Log in

‘Houden wat je hebt’ als nieuwe vooruitgangsgedachte

Wim Vermeersch
20 januari 2012

Onderzoek van socioloog Mark Elchardus toont aan dat in onze verzorgingsstaat laaggeschoolden de afgelopen decennia zich op hetzelfde gezondheidsniveau hebben geplaatst van hooggeschoolden, dat ze in sociaaleconomische kwesties er beter in slagen aan te sluiten bij het gemiddelde van de bevolking en dat ze meer tevreden zijn met hun eigen leven dan laaggeschoolden in minder ontwikkelde verzorgingsstaten. Het is de fantastische en historische verdienste van onze gezondheidszorg. Die is voor de babyboomgeneratie heel gul geweest. Maar kunnen die babyboomers dezelfde emancipatie verwachten voor hun kinderen? Het voelt alvast aan van niet. Zeker nu met de economische crisis verder geknabbeld wordt aan sociale verworvenheden.

‘Houden wat je hebt’ het nieuwe devies

Het vooruitgangsdenken dat we vanaf de industriële revolutie hebben omarmd, en dat ons veel rijkdom heeft opgeleverd, lijkt op zijn laatste benen te lopen. Ouders vrezen dat hun kinderen niet de sprong zullen maken die zij wel maakten. Ook de huidige generatie twintigers en dertigers - met voldoende middelen voor (en gepaaid met) de nieuwste iphone, maar niet voor een aantal basisbehoeften zoals de aankoop van een eigen woning - ziet haar toekomst somber in. Ze verwacht een samenleving die harder en meer prestatiegericht is, minder sociale zekerheid en pensioen biedt en minder gelijkheid garandeert in de beschikbaarheid van gezondheid en zorg dan nu het geval is.

De onderklasse ziet haar reeds precaire welvaart verder bedreigd door de economische crisis, nieuwkomers, globalisering, enzovoort. Maar ook bij de middenklasse groeit de ongerustheid. Bij hen luidt stilaan misschien wel een ander devies: ‘behouden wat verworven is’. Het eigen huis, de auto, een citytrip met Pasen en naar de Spaanse costa in de zomer.

Het doet mensen politiek (anders) ageren. Mensen stemmen steeds minder op de klassieke partijen, de architecten die de verzorgingsstaat jarenlang, blok per blok, hebben opgebouwd. Anti- en anderspolitieke partijen pluggen verstandig in op de legitieme emotie van mensen dat hun kinderen het minder goed zullen hebben. Ze houden de mainstream partijen er verantwoordelijk voor. Het is een discours dat verkoopt als zoete broodjes.

Dit alles heeft vooral een verpletterende impact op de partijen die van verheffing en vooruitgang hun electoraal gewin hebben gemaakt. Zij worden net op dat punt, hun core business, afgerekend. Het is voor hen zaak hun narratief aan te passen en de voorgangsgedachte te herijken. Deze partijen moeten daarbij durven toegeven dat ze de voorbije jaren de maatschappelijke evoluties minder goed hebben gelezen. De vooruitgangsgedachte brokkelde zienderogen af, bij Jan met de pet groeide een negatieve appreciatie van wat komen moet, maar dat leken ze niet te beseffen.

Naar een herijking van de vooruitgangsgedachte

In tijden van crisis worden politieke beslissingen genomen in een soort verdedigingsmodus: we moeten langer werken om het pensioensysteem staande te houden, er moet aan de sociale zekerheid worden geschaafd om ze betaalbaar te houden, asielbeleid mag het bestaande sociale weefsel niet te veel aantasten, enzovoort. Het zorgt er automatisch voor dat de maatschappelijke grondstroom wat angstiger wordt.

Toch is het niettemin essentieel dat de vooruitgangsgedachte een drijvende kracht blijft in onze samenleving. Die gedachte moet dan wel worden herijkt. Dat kan, bijvoorbeeld, op de pijlers geluk, immateriële en duurzame groei, solidariteit, rechtvaardigheid, financiële zekerheid en onderwijs. In onze zoektocht naar een alternatieve invulling van de vooruitgangsgedachte moeten we onvermijdelijk rekening houden met ecologische en menselijke beperkingen. De materiële groei is eindig.

In de toekomst geen drie wagens meer voor de poort (een voor elk kind). We moeten onszelf verplichten af te stappen van welvaart uitgedrukt in bnp-waarden. Zulke mentaliteitswijziging is niet eenvoudig te bewerkstelligen, laat staan dat er politiek gemakkelijk mee gescoord kan worden. Toch zal het geluksthema steeds meer opborrelen om mensen hoop te geven en om te kunnen verklaren dat we het in de toekomst materieel met wat minder zullen moeten doen.

De politiek moet niet de pretentie hebben om de mensen tot in de haarvaten van de samenleving gelukkig te willen maken (dat moet ieder individu zelf weten), maar het is het wel haar taak daarvoor de rechtvaardigheidsvoorwaarden te scheppen. Daarom, bijvoorbeeld, moeten we goed opletten met het hakken in tijdskredietformules. Het systeem van loopbaanonderbreking valoriseert (in het latere pensioen, met de gelijkgestelde periodes) immateriële verdiensten en is broodnodig, zeker als we met zijn allen langer gaan werken.

Tegelijkertijd is langer werken een zaak van solidariteit. Het is maatschappelijk niet ‘rechtvaardig’ om op 52 op brugpensioen te gaan, en dan nog 35 jaar van een staatspensioen te genieten. We moeten naar een meer kansrijke (met nadruk op het eerste, en niet het tweede, deel van het woord) samenleving, waar kinderen alle scholingskansen krijgen – onderwijs is nog steeds dé emancipatorische kracht – en waar volwassenen kunnen terugvallen op een goed werkende sociale zekerheid als het misloopt (pech, ziekte).

Angst voor de toekomst drijft mensen in een egelstelling

De consensus dat collectieve voorzieningen ervoor zorgden dat grote groepen mensen erop vooruit gingen, is dus niet meer. ‘Houden wat je hebt’ lijkt de 21ste eeuwse versie van de vooruitgangsgedachte van de laatste vijftig jaar. De burger heeft vandaag een minder positief toekomstbeeld en daarin schuilt wel degelijk een gevaar. Het voedt het gevoel van machteloosheid en dempt daardoor de kansen op een verbetering van de samenleving.

Angst voor de toekomst drijft mensen in een egelstelling, verscherpt tegenstellingen en sluit deuren. Het verengt onze geest en versterkt irrationeel denken. Om opnieuw vooruit te gaan heeft een gemeenschap een vertrouwenwekkend, collectief project nodig. Optimisme geeft zuurstof aan een samenleving. Om uit de crisis te geraken, moeten we helemaal geen afstand nemen van het moderne geloof in de vooruitgang. We moeten het alleen herijken.