Abonneer Log in

Hebben we als samenleving de media die we verdienen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 68 tot 74

Lieten maant media aan de nodige sereniteit in acht te nemen’. ‘Raad voor de Journalistiek wil overleg met hoofdredacteurs na busramp’. ‘Onderzoek kraakt NRC-berichtgeving over prins Friso’. ‘Reyers Laat is grensverleggend slecht’. Het gaat niet goed met de nieuwsmedia. Journalisten werken steeds meer onder druk en volgens de grillen van de markt. Het ongenoegen is groot. Maar krijgen de consumenten uiteindelijk niet de media die ze verdienen?

IN HET OOG VAN DE MEDIASTORM

De laatste maanden kwamen de media meermaals onder vuur omwille van fouten en onzorgvuldigheden in de berichtgeving. De commotie en zelfs controverse rond de rol en kwaliteit van de journalistiek heeft het onderwerp weer hoog op de publieke agenda geplaatst. Als Neil Postman in de jaren 1980 bezorgd was dat we ons kapot amuseerden door een overdosis goedkoop televisie-entertainment, dan lijkt die vrees en kritiek vandaag uitgebreid naar het informatieaanbod dat al te snel, overvloedig en van een steeds bedenkelijker allooi zou zijn.

De klachten zijn niet nieuw, daar gaan we meteen dieper op in. Ze overstijgen ook de Vlaamse nieuwsmedia, zoals ook blijkt uit de bovenstaande quote met betrekking tot het Nederlandse NRC Handelsblad, dat sinds september 2010 geleid wordt door de ex-hoofdredacteur van De Standaard, Peter Vandermeersch. Meer nog dan in de Lage Landen woedde de storm over de kwaliteit van de journalistiek de afgelopen jaren in Groot-Brittannië, met als belangrijkste uitschieter het recente afluisterschandaal van News of the World, waar een aantal journalisten verschillende professionele en morele grenzen overschreed. Het onderzoek hierrond leidde niet alleen tot het opdoeken van de Britse tabloid, maar opende ook een debat over de gevolgen van de machtsconcentratie rond News Corporation, het media-imperium van Rupert Murdoch, en de verstrengeling tussen media, politiek en bedrijfsleven.

In dat debat weerklinken luid de argumenten van de Britse journalist Nick Davies, die een aantal jaar geleden in het boek Flat Earth News zijn collega’s een spiegel voorhield en daarmee in binnen- en buitenland instemming oogstte. Volgens Davies gaat de pers en journalistiek in essentie ten onder aan het winstbejag van haar eigenaars en aandeelhouders: door de commerciële druk op redacties beschikken journalisten niet langer over de nodige tijd, middelen en redactionele vrijheid om de kwaliteitsvolle verslaggeving en duiding te garanderen, die we als samenleving van de journalistiek verwachten. Een cynicus zou opmerken dat we onze verwachtingen dan maar moeten bijstellen, maar daarvoor is de democratische rol van de media (nog steeds) te belangrijk.

PERS EN DEMOCRATIE

Als burgers in een democratie verwachten we veel van de pers. We willen dat de journalistiek ons op een waarheidsgetrouwe, betrouwbare en objectieve manier informeert over wat er in de wereld gebeurt. We verwachten dat die informatie ons snel bereikt en voorzien is van voldoende achtergrond en duiding, zodat we de feiten correct kunnen interpreteren. Dat de informatie zelf ook juist en dus ‘gedubbelcheckt’ moet zijn, lijkt hierbij voor zich te spreken. Als burgers moeten we immers correct en objectief geïnformeerd zijn om onze eigen mening te kunnen vormen over de samenleving en het beleid dat we wensen.

De rol van de journalistiek beperkt zich niet tot deze informatieopdracht. Naast ‘gatekeepers’ beschouwen we journalisten ook als vertegenwoordigers van ‘de vierde macht’, als ‘waakhonden van de democratie’. We verwachten dat journalisten de politieke en economische machthebbers kritisch in het oog houden en eventueel machtsmisbruik aanklagen. De pers als luis in de pels van het establishment. Dit veronderstelt sterke journalisten die hun nek durven uitsteken en al even moedige nieuwsredacties die risico’s durven nemen. Soms gebeurt het immers dat de journalist of de redactie die de confrontatie met het establishment aangaat, zoveel tegenwind krijgt dat haar eigen geloofwaardigheid op de proef wordt gesteld. Weerstand bieden is dan niet altijd evident. Dit maakt dat redacties steeds minder geneigd zijn om de nodige middelen vrij te maken om hun journalisten toe te laten zaken dieper uit te spitten.

Naast ‘gatekeeper’ en ‘waakhond’ vervult de journalist nog andere rollen: trends in de samenleving signaleren, mensen een spreekbuis bieden, de emancipatie en maatschappelijke participatie van alle burgers stimuleren, het maatschappelijke debat voeden en ontspanning en culturele verrijking bieden. De pers doet dit alles bovendien met respect voor de professionele deontologie, die principes van onafhankelijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en respect voor woord en wederwoord voorop stelt. Jawel, we verwachten heel veel van de media.

Maar verwachten we té veel? Als we alle eisen op een rij zetten, kunnen we er niet omheen: de lat ligt hoog. De mondige burger deinst er ook niet voor terug om de media terecht te wijzen als deze niet aan de eisen voldoen. Noem één bedrijf, organisatie, politieke partij, vereniging of minderheidsgroep die zich niet onder-, over- of anderszins misvertegenwoordigd voelt in de media. En geef ons één expert die vindt dat de media informatie uit zijn expertisedomein met voldoende zin voor detail en nuance brengen. Onderzoek toont aan dat de critici vaak gelijk hebben: de media brengen inderdaad een geconstrueerd, selectief en daardoor vertekend beeld van de ‘werkelijkheid’. De media zullen bijgevolg altijd onvolmaakt zijn, en vatbaar voor kritiek.

WAT IS ER MIS MET DE MEDIA?

Deze vaststelling neemt niet weg dat er wel degelijk een aantal zorgwekkende tendensen zijn. Deze tendensen en achterliggende oorzaken zijn bekend. Ze werden eerder al uitvoerig besproken door Geert Buelens in zijn vierdelig kerstessay voor De Standaard in 2009, die wees op enkele structurele problemen ten gevolge van de commercialisering van de media. Scherpe kritiek werd de afgelopen jaren ook geleverd in boeken onder redactie van Frank Thevissen (Media en journalistiek in Vlaanderen en De vierde onmacht) en op websites zoals Apache en Mediakritiek.

Keren we ook even terug naar Flat Earth News. Davies verwijst daarin naar een onderzoek van de Cardiff University in Wales, dat aantoont dat Britse krantenjournalisten in 2006 elke dag tot drie keer meer content produceerden dan een kwarteeuw geleden, onder andere omdat de krant in deze periode almaar dikker werd zonder dat de redacties in gelijke mate meegroeiden. De werkdruk op redacties ligt vandaag dan ook zo hoog dat sommige redacteurs onomwonden toegeven soms informatie over te nemen zonder ze te checken. Berichten van persbureaus, kant-en-klare PR-berichten die worden ingezonden door bedrijven, overheden en andere organisaties worden vaak integraal of in slechts licht herwerkte vorm overgenomen.

De bevindingen konden in Vlaanderen alvast de toets van de makers van het tv-programma Basta doorstaan. De fictieve persberichten die ze naar de Vlaamse nieuwsredacties uitstuurden, passeerden schijnbaar moeiteloos de journalistieke nieuwsfilter en verschenen onversneden in de kranten en op nieuwswebsites. De Vlaamse pers nam het sportief op. Een foutje. Kan gebeuren. Veel meer woorden leken ze er niet aan vuil te willen maken. Dat het echter blijft gebeuren, is al meer zorgwekkend en lokt veel bezorgdheid uit. De vraag is echter of dit soort fouten werkelijk toeneemt. Of krijgen we enkel die indruk doordat ze vandaag veel sneller worden opgemerkt en aangeklaagd, en dus zichtbaarder zijn?

DRUK DRUK DRUK

Journalisten werken steeds meer tegen de klok. In de strijd met de concurrentie neemt de druk om nieuws zo snel mogelijk te brengen steeds toe. Zeker online, waar het nieuws 24 uur per dag en zeven dagen op zeven blijft stromen, mag er niet meer getalmd wordt. De vrees is immers dat wie het gevoel heeft het nieuws elders sneller te kunnen vinden, niet zal wachten en zich elders zal informeren. Deze journalistieke obsessie met deadlines en scoops is natuurlijk niet nieuw. Het internet, die het mogelijk maakt om het nieuws onmiddellijk in real time te coveren, lijkt de slinger echter ver door te laten slaan.
Wie te snel werkt, maakt onvermijdelijk sneller fouten. Verschillende studies wijzen uit dat de snelheid waarmee journalisten werken een negatieve invloed heeft op de accuraatheid van hun eindproduct. Als fouten zich opstapelen, daalt ook de geloofwaardigheid van de media en het vertrouwen van het publiek in de pers. Volgens cijfers van de Eurobarometer stond eind 2010 vier op de tien Belgen ‘eerder wantrouwig’ tegenover de pers.

En zo straft het publiek, dat aan de ene kant verwacht dat de media er meteen als eersten bij zijn en alle informatie tot in de kleinste details onmiddellijk verspreiden, diezelfde media af wanneer ze in hun wedren soms de pedalen verliezen of flagrant uit de bocht gaan. Nochtans is het duidelijk: media die zich niet willen vergalopperen aan het zogenaamde ‘snelnieuws’, nemen er best helemaal afstand van. Een aantal alternatieve nieuwssites zoals De Wereld Morgen, Mo\* of Apache, hebben deze keuze gemaakt. Vanuit zuiver commercieel oogpunt is dit evenwel niet verstandig, want de publiekscijfers liggen dan meteen een pak lager.

DE GRILLEN VAN DE MARKT

Klik-, oplage- en kijkcijfers zijn voor mediabedrijven de voornaamste, zo niet de enige, graadmeter voor het succes van hun titels. Ze vormen op vele redacties de richtsnoer om te bepalen wat de nieuwsconsument wenst. Bovendien zijn ze het belangrijkste wapen in het aantrekken van adverteerders. Als de media dus beslissen om het nieuws te brengen zoals ze het brengen, dan mogen we ervan uitgaan dat de cijfers hen daarin sturen. Wat we daaruit mogen afleiden, is dat de consument zich makkelijk laat verleiden door sensationele headlines, een personalisering van het nieuws, verhalen over celebrities en zogenaamd ‘soft news’. De kritiek dat de media te veel inspelen op de guilty pleasures en het buikgevoel van het publiek mag dan al terecht zijn; het is wel datzelfde publiek dat bepaalt of de media rendabel kunnen blijven. Zijn het in dat opzicht niet de gebruikers zelf die vandaag de norm voor de journalistiek bepalen?

Deze vraag pleit de media uiteraard niet vrij. Hun verantwoordelijkheid blijft. De eindbeslissing over wat al dan niet gebracht wordt, ligt nog steeds bij de redacties. Het zijn uiteindelijk zij die, in hun constante drang hun publiek te plezieren, soms foute beslissingen en uitschuivers maken. Dit gaat van de overmatige media-aandacht voor de frituur of later het dieet van Bart De Wever tot de onverkwikkelijke berichtgeving in de roddelpers rond de zelfdoding van de zangeres Yasmine. Het is echter opmerkelijk hoe de media telkens door (een deel van) datzelfde publiek, dat via de achterdeur gretig meeleest, aan de voordeur met pek en veren worden ingesmeerd.

DE MEDIA DIE WE VERDIENEN

De toegenomen tijdsdruk, als gevolg van technologische ontwikkelingen, zorgt in combinatie met de commercialisering van de pers dus voor een structurele patstelling in de journalistiek. Wat we daarmee bedoelen, is dat we als samenleving de journalistiek hebben die we verdienen. Zolang het publiek verwacht dat de media er als de kippen bij zijn als er iets gebeurt om alle feiten en emoties onmiddellijk vanuit alle mogelijke perspectieven en tot in de kleinste details te brengen, zal de tijd voor reflectie blijven ontbreken. Zolang consumenten weglopen van zodra ze denken dat ze elders meer waar voor hun geld - of, beter nog, gratis - kunnen krijgen, zullen de commerciële media alle middelen blijven inzetten om hun publiek aan de eigen titels te binden.

DRIE CASES

Zo komt het dat we de voorbije maanden geconfronteerd werden met een aantal cases die vragen opriepen over de kwaliteit van de journalistiek. We zetten er drie op een rij, en ontwaren daarbij een terugkerend patroon.

Een eerste case is de berichtgeving van het NRC Handelsblad rond het skiongeval van prins Friso, die door de betrokkenheid van hoofdredacteur Peter Vandermeersch ook in de Vlaamse media aandacht kreeg. Op 18 februari berichtte de krant over de gezondheidstoestand van de prins enkele dagen na diens skiongeval, zich hierbij baserend op geheime medische informatie. Dit leidde tot een mediastorm, waarbij critici de krant onder vuur namen omwille van de sensationele en speculatieve toon van de berichtgeving, alsook omdat hiermee de (medische) privacy van het slachtoffer werd geschonden. In eerste instantie verdedigden de hoofdredacteur en de auteur van het stuk hun redactionele beslissing. Een week later, nadat nieuwe informatie over de medische toestand van de prins bekend raakte, stelde de hoofdredacteur zijn standpunt bij en bestelde hij een onafhankelijk onderzoek naar mogelijke fouten in de aanpak van het NRC Handelsblad. De conclusies van dat onderzoek, die enkel weken later bekend werden gemaakt, waren uiterst streng voor de krant, waarna Peter Vandermeersch zijn excuses aanbood voor de berichtgeving over prins Friso.

Op 14 maart werd Vlaanderen geschokt door het dramatische busongeval in Sierre. Met een ongeziene ijver zetten de media alle middelen in om het nieuws van minuut tot minuut te volgen. Het Nieuwsblad pakte zelfs uit met een extra avondeditie van de krant, die volledig gewijd was aan het busdrama. De sereniteit, waar onder meer minister Lieten om vroeg, moest het afleggen tegen de emoties, die de gebeurtenis bij alle betrokkenen, inclusief de journalisten, losweekte. In deze golf van menselijke emoties en journalistieke opwinding die gepaard gaat met dergelijke uitzonderlijke gebeurtenissen, moeten de redacties snel en overhaast beslissingen nemen, waarbij commerciële motieven en tijdsdruk meespelen. Deze context verklaart ook de beslissing van enkele populaire kranten om zonder toestemming van de ouders informatie en beeldmateriaal van persoonlijke Facebook-pagina’s en blogs van de betrokken scholen te plukken om deze te gebruiken in de eigen berichtgeving. Vooral de publicatie van foto’s van de overleden kinderen op de voorpagina’s van Het Nieuwsblad en Het Laatste Nieuws ontlokte een storm van kritiek. De hoofdredacties van de kranten verdedigden hun beslissing door onder meer te wijzen op de impact van het drama, de serene vormgeving van de voorpagina’s en het feit dat alle foto’s op het internet publiekelijk beschikbaar waren. Na de eerste opiniestukken en discussies in de media voerde de Raad voor de Journalistiek een grondig onderzoek dat op 12 april 2012 resulteerde in een nieuwe ‘richtlijn voor het gebruik van informatie en beeldmateriaal van persoonlijke websites en sociale netwerksites’.

Een derde case die de voorbije maanden veel ophef veroorzaakte, was de berichtgeving over seksuele intimidatie op het werk. De aanleiding was een reportage in Humo rond politicus en ex-journalist Pol Van Den Driessche. Hij werd beschuldigd van handtastelijkheden en seksuele intimidatie van enkele vrouwelijke collega’s in zijn periode als hoofdredacteur bij Het Nieuwsblad. De onthullingen resulteerden niet alleen in de terugtrekking van Van Den Driessche uit de Brugse verkiezingsstrijd, maar ook in een breder debat over seksuele intimidatie en misbruik van machtsrelaties op de werkvloer. In hun ijver het publiek zo goed mogelijk te informeren (over een ‘publiekstrekkend’ onderwerp), maakte de redactie van Reyers Laat een inschattingsfout door tijdens een uitzending beschuldigingen tegen oud-radiomaker Jos Ghysen te laten uiten zonder hem voorafgaandelijk de kans op een repliek te bieden. Daarover bekritiseerd, verdedigde de redactie zich initieel met twee bedenkelijke argumenten, namelijk dat de tijd ontbrak om de betrokkene nog te contacteren voor de start van het programma en dat hij de feiten ‘toch ontkend zou hebben’. Enkele dagen later, na enige reflectie, erkende de VRT alsnog dat ze in de fout was gegaan door Ghysen niet op voorhand te horen. De zaak was een van de voorbeelden waar Bart De Wever naar verwees toen hij enkele dagen later zwaar uithaalde naar de media.

… MET EÉN TERUGKEREND PATROON

De drie cases zijn inhoudelijk verschillend. Bij de eerste twee gaat het om dramatische ongevallen, die veel onduidelijkheid met zich meebrengen, terwijl bij de derde case de nadruk ligt op de maatschappelijke discussie die volgde op de beschuldigingen. Ook de redenen waarvoor de media onder vuur kwamen te liggen, verschilden grondig. Waar de kritiek in de eerste twee cases vooral inhakte op de media die de privacy van slachtoffers ondergeschikt maakten aan hun drang naar primeurs en commercieel succes, concentreerde de discussie zich in de derde case vooral op het journalistieke principe van woord en wederwoord.

Wat de drie cases gemeenschappelijk hebben, is dat ze beginnen met een feitelijke gebeurtenis, die veel emoties en sensaties opwekt. Om het publiek op haar wenken te bedienen, beginnen redacties vervolgens aan een ratrace. In al hun ijver om scoops te scoren en de aandacht van de grillige nieuwsconsumenten te trekken en vast te houden, tasten ze vervolgens de grenzen af. De grenzen van de snelheid waarmee het nieuws gebracht kan worden, maar ook de grenzen van de privacy en van de professionele deontologie. Wordt er een grens overschreden, dan barst de mediakritiek los en vliegen de beschuldigingen heen en weer. Pas als de storm gaat liggen, volgt een moment van onderzoek en reflectie, die meestal uitmondt in verontschuldigingen van de redacties en/of aanbevelingen vanuit de Raad voor de Journalistiek. Met de belofte uit de fouten lering zal trekken, probeert men de bladzijde om te draaien.

HEEFT MEDIAKRITIEK ZIN?

We kunnen ons afvragen waar de mediakritiek dan toe dient, als ze toch niet lijkt te leiden tot de gewenste mentaliteitswijziging. Keer op keer maken de media immers dezelfde fouten, waarna hetzelfde proces van beschuldiging over schuldbesef tot catharsis weer in gang treedt. De structurele problemen waar de media mee kampen, zijn ook bekend. De remedies - minder racen tegen de klok en geen commerciële toegevingen doen die de kwaliteit van de journalistiek dreigen aan te tasten - zijn voor de mainstream media onrealistisch in een markt­omgeving waar de consument onverbiddelijk afhaakt als hij denkt elders beter en sneller op zijn grillige wenken te worden bediend. Zo’n conclusie stemt niet hoopvol.

Enige hoop schemert wel door in het feit dat het debat over de kwaliteit van de journalistiek ook in Vlaanderen eindelijk en vrij grondig wordt gevoerd. Het leeft misschien zelfs meer dan ooit, ook in de mediasector zelf, waar voortdurend gewerkt wordt aan nieuwe codes en richtlijnen die journalisten de weg moeten wijzen in het behandelen van thema’s. Het leeft bij de journalist die zijn job ernstig neemt en bij de uitgever die tot nader order zijn kranten en andere nieuwsmedia niet wil zien verdwijnen. Maar het lot van de media ligt uiteindelijk in de handen van de hele samenleving, dus ook van de burger en zijn instituties.

Hilde Van den Bulck
Hoogleraar communicatiewetenschappen en hoofd onderzoeksgroep Media, Policy and Culture, Universiteit Antwerpen.

Steve Paulussen
Docent media en journalistiek aan de Universiteit Antwerpen en de Erasmushogeschool Brussel, en onderzoeker aan het IBBT-Universiteit Gent.

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 68 tot 74