Log in

Prutsen aan index geen onderdeel van geloofwaardig relancebeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 5 (mei), pagina 22 tot 30

Er gaat geen dag voorbij of het Belgische systeem van automatische indexering wordt al tandenknarsend bekritiseerd. De index zou de inflatie aanwakkeren, voor onoverbrugbare competitiviteitproblemen zorgen, onze begroting doen ontsporen, ons handelstekort doen toenemen. De afgelopen maanden werden er dan ook vanuit verschillende hoeken ballonnetjes opgelaten over aanpassingen aan het systeem van de automatische loonindexering. Hoe morrelen aan onze index zal bijdragen tot een gezondere begroting blijft evenwel een van de grote neoliberale mysteries. Zoals we verder zullen aantonen, is het indexeringsmechanisme net een garantie op een stabiele groei van de overheidsinkomsten. Spijtig genoeg stellen we vast dat spreken met kennis van zaken in deze discussie blijkbaar geen vereiste is om op het voorplan (of een opiniepagina) te treden. We beginnen dit artikel dus met het antwoord op de vraag: die automatische indexering, hoe werkt dat?

WAT IS DAT EIGENLIJK, DIE INDEX?

Met kennis van zaken over de index spreken

Maandelijks verschijnt in de pers een bericht waarbij de minister van Economie afkondigt hoe hoog het inflatiecijfer de afgelopen maand was. Het inflatiecijfer is gebaseerd op de ‘index van de consumptieprijzen’, ook wel ‘de index’ genoemd. De index geeft de prijsevolutie weer van een korf van producten en diensten geconsumeerd door de huishoudens. In deze korf zitten ongeveer 520 producten en diensten die allen een gewicht krijgen, afhankelijk van de plaats die ze innemen in het consumentenpatroon van de huishoudens. De keuze van de producten is dus niet arbitrair, ze gebeurt op basis van een uitgebreide huishoudbudgetenquête. Op deze manier is de index representatief voor het verbruik van alle gezinnen, ze is de barometer voor de levensduurte. Op geregelde tijdstippen worden de korf, de gewichten en de berekeningsmethodes aangepast aan de evoluties in het consumentenpatroon. De index is dus een broos, maar evenwichtig instrument. Nu, hoe is de Belgische loonvorming aan ‘de index’ gekoppeld?

De index en de loonvorming

Vanuit de ‘index van de consumptieprijzen’ wordt de ‘gezondheidsindex’ gedestilleerd. De gezondheidsindex is het globale indexcijfer zonder rekening te houden met de prijzen van tabak, alcohol, benzine en diesel. Merk op dat deze bewerking een eerste afzwakking vormt van het principe dat de index de levensduurte moet weerspiegelen. De laatste maanden hebben de gezinnen de kosten voor het voltanken van hun wagen fors zien oplopen, zonder hiervoor een compensatie te ontvangen. Want, hier gaat ons verhaal verder, het is de gezondheidsindex die de kern van de automatische indexering vormt.
De term ‘automatische’ loonsindexering roept het beeld op van een ganse economie die op hetzelfde ogenblik een aanpassing van haar lonen kent. Dit is absoluut niet correct. De mechanismen waarmee de loonsaanpassingen gebeuren, lopen ver uiteen. In de publieke sector en voor de sociale uitkeringen is de automatische indexering bij wet vastgelegd. Wanneer het viermaandelijks voortschrijdende gemiddelde van de gezondheidsindex de spilindex overschrijdt, vindt er een indexering van de lonen in de publieke sector en de sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheidsuitkeringen, …) plaats. Het feit dat niet het maandelijks gezondheidsindexcijfer wordt gebruikt, maar het voortschrijdend viermaandelijks gemiddelde, zorgt voor een vertragend effect. Het effect van seizoensgebonden of onverwachte prijsschokken wordt hiermee geneutraliseerd.
In de privésector is de automatische indexering niet gegarandeerd via een wet, het zijn de CAO’s die het moment, de omvang en de wijze van de indexering bepalen. De meest voorkomende indexeringssystemen zijn ofwel gebaseerd op een spilindex (zoals voor de publieke sector), of gebeuren op een vast tijdstip - ongeacht het peil van de gezondheidsindex - of een mix van deze twee systemen (indexering op vaste momenten, maar enkel bij een overschrijding van de spilindex). Het feit dat deze systemen dusdanig uit elkaar lopen, zorgt voor een spreiding van de indexeringen over de economie zodat plotse loonschokken worden voorkomen en het inflatoir effect tot een minimum wordt herleid.
In ongeveer 29 (op 200) paritaire comités bestaat er zelfs geen automatische indexering van lonen. Zo is er het schrijnende voorbeeld van PC 100. Voor de arbeiders (zo’n 100.000) die werken in een bedrijf van PC 100 zijn er simpelweg geen minimale sectorale loons- en arbeidsvoorwaarden.

Belang

Tot dusver de technische aspecten. Naast België hebben slechts een handvol landen in de EU (Cyprus, Malta en Luxemburg) een systeem van automatische indexering. In het merendeel van de Europese landen zijn bepaalde inkomensvormen geïndexeerd, zoals bijvoorbeeld minimumlonen, pensioenen of het loon in specifieke sectoren. Maar dat alles maakt het belang er in België niet minder op.
Hoewel het gebruik van de gezondheidsindex het principe van het koopkrachtbehoud uitholt, vormt de index momenteel het belangrijkste middel om de economische slagkracht van de gezinnen op peil te houden. In de EU is België een van de weinige landen waar de binnenlandse consumptie niet volledig is stilgevallen tijdens de crisis, wat op zijn beurt heel wat sectoren het hoofd boven water deed houden. Maar dat niet alleen. De automatische indexering creëert een belangrijke mate van solidariteit tussen de werknemers. Sectoren met een sterke onderhandelingsmacht onderhandelen makkelijker goede loonsvoorwaarden dan ‘zwakkere’ sectoren. De index zorgt voor een basis voor iedereen, ongeacht de sterkte van de sector. Zo ook voor de actieven op de arbeidsmarkt en de inactieven (gepensioneerden, zieken, werklozen): ondanks hun zwakkere onderhandelingspositie garandeert de index de koopkracht van iedereen.
In Europese landen zonder automatische loonindexatie moeten de loononderhandelingen in de verschillende sectoren vaak vanaf nul herbeginnen als een CAO is afgelopen. In België wordt door de automatische indexering van de lonen al een pak onzekerheid bij de werknemers weggenomen, waardoor de onderhandelingen vlotter verlopen. De index garandeert daarmee de sociaaleconomische stabiliteit van het land. Het behoeft weinig uitleg dat het systeem van automatische indexering de nucleus vormt van het Belgisch sociaal overleg. De automatische indexering is de middenstip van ons sociaaleconomisch speelveld.

Inflatoir en onrechtvaardig?

Twee kritieken op het systeem van automatische indexatie springen momenteel in het oog. De eerste stelt dat de automatische indexering de inflatie aanwakkert. De tweede meent dat de index sociaal onrechtvaardig is, omdat ook de hogere inkomens een indexatie krijgen.

Wat de inflatie betreft, kan het nuttig zijn om een onverdachte bron te citeren. Ongeveer een jaar geleden wist Europees Commissaris Olli Rehn te vertellen dat het Belgische indexatiesysteem een ‘intelligent ontworpen systeem is’ en dat het ‘aanzienlijk verschilt van ouderwetse indexsystemen die schadelijk zijn voor het concurrentievermogen’. Hetgeen Olli Rehn weet te vertellen, klopt. Uit voorgaande analyse blijkt immers dat door het gebruik van de gezondheidsindex, het gebruik van een viermaandelijks gemiddelde en door een brede sectorale spreiding van de indexatiemomenten in de tijd het risico op een excessieve loon-prijsspiraal tot een minimum wordt herleid, of in ieder geval tot het effect dat de onderhandelde lonen in de buurlanden hebben op de inflatie.
De inflatie lag de afgelopen maanden in ons land hoger dan deze in de ons omringende buurlanden. De belangrijkste factor hierin waren de energieprijzen. Een gezin in Antwerpen betaalt volgens Test Aankoop jaarlijks een elektriciteitsrekening van 723 euro, neem een uurtje of twee de auto richting Rijsel en je betaalt als gezin 480 euro. Enkele jaren geleden was dit verschil een pak kleiner. De energieprijzen hebben de inflatie fors doen stijgen, niet de lonen.

De eerste kritiek komt meestal uit de hoek van werkgevers of internationale organisaties, de tweede kritiek - over het onrechtvaardige karakter van de automatische indexering - komt vaak van werknemers zelf. Waarom krijgen de hoge lonen ook een indexatie, en niet enkel de lagere? Daar is één belangrijke reden voor. De automatische indexatie zorgt voor een minimale garantie van het behoud van koopkracht, niet meer, niet minder. Ze heeft géén herverdelende functie, ze is in dat opzicht neutraal. De herverdeling gebeurt door het progressief belastingsysteem (wie bruto meer krijgt door een indexatie zal ook meer afdragen aan de staat) en door de sociale politiek (de sociale uitkeringen). Bij een beperking van de indexatie tot enkel de lage inkomens verliest de staat een pak geld, aangezien de belastingen geheven worden op het brutoloon van iedereen. De pot waaruit belastingen gehaald worden, stijgt daardoor niet evenredig met de uitgaven van de staat, want de pensioenen en uitkeringen worden wél geïndexeerd. Sleutelen aan het evenwicht tussen deze verschillende systemen zorgt voor een uitholling van de staatsfinanciën en brengt het uiteindelijke voortbestaan van het indexatiesysteem in gevaar.

WAAROM DE RECENTE INDEX-BALLONNETJES BEST DOORPRIKT WORDEN

Ondanks de aanhoudende kritiek blijft het indexeringsmechanisme bij het grootste deel van de bevolking nog steeds enorm populair. De meeste werknemers weten maar al te goed op welke manier het mechanisme hun koopkracht veilig stelt. Daarom zijn pleidooien voor een volledige afschaffing van het mechanisme eerder zeldzaam. Vaak wordt de uitholling van het indexeringsmechanisme verpakt in een verhaal rond modernisering of van een eenmalige indexsprong. We bespreken hieronder enkele recente voorstellen.

Back to the 80’s: de indexsprong

Een van de meest opvallende aanvallen op de index kwam de afgelopen maanden van enkele CD&V-zwaargewichten. Zowel federaal vice-premier Steven Vanackere als Vlaams minister-president Kris Peeters verklaarden zich voorstander van een indexsprong. Ondertussen berekende professor Joep Konings, titularis van de Voka-leerstoel aan de KULeuven, dat zo’n indexsprong op twee jaar tijd ongeveer 32.000 bijkomende jobs zal opleveren.
Een eerste bedenking die we bij het lezen van de studie van professor Konings maakten is dat de beloofde jobs wel zeer duur betaald worden. Een indexsprong van 2% betekent dat de Belgische werknemers om en bij de 3 miljard euro cadeau zouden doen aan hun werkgevers. Als daar in ruil slechts 32.000 jobs tegenover staan, betekent dit meer dan 90.000 euro per job. Een indexsprong is daarenboven helemaal geen eenmalige maatregel, aangezien de meeste werknemers de opgelopen loonachterstand voor de rest van hun loopbaan meedragen. Het is ook hoogst onzeker of deze jobs daadwerkelijk ooit gecreëerd zullen worden aangezien de voorspelling stoelt op een theoretisch model dat de negatieve effecten van een indexsprong op de vraag onderschat. Ten slotte zijn de voorstanders van een indexsprong er nog niet uit of ze de winst van een dergelijke operatie aan de ondernemingen willen laten of laten doorvloeien naar de schatkist. In dit laatste geval zou een indexsprong volgens een scenario van de Nationale Bank zelfs jobs vernietigen.
Ook uit de CD&V-stal kwam het non-idee van staatssecretaris Hendrik Bogaert om de komende vijf jaar telkens 0,92% loon in te leveren. ‘Maar,’ verzekert de creatieve staatssecretaris ons, ‘bij een inflatie van 3% stijgen de lonen nog altijd met 2%.’ Dat de werknemers op deze manier na 5 jaar maar liefst 4,5% van hun koopkracht kwijt zijn, lijkt Bogaert niet te deren, want ‘de ondernemersorganisaties Voka en Unizo waarschuwen dat bedrijven ons land willen verlaten wegens de hoge loonkosten’. Misschien doelt de staatssecretaris hierbij op de recente Unizo-enquête waaruit zou blijken dat maar liefst 1 op 4 ’kmo’s een verhuis naar het buitenland overweegt’. Het zou volgens ons al heel wat zijn mocht 1 op 4 kmo’s ooit al eens een product verkopen in het buitenland.

Van energiekosten en kapotte thermometers

Zoals we hierboven reeds aanhaalden kan men er niet omheen dat de stijging van de energieprijzen voor een versnelde indexering van lonen en uitkeringen zorgt. Daarom zijn er verschillende stemmen, waaronder Unizo, die pleiten voor een ‘groene index’ waarbij de energieprijzen uit de indexkorf worden gehaald. Deze oplossing is onrechtvaardig omdat het de hogere energiekost volledig afwentelt op de loontrekkers en uitkeringsgerechtigden. Zij betalen meer voor hun elektriciteit of gas, terwijl hun loon of uitkering niet in dezelfde lijn evolueert.
Een index zonder energieprijzen om de inflatie te lijf te gaan, is even efficiënt als het behandelen van een zieke door de thermometer stuk te slaan. Het probleem van de hoge energieprijzen in België zal niet verdwijnen door de kost volledig af te wentelen op de werknemers. Zowel voor werknemers als de werkgevers is het beter de energieprijzen rechtstreeks aan te pakken. Een van de meest tastbare resultaten van de recente overwinning op Electrabel, was net de verschuiving met één maand van de spilindex. Er moet daarom dringend werk worden gemaakt van een moderne transparante prijzencontrole, in eerste instantie op de energieprijzen.
Dat de energieprijsinflatie in België zo hoog ligt, heeft veel te maken met de maandelijkse prijszetting van de energieleveranciers, aan de hand van parameters die sedert de vrijmaking van de energiemarkt niet langer de reële productiekost weergeven. In Nederland kennen de energieprijzen voor de kleine consument slechts twee maal per jaar een aanpassing. De Nederlandse regulator heeft becijferd dat dit de Nederlandse consumenten jaarlijks een voordeel van minstens 250 miljoen euro oplevert.
Ten slotte is de goedkoopste energie nog steeds de energie die je niet verbruikt. Nergens in Europa zijn de woningen zo slecht geïsoleerd als bij ons en wordt er nog zoveel met stookolie verwarmd. Bovendien is de Belgische industrie meer energie-intensief dan in de buurlanden. Indien we dit probleem bij de wortel willen vatten, zullen we zowel federaal als regionaal eindelijk volop moeten kiezen voor een beleid gericht op energiebesparing.

Netto-index

Een andere Unizo-klassieker is het voorstel om enkel de nettolonen te indexeren, want ‘twee derde van de loonsverhoging door de indexaanpassing is niet ten voordele van de werknemer, maar wel ten voordele van de overheid via de sociale lasten’. Er zijn twee voor de hand liggende redenen waarom ook dit idee de filosofie van het indexeringsmechanisme ondergraaft.
Ten eerste wordt het recht op de sociale zekerheidsuitkeringen berekend op basis van het brutoloon. Denk maar aan het pensioen en de werkloosheidsuitkering. Een netto-index is dus wel degelijk in het nadeel van de werknemer. Ten tweede is een netto-index natuurlijk ook een heel slechte zaak voor de overheidsfinanciën. Een loutere indexering van de nettolonen vergroot de tekorten van de sociale zekerheid en van de begroting. Opnieuw zou gepruts aan de index dus nefaste effecten hebben op budgettair vlak.

ZORGEN DE BELGISCHE LONEN VOOR EEN COMPETITIVITEITSPROBLEEM?

Wat zegt Europa over de index?

Een automatische indexatie is een vrij uniek fenomeen in Europa. Praat je met mensen van de Europese Commissie of de Europese Centrale Bank (ECB), dan merk je dat ze het systeem in al zijn nuances niet begrijpen. In de meeste Europese beleidsdocumenten staan verwijzingen naar de afschaffing of hervorming van de automatische indexering. Alhoewel Europa economisch in brand staat, worden er op geregelde tijdstippen vergaderingen bij de Europese Commissie belegd waar de lidstaten met een indexatiesysteem op het matje worden geroepen. Waarom mag de indexatie, een nationaal gebruik dat al sinds de jaren 1940 wijdverspreid is, op zoveel Europese aandacht rekenen?

Het Europa van de 21ste eeuw is geobsedeerd door één woord: competitiviteit. De crisis heeft gaten geslagen in vele Europese begrotingen en enkele economieën liggen praktisch in puin. De Europese Commissie predikt van bij de aanvang van de crisis slechts twee oplossingen: bezuinigingen en structurele hervormingen. De bezuinigingen zullen de staatsapparaten ‘lean and mean’ maken, waardoor ze opnieuw geld kunnen aantrekken vanuit de financiële markten. De structurele hervormingen zullen de Europese economieën competitiever maken. Van de eerste Europese oplossing is ondertussen geweten dat het een fabeltje is - onze Europese beleidsmakers drijven het evenwel als koppige kinderen door. Van het tweede wil Europa geen centimeter afwijken.
Voor de start van de Eurozone konden landen die in problemen kwamen (bijvoorbeeld excessieve handelstekorten) hun munt devalueren. Hierdoor werd hun binnenlandse productie in het buitenland goedkoper, waardoor de export een boost kreeg en de import werd beperkt. De verhouding binnenlandse lonen/binnenlandse producten bleef hierbij gelijk. Deze optie is door de euro niet meer mogelijk, maar daar hebben de bureaucraten in Brussel en Frankfurt iets op gevonden: interne devaluatie door structurele hervormingen (lees: lagere lonen). Een economie kan zichzelf devalueren door lonen en prijzen naar beneden te halen en zich zo opnieuw ‘in de markt prijzen’. Deze benadering zorgt niet enkel voor een sociaal, maar ook voor een economisch bloedbad.
De structurele hervormingen beogen voornamelijk de arbeidsmarkt en sociale uitkeringen: volgens de Europese instellingen moet de loonvorming flexibel zijn (aanpasbaar naargelang de situatie), het arbeidsaanbod manipuleerbaar en de sociale uitkeringen ‘activerend’. Laat de vermaledijde indexatie net een stokje voor dit alles steken. De automatische indexatie garandeert voor iedereen, werknemers en uitkeringsgerechtigden, een automatische koopkrachtaanpassing. Dat is in de ogen van Europa allesbehalve ‘flexibel’. Bovendien is de index de spil van het gecentraliseerde loonsoverleg in België: de mate van indexering bepaalt de marge die de sectoren hebben in hun loonsonderhandelingen, opnieuw allesbehalve ‘flexibel’. De index staat niet enkel de Europese politiek van loonsdeflatie in de weg. Doordat de indexering een gebalanceerde groei van de overheidsinkomsten garandeert, staat ze ook een ‘kleinere’ overheid in de weg. Niet verwonderlijk dat ze keer op keer wordt aangevallen.

Zijn onze lonen eigenlijk een probleem?

Onze lonen liggen in absolute cijfers hoger dan in de ons omringende landen. Deze stelling houdt echter geen rekening met drie belangrijke nuances: de loonsubsidies, de productiviteit van onze economie en de Duitse lage loonpolitiek.
Wanneer in de pers vergelijkingen m.b.t. onze buurlanden verschijnen, wordt vaak over het hoofd gezien dat de cijfers die de absolute loonkost voorstellen niet overeenstemmen met datgene wat de werkgever uiteindelijk zal betalen. Volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven1 zullen in 2012 de Belgische uurloonkosten 4,6% hoger liggen dan de buurlanden (Frankrijk, Duitsland en Nederland). Wanneer we van deze ‘loonkloof’ echter alle loonsubsidies aftrekken die de Belgische werkgevers ontvangen, verkleint de loonkloof tot amper 1%. Loonsubsidies zijn voorheffingen en bijdragen die van het werknemersloon afgehouden worden, maar die niet naar de fiscus doorgestort moeten worden. De werkgevers behouden deze inhouding, wat de productiekost doet dalen.
Onze economie heeft hoge lonen, maar ook een hoge productiviteit. Om de competitiviteit van een economie te beoordelen moet je de sectoren in overweging nemen die blootsgesteld zijn aan internationale concurrentie. Wanneer we een vergelijking maken van de loonkost per geproduceerde euro output in de industrie, zijn de verschillen nog steeds navenant. In België bedraagt de loonkost per geproduceerde euro output in de industrie 0,67 euro, in Duitsland 0,75 euro, in Frankrijk 0,72 euro en in Nederland 0,5 euro.2 De index heeft dus geen invloed op onze productiviteit.
Tijdens de onderhandelingen over het IPA 2011-2012 verschenen hierover drie interessante studies van de professoren Paul De Grauwe, Paul Van Rompuy (KULeuven) en Freddy Heylen (UGent), waarvan we het nuttig vinden om de conclusies opnieuw onder de aandacht te brengen.
Zo kwam professor De Grauwe tot de conclusie dat er, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, op lange termijn geen sprake is van een systematische verslechtering van de Belgische competitiviteit. Heylen en Van Rompuy stelden vast dat de werkgelegenheidsgroei onder het Duitse model niet zo indrukwekkend was als vaak gedacht en merkten op dat het voeren van het competitiviteitsdebat in termen van loonkostvermindering uiteindelijk tot een oneindige negatieve spiraal leidt. Professor Heylen verwoordde dit zo: ‘Concurrentiekracht via loonmatiging blijft een in de eerste plaats relatief gegeven. Hoe sterk men de lonen ook matigt, als andere landen ze parallel matigen staat men qua concurrentiekracht nog altijd nergens. (…) Vanuit ruimer perspectief is dit spel onhoudbaar. Europa heeft dringend een beleid nodig t.a.v. verantwoorde loonvorming.’

En toen was er Duitsland

Het ganse competitiviteitsverhaal dat momenteel gepredikt wordt door Europa vindt zijn oorsprong in de Duitse loonmatiging van de afgelopen jaren. We mogen de lonen als component van het Duitse succes echter niet overschatten, andere factoren blijven onterecht onderbelicht.
In een recente studie3 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) wordt de situatie breder onderzocht. De studie stelt dat de echte kracht van de Duitse economie uit twee componenten bestaat: haar geografische ligging in de buurt van nieuwe markten en het feit dat Duitsland hoogwaardige industriële producten aanbiedt, gericht op de exportmarkt. Het is zo dat tot op vandaag - ondanks de relatieve daling ten opzichte van de rest van de eurozone in de afgelopen jaren - de loonkosten in de Duitse industrie de op drie na de hoogste in Europa zijn. Commentatoren schetsen al te vaak het beeld van een Duitse industrie die competitief is door lonen te betalen op het niveau van de ex-Oostbloklanden. Niets is minder waar. De Hartz-hervormingen hadden, volgens de IAO, vooral een effect op de lagere segmenten van de arbeidsmarkt: hoofdzakelijk in de Duitse dienstensector (en niet in de industrie of machinebouw) daalden de lonen fors en verschenen er nieuwe, laagbetaalde jobs. Hierdoor steeg de ongelijkheid, zakte de binnenlandse consumptie in elkaar en bleef de economische groei ver onder haar potentieel. In België, waar het consumentenvertrouwen op niveau bleef door de automatische indexering, werd in de crisisjaren een hogere economische groei opgetekend.

DUURZAME COMPETITIVITEIT TE VERKIEZEN BOVEN KOSTENDUMPING

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, is ook het ABVV voorstander van een grondige discussie over de competitiviteit van onze economie. Pleidooien voor loonmatiging en lastenvermindering zijn echter ouderwetse recepten die op Europees vlak enkel tot een race-to-the-bottom leiden. Een toekomstgerichte invulling van het competitiviteitsdebat verlegt de focus naar opleiding en innovatie. Met een werkloosheidsgraad van 6,64% in maart 2012 hoeft Vlaanderen trouwens niet onder te doen voor het Duitse gidsland.

De grootste problemen op de Vlaamse arbeidsmarkt zijn vandaag al lang niet meer de hoge loonkosten of fiscale lasten, maar wel de toenemende krapte en de aanhoudende discriminatie van kansengroepen als 50+’ers en allochtonen. Wat dit laatste punt betreft, blijven specifieke maatregelen ter ondersteuning van deze groepen noodzakelijk. Wat het tekort aan voldoende geschoold personeel betreft zal iedereen een inspanning moeten doen. De overheid door voldoende te blijven investeren in opleiding, de werknemers door zich aan te passen aan de wijzigende noden op de arbeidsmarkt, maar ook de werkgevers moeten hun duit in het zakje doen. Het is daarom des te schrijnender dat de afspraak uit het IPA 2007-2008 om ten minste 1,9% van de loonmassa in opleiding te investeren nog steeds dode letter blijft. Vandaag bedragen deze investeringen nog steeds slechts 1,02% van de loonmassa. Veel minder dan in Duitsland, Nederland, het Verenigd Koninkrijk of de Scandinavische landen.
Een ander teer punt in onze competitiviteit zijn de investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Zowel de Vlaamse overheid als het bedrijfsleven zijn nog ver verwijderd van de 3%-doelstelling uit de EU 2020-strategie. Ook wordt Vlaanderen reeds lang geconfronteerd met de zogenaamde innovatieparadox. Dit betekent dat de onderzoeksactiviteiten van de Vlaamse kenniscentra te weinig vertaald worden naar innovatie in het Vlaamse bedrijfsleven. Het fenomeen hangt nauw samen met de structuur van de Vlaamse economie. Vlaanderen is vooral gespecialiseerd in medium en lowtechsectoren die minder kennisintensief zijn en vooral gedreven worden door procesinnovatie gericht op kostenbesparing eerder dan op productinnovatie gedreven door de zoektocht naar nieuwe markten.
Een laatste pijnpunt is het exportgedrag van onze ondernemingen. De Vlaamse en Belgische export is namelijk sterk geconcentreerd bij grote ondernemingen. Vergeleken met deze grote ondernemingen exporteren kmo’s relatief weinig, waardoor heel wat potentieel onbenut blijft. Onze export is in de eerste plaats gericht op de oude lidstaten van de EU-15 (en op de buurlanden in het bijzonder) en minder op groeimarkten zoals de nieuwe EU-lidstaten, de BRIC-landen en de Aziatische tijgers. Ook de productstructuur van de Belgische export is minder aangepast aan de wereldvraag: tussen 1995 en 2008 steeg de vraag naar Belgische exportproducten iets minder snel dan de vraag naar de exportproducten van onze belangrijkste concurrenten.
Ten slotte moet ook de vraag gesteld worden welk soort van activiteiten we hier willen stimuleren. Stel dat het indexeringsmechanisme morgen zou verdwijnen, wie zou hier dan het meeste baat bij hebben? Alvast niet de werknemers of lokale handelaars en dienstverleners, die het slachtoffer zouden zijn van het negatieve effect op de vraag. Voor onze meest performante exportbedrijven zou dit ongetwijfeld een mooi cadeau zijn, maar zij hebben eerder nood aan goed opgeleid personeel en een goede infrastructuur. Een lineaire kostenverlaging komt dus vooral neer op het ondersteunen van de minst innovatieve en performante ondernemingen, voor wie zelfs het louter volgen van het algemeen prijspeil (los van BBP-groei) te veel gevraagd is. Op deze manier zullen zij natuurlijk nooit de nodige impulsen krijgen om hun lethargische werkwijze te veranderen.
Wie daarentegen investeert in innovatie, creëert exportpotentieel. Niet zozeer loonkosten spelen een rol, wel het innovatieve, betrouwbare karakter van uw producten. Het is daarom hoog tijd dat ook onze economie met grondige investeringen omgevormd wordt van een economie die voornamelijk halffabricaten produceert naar een innovatieve economie die haar mannetje staat in de wereldeconomie. Aanvallen op de loonvorming zijn hierbij eerder contraproductief omdat ondernemingen hierdoor niet voldoende voor hun verantwoordelijkheid worden geplaatst in het competitiviteitsdebat.

Lars Vande Keybus
Economisch adviseur Federaal ABVV

Mehdi Koocheki
Economisch adviseur Vlaams ABVV

Noten
1/ www.ccecrb.fgov.be/txt/nl/report\_nl.pdf.
2/ http://stats.oecd.org/
3/ www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---dgreports/---dcomm/---publ/documents/publication/wcms\_171571.pdf.

index - relance - besparingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 5 (mei), pagina 22 tot 30