Abonneer Log in

Duitsland: van rechts-liberaal naar links-groen beleid?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 82 tot 88

ANGELA MERKEL, DE MACHTIGSTE VROUW VAN EUROPA

De Duitse economie heeft, zoals deze van bijna alle Europese landen, zwaar geleden onder de financiële crisis. Ze kende in de loop van 2010 een grondig herstel. De voornaamste oorzaak van deze gunstige evolutie is het toenemend wantrouwen in de stabiliteit van de dollar. De nieuwe industrielanden, waaronder vooral China, hebben door hun lage lonen grote hoeveelheden verbruiksgoederen kunnen exporteren naar de Verenigde staten en West-Europa. De meeste van deze landen boekten hierdoor regelmatig een overschot op hun betalingsbalans en legden reserves aan in dollars. Nu stellen ze vast dat de koopkracht van deze reserves afbrokkelt door de daling van de waarde van de dollar. Om dit tegen te gaan wenden de regeringen en de diverse firma’s van die landen meer en meer dollars aan voor de aankoop van kwaliteitsvolle investerings- en verbruiksgoederen. Vooral Duitsland heeft voordeel gehaald uit deze evolutie omdat het beschikt over een groot aantal industriële bedrijven die kwaliteitsproducten leveren. In 2009 daalde ingevolge de crisis het bruto binnenlands product van Duitsland met 4,7%. In 2010 steeg het met 3,7%. Er wordt voorzien dat dit jaar de groei iets geringer zal zijn, namelijk 2,3%. De uitvoer naar de lidstaten van de Europese Unie zal waarschijnlijk dalen. De meeste van die landen moeten hun uitgaven verlagen en de belastingdruk verhogen om de overmatige overheidsschuld af te bouwen.

Vele Duitse ondernemingen passen een ‘Lean’ bedrijfspolitiek toe. Ze stoppen de productie van onderdelen, die ze tegen voordeliger voorwaarden bij andere bedrijven kunnen aankopen. Een autofabriek bijvoorbeeld koopt allerhande onderdelen bij gespecialiseerde bedrijven. Gezien er binnen de Europese Unie geen douanerechten meer worden geheven, plaatsen Duitse bedrijven orders bij ondernemingen in de buurlanden, waardoor de felle Duitse groei deze in de buurlanden in de hand werkt. België bereikte in 2010 een groei van zijn BBP van 2%, Nederland van 1,7%, Frankrijk van 1,6% en Oostenrijk van 2%. De bedrijven van de landen van het Eurogebied verwierven ook meer bestellingen vanuit Duitsland ingevolge de stijging van de inkomens van een groot deel van de Duitse bevolking. Bovendien nam de activiteit van de havens in België en Nederland fel toe wegens de verhoogde Duitse import van olie, ertsen en andere grondstoffen. In één woord: Duitsland is de locomotief geworden van het Eurogebied.

De regeringen van de diverse Europese staten hebben er dus belang bij goede diplomatische betrekkingen te onderhouden met zo’n economisch machtige natie. Deze nieuwe machtspositie heeft evenwel voor de Duitse regering de mogelijkheid geschapen in mindere mate rekening te houden met de verlangens en belangen van de Verenigde Staten en de grote Europese landen. Na de Tweede Wereldoorlog heeft de regering van de Bondsrepubliek haar buitenlands beleid afgestemd op het realiseren van een goede samenwerking met de andere westerse democratische staten. De Verenigde Staten waren de trouwe bondgenoot en in de uitzonderlijke gevallen dat ze de Amerikaanse politiek niet konden bijtreden, zochten de Duitse regeringen steun bij andere Europese naties (toen in 2003 de Amerikanen Irak aanvielen wou de Duitse regering niet deelnemen aan deze expeditie tegen Saddam Hoessein en zocht het steun bij Frankrijk dat zich ook afzijdig hield). Na de vorming in oktober 2009 van de coalitieregering van de christelijke democratische partijen met de liberalen is een wijziging in het Duitse buitenlands beleid ingetreden. De minister van buitenlandse zaken en voorzitter van de Duitse liberale partij (FDP), Guido Westerwelle, liet de Amerikaanse regering weten dat de laatste atoombommen die het Amerikaans leger in Duitsland stockeerde, moesten worden verwijderd.

Kort daarop gaf Westerwelle, in overeenstemming met de kanselier Angela Merkel, een tweede voorbeeld van zijn afkerige houding ten opzichte van maatregelen die de Duitse belangen niet dienden: toen in januari 2010 Griekenland moest erkennen dat het overmatige schulden had aangegaan en geen geld meer kon lenen tegen normale rentevoeten, verzette Westerwelle zich tegen de oprichting van een groot hulpfonds voor leningen aan Griekenland. Hij hoopte alzo zijn populariteit te verhogen, want de meerderheid van de Duitsers voelde er niets voor meer belasting te betalen om de zorgeloze Grieken ter hulp te komen. Ingevolgde de overeenkomst van Lissabon, waren het evenwel de regeringshoofden die in de inter-Europese aangelegenheden het laatste woord hadden. Angela Merkel kon er na een sterk aandringen van o.m. de Franse president Sarkozy toe gebracht worden een eerste bijdrage van 150 miljard euro te leveren aan zo’n fonds. Ze zag in dat Duitsland zijn leidende positie in het Eurogebied niet kon behouden indien het weigerde hulp te bieden aan lidstaten in moeilijkheden. Er werd Merkel verweten dat ze, om haar populariteit te beschermen, in Berlijn sprak over een streng beleid ten opzichte van die Griekse verkwisters, maar in Brussel bereid was tot vergaande toegevingen.

In februari 2011 brak in Libië een opstand uit tegen de dictatuur van Kadhafi. Die dreigde met een leger, dat voor een groot deel uit vreemdelingen bestond, de inheemse bevolking te terroriseren en gedeeltelijk uit te moorden. De Verenigde Staten, Frankrijk en Groot-Brittannië dienden in de Veiligheidsraad een voorstel tot resolutie in voor een militair ingrijpen ter bescherming van de burgerbevolking. Bij de stemming nam de Duitse afvaardiging dezelfde houding aan als China, India, Rusland en Brazilië. Ze was gekant tegen een militair ingrijpen en onthield zich. Aan Westerwelle werd door jonge liberalen verweten dat hij er bij Merkel niet had op aangedrongen deze resolutie te steunen. Naar het voorbeeld van Guy Verhofstadt had hij als liberaal moeten opkomen voor een militair ingrijpen tegen Kadhafi’s bloedige dictatuur. Westerwelle en verschillende vooraanstaande leden van zijn christelijke coalitiepartners verdedigden zich met de overweging dat het niet mogelijk is alle opstanden tegen dictators te ondersteunen. Aan de tussenkomst van de westerse naties tegen Kadhafi, oordeelden ze, hangt overigens een geurtje. Het zijn de landen die veel olie uit Libië invoeren die een militaire tussenkomst organiseren. Ze rekenen erop dat ze van een democratisch bewind gunstiger voorwaarden zullen bekomen dan van de onbetrouwbare Kadhafi.

Ondertussen hebben de uitslagen van de parlementsverkiezingen in meerdere Duitse deelstaten geleid tot zware nederlagen voor de liberale partij. De FDP bereikte in de deelstaten Hamburg, Saksen-Anhalt en Rheinland-Phalz geen 5% van de stemmen. Ze is in de parlementen van die staten niet langer vertegenwoordigd. Westerwelles ‘Deutschland über alles Politik’ heeft blijkbaar geen vruchten afgeworpen. Ook de partij van Merkel, CDU, heeft verlies geleden. Het is niet meer zeker of ze haar positie van kanselier zal kunnen veilig stellen.

REGERING-MERKEL IN MOEILIJKHEDEN

Mevrouw Merkel wil met haar coalitieregering twee belangrijke doeleinden bereiken: het beperken van het overheidstekort tot maximum 3% van het Duitse binnenlands product en het verstevigen van de competitiviteit van de Duitse industriële ondernemingen door het verbinden van de lonen aan de stijging van de productiviteit en niet aan de evolutie van de levensduurte. Ze wenst een dergelijk rechts conservatief beleid op te dringen aan alle Eurolanden, teneinde zo’n afbouw van de overheidsschulden te bereiken dat verdere hulp vanwege de Duitse staat overbodig wordt.

Haar poging om, in samenwerking met Sarkozy, door de 17 lidstaten van de Euro een ‘Verdrag van de Mededinging’ te doen aanvaarden, botste op heel wat verzet. In dit project was onder meer voorzien dat de lonen niet zouden worden aangepast bij de levensduurte, dat de pensioenleeftijd zou worden verhoogd en dat in de grondwetten van de lidstaten bepalingen zouden worden ingelast die een hoog deficit op de begroting en het aangaan van overmatige overheidsschulden verbieden. Herman van Rompuy slaagde er in een sterk afgezwakte versie van zo’n verdrag te doen goedkeuren. Hierin was o.a. voorzien dat de lidstaten vrij bleven om te bepalen hoe ze overmatige stijgingen van de lonen zouden beletten. Het goedgekeurd verdrag voorzag ook geen middelen om de Eurolanden met overmatige schulden te verplichten tot een vlugge sanering van hun financiën door besparingen en belastingverhogingen. De poging van Merkel om elke hulpverlening aan zo‘n landen slechts mogelijk te maken als ze zich zouden verplichten tot een strenge sanering mislukte. Op 23 maart 2011 moest de premier van Portugal, José Socrates, ontslag nemen omdat zijn plan tot sanering van de Portugese financiën werd afgewezen. Portugal heeft nu geen regering meer die noodwendige besparingen en belastingverhogingen kan opleggen, maar zal toch 60 à 90 miljard euro kunnen lenen van het IMF en het noodfonds van de Eurozone. Dit noodfonds werd in mei 2010 opgericht en beschikt over 750 miljard euro, waarvan reeds een groot deel werd uitgeleend aan Griekenland en Ierland. Men rekent erop dat het IMF er zal op toezien dat Portugal de nodige maatregelen zal treffen om zijn toestand te saneren. De ervaring heeft evenwel geleerd dat de weerstand van grote delen van de bevolking tegen een drastische sanering de economie zo kan beschadigen dat de regering haar besparingsplannen moeilijk kan realiseren. De Griekse regering kon haar verbintenissen slechts naleven door de bereidheid van China om grote sommen te beleggen in Griekse obligaties en een deel van de haven van Piraeus aan te kopen. Zouden Spanje en Italië er niet in slagen hun deficit in sterke mate te reduceren en ook beroep doen op het Europees noodfonds, dan zou dit niet beschikken over de nodige gelden. Duitsland zou dan als belangrijkste Eurolidstaat opnieuw geld moeten ontlenen om zijn bijdrage tot het noodfonds te verhogen.

Westerwelle en Merkel kunnen zich dus niet beroepen op een succesrijk buitenlands beleid. Westerwelle wordt door slechts 24% van de Duitsers beschouwd als een goede minister van buitenlandse zaken. Zijn voorganger F.W. Steinmeier (SPD) werd daarentegen door 62% van de Duitsers gewaardeerd. Ook in zijn partij is Westerwelle niet langer populair, hoewel hij bij de federale verkiezingen van september 2009, door belastingverminderingen te beloven, 14,6% van de stemmen behaalde, meer dan ooit voordien. Ingevolge de financiële crisis was het overheidsdeficit evenwel te groot om belastingverminderingen door te voeren. Hij kon die belofte dus niet waarmaken. Hierdoor verloor zijn partij regelmatig veel stemmen bij de verkiezingen voor de parlementen van de deelstaten. Westerwelle werd gedwongen ontslag te nemen als partijvoorzitter. Op het partijcongres van de FDP in mei 2011 te Rostock zal Philipp Rösler, minister voor gezondheid, waarschijnlijk als zijn opvolger worden verkozen.

De crisis in de liberale partij brengt leidende figuren uit de CDU ertoe een wijziging van de coalitie te overwegen. Ze zijn, na de verkiezingsoverwinning van de Groenen in de deelstaat Baden-Württemberg, van mening dat ze de beslissing van de regering om de atoomcentrales gemiddeld 12 jaar langer in werking te houden, moeten herzien. Ook de premier van de deelstaat Beieren, Horst Seehofer (CSU), is gewonnen voor een versnelde sluiting van de atoomcentrales. Hij verklaarde dat hij een ‘Groen Beieren’ wil realiseren waarin windmolens het grootste deel van de noodwendige energie produceren. Waar hij al die windmolens zou plaatsen, liet hij in het midden. De minister van milieu, Norbert Röttgen (CDU), heeft in een recent interview aan journalisten van Der Spiegel verklaard dat de overgang van kernenergie naar groene energie door zijn partij moet worden versneld. Hiertoe moet ze in zoveel mogelijk deelstaten coalities vormen met de Groenen. In de deelstaat Rheinland-Phalz bijvoorbeeld zou ze door zo‘n coalitie te vormen de huidige premier Kurt Beck (SPD) een voetje lichten. Röttgen meent dat de CDU op vrij korte termijn de meerderheid in de Bondsraad, die na de verkiezingen in Hamburg voor de coalitie van de CDU met de liberalen is verloren gegaan, ten hare voordele kan herstellen. Van de liberale regeringspartners verwacht hij weinig verzet tegen het betrekken van de Groenen in de regeringen van de deelstaten. De algemene secretaris van de FDP, Christian Lindner, heeft reeds laten horen dat na het ontslag van Westerwelle de FDP voor een groen beleid moet opkomen.

Voor Merkel schijnt dit alles voorbarig. Ze heeft met Westerwelle goed samengewerkt en weet dat de liberale partij steeds kiezers heeft aangetrokken door haar bekommernis om een gezond economisch en financieel beleid. Vele liberale kiezers zouden niet gelukkig zijn met een snelle afbouw van de atoomcentrales. De plaatsing van duizenden windmolens zou een dure investering vereisen en is dus niet verzoenbaar met het streven naar een budgettair evenwicht. Merkel wacht af hoe de zaken in de liberale partij evolueren en of haar coalitiepartner zich zo kan herstellen dat ze samen bij de federale verkiezingen van 2013 een meerderheid behalen. Dat haar regeringscoalitie niet meer een absolute meerderheid van de zetels in de Bondsraad heeft, vindt ze niet zo erg want ook de oppositie heeft geen absolute meerderheid. Indien in de deelstaten Baden-Württemberg en Rheinland-Phalz een coalitie van de SPD met de Groenen tot stand komt, zal de oppositie over 30 van de 69 zetels beschikken, tegenover 25 voor de regeringscoalitie. De 14 overige zetels worden ingenomen door afgevaardigden van deelstaten, alwaar partijen van de regeringscoalitie samen regeren met partijen van de oppositie. Het betreft Mecklenburg-Vorpommern (3 zetels), Saksen-Anhalt (4 zetels) en Thüringen (4 zetels), waar een coalitie van de CDU met de SPD regeert, en Saarland (3 zetels) waar een zogenaamde Jamaïca-coalitie heerst van drie partijen (CDU, FDP en Groenen). Het is meestal mogelijk voor een gematigd regeringsvoorstel, goedgekeurd door de Bundestag, in de Bundesrat een meerderheid te vinden. Is dit onmogelijk dan wordt een verzoeningscommissie aangesteld met afgevaardigden van beide parlementen. Die werkt een compromis uit dat meestal door beide kamers wordt aanvaard. De SPD en de Groenen hebben er geen belang bij nu reeds een regeringscrisis uit te lokken, want ze beschikken nog niet over een absolute meerderheid in de Bundesrat. Daarenboven is het voordeliger te wachten tot de huidige regering door harde besparingen het budget in evenwicht heeft gebracht. Daarna hebben ze meer mogelijkheid om hoge ecologische en sociale uitgaven te doen goedkeuren.

NA DE VERKIEZINGEN VAN 2013 EEN RUK NAAR LINKS?

Vele observatoren verwachten dat in 2013 de huidige coalitie in de Bundestag geen meerderheid meer zal bereiken. De tijd dat bijna alle kiezers ideologisch aan een partij gebonden zijn, is voorbij. Vele kiezers stemmen voor de partij die naar hun mening het best het probleem zal oplossen dat hen bekommert. Dit is nu de vervanging van de atoomcentrales door groene energie. Bij de federale parlementsverkiezingen in 2013 maken de Groenen dus een kans veel stemmen te winnen. De twee kleinste partijen daarentegen, de liberalen en Die Linke, worden waarschijnlijk de grote verliezers. Ze beschikken over geen motief om een groot aantal kiezers aan te trekken. De liberalen zijn de traditionele verdedigers van de industriële belangen. De industrie heeft evenwel nu geen nood aan overheidstussenkomsten, zodat dit motief niet zwaar zal wegen bij de kiezers. Die Linke verkeert in een zware crisis omdat de leiding er niet langer in slaagt de partijgenoten vertrouwen in te boezemen. Er heerst in die partij reeds sedert 2000 een doorlopende strijd tussen de fundamentalisten (die opkomen voor een vergaand sociaal beleid) en de realisten (die dromen van een meer realistische politiek in samenwerking met de SPD en de Groenen). De realisten hebben het overwicht verworven, maar de voorzitter Klaus Ernst wekt wantrouwen door zijn burgerlijke levenswijze. De vele arme Oost-Duitsers, die moeten leven van de lage vergoedingen toegekend aan langdurige werklozen, verwachten niet dat iemand die met een Porsche rijdt hogere belastingen zal verdedigen om de inkomensongelijkheid te verlagen.

De leiders van de SPD hopen dat vele traditionele kiezers van Die Linke in 2013 voor hun partij zullen stemmen. Het verlies van stemmen aan de Groenen zou beperkt blijven omdat de voorzitter van de partij, Sigmar Gabriel, als gewezen minister voor het milieu, optrad als voorvechter van een groen beleid. Hij verdedigde de door de vorige regering van de Gerhard Schröder geplande sluiting van oude atoomcentrales en richtte een strenge technische controle in op elke productie van kernenergie. Het is de huidige regering die op aandringen van de industriëlen deze politiek heeft teruggedraaid. Samen met de leider van de Groenen, Jürgen Trittin, heeft Gabriel in alle populariteitspeilingen punten gewonnen. Hij blijft evenwel geklasseerd na zijn partijgenoot Frank Walter Steinmeier, die minister van buitenlandse zaken was in de grote coalitieregering van de christelijke partijen met de SPD (2005-2009). Ook tegen Angela Merkel moet hij het in alle peilingen afleggen. Binnen de SPD is men het oneens of men Gabriel of Steinmeier als kandidaat voor het kanselierschap moet voordragen. Steinmeier was in 2009 reeds kandidaat voor het kanselierschap. Ondanks zijn populariteit leed de SPD toen een zware nederlaag. Het is blijkbaar niet omdat de lijsttrekker erg populair is dat velen voor de SPD zullen stemmen. Ook de geloofwaardigheid van het programma speelt een grote rol. Gabriel heeft daarom in september 2010 in Berlijn een partijdag georganiseerd, waar een vernieuwde versie van het ‘Hamburger Grundprogramm der SPD’ werd goedgekeurd. In deze nieuwe versie worden niet alleen doelstellingen die geld kosten (zoals subsidies voor beter onderwijs en meer wetenschappelijk onderzoek, voor herscholing van werklozen, ondersteuning van nieuwe nijverheden en controle op het bankwezen) maar ook nieuwe bronnen van inkomsten aangegeven. De wetten, gestemd door de huidige regering om de indirecte belastingen op de hotels en de erfenisrechten te verlagen, zouden worden opgeheven. De belastingen geheven door de gemeenten op de plaatselijke bedrijvigheden zouden worden uitgebreid tot de vrije beroepen. Van de belastingen op de hoogste inkomens wordt een verhoging voorzien van 42 tot 49%. Bovendien zou een heffing van 0,05% worden ingevoerd op alle financiële transacties. Alzo zouden de banken verplicht worden bij te dragen tot de vermindering van een overheidsdeficit, waarvoor zij in ruime mate verantwoordelijk zijn. Met dit programma wil Gabriel aantonen dat de socialisten geen uitgaven plannen die niet door nieuwe inkomsten worden gedekt.

Of een rood-groene regering dergelijke maatregelen zou goedkeuren, is evenwel niet zeker. De Groenen hebben onder hun kiezers veel begoede burgers die gekant zijn tegen hogere belastingen en gulle sociale vergoedingen voor armen en werklozen. De burgemeester van Berlijn, Klaus Wowereit (SPD), verwijt de Groenen dat ze inzake sociale politiek een reactionaire houding aannemen. Vele jongeren, die voor Groen stemmen, hebben geen bezwaar tegen een verhoging van de belastingdruk, maar de talrijke intellectuelen die een vrij beroep uitoefenen denken daar anders over. Geen wonder dat leden van de Groene kaders overwegen of het niet beter is met rechtse partijen een coalitie aan te gaan dan met de SPD. Het is dus niet zeker of na een verkiezingsoverwinning van Groen in 2013 een linkse rood-groene coalitieregering tot stand zal komen.

Gaston Vandewalle
Emeritus professor, Universiteit Gent

Met mijn beste dank aan de Friedrich Ebert Stiftung in Brussel voor de verstrekte documenten en aanvullende inlichtingen.

Geraadpleegde artikelen en boeken
- D. Coyle, The Economics of Enough, Princeton University Press, Princeton en Oxford, 2011.
- J. Hinze, Aufschwung in Gefahr, Wirtschaftsdienst, maart 2011.
- M. Irondel, N. Ritter, C.M. Schmidt en C. Vance, Die ökpnomische Wirkungen der Forderung erneubaren Energie - Erfahrungen aus Deutschland, Zeitschrift für Wirtschaftspolitik, 2010, nr.8.
- A. Löschel,Das kleine Übel, Zeitschrift für Wirtschaftspolitik, 2010, nr.2.
- M. Steffen, The Moral Economy of the Welfare State, Routledge, London, NY, 2003.
- SPD Parteitag,Berlin, 26 September 2010.
- Hamburger Programm - Das Grundsatzprogramm der SPD, SPD Parteivorstand, Berlin, 2007.
- A. Vogel & J. Wagner,Higher Productivity by Imports, German Manufacturing Firms self-selective Learning from Imports, Review of World Economics, januari 2010.

Duitsland - SPD - links

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 82 tot 88