers asiel kunnen aanvragen’. Het uitsluiten van EU-burgers zal echter maar een relatieve impact hebben. In 2009 waren er 671 aanvragen afkomstig uit EU-lidstaten, in 2010 staat de teller eind oktober op 212 (door een sterke daling uit Hongarije, Slowakije en Bulgarije).

Er is ook een principieel bezwaar: men kan nooit uitsluiten dat ook EU-burgers een echte nood aan bescherming hebben. Volgens het UNHCR werden 285 mensen uit 15 verschillende EU-lidstaten in 2008 erkend als vluchteling. Dit toont duidelijk aan dat ook EU-burgers internationale bescherming nodig kunnen hebben en dat een land nooit echt als veilig beschouwd kan worden. En wat als de EU uitbreidt met landen als Servië en Turkije? Het CGVS erkende dit jaar al 63 burgers uit Servië en 58 burgers uit Turkije als vluchteling.

Tot slot neemt in dergelijke aanvragen het CGVS normaal binnen 5 dagen een beslissing en is enkel een annulatie- en/of schorsingsberoep mogelijk bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RVV). Ook hier zijn dus geen verregaande wetswijzigingen nodig.

Beroep afschaffen

De regering heeft de asielprocedure ingekort door beroepsmogelijkheden in te perken. Zo werden boetes voor onrechtmatig geding, een rolrecht en louter schriftelijke procedures ingevoerd, en werd de mogelijkheid voor een verzoeker om te antwoorden op de argumenten van de overheid ingeperkt.

‘Roekeloos’ hoger beroep bestaat. Er worden procedures zonder uitzicht ingesteld. Er zijn asielzoekers die de regularisatieaanvraag op medische gronden of andere procedures gebruiken om langer in de opvang te blijven nadat ze zijn uitgeprocedeerd. Maar waarom heeft men gekozen voor een aanpak die zo indruist tegen elementaire rechtsprincipes? Zou men dit aanvaarden voor andere groepen rechtzoekenden? Bovendien leidt dit net tot meer administratieve last: men zal meer personeel moeten inzetten om op te volgen wie wat heeft betaald, men zal aanmaningen moeten versturen, enz. En velen zullen nog meer kiezen voor meervoudige aanvragen indien ze geen echte beroepsmogelijkheden hebben. Vaak is de vraag om bescherming zeer terecht. Meestal gaat het niet om kwaadwillig misbruik door de asielzoeker, maar om een dieperliggend probleem: er is op het cruciale moment van een afwijzing van een asielaanvraag een totaal gebrek aan intensieve begeleiding gericht op een toekomstperspectief (zie verder).

Meervoudige aanvragen onmogelijk maken

De meeste meervoudige aanvragen worden ingediend door asielzoekers uit risicolanden: Afghanistan, Irak, Rusland, Iran, Kosovo. Meervoudige aanvragen onmogelijk maken kan niet volgens internationaal recht. Staten moeten steeds een tweede, derde,… asielaanvraag onderzoeken, anders maken ze mogelijk een inbreuk op het ‘non-refoulement’-beginsel (men stuurt geen asielzoeker terug naar het land waar hij of zij te vrezen heeft voor vervolging). Ons land mag dus geen beperking invoeren op de mogelijkheid om een nieuwe asielaanvraag in te dienen.

In het verleden heeft men al meermaals geprobeerd meervoudige aanvragen te beperken. Vanuit het oogpunt van misbruik van procedure koos men vooral voor repressieve maatregelen, zoals extra drempels omdat de aanvraag eerst in aanmerking moet worden genomen, strenge definitie van ‘nieuwe elementen’, de beperking van het recht op opvang. Een andere mogelijkheid is werken aan de kwaliteit van de eerste asielprocedure, zodat asielzoekers meer vertrouwen krijgen in de procedure. Het stijgen van het aantal meervoudige aanvragen kan immers ook wijzen op het onvermogen van de huidige procedure om beschermingsnoden te detecteren.

Vandaag heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RVV) geen eigen onderzoeksbevoegdheid en kunnen asielzoekers in beroep moeilijk nieuwe elementen voorleggen. Daardoor wordt op het moment van beoordelen van de nood aan bescherming geen rekening gehouden met de meest actuele voorhanden informatie. Dit zet asielzoekers aan tot het indienen van een nieuwe aanvraag. Soms raden advocaten hun cliënten veiligheidshalve aan om een nieuw element niet in de beroepsprocedure in te dienen, maar pas bij een nieuwe aanvraag. Ook kunnen zich steeds situaties voordoen die het indienen van een nieuwe asielaanvraag rechtvaardigen, of kunnen er nieuwe bewijsstukken opduiken. Een Irakees kan te horen krijgen dat zijn broer wordt aangehouden in land van herkomst omwille van zijn politieke activiteiten. Een Afghaan kan afkomstig zijn uit een regio die vroeger redelijk stabiel was maar momenteel hevig onder vuur wordt genomen door opstandelingen. Ook kan het voorvallen dat de procedure voor een opgesloten asielzoeker te kort was om het nodige bewijsmateriaal te verzamelen. Deze mensen moeten dan de kans krijgen om een nieuwe asielaanvraag in te dienen.

Sommigen koppelen hieraan de schrapping van het recht op opvang. Nu al is dit recht beperkt tot mensen met een eerste of tweede aanvraag. Voor Vluchtelingenwerk blijft de overheid verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding zolang de nood aan bescherming niet is uitgeklaard. Mensen de straat opsturen zonder enige ondersteuning en begeleiding, is onaanvaardbaar. Het is ook contraproductief: hoe met deze personen rond terugkeer werken? De kans dat ze onderduiken, is groot.

Besluit

De voorstellen hollen fundamentele rechten uit. Mensen die echt bescherming nodig hebben, dreigen uit de boot te vallen. Ze zijn ook onnodig, want met de asielprocedure is an sich niets mis. De huidige aanpak is vastgelegd in 2006, met oog op efficiëntie en een korte doorlooptijd. Hier moet dus niet aan gesleuteld worden. Het blijft belangrijk dat procedures rechtvaardig en transparant zijn en de beroepsprocedures moeten behouden blijven. Bovendien heeft het beleid voldoende hefbomen in handen om aanvragen efficiënt te behandelen.

Prioritair behandelen van aanvragen uit bepaalde landen en het voeren van informatiecampagnes ter plekke, helpt op korte termijn. Wat betreft meervoudige aanvragen stelt Vluchtelingenwerk voor dat het CGVS bevoegd wordt om te bepalen of een nieuwe asielaanvraag in aanmerking genomen kan worden. Nu is dit de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). Een betere procedure bekomt men door de RVV zelf bevoegd te maken om feiten te onderzoeken en soepelere mogelijkheden om nieuwe elementen te kunnen voorleggen. Indien asielzoekers juridisch en psychosociaal beter begeleid zouden worden, dan zouden veel minder asielzoekers meervoudige asielaanvragen indienen (zie verder). Ook pleiten we voor een onafhankelijk onderzoek naar de redenen van en mechanismes achter meervoudige aanvragen. Tot slot is meer personeel bij de asielinstanties nodig om de achterstand in de behandeling van de aanvragen weg te werken.

MEER GEDWONGEN UITWIJZINGEN?

‘Meer gedwongen uitwijzingen voor meer uitstroom’, klinkt het bij sommigen. Er schort inderdaad iets aan het Belgische terugkeerbeleid. Afgewezen asielzoekers ontvangen een bevel om ons land te verlaten, hun opvang wordt stopgezet, en men gaat ervan uit dat ze binnen de 5 dagen spontaan gehoor geven aan dat bevel. Het is maar menselijk dat weinig onder hen spontaan terugkeren naar het land waar de problemen die ze net ontvluchtten, hen opnieuw opwachten: armoede, werkloosheid, uitsluiting,... Ze vluchten nog liever in de illegaliteit in de grootsteden - en verdwijnen uit de statistieken. Maar ze zijn daarom niet minder aanwezig in onze samenleving.
Anderen worden gedwongen uitgewezen. Nu al is het budget voor gedwongen uitwijzingen 5 keer hoger dan voor vrijwillige terugkeer. Dat is geen effectief beleid, en bovendien wordt er onherstelbare schade berokkend door mensen zonder begeleiding op straat te zetten of hen te traumatiseren met een gedwongen uitwijzing, terwijl er misschien nog perspectieven waren.

Sommigen pleiten voor terugkeercentra. In 2003 werd beslist om ‘collectieve terugkeercentra’ op te richten. Zo’n 84% van de uitgewezen asielzoekers dook onder in de illegaliteit en kwam niet in die terugkeercentra terecht. Een afgewezen asielzoeker die weet dat de politie na een paar dagen aan de deur van het centrum kan staan zonder de kans te hebben gekregen om te werken aan een toekomstperspectief, of dat hij of zij zal worden overgeplaatst, denkt snel aan onderduiken. Als men al te snel politieoptreden of overplaatsing mogelijk maakt, duiken zeker mensen onder die vrijwillig waren teruggekeerd als er net wat meer tijd was geweest. De terugkeercentra waren dan ook een kort leven beschoren. Een groot aantal van die ‘illegale’ afgewezen asielzoekers diende in 2009 een regularisatieaanvraag in, en leefde dus verschillende jaren ondergedoken in ons midden.

Een vrijwillig terugkeerbeleid is menselijker, maar ook effectiever en goedkoper. Dat werd al becijferd door de Australische regering, die veel ervaring heeft met het werken met intensieve vrijwillige terugkeerbegeleiding (‘case management’). Gedwongen verwijdering kost drie keer meer dan vrijwillige terugkeerbegeleiding. Bovendien worden veel mensen die werden opgesloten, uiteindelijk terug vrijgelaten. Dat is geldverspilling. Vorig jaar heeft de Australische regering 77 miljoen dollar geïnvesteerd in begeleidingsprogramma’s voor een aantal kwetsbare groepen asielzoekers. Mensen worden er intensief begeleid in een flexibel en sluitend traject gericht op een nieuwe toekomst, onder meer in hun herkomstland. Wel: van die begeleidingsprojecten duikt slechts 6% van de afgewezen asielzoekers onder, 67% keert vrijwillig terug.

Het Belgische terugkeerbeleid kent vandaag een vacuüm inzake terugkeerbegeleiding. Sociaal assistenten bieden een sociaaladministratieve begeleiding, maar niet alle opvangstructuren werken aan de hand van uitgewerkte methodieken om in de begeleiding terugkeer ter sprake te brengen. Ze informeren asielzoekers over het bestaan van programma’s voor ondersteunde vrijwillige terugkeer. Asielzoekers die beslissen terug te keren, verwijzen zij door naar een terugkeerconsulent (enkel voor de federale opvangcentra en een aantal terugkeerconsulenten voor de LOI’s). Maar er is geen coach of trajectbegeleider die intensieve begeleiding biedt van bij het begin van de procedure die ook terugkeer bespreekbaar maakt. Het is nochtans cruciaal dat asielzoekers reeds vroeg in de procedure worden ondersteund en gesterkt.

Dit vacuüm wordt treffend verwoord door de federale Ombudsman: ‘Voor velen (…) was de enige maatregel die genomen werd voor hun opsluiting in een gesloten centrum, de betekening van een bevel om het grondgebied te verlaten, zonder dat ze ooit werden aangespoord gevolg te geven aan dit bevel of begeleid werden met het oog op een vrijwillige terugkeer. Met uitzondering van de afgewezen asielzoekers die in het beste geval informatie over een vrijwillige terugkeer hebben ontvangen bij de weigering van hun asielaanvraag, worden de andere bewoners vaak pas voor de eerste keer geconfronteerd met de organisatie van hun terugkeer bij hun aankomst in het gesloten centrum. De vrijheidsberoving wordt dan niet ervaren als een uiterste maatregel maar eerder als een ambtshalve maatregel, een automatisme, om over te gaan tot de verwijdering van het grondgebied van vreemdelingen die opgepakt zijn in illegaal verblijf.’

Een kader voor vrijwillige terugkeer is nochtans ook in België uitgetekend. Het huidige samenwerkingsakkoord tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en Fedasil van 17 september 2010 organiseert voor de eerste keer een verblijf- en terugkeertraject voor gezinnen zonder wettig verblijf in de opvangstructuren. Het traject respecteert ieders rol en deontologie, schept ruimte voor begeleiding naar vrijwillige terugkeer in de opvangstructuren, en biedt de mogelijkheid om gedwongen uit te wijzen indien de vrijwillige terugkeer faalt.

Vluchtelingenwerk vraagt de inwerkingtreding van het voorliggende protocol, en later een uitbreiding naar andere doelgroepen. Want wat mensen doet kiezen voor terugkeer, is niet zozeer dreigen met gedwongen vertrek. Wel het bieden van toekomstperspectieven en een sterk ondersteuningsaanbod. Naast het invoeren van de o riënterende trajectbegeleiding in de opvangstructuren zoals voorzien in dit protocol, is ook een beter ondersteunings aanbod bij terugkeer belangrijk. Verder pleiten we voor een trajectbegeleider voor elke asielzoeker, die hen reeds vroeg in de procedure ondersteunt in het traject waar ze doorheen gaan, en die hen helpt bij het maken van geïnformeerde beslissingen, zowel rond verblijf als terugkeer. Individuele en kwalitatieve begeleiding door een trajectbegeleider, op basis van een persoonlijk trajectplan gericht op een toekomstperspectief, zorgt ervoor dat asielzoekers beter voorbereid zijn op alle mogelijke uitkomsten van de verblijfsprocedure. Belangrijk hierbij zijn het inbouwen van een voldoende lange en flexibele periode plus bescherming tegen verwijdering uit de opvangstructuur na afwijzing van de aanvraag.

EÉN MINISTER VOOR ASIEL EN MIGRATIE?

De roep naar één minister bevoegd voor alles wat met asiel en migratie te maken heeft, klinkt steeds luider en eensgezinder. Sinds de samenstelling van de federale regering in maart 2008 is de gebrekkige samenwerking tussen bevoegde ministers immers overduidelijk geworden in minstens twee dossiers: de crisis in de opvang van asielzoekers en het terugkeerbeleid voor uitgeprocedeerde asielzoekers.

Vluchtelingenwerk is al jaren vragende partij voor een betere integratie van het opvang- en terugkeerbeleid. Eén minister kan wellicht helpen om dit geïntegreerd beleid vorm te geven, maar dan wel op voorwaarde dat de verschillende opdrachten van de betrokken administraties, Fedasil en Dienst Vreemdelingenzaken, gerespecteerd worden. Het gevaar is immers groot dat de roep om één minister als bedoeling heeft om makkelijker en sneller te kunnen overgaan tot gedwongen verwijdering vanuit de opvangcentra, door politieoptreden in de opvangstructuren mogelijk te maken en informatiedoorstroming te organiseren vanuit de opvangstructuren naar DVZ. Dat is onaanvaardbaar. Maar het is ook weinig zeker dat een dergelijke integratie zal leiden tot een effectiever terugkeerbeleid.

De samenwerking tussen Fedasil en DVZ, waar we al naar verwezen, biedt daarentegen betere kansen op een goed terugkeerbeleid, met ruimte voor begeleiding naar vrijwillige terugkeer vanuit de opvangstructuren door Fedasil en met de mogelijkheid tot gedwongen verwijdering door DVZ indien de vrijwillige terugkeer faalt. Dit akkoord uitvoeren, met respect voor ieders rol en opdracht, is wellicht minder spectaculair dan luid roepen om één minister, maar het is zeker een efficiënte manier om beide administraties te doen samenwerken.

EINDELIJK HET DEBAT OVER MIGRATIE VOEREN

De voorbije maanden hebben we de publieke verontwaardiging ervaren voor het lot van asielzoekers op straat. Maar tegelijk stellen we een stijgend onbegrip en wantrouwen vast ten aanzien van ‘vreemdelingen’ die om welke reden dan ook hun toevlucht zoeken in ons land. Mensen maken daarbij geen onderscheid of het nu om asielzoekers gaat, om economische vluchtelingen, over derdelanders of over intra-Europese migratie. Het onbegrip voor vreemdelingen en migranten in onze samenleving wordt ongetwijfeld gevoed door het uitblijven van een samenhangende visie en beleid op migratie.

Migratie is van alle tijden. Migratie is een van de belangrijkste uitdagingen van deze eeuw. Migratie kan ook een troef zijn voor de samenleving, op voorwaarde dat men de migratiestromen kan ‘managen’. Daarvoor is een plan van aanpak nodig dat zich niet beperkt tot deeldiscussies over gezinshereniging of beroepsmogelijkheden voor asielzoekers. Hoe verhouden we ons ten aanzien van mensen die hier hun bestaan willen opbouwen? Wie geven we de kans om hier een toekomst op te bouwen, zonder de herkomstlanden in problemen te brengen? Welke inspanningen en maatregelen zijn nodig om de nieuwkomers de kans te geven zich te integreren in ons land, in de gemeente, in de wijken?

Het debat hierover moet dringend gevoerd worden. Maar dat mag niet gebeuren op de kap van mensen die bescherming nodig hebben, omdat ze op de vlucht zijn voor oorlog, geweld of vervolging en wiens leven wordt bedreigd. Dat de belangrijke uitgangspunten voor een goed asielbeleid waarover consensus bestond, in vraag worden gesteld, en dat het draagvlak in de publieke opinie wordt uitgehold door de lamentabele uitvoering van het asielbeleid in de voorbije jaren, is voor Vluchtelingenwerk dan ook onaanvaardbaar.

CONCLUSIE

Laat ons de juiste lessen trekken uit de aanhoudende asielcrisis: het is een gebrek aan daadkracht dat de uitvoering van een goed beleid heeft ondermijnd. Onze dringende en dwingende eis in het belang van asielzoekers én samenleving, voor de regering in lopende zaken en de politici die zich buigen over toekomstscenario’s luidt dan ook: verlies u niet in de waan van de dag. Voer geen kortetermijndiscours met de aankondiging van stoere maatregelen die goed klinken voor de achterban, maar die niets oplossen en dus diezelfde achterban in de steek laten. Getuig van doortastendheid, baseer u op analyse en visie. En vooral: voer na al die jaren eindelijk het evenwichtige asielbeleid uit dat we op papier kennen. Maak werk van meer structurele opvangplaatsen, overtuig de gemeentebesturen om hun steentje bij te dragen, zodat men kan inspelen op de huidige noden en beter kan reageren op toekomstige pieken en dalen in de asielaanvragen. Dan kan onze samenleving zich richten op de kwaliteitsvolle opvang van asielzoekers, het bieden van bescherming aan wie dat nodig heeft, de integratie van erkende vluchtelingen en de voorbereiding van afgewezen asielzoekers op een toekomst elders.

Anne Van Lancker
Voorzitter Vluchtelingenwerk Vlaanderen vzw
Els Keytsman
Directeur Vluchtelingenwerk Vlaanderen vzw

asiel - asielcrisis - asielopvang

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 1 (januari), pagina 29 tot 39