Abonneer Log in

De taal van de slavenstaat

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 5 (mei), pagina 56 tot 63

‘De VDAB wordt nu ook politieagent’, kopten de kranten in april. Zoals het kinderspelletje in kwestie aangeeft, horen er bij politiemannen onlosmakelijk ook dieven. Het debat over het sanctioneren van werkzoekenden steekt in Vlaanderen met regelmaat de kop op en zal des te actueler worden nu de implementatie van de zesde staatshervorming stilaan op til staat. De taal die daarbij gebruikt wordt, is vaak allesbehalve onschuldig. Er valt veel uit te leren over de achterliggende bedoelingen van wie bepaalde begrippen hanteert. Meer nog, bepaalde beleidsvoorstellen en -beslissingen sluiten naadloos aan op en worden maatschappelijk verkoopbaar bij gratie van een specifieke woordkeuze. Het gaat echter over veel meer dan taal. De onderliggende uitdaging is duidelijk: Hoe moeten we in de toekomst, wanneer we nieuwe bevoegdheden inzake de arbeidsmarkt Vlaams gaan invullen, naar werkloosheid kijken? En vanuit welke begrippen en welke maatschappelijke keuzes vertrekken we dan?

IDEEËN VAN CIRCA 100 JAAR GELEDEN

In 1912 schreef Hilaire Belloc The Servile State, een economisch pamflet dat een originele variant poneerde op het klassieke Marxisme. Belloc stelde dat het kapitalisme inderdaad een per definitie onstabiel systeem uitmaakt dat onvermijdelijk op een bepaald moment uit mekaar zou spatten, maar dat, in tegenstelling tot wat Marx beweert, het socialisme (in de betekenis van collectivisme) niet de meest logische uitkomst van de daardoor veroorzaakte crisis zou zijn. Indien er niet ingegrepen werd, zou het winstbejagbestel volgens Belloc eerder uitmonden in een soort slavenstaat, een upgrade van de economische verhoudingen zoals die al voor de Middeleeuwen bestonden. De doorsnee burger zou de meeste van zijn democratische vrijheden verliezen en bij wet verplicht worden om te werken, zij het dan niet geheel gratis, maar in ruil voor een minimaal niveau van welvaart. De vruchten van die arbeid zouden dan bijna volledig opgeslorpt worden door een heel kleine groep grootbezitters. Bellocs visie kwam niet uit de lucht gevallen, maar was ongetwijfeld mede ingegeven door de experimenten die men in de voorbije twee eeuwen al had opgezet met de Armenhuizen of Werkhuizen, waarin paupers werden samengedreven om tegen kost en inwoon zwaar labeur te verrichten voor de proto-kapitalistische ondernemers. Die ondernemers waren immers de mening toegedaan dat het toch niet kon zijn dat de doorsnee bevolking ‘liever in miserie leefden dan te willen werken’ (zoals het gesteld werd in het Gentleman’s Magazine uit 1766, in Schotland) en dat er dus duidelijk iets schortte aan hun attitudes.

Flash forward naar 2013. Op 25 maart lees ik op Twitter de volgende boude uitspraak: ‘#Brussel: meer dan 100.000 werkzoekenden en toch slaagt de stad er niet in om voetpaden ijs- en sneeuwvrij te maken.’

Nee, dit is geen verzuurde, anonieme reactie op het HLN-forum. Het is een overpeinzing verstuurd vanuit het UNIZO-hoofdkwartier. Zo’n tweet is natuurlijk maar een fait-divers, of ze nu vanuit het dorpscafé dan wel door een adept van Karel Van Eetvelt wordt verstuurd, maar het zegt wel iets over de manier waarop we vandaag de dag als samenleving aankijken tegen wie niet aan de bak geraakt op onze arbeidsmarkt. Echo’s daarvan vind je trouwens ook meer en meer in de mainstream media terug. Toen recent bekend raakte, naar aanleiding van het jaarverslag van de RVA, dat er meer mensen dan ooit betrapt werden op fraude in verband met hun uitkering, werd hierover bericht in niet mis te verstane termen: ‘steeds meer mensen liegen om een uitkering te bekomen’, men had het ook over ‘bedriegers’ en ‘fraudeurs’, …

Uiteraard dient sociale fraude aangepakt te worden, al was het maar omdat deze de solidariteit en het draagvlak voor ons sociaal systeem ondergraaft. Laat daar geen misverstand over bestaan. Maar dit soort bikkelhard woordgebruik stoot me toch tegen de borst. Wie openlijk het cliché poneert dat alle zelfstandigen sjoemelaars zijn, zal een lawine aan verontwaardiging en nuancering over zich heen krijgen, met als voornaamste argumenten dat de fiscale regels toch te ingewikkeld zijn en dat ‘men wel moet frauderen om te overleven’. Hetzelfde weerwerk werd trouwens onlangs nog geboden wanneer het ging over de blootgelegde fraude in het statistisch cijfermateriaal bij wetenschappelijk onderzoek. We moeten wel om te overleven. Het is op zijn minst frappant te noemen dat eenzelfde clementie niet aan de dag wordt gelegd als het gaat over mensen die daadwerkelijk voor hun overleven afhankelijk zijn van een habbekrats die door de overheid wordt verstrekt. De lijst met voorbeelden van hoe fiscale en sociale fraude in verschillende termen omschreven wordt, is quasi eindeloos. De Vrije Beroepen reageren tegen de heksenjacht van de fiscus. Werkzoekenden worden te weinig op hun plichten gewezen. Bedrijven worden bedolven onder administratieve overlast van inspectiediensten. Werkzoekenden moeten hun zoekgedrag aantonen en strenger aangepakt worden.

Ondernemers worden tegengewerkt, werkzoekenden worden bepamperd, dat is de bottom line van de tussenkomsten die altijd al, maar tegenwoordig steeds openlijker en nadrukkelijker, worden ingebracht in het maatschappelijk debat. Een debat trouwens, waarin er naar mijn smaak (met uitzondering van de onsterfelijke Hot Lips column van wijlen pdw eerder dit jaar) veel te weinig weerwerk te horen is van de vijfde macht die toch ook een rol te spelen heeft als het gaat over het taalgebruik dat gehanteerd wordt door de protagonisten. De media eigenen zich die rol overigens ook zelf toe, terecht, denk maar aan het debat over de term ‘allochtonen’.

Over allochtonen gesproken. Na de Top van Burgemeesters over de radicalisering van jongeren die naar Syrië trekken (geen vergadering maar een ‘Top’, ook hier is het taalgebruik niet onbelangrijk) werden er een paar opmerkelijke uitingen gedaan. Niet alleen bleek het probleem plots verengd te zijn tot allochtone jongeren (Brian De Mulder, Jejoen Bontinck, typisch Berberse namen ongetwijfeld) maar men had blijkbaar ook ‘geleerd’ dat de meeste van de jongeren in kwestie zonder werk zaten. De ‘terroristen’ bleken dus plots zeer duidelijk te labelen: allochtonen zonder werk. Jammer dat niemand de kans te baat genomen heeft om de Antwerpse burgervader voor de voeten te werpen dat het woord allochtonen al jaren niet of nauwelijks meer voorkomt in de beleidsbrieven van zijn partijgenoot die in de Vlaamse Regering de portefeuille Werk in handen heeft. Dat had mogelijks interessante conclusies of verbanden kunnen opleveren.
In ieder geval: steeds vaker hoor je in onze samenleving geluiden die wel een echo lijken van de visie op werkloosheid en armoede zoals die een paar honderd jaar geleden bon ton was. Het is allemaal de eigen schuld en er wordt te veel geprofiteerd. Die visie is selectief, want alleen de zwakkeren worden ter verantwoording geroepen. Ze is ook zeer ongenuanceerd en fundamenteel unfair. Dat betekent niet dat werkzoekenden geen plichten zouden hebben. Maar misschien wordt het wel tijd dat we eens goed nadenken over het woordgebruik dat we hanteren ten aanzien van wie een tegenslag te verwerken krijgt. Want dat is uiteindelijk toch de essentie van werkloos worden, het is een tegenslag. Vraag maar aan de talloze arbeiders van ArcelorMittal of Ford Genk wiens banen op de tocht staan.

BELEID EN STAATSHERVORMING ALS TOEGEPASTE LINGUÏSTIEK

De volgende stap, die het logisch gevolg is van bovenstaande pejoratieve taalgebruik ten aanzien van werkzoekenden en waar de vernoemde tweet al mooi op aanstuurt, is die van het verplicht werken in ruil voor een uitkering. Werkzoekenden zijn in die redenering geen burgers meer die hun werk zijn ‘kwijtgeraakt’ (passief, slachtoffer van omstandigheden) en die gebruik maken van de sociale verzekering waartoe ze hebben bijgedragen, maar mensen die geen werk ‘vinden’ (actief, individuele verantwoordelijkheid) en die zolang ze een uitkering krijgen iets terug moeten doen voor die gunst.

Onder andere in Nederland worden dit soort ideeën al in de praktijk gebracht, waar uitkeringstrekkers in sommige gemeenten inderdaad de minder aantrekkelijke klusjes, zoals sneeuwruimen, moeten gaan oplossen. In Duitsland gaat men nog een stapje verder en zijn mini-jobs, met een maandloon van om en bij de 450 euro, schering en inslag. Dat is toch beter dan te profiteren zeker? In het Verenigd Koninkrijk ligt men nog verder voor. Daar wordt een systeem klaargestoomd waarbij werkloosheidsuitkering, kinderbijslag en eventuele andere tegemoetkomingen gebundeld worden in een rugzakje waarmee wie werkloos is zelf begeleiding naar werk moet gaan inkopen op de private markt. Op is op en geen garanties op resultaat, maar wel gegarandeerde winstmarges voor een aantal commerciële spelers. Niet alleen de verantwoordelijkheid voor het niet hebben van werk wordt zo naar het individu doorgeschoven, maar ook die voor het vinden van begeleiding naar een nieuwe job.

Wie denkt dat dergelijke pistes bij ons nog veraf zijn vergist zich. Een paar schuchtere stappen zijn al gezet. Denk maar aan de mate waarin langdurige stages voor bepaalde jongeren met enkel een uitkering als vergoeding meer en meer een verplicht karakter krijgen. Of aan hoe bepaalde personen met een handicap, die in arbeidszorg zitten en dus voor onbepaalde duur louter werken voor een uitkering, toch het slachtoffer dreigen te worden van de degressiviteit van die uitkeringen. Wie deeltijds werken combineert met een uitkering wordt dan weer via controle en financiële ontmoediging gepusht om voltijds te gaan werken, ongeacht het feit dat die omschakeling voor velen allesbehalve evident is. Wie jarenlang fysiek zwaar en belastend werk heeft verricht en uiteindelijk op brugpensioen kan, moet toch even lang als anderen beschikbaar blijven en in principe op eender welk jobaanbod ingaan.

Bij de implementatie van de zesde staatshervorming komt het sanctioneren van werkzoekenden bij de VDAB te liggen. Dat geeft kansen om de efficiëntie te verbeteren, zeggen sommigen, en dat klopt. Dat houdt het gevaar in dat de rollen van begeleiding en controle door mekaar gaan lopen, zeggen anderen, en ook dat klopt. Maar meer nog dan gevaren inzake de techniciteit van hoe we dit gaan organiseren, houdt dit gevaren in omtrent welke maatschappelijke keuzes we willen maken. Er zijn er die maar al te graag vertrekken van een blanco blad. En wie het taalgebruik over werkzoekenden en de evolutie in Europese context bekijkt, zal snel doorhebben wat er volgens hen op dat wit blad zou moeten worden getekend.

JEUGDWERKLOOSHEID

Laten we er één voorbeeld uitlichten om die keuzes waarvoor we staan te illustreren. Een pertinent en actueel probleem op onze arbeidsmarkt is de jeugdwerkloosheid en hoe we die moeten aanpakken. In heel Europa scheren de werkloosheidscijfers voor jongeren hoge toppen, met als uitschieters hallucinante cijfers van 40 tot meer dan 50% in Spanje, Portugal en Griekenland. Er wordt dus volop een ‘verloren’ generatie gecreëerd van in de eerste plaats kortgeschoolde jongeren die dreigen langdurig in de werkloosheid te zullen blijven zitten. Bovendien is de kans groot dat zij, indien ze uiteindelijk dan toch aan de bak geraken, zullen blijven hangen in eerder tijdelijke en zeer onzekere jobs.

In Vlaanderen stijgt de jeugdwerkloosheid tot 21,1% in maart 2013, een stijging met 13,5% op jaarbasis. En ook bij ons zijn precaire jobs een probleem. Eén op drie jongeren zit in een tijdelijk contract, dit tegenover 8% van de oudere leeftijdsgroepen (cijfers VDAB). Uitzendarbeid is voor 70% van de jongeren geen vrije keuze, eerder uit noodzaak (Hoge Raad voor Werkgelegenheid). Zo’n 30 tot 40% van de schoolverlaters zitten tot zeven jaar na afstuderen in een job onder niveau (opnieuw VDAB).

Zoals onder andere de Britse economieprofessor Guy Standing al heeft aangetoond, wordt voor veel jongeren een onbetaalde stage of werkervaring aan de start van de loopbaan een gangbare praktijk, ook voor de hooggeschoolden. Vanuit het beleid moedigt men dit zelfs aan, denk maar aan de instapstages die op federaal vlak werden uitgedokterd of de verruiming van de Activa-maatregel die op til staat. Het zijn beiden maatregelen waarbij jongeren in se gedurende een langere periode (in het geval van Activa tot drie jaar) aan de slag gaan met enkel een uitkering als vergoeding, zonder opbouw van rechten en nagenoeg zonder kosten voor de werkgever. Uiteraard is het positief wanneer jongeren die anders geen kansen krijgen op die manier aan de bak kunnen geraken, en ook dat we daar als samenleving in investeren, maar aan de andere kant is men vaak blind voor de gevolgen van zo’n uitgerekte aanloop naar een echte job. Het is immers uiteindelijk ook een uitstel van de aanloop naar onafhankelijkheid en toekomstperspectief. Is het maatschappelijk te verantwoorden dat we zo’n toekomstperspectief sterk uitstellen omwille van een soms betwistbaar economisch leidmotief? Is de mogelijkheid om je toekomst uit te bouwen een onderschikt doel aan bijvoorbeeld concurrentiekracht, of is het omgekeerd? Moeten we niet eens ernstig gaan nadenken over de voorwaarden waaronder we dit willen toelaten? Of over hoelang zo’n start in precaire omstandigheden dan mag duren?

De Vlaamse overheid trekt naar aanleiding van de begrotingscontrole extra middelen uit om de jeugdwerkloosheid te bestrijden, vermoedelijk ten bedrage van zo’n 5 miljoen euro. De federale overheid gaat tegelijk de bestaande rsz-kortingen voor laaggeschoolde jongeren en de maatregelen om hun uitkering te activeren sterk uitbreiden. Voorwaarden als een perspectief op een duurzame aanwerving zijn er daarbij niet.

Daartegenover staat dat de aanpak van jonge werklozen scherper wordt. Er is de uitbreiding van de wachttijd tot 12 maanden en er worden extra controlemomenten ingelast om te kijken of men wel voldoende inspanningen doet om werk te zoeken, zelfs nog voordat de jongere in kwestie uitkeringsgerechtigd is. De opbrengst in besparingen (door sanctionering en afnemen van de uitkering) daarvan wordt geschat op een slordige 62 miljoen.

Conclusie? Dit is ondanks veel ongetwijfeld goede bedoelingen een beleid dat noch het inkomen, noch het breed toekomstperspectief van jongeren centraal stelt. Dat is niet zozeer een beschuldiging als wel een vaststelling. Het beleid is erop gericht de aanwervingskans te verhogen, maar heeft geen aandacht voor de vraag wat er na die eerste precaire periode moet komen. Dat laat men over aan de laissez-faire. Men probeert werkgevers enkel te verleiden om jongeren aan te nemen, er is nauwelijks sprake van een eis tot engagement of een vraag tot enige verantwoordelijkheid in deze. Tegelijk versterkt men de piste van het bestraffen en controleren en legt men dus nog meer de nadruk op de verantwoordelijkheid van het individu.

VAN WOORDEN NAAR DADEN

Het gaat dus over keuzes, veel meer dan over alleen het taalgebruik. De invalshoek van waaruit we die keuzes maken, is echter essentieel. Links laat zich in Vlaanderen nog te gemakkelijk andermans bril op de neus duwen. Laat ons dus beginnen met werkloosheid opnieuw meer als een tegenslag te gaan bekijken. In vergelijking met de plichten die bij zo’n tegenslag horen, en die er zonder twijfel zijn, wordt er verbazingwekkend weinig gesproken over de rechten. En dit ondanks een aantal fundamentele onrechtvaardigheden die vandaag bestaan. Want laat wat we hierboven over de staatshervorming hebben gezegd niet de indruk wekken dat we louter pleiten voor een status quo op bepaalde punten. Het witte blad heeft meer dan één onontgonnen hoek. We doen een voorzet voor alvast drie pistes die zeker in de toekomst meer aandacht verdienen.

Eén. Is het bijvoorbeeld normaal dat de werkloosheidsval die gecreëerd wordt omdat de overheid niet slaagt in het voorzien van voldoende en betaalbare kinderopvang, nergens in rekening wordt gebracht bij de vraag of iemand al dan niet verplicht wordt een job te aanvaarden? Gebrek aan kinderopvang is maatschappelijk gezien bij uitstek immers een probleem waarvoor je de verantwoordelijkheid niet alleen bij het individu kan leggen, daarvoor is de ongelijkheid wat betreft zaken als het inkomen of toegang tot een sociaal netwerk gewoonweg te groot. Wie werk zoekt, zou dus de garantie moeten hebben dat de werkloosheidsval door kinderopvang zo goed als onbestaande is. Dat betekent dus ook dat het ontbreken ervan een geldige reden wordt om een job te weigeren.

Tweede voorbeeld, even verder gaand op de jeugdwerkloosheid. Starten mag niet blijven duren. Dat stages en werkplekleren een goede opstap kunnen betekenen voor sommige jongeren, die anders niet aan de bak geraken, is correct. Dat we die stages aantrekkelijk moeten maken voor werkgevers en dat ze lang genoeg moeten kunnen duren om iets aan te leren en ervaring op te doen, daar zijn ook argumenten voor te bedenken. Maar daar moet dan wel iets tegenover staan. Ten eerste moet dat de garantie zijn dat de start van een loopbaan niet eindeloos gerekt kan worden. Een korte maximumduur opleggen waarin er in dat soort onvoordelige statuten gewerkt kan worden, is dus noodzakelijk. Ten tweede is het van belang dat de inspanningen tijdens die periode voor alle partijen een win inhouden. Voor de werkgever is die win duidelijk en onmiddellijk: productie tegen geen of minimale kost. De werkzoekende moet het met ‘de ervaring’ doen, hetgeen veel meer flou is. Certificering van de opgedane competenties, zodat de ervaring ook aantoonbaar is en verzilverd kan worden, moet dus een verplicht onderdeel vormen van dit soort tewerkstelling. Ten derde moeten dergelijke stages niet alleen van afgelijnde duur en kwalificerend zijn, maar ook een perspectief bieden. Als het niet leidt tot een gecertificeerde werkervaring, een diploma of een contract, dan wordt er veel moeite verspild voor niets.

Derde voorbeeld. Er is veel te doen geweest rond de voorstellen om, in het kader van het denken in termen van loopbanen, ontslagvergoedingen om te buigen naar een garantie op begeleiding naar een nieuwe job. Ik ben die idee niet genegen omdat die inhoudt dat we de werkgever voor een stuk ontslaan van de verantwoordelijkheid voor het ontslag. Men hoeft ook niet te doen alsof zo’n vergoeding ‘weggesmeten geld’ is. Het is een compensatie voor een tegenslag en heeft in die zin niets te maken met het plichtenverhaal ten aanzien van werkzoekenden. Maar er zijn ook andere tegenslagen die een werknemer kan tegenkomen en waarbij de idee van een mogelijke hertewerkstelling nog veel te weinig aangegrepen wordt. Bij een arbeidsongeval bijvoorbeeld, of een tegenslag in de privésfeer (ziekte, verkeersongeval), is er net zo goed nood aan een perspectief om (op termijn en indien mogelijk uiteraard) opnieuw aan de slag te geraken, of dat nu bij dezelfde of een andere werkgever is. Vaak zal dat ook betekenen dat men moet zoeken naar een andere soort job of dat er een extra ondersteuning op de werkvloer noodzakelijk is. Eigenlijk zouden alle werknemers de garantie moeten hebben dat wanneer er hen iets dergelijks overkomt, er gezocht zal worden naar een passend antwoord en een passende begeleiding. Vandaag is er nog heel veel werk om tot zo’n garantie te komen. Daarbij mogen we trouwens gerust ook iets verwachten van werkgevers en niet alleen van bemiddelingsdiensten: elke werkgever zou toch (zeker in een krappe arbeidsmarkt) op zijn minst sterk aangespoord moeten worden om zich te beraden over hoe een garantie op een dergelijk herintegratietraject in de concrete context van het bedrijf mogelijk gemaakt kan worden, voor alle werknemers en inclusief het investeren in aangepaste jobs en reorganisatie van het werk wanneer dat noodzakelijk blijkt. Ook dat zou immers een concretisering kunnen zijn van loopbaandenken.

Er zijn nog veel meer voorbeelden te bedenken wanneer via de bril van werkloosheid als tegenslag naar de regelgeving kijken. Laten we dat dus eens vaker doen. Zo’n bril opzetten hoeft niet te betekenen dat we blind zijn voor plichten of de noodzaak aan controle, maar kan er wel voor zorgen dat we de andere kant van de medaille niet vergeten, alsook dat we onze bekommernissen niet constant moeten uitleggen in andermans bewoordingen.

UITSMIJTER

Als uitsmijter nog even terug naar Hilaire Belloc. De oplossing die hij in zijn boek naar voor schuift, heeft lange tijd inspiratie geboden bij de politieke zoektocht naar de befaamde Derde Weg. Er werd zelfs een heuse economische ideologie rond opgezet, het distributisme, waarvan de Britse schrijver G.K. Chesterton één van de voornaamste woordvoerders was. Het distributisme komt er in een notendop op neer dat we er als samenleving beter voor ijveren om de concentratie aan rijkdom zo veel als mogelijk tegen te gaan en dus de productiemiddelen over een zo groot mogelijke groep aan ‘kleine rijken’ te herverdelen. De beste manier om dit in de praktijk te brengen, was volgens Belloc het fiscaal ontzien en zelfs subsidiëren van de kleine man en het zwaar belasten van de rijksten. Alleen zo kon de evolutie naar de slavenstaat nog worden afgewenteld. Als vooroorlogse ideeën over werkzoekenden dan toch weer ingang vinden bij de contemporaine intelligentsia, zullen wie deze piste dan misschien ook eens nieuw leven inblazen?

Maar laten we bij het thema blijven: de werkzoekenden. De idee dat we het best vertrekken van de doelstelling om een billijk inkomen te voorzien voor iedereen - zoveel mogelijk kleine rijken, zo u wil - zou ook in het arbeidsmarktbeleid van de toekomst meer centraal moeten staan. Het creëren van welvaart, van productie, het versterken van het concurrentievermogen, het invullen van vacatures,… dat zijn allemaal zijsporen en afgeleide doelstellingen. De echte doelstelling blijft een goed inkomen voorzien voor iedereen. Misschien moeten we dat opnieuw wat meer gaan zeggen. Om dit nog even in termen van woordkeuze te illustreren, zal ik schaamteloos de woorden stelen die ik onlangs las in een nota. De auteur zal het mij wel vergeven. De nieuwe slogan van de VDAB is nu ‘iedereen bemiddelaar’, maar zouden we niet beter ons arbeidsmarktbeleid zo organiseren dat de doelstelling wordt: ‘iedereen bemiddeld’, en dat in alle betekenissen van het woord?

Philippe Diepvents
Adviseur Vlaams ABVV

kinderbijslag - taal - werkloosheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 5 (mei), pagina 56 tot 63