Abonneer Log in

De baas, de bankier en de burger

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 5 (mei), pagina 70 tot 79

In deze bijdrage leest u over het grootste hefboomfonds ter wereld in een petieterig landje, Dexia. Wat zich voor onze ogen afspeelt als financiële crisis gaf al aanleiding tot films, televisieseries en theaterproducties. Vorige maand kwam daar ook een muziekalbum (Bruce Springsteen - Wrecking Ball) en nog maar eens een boek (Bernhard Ardaen - Tijdbom Dexia. De inside story 1) bij. We bespreken beiden voor u, in de fantastische Belgische context, en breien er een sociaal-politiek receptje aan. Dat receptje is niet links of rechts, rood of groen, maar financieel orthodox. Het is gebaseerd op onwrikbare financiële inzichten en dus vrij van politieke, religieuze, muzikale, sociale voorkeuren. Het is compatibel met een welvarende economie en met democratie.

MOOIE LIEDJES DUREN NIET LANGER DAN EEN DEXIA-COMMISSIE

Popkenners weten: Bruce Springsteen is weliswaar ‘The Boss’, maar zijn fantasie is beperkt tegenover het giechelende goochelen van Bob Dylan. Hij mist ook de subtiele scherpte van Randy Newman. Nooit haalt hij de duistere diepte van Lou Reed. Met zijn nieuwste plaat, Wrecking Ball, is het niet anders: hij zingt over medeburgers die boos zijn op bankiers. Als man van het volk gelooft hij met hen dat die bankiers huizen afpakken, terwijl het precies hun fout was dat die huizen er in de eerste plaats kwamen.

De leden van de parlementaire Dexia-Commissie luisteren ook naar muziekjes allerhande. De voorzitter van het toezichtorgaan komt hen voorzingen dat met of zonder de lening van pre-Belfius aan de Gemeentelijke Holding (GH) die (net als Arco) toch wel over kop zou zijn gegaan. Giechel. De weggegoochelde vraag: hoe was het in godsnaam mogelijk dat GH of Arco zich van spaargeld kon bedienen om daarmee zelf nog meer aandelen te kopen in een hefboomfonds (Dexia)? Niet alleen lichtten de arconauten daarmee hun (Franse en private) co-aandeelhouders in Dexia op, ze lichtten ook de spaarders op, en, omdat het gokken slecht afliep (ze speelden al voor de zoveelste keer quitte of dubbel), ook de gehele Belgische bevolking. Wie zou nu geld lenen voor een dergelijke Baron-van-Munchausen show, zonder enige reële waarborg te vragen? Wel, het is één van drie: Kredietofficieren en Directieleden die ofwel compleet onbekwaam zijn, ofwel hun beroepsethiek graag opofferen aan ACW-gehorigheid, ofwel beide voorgaande samen. Het dwaze bestuur was niet mogelijk zonder corruptie en medeplichtigheid op de werkvloer. Deze jongens zijn nog altijd in functie bij Belfius en ze zijn, volgens de website, flink van plan de vergrijzingproblematiek op te lossen en ons milieuvraagstuk te ontrafelen. Over bekwaam en integer bankieren hoor je ze met geen woord reppen en ze zijn nog naarstig op zoek naar een strategie - daartoe huren ze dure externe consultants in. Intussen bracht De Tijd uit dat het ACW nog steeds geld zuigt uit Belfius: uit hoofde van een obscuur en alleszins destijds al illegitiem contract over ‘aanbreng van klanten’ laaft ze zich nog steeds aan Vlaams spaargeld (op voorwaarde dat dat winst zou opbrengen voor de tussenpersoon). Giechel. Goochel: het ACW brengt helemaal geen klanten naar die bank - ze bracht die bank integendeel naar de Belgische burgers. Voor mijn deel daarin zou ik graag een aangebracht-commissie ontvangen, in plaats van een aanbrengcommissie te moeten betalen. Want dezelfde onverlaten zijn nog aan het werk en het ontploffen staat Belfius nader dan het ontplooien. Zo, dat was het Dylan-stukje.

Aan de leden van de Commissie zou Randy Newman fijntjes neuzelen dat als ACW-handlangers blijkbaar spaargeld uit de bank konden halen, men misschien ook eens kijkt naar andere financiële transacties tussen Arco en de Belgische bank. En wat met de verzekeringsportefeuille? Zou het niet ook denkbaar zijn dat het ACW die heeft gebruikt om eigen projecten te steunen veeleer dan om het belang van de verzekerden tot het uiterste te behartigen? Is de winstdeelname van de verzekerden voor iedereen gelijk of krijgt het ACW voorrang? Zijn liedje over de sponsoring- en reclamecontracten hekelt die als twijfelachtige transfers van spaar- en belastinggelden naar blanke, katholieke achterban. Newman knipoogt om ook eens te kijken naar bestuurspraktijk. Soms waren de ACW-ers zoveel keer ‘onafhankelijke’ bestuurder binnen het Arco-Dexia-kluwen, dat ze al in belangenconflict waren vooraleer ze op hun stoel zaten. Niet zo erg, want wat er voor hen op de tafel lag, wilden en konden ze meestal ook niet lezen. Tja, met Randy kan je altijd lachen, maar hij heeft altijd toch ook iets bitters.

Lou Reed schildert de macabere komedie waarin Arco-bazin Sister Swiggers zichzelf op de bedrijfswebsite nog steeds afficheert (wanneer ik dit schrijf) als ‘de machtigste vrouw van Vlaanderen’. Tja, ze is in ons aller naam censor bij de Nationale Bank om er op toe te zien of alles daar wel voorzichtig en volgens het boekje verloopt - Lou fantaseert dat ze heimelijk fantaseert ook daar nog eens de martingale te dansen, quitte of dubbel gaat spelen met de goudvoorraad. Even verderop, in een donker steegje, staat ACW-baas Develtere, wachtend op de man, te jutten voor nog maar eens de oprichting van een goeie oude spaarbank. Want zijn poging om in Belfius in te breken is mislukt en hij moet zijn dure verslaving nu voeden met waardeloze winstbewijzen. Bankbaas Decraene is intussen verhuisd naar een andere berg spaargeld, zij het voor een andere Franse pachter. In een volgende song heeft Sister Swiggers een postje als gastdocent aan de universiteit bemachtigd: op kosten van de gemeenschap wijdt ze de studenten wellustig in in de technische aspecten van de bedrijfsethiek. Hun stroman in de politiek redde wat banken en schreef wat waarborgen uit, scheerde zijn benen, plukte zijn wenkbrauwen en zetelt nu in Parijs - twitteren doet hij niet meer. Broeder Vanackere is omwille van zijn hulp bij het omgoochelen van Arco-aandelen in achteraf-verzekerde-spaargelden bevorderd tot minister van financiën; nu geeft hij belastinggeld uit om tegen Europa, tegen het sociale contract van onze samenleving en tegen beter weten in, advocaten te betalen om de afgewezen goocheltruc toch te doen doorgaan. Tja, het parlando van Lou maakt je niet bepaald vrolijker, maar het schetst wel een fascinerende onderwereld.

The Boss heeft een punt wanneer hij zingt over de gevoelens van de man in de straat, gevoelens van verbazing en verbittering, wraaklust en woede. Maar de traan in zijn ogen vertroebelt zijn blik. Bruce’s fantasie over volksreactie is melig en verbleekt bij de taferelen uit de financiële geschiedenis die zich voordeden wanneer het iedereen plots daagde hoe de vork in de steel zat. Uit de aard van de zaak zal dat pas zijn wanneer de man in de Vlaamse straat het aan den lijve ondervindt, zoals Grieken en Afrikanen nu. Daarom lijkt het leuker dat de arconauten (Swiggers, Develtere, Renders, Roelandt, Decraene, Moesen, Dehaene, Branson, Lauwers en vele minder bekenden) spontaan het toneel van de volksfinanciën verlaten. Het zou hen sieren moesten ze ook de bijeengeharkte geldhoop onder de vorm van bonussen, zitpenningen, oneigenlijke tarieven, verstopte waarborgen, scheve opties, 18e maanden, functiepremies, winstbewijzen, enzovoort, netjes en zonder verder complimenten of dreigementen aan de bevolking teruggeven (of aan de aandeelhouders en klanten, al naargelang). We organiseren voor financiële fraudeurs een amnestieloket naast dat voor fiscale fraudeurs, want alle beetjes helpen.
En in alle scenario’s lijkt het beter dat zij in de handen komen van de reguliere justitie, dan dat zij aan proletarische, en op dat ogenblik ongetwijfeld ook hongerige, massa’s worden overgeleverd. Want, de geschiedenis leert ook dat wij ons nu in de fase van de ‘bezzle’ bevinden: iedereen is zich er intussen wel bewust van dat er iets mis is in de financiële sfeer, maar het is nog niet duidelijk wie de daders zijn en waar het geld naartoe is. Wanneer die fase voorbij is, dan helpt het de echte of vermeende daders niet langer dat zij zelf in goud hebben belegd en zich in het buitenland hebben gevestigd. John Law kon nog hopen in de bezzle naar het buitenland te ontkomen - in de huidige informatiewereld is er geen buitenland meer. En omdat hij zijn familieleden had achtergelaten en die in borg werden genomen, werd hij toch nog ingehaald.

Aan de leden van de parlementaire Commissie en haar toekomstige opvolgers wens ik veel luistergenot maar toch ook het begin van financiële geletterdheid.

Voor mijn medeburgers heb ik de volgende, weinig muzikale, boodschap: iedereen die in hoofde van goed burgerschap of omwille van private benadeling tracht voor de gestelde rechtbanken schade te verhalen op daders, waarborgen te recupereren, malafide voornemens of waanzinnige engagementen om te buigen, heeft mijn sympathie en steun als medeburger. Het bewijzen van criminele schuld en het uitdelen van straffen heeft financieel geen zin, dus daar kan je mij niet voor vinden. Wel is financieel uiterst zinvol, om er voor te zorgen dat onze commerciële en overheidsinstellingen niet nog (en later niet opnieuw) bemand blijven door arconautige wezens, van welke kleur dan ook. Anders worden we schooiers of, erger nog, geraken we in schuldslavernij - als het daarvoor al niet te laat is. Wat arconautige wezens doen en wat ze achterlaten in de eindfase van de bezzle, daarover gaat het boek van Bernard Ardaen, Tijdbom Dexia.

TIJDBOM DEXIA

Op de leeslijst van elke medeburger

Ardaen schreef vanuit bevoorrechte positie een historiografisch boek over onze eigen onovertroffen, weliswaar binationale, bijdrage aan de spectaculaire implosie van het financiële systeem: de hoog-toxische en explosieve Arco-Dexia-constructie. De auteur is een participerend waarnemer in dit weergaloze schouwspel van hoogmoed, domheid en charlatanerie - in enkele passages treedt hij, bescheiden, op in de ik-persoon. De uitwerking van het verhaal is gemodelleerd op Fool’s Gold van Gillian Tett2: het is gedramatiseerd, met focus op cruciale vergaderingen en beslissingen van toplui, geserveerd in korte hoofdstukken met een Dickensiaanse ondertitel. Geen van beide auteurs is uit op smeuïge verhalen, het schandpalen van individuele schuldigen of de vandalistische afbraak van het financiële ecosysteem, laat staan populistisch opportunisme. Zoals financieel journaliste Tett vanuit antropologisch perspectief een kudde zakenbankiers volgt, met het oog op beter begrijpen, is ook de missie van de persoonlijk meer betrokken Ardaen gericht op begrip. Maar Ardaen is ook gedreven door pragmatische bekommernis: hij maakt duidelijk dat de burleske komedie allicht nog zal omslaan in een langdradige tragedie en pleit daarom ook voor het bekomen van verstandig beheer van de mesthoop die Arco-Dexia achterlaat, waarvoor hij technische voorstellen formuleert. Tegelijk spreekt hij vrome wensen uit voor de verbetering van het financiële systeem en voor de activiteit van Belfius, Belgisch restant van de Dexia-groep. Daarover onder.

Zowel het boek van Tett als dat van Ardaen zijn zeer aangenaam om lezen en aangewezen lectuur voor financieel bewuste burgers. Maar Tijdbom Dexia zelf is geen directe bijdrage aan het wakker schudden van de zwijgende massa’s, waar de auteur op hoopt. (p.195) Daarvoor is de component van de verontwaardiging te weinig aanwezig en zit de component van de lucide uiteenzetting over de financiële constructies, die zeer degelijk in het boek aanwezig is, te zeer verscholen in de dramatische voorstelling van zaken. De zwijgende massa’s lezen geen boeken en begrijpen van de hele winkel van balansen/intermediaire instellingen/financiële constructies en metaconstructies helemaal niets. Zoals hoger gezegd, zullen ze pas in beweging komen wanneer ze tussen een reclameblok van Belfius en van BNP-Paribas in, vernemen dat ze volgende maand hun woning niet zullen kunnen verwarmen omdat de waarborg voor beleggers in aandelen Arco moet worden uitbetaald. Of wanneer een maand later scholen en ziekenhuizen worden gesloten, omdat we de financiering voor de lichtzinnige Dexia-waarborgen moeten ophoesten. Maar dan is het nog meer veel te laat dan nu. Wat dan nog rest is geween, tandengeknars en bloedvergieten.Het boek wil bijdragen tot het terugdringen van financiële ongeletterdheid en is daarin een druppel op een oververhitte plaat. De historische verantwoordelijkheid voor de massale financiële ongeletterdheid van de Vlaamse bevolking is deels gelegen in lacunes in het onderwijsprogramma en in het optreden van de regelgever, maar deels ook toe te schrijven aan de financiële industrie en politieke bewegingen die er alles voor doen om het zo te houden. Het optreden van ACW-Arco, zowel via Bacob en DVV, als via Dexia, gedurende de voorbije decennia, is daarvan nog de meest treffende illustratie en Belfius, het Belgisch restant van de Dexia-groep, geeft in zijn communicaties alvast aan de traditie te willen voortzetten.

Historiografische klemtoon

Met de bril van de historische kritiek, moeten we vaststellen dat Ardaen beroep heeft gedaan op meer dan de publieke bronnen die hij in de bibliografie oplijst. Het boek bevat ook informatie die enkel van Arco-toplui kan komen en kent geen passus die de positie van ACW-toplui zou kunnen verzwakken. Over het uitlenen van Dexia-aandelen aan shorters door Arco, over het schrijven van opties (puts) op Dexia-aandelen door Arco, over de greep in de spaargeldmassa (bij Belfius) om nog meer Dexia-aandelen te kopen, daarover is de weergave, indien aanwezig, neutraal en alleszins minder gepeperd dan over de megalomane financiële ongeletterdheid van de Franse Zonnekoning die Dexia ontwierp en quasi onmiddellijk de afgrond in reed, Pierre Richard. Het boek gaat ook, weliswaar met de nodige aantekeningen (pp.42-43), mee in het verhaal van ACW-baas Develtere dat enerzijds de vroegere ACW-bank in Dexia zou zijn ingebracht omwille van schaalvergroting (in de brute feiten was men ten einde adem door de deelname in de L&HSP-oplichting via lichtzinnige of malafide kredietverlening en andere bestuurlijke fouten) en dat het anderzijds een tsunami (vanuit de stoute markten in de VS en daarna via een onvoorzienbare schuldencrisis in Europa) was die het ACW is overkomen. Het ACW als Calimero in de golven van de kapitalistische oceanen. Vanuit historiografisch standpunt is het dus een ietwat partijdig boek: de Fransen zijn de slechten, de Katholieke Vlamingen zijn de minder slechten. Maar de vraag is vanaf het begin: waarom zouden de Katholieke Werknemers, via een aandeel in een coöperatief beleggingsfonds (Arco had geen enkele bedrijfsactiviteit, het was louter een financieel vehikel of liever, een kluwen van vehikels), hun spaargeld en het pensioen van hun medeburgers inzetten om te wedden over de afloop van woonkredieten en gemeentekredieten in de Verenigde Staten of voor het vullen van onbestemde zwarte gaten in Franse gemeenten in the first place? Zoiets is enkel mogelijk geweest doordat de zwijgende katholieke massa’s onafgebroken misleidend of helemaal niet geïnformeerd werden over relevante ontwikkelingen. Het ACW kon dat perfect omdat de coöperatieve structuur van Arco het voeren van inadequate boekhouding toeliet (wat bij echte beleggingsfondsen uitgesloten is), de schijn van rendabiliteit kon wekken (jaarlijks werd een dividend ‘bijgeschreven’ op de aandelenrekening, maar het werd nooit uitgekeerd, zoals bij oplichtingen van dit type doorgaans het geval is) en de aandeelhouders kon infantiliseren door hen te bestoken met misleidende en irrelevante informatie, zodat iedereen en in het bijzonder die naïeve aandeelhouder pas iets zou vernemen wanneer het onherroepelijk te laat was. Toen het na ettelijke keren quitte of dubbel spelen dan toch over-en-uit was, kregen de stromannen van het ACW in de regering de opdracht om, ten laste van alle burgers, met terugwerkende kracht een waarborg uit te schrijven voor die jarenlang ‘geboekte winsten’. Het Dexia-debacle was voor het Katholieke Vlaamse spaargeld dus het verlengstuk van het L&HSP-debacle, nu door de actieve medeplichtigheid aan het Dexia-beleid om het spaargeld via Frankrijk naar Zuid-Europa, de VS enzovoort te draineren, tot het zelfs onverhoeds in Israëlische bezettingsgebieden belandde! Maar de professionele competenties en de goede organisatie ontbraken daartoe manifest vanaf het begin. Dat is helemaal geen observatie en wijsheid achteraf; men vroeg het zich toen al af. Het fenomeen van moral hazard is onmiskenbaar werkzaam: als en zolang het lukt is het ACW rijk en machtig, als het mislukt draaien de anderen er voor op. De verwerpelijkheid en de schadelijkheid van een dergelijke handelswijze zijn niet groter of kleiner dan die van de potsierlijk megalomane Fransen die de wereldwijde kredietorgie hebben gefinancierd met dat Vlaamse spaargeld als onderpand. Dat het motief van persoonlijk financieel gewin vervangen is door een ideologisch, een organisatorisch of zelfs een religieus motief, kan niets veranderen aan de kwalificatie van de handelingen van de betrokken bestuurders en kaderleden.

Financieel bewustzijn

Met de bril van de intellectuele of ‘epistemische’ kritiek, zal het de lezer niet ontgaan dat Ardaen weliswaar een topman is in financiële engineering, maar niet vrij van bias in zijn perceptie van die engineeringconstructies. Zo bijvoorbeeld (p.115) wanneer hij uitlegt hoe Amerikaanse beleggers veel sneller en duidelijker dan de Belgische bestuurders en kaderleden beseffen hoe Dexia een soort van bancaire tijdbom is, en daar hun beleggingsstrategie op afstemmen. Wanneer zij uit die beleggingsstrategie winst puren, dan stelt hij dat zij ‘in de kassa graaien’. Maar ‘in de kassa graaien’ gebruiken we enkel wanneer iemand zich het voorhanden zijnde geld van een afwezige derde toe-eigent, zoals Arco en de GH die met spaargelden bij pre-Belfius geparkeerd, zichzelf trakteerden op een nieuw rondje Dexia-aandelen of zoals kaderleden die zichzelf bonussen en functiepremies uitschrijven. Wie door grondige studie en behendig beleggen geld verdient, is geen dief. Dat zijn kassa rinkelt omdat de bestuurders-aandeelhouders van het betrokken bedrijf niet (willen) beseffen wat ze aan het doen zijn of gewoonweg liegen, werpt helemaal geen slecht licht op zijn winst. De belegger in kwestie is bovendien niet meer of niet minder ‘speculant’ dan de dommere of meer inhalige tegenpartijen waarmee hij financiële transacties afsluit om zijn doel te bereiken, t.t.z. de Dexia-aandeelhouders zelf. Want om te shorten moet je de aandelen eerst lenen, en dat kan je enkel bij de partijen die ze al bezitten. Ook in Ardaens ambigue gebruik van het woord ‘speculatie’ en aanverwante komt een intellectuele partijdigheid of klemtoon naar voren die ik zou willen omschrijven als ‘continentaal’, in tegenstelling tot Angelsaksisch: ze is markt-avers veeleer dan financiële marktlievend en ze is daarmee geneigd zich af te sluiten van de opinie van anderen (cf. de voortdurende uitspraken van Euro-politici); ze is gericht op historische gegevens en hoge intenties, veeleer dan op nuchtere marktwaarde; ze is geneigd financiële markten het vermogen van reële oorzakelijkheid toe te schrijven en in prijsontwikkelingen de hand van kwaadaardige ‘speculanten’ te zien. Het zou ons hier te ver leiden om het in detail te demonstreren, maar de verspreiding van die attitude, zowel bij de Belgische Dexia-aandeelhouders als bij de Belgische spaarders en Arco-aandeelhouders in het algemeen, is een factor in het feit dat het schandaal zo massief en altijd maar groter is kunnen worden. Wie veeleer Angelsaksisch denkt, had in 2008 zijn Arco-aandeel met winst (!) geliquideerd en daarmee indirect een einde gesteld aan een deel van de wanpraktijken. Mogelijk had hij bij zijn Arco-winst nog een centje bijverdiend door het provenu te investeren in een shortpositie op het aandeel Dexia. Het omgekeerde geldt ook: ACW-topvrouw Swiggers kwam, enkele weken voor haar schaamdoekje definitief viel, nog in de pers beweren dat domme speculanten een ‘fictieve waarde’ aan Dexia toekenden, waardoor Arco en Dexia het overdreven moeilijk hadden. Ze riep de overheid op om de financiële markten selectief stil te leggen, zodat het aandeel Dexia terug zou stijgen (zo geloofde ze?) en zij dus onverstoord verder haar gang kon gaan (zo hoopte ze). Dus, hoewel hij technisch tot een van de meest bekwame Belgen kan gerekend, is Ardaen toch enigszins gevangen in een moraliserend en daardoor inadequaat begrip van financieel handelen en financiële activiteit.

Wat te doen?

De twee kritische toelichtingen maken het boek niet minder lezenswaardig en zelfs niet minder dringend of prangend. De auteur heeft overschot van gelijk wanneer hij stelt dat het opkuisen van de gesmolten bankbalansen de nodige aandacht en competentie verdient. De feiten en zelfs de politici lijken hem intussen gelijk te geven.Maar zijn remedie om de kans op herhaling te verminderen, is een bundel vrome wensen. Hij spreekt de verzuchting uit dat ‘topbankiers hun persoonlijke ambitie ondergeschikt moeten maken aan het bredere maatschappelijke belang’ (p.195) - het zou al goed zijn indien ze zich aan de regels hielden en competent zouden zijn. Zo meen ik dat Jan Renders en zijn opvolger als ACW-baas en bestuurder, Patrick Develtere, oprecht zouden kunnen aanvoeren dat ze het bredere maatschappelijke belang voor ogen hebben (althans door hun particuliere politieke bril). Maar geen van beiden was financieel geletterd of had kennis van de regelgeving. Van Renders is bekend dat hij in de dagen voor de Dexia Raden van Bestuur prikkelbaar was omdat hij de teksten niet begreep en zich realiseerde dat hij er voor minder dan spek en bonen zou bijzitten. Hij hield zich dan maar bezig met ‘bredere maatschappelijke belangen’ en ijverde ervoor dat Dexia haar financiering van de wapenindustrie zou stopzetten, daarmee stuitend op het minachtende ongeloof van zijn Franse medebestuurders over zoveel incivisme. Want in Frankrijk is de wapenindustrie een sector van nationale trots en groot economisch belang.
Ardaen spreekt ook uit dat regelgevers bij het opstellen van de wetgeving diep zouden moeten nadenken over de maatschappelijke gevolgen en bij de toepassing meer oog moeten hebben voor de geest dan voor de letter (p.195) - maar dat is helemaal niet in het belang van die regelgevers en dus weinig waarschijnlijk. Beide verzuchtingen komen neer op de vrome wens dat we de instellingen kunnen bemannen met competente en actief-integere professionals, maar dat is weinig realistisch. Al de genoemde instellingen hadden of hebben bovendien een organisatiecultuur waarin een dergelijke opstelling gevaarlijk is voor de betrokkene. Want zoals Ardaen aangeeft en zeer omzichtig formuleert: de heersende cultuur maakte het mogelijk en zelfs gebruikelijk dat al wie opmerkingen maakte of vragen formuleerde, meer of minder zachtzinnig tot zwijgen werd gebracht.
De wens die Ardaen formuleert voor het Dexia-onderdeel dat nu door het leven gaat als ‘Belfius’ (p.194) luidt als volgt: ‘Voor de klanten … hoop ik dat zij aan den lijve zullen mogen ondervinden wat de credo’s over klantgerichtheid betekenen. Voor de bredere samenleving hoop ik dat de bank methodes vindt om de collectieve en sociale voorzieningen te helpen realiseren… Voor de aandeelhouder (i.e. alle burgers) hoop ik dat de bank een bescheiden dividend oplevert, zodat de neiging om onnodige risico’s te lopen… niet de kop opsteekt.’ Welnu, deze doelstellingen zijn niet coherent. Het enige criterium voor tevredenheid in relatie met een bank is financieel - maar dat ontgaat de meeste medeburgers, waardoor zij weliswaar mogelijk meer tevreden, maar alleszins aanzienlijk en nodeloos armer worden dan zonder die bankrelatie. Deposanten zijn helemaal niet gebaat bij het financieren van collectieve voorzieningen en publieke goederen, in het bijzonder niet door publieke banken. Want de grootste catastrofes in de crisis vonden precies daar plaats, waar de banken een overheidsdoelstelling nastreefden: Fanny May en Freddy Mac die het woningbeleid in de VS eens zouden ‘bankieren’, of de sector die het algemene overheids- en bankbeleid in Griekenland (Italië, Spanje, Frankrijk, België) financiert. Als er voor de aandeelhouder na het afnemen van riante lonen en extravagante bonussen nog iets overblijft, komt dat hetzij uit onderweg-gokken-met-de-toevertrouwde-sommen, hetzij rechtstreeks uit de zakken van de klant-medeburger. Dus liever niet. De neiging om risico’s te zoeken, is dan weer gebonden aan de intellectuele en morele bekwaamheid van de kaderleden. Maar die kaderleden bleken in het zeer recente verleden hetzij incompetent, hetzij manifest corrupt en helemaal niet te beroerd om klanten, aandeelhouders en belastingbetalers ernstige financiële schade toe te brengen. Een naamsverandering kan dienen om dat te verstoppen, maar het doet niets af aan dat naakte feit. Belfius zou moeten gezuiverd van de directieleden, kaderleden en verkopers die manifest boter op het hoofd hebben (lang niet allemaal en vrij gemakkelijk uit te maken). Ze dient zich te ontdoen van de ACW-elementen, te beginnen in het veelkoppige directiecomité. Vervolgens zou zij marktrevolutionerend kunnen werken ten gunste van de burgers-klanten en hun nakomelingen. In de plaats daarvan hult Belfius zich in een verontrustend stilzwijgen over toekomstig bancair optreden en tracht men de aandacht af te leiden door de mond vol te hebben over voorgenomen bijdragen aan de ecologische en sociale problematiek. Zoals men voordien bij Dexia tienduizenden euro’s besteedde aan het meten van de CO² in de kredietportefeuille, terwijl men zich blind hield voor het financiële vergif? De Belfius-kaderleden speculeren er duidelijk op dat de financiële ongeletterdheid zal aanhouden en zoeken via kredietverlening opnieuw de rand van de bancaire afgrond op. De nog uitstaande kredietlijnen op Dexia, Arco en Gemeentelijke Holding, zijn dus heus niet de enige redenen om er als deposant weg te blijven en als burger argwanend tegenover te staan.

Structurele ingrepen zijn nodig, veeleer dan gedwee wachten op een gouden generatie van bekwame en moedige professionelen. Om rampen à la Arco-Dexia-Belfius te vermijden, moeten de volksmassa’s, katholiek en proletarisch tegelijk, vier cruciale acties ondernemen. Eén: ze moeten financiële geletterdheid verwerven, zodat zij zich niet meer laten ringeloren door de aanbieders van (bijvoorbeeld) coöperatieve beleggingsfondsen, zich in (asymmetrische) avonturen laat meeslepen door onbekwame en/of malafide financiële verkopers, zich in slaap laten sussen door regelgevers en toezichthouders of tot de bedelstaf laten brengen door politici. Twee: ze moeten alle kredietinstellingen (‘depositobanken’, ‘spaarbanken’) op afzienbare termijn ontmantelen, zodat alleen nog bonafide en niet-schadelijk-voor-derden financiële constructies overblijven. In één klap zijn dan ook die ergerlijke bankiersbonussen en die absurde staatswaarborgen van de baan. Drie: ze moeten een volstrekte scheiding tussen politiek en financiewezen afdwingen, zowel bij de regelgever/toezichthouder, bij de Centrale Banken als in de commerciële instellingen. Een politiek benoemde bankier, een politiek horige toezichter en een financieel ongeletterde politicus maken er samen enkel een stinkend potje van. Vier: ze moeten afdwingen dat de medewerkers van de organisaties in de financiële industrie zich kunnen wenden tot een burgerlijk meldpunt, wanneer ze observeren dat regelgeving of inzichten van het gezond verstand worden verkracht of waarnemen dat financieel ongeletterde medeburgers meedogenloos worden geschaad in hun financieel welzijn. Vijf: bestuurders, kaderleden, bedienden en verkopers die schade hebben berokkend door onbekwaamheid of kwade opzet (dat kan in het midden blijven), worden persoonlijk aangesproken voor recuperatie en krijgen een levenslang beroepsverbod opgelegd.

BESLUIT

De muziek is zeer toegankelijk. Het boek is zeer lezenswaardig voor alle burgers, maar helaas is slechts een klein deel geïnteresseerd en bij machte om het ook te begrijpen. De werkelijke oorzaken van het Arco-Dexia-Belfius-schandaal zijn onbekwaamheid en onverschilligheid bij de volksmassa’s, waardoor onverlaten van allerlei slag jarenlang hun gang konden gaan. In die volksmassa’s bevinden zich zowel de Arconauten (bevestigd in hun attitude door de goocheltruc met de staatswaarborg) als de spaarders (nu verdwaasd door steeds maar hogere waarborgen en steeds lagere rentevergoeding). Wie het wel begrijpt, realiseert zich ook dat zijn financiële gezondheid onvermijdelijk afhankelijk is van de financiële bekwaamheid van zijn medeburgers en de integriteit van de politici die zij aan de macht houden. Precies de herrijzenis van Dexia als Belfius, waarbij dezelfde mensen dezelfde praatjes verkopen, en het feit dat evidente conclusies niet worden getrokken, stemmen dan helemaal niet tot optimisme. Voor de samenleving waarin het ACW huisde, ligt een Afrikaanse rating in het verschiet. Wie dat al had begrepen voor Ardaens boek verscheen, had allicht al beslist zijn toekomst veiliger te stellen door zijn spaargeld te onttrekken aan het baldadig gedrag van lokale depositobankiers en hun politici. Gelet op hoe die te keer gaan, kan men dat niet brandmerken als incivisme. Integendeel, zijn heroïne afnemen verhoogt de levenskansen van de junkie. Maar vooral: louterende en structurele maatregelen dringen zich op. Die zullen ons bevrijden van het juk van depositobankiers.
Wie bovenstaande inzichten deelt of er integendeel afschuw bij voelt, wie er over wil discussiëren of actie wil ondernemen, kan mij vinden.

Jos Leys
Senior Research Fellow, Center for Ethics & Value Inquiry (CEVI), UGent.
3

Noten
1/ Bernhard Ardaen, Tijdbom Dexia. De inside story, Periscoop Producties, maart 2012, 223 p.
2/ Gillian Tett, Fool’s Gold: How the Bold Dream of a Small Tribe at J.P. Morgan Was Corrupted by Wall Street Greed and Unleashed a Catastrophe, Simon & Schuster, 2009.
3/ Jos Leys onderzoekt epistemische en ethische aspecten van financieel gedrag. Hij studeerde wijsbegeerte en behaalde vervolgens een MBA. Hij was twintig jaar werkzaam in de financiële industrie, maar heeft steeds propere handen en nooit last van financiamorgana’s gehad.

banken - bankencrisis - Dexia

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 5 (mei), pagina 70 tot 79