Log in

'De neoliberale waanzin. Flexibel, efficiënt en gestoord'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 5 (mei), pagina 80 tot 82

De neoliberale waanzin. Flexibel, efficiënt en gestoord

Paul Verhaeghe
VUBPRESS, Brussel, 2012

Sinds we de stellingen van Paul Verhaeghe lazen, zien we ze dagelijks geïllustreerd in zeer veel maatschappelijke gebeurtenissen: afbrokkelende solidariteitsgevoelens, stressproblemen, sterk toegenomen gebruik van kalmeermiddelen, een stijgend aantal zelfmoorden en toenemend geweld. Dit boekje verscheen naar aanleiding van een uiteenzetting die de hoogleraar en voorzitter van de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie (UGent) op 17 maart 2012 gaf in het kader van de Paul Verbraeken lezingenreeks.

Mensen geloven vaak in een verhaal dat hen wordt voorgespiegeld en na verloop van tijd gedragen ze zich ernaar. Paul Verhaeghe stelt dat dit reeds geruime tijd het neoliberale economische verhaal is. Het beheerst onze samenleving in al zijn sectoren: wetenschap, zorg, onderwijs, media. Het bepaalt onze identiteit, dus ook onze normen en waarden en onze verhouding tegenover anderen. Het beoogt enkel de belangen van het bedrijfsleven. De mensen worden verondersteld voor zichzelf te zorgen… Alle solidariteitsmechanismen worden uitgehold tot opgedoekt. Met het concept ‘disciplinering’ verklaart hij waarom niemand durft te protesteren tegen een anoniem kwaliteitsbewakend systeem dat tegelijk fraude en vervalsing in de hand werkt.

Er is een sterke analogie met het sociaal darwinisme. Deze als wetenschap verpakte ideologie gaat uit van de ‘survival of the fittest’. Wie niet meekan, laat staan winnen, in de rat race komt terecht in een groeiende groep mensen die zich mislukt voelt. Ze krijgen het etiket ‘loser’: te dom, te oud, te werkloos, te veel expert in iets wat economisch onrendabel wordt geacht. Enkelingen, soms verzameld in een beweging zoals de Indignados, komen in opstand, maar velen zwijgen, worden sociaal angstig, depressief of hyperconsumerend. In de neoliberale markteconomie is de ideale mens deze die voor de hoogste productie zorgt. Alles moet worden gemeten, ook wat moeilijk tot onmeetbaar is. Kwantiteit krijgt hier ruim voorrang op kwaliteit. De wijze waarop men kwaliteit probeert te scoren is dikwijls erg bedenkelijk. Politici bijvoorbeeld krijgen elk jaar een ‘ranking’ op basis van het aantal parlementaire vragen. Zo was er ooit één over een bepaald onderwerp dat men duidelijk omwille van de tellers in twee vragen had gesplitst. Het is enkel nog wachten op het eerste parlementslid dat in een ruk vraagt: ‘1. Weet U iets over dat onderwerp’, ‘2. Zo ja, wat weet U er over’ en vraag 3. ‘ Weet U of hierover verder onderzoek nodig is’. . . Samen met de registratie van hun aanwezigheid geeft een dergelijke ranking een perfect inzicht in wie de beste vertegenwoordiger van het volk is.

Werkende mensen presteren selectief om te scoren op wat gemeten wordt, want daar hangt hun beloning van af. Hun gedrag verschuift mee met wat gemeten wordt. Soms heeft de meetlat zulk een kort bereik dat alles wat er buiten valt zijn bestaansrecht verliest. Diversiteit verdwijnt. Passie dooft. Tevens ontstaat er een papieren werkelijkheid die zich aanpast aan de meetbaarheid én die in toenemende mate verschilt van de realiteit.

De beleggers delen niet enkel de lakens uit in hun bedrijven, maar hun belangen bepalen ook in zeer grote mate hoe onze wereld er uitziet. Het neoliberale denken is doorgedrongen in hoe het onderwijs, het wetenschappelijk onderzoek, gezondheidszorg en uiteraard uw arbeid wordt georganiseerd. Er is een economische meritocratie geïnstalleerd die enkel nog mensen en zaken de moeite vindt die geld opleveren. Zo heroriënteert ons onderwijs zich meer en meer in functie van wat nuttig is voor de arbeidsmarkt. Schrijven zonder dt-fouten lijkt daar niet bij te zijn. Geschiedenislessen die ons zouden kunnen helpen de gelijkenis op te merken tussen de manier waarop de Roemeense kranten elke dag verplicht over Ceaucescu in al zijn doen en laten moesten schrijven en deze waarop alle Vlaamse media het vrijwillig de laatste drie jaar nog maar over één politicus hebben, komen in het gedrang. Paul Verhaeghe vermeldt terloops ook even het nieuwe idool Theodore Dalrymple en merkt op dat het land dat het meest diens ideaal benadert (een land zonder de verwennerij van de verzorgingsstaat), ook het land is met het hoogste aantal medische, psychosociale en mentale stoornissen én met de grootste gevangenispopulatie. Iedereen zal wel de Verenigde Staten herkennen, waar zelfs de beperkte hervorming die Obama doorvoerde op massief rechts verzet stuitte. Je zou denken dat dit voldoende argumenten zijn om aan die kerel niet meer dan een anekdotisch belang te hechten, maar de Vlaamse kranten vinden het nuttig om hem telkens weer op hun lezerspubliek los te laten.

‘Duurzaamheid en kwaliteit staan haaks op de verplichting tot consumeren en de noodzaak om winst te maken’. Deze stelling werd ontstellend geïllustreerd door het fenomeen van de ‘ingebouwde veroudering’ van elektronica en printers waardoor die gegarandeerd stuk gaan een jaar na het aflopen van de garantie. Good for business, maar die praktijk verbieden is blijkbaar moeilijker te reguleren dan de krommingsgraad van bananen (Commission Regulation, EC, No 2257/94, 16 september 1994).

Nooit had de westerse mens het zo goed, nooit voelde hij zich zo slecht’. Paul Verhaeghe’s lezing biedt de lezer handvaten en concepten om het vage onbehagen dat we voelen op vele terreinen in ons leven een plaats te geven. Zijn verfrissende inzichten bieden ons de kans om ons wat losser te maken van het neoliberale verhaal waar we zo dicht op zitten dat we soms het gevoel hebben geen bewegingsruimte of keuze te hebben. Hij doorspekt een degelijke analyse met sprekende en herkenbare verhalen uit alle sectoren. Het is tevens uitkijken naar zijn volgende boek Identiteit (De Bezige Bij) dat in september verschijnt en waar hij het zal hebben over het effect van (deze) maatschappelijke veranderingen op het nieuwe ik-gevoel.

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 5 (mei), pagina 80 tot 82