Abonneer Log in

Pleidooi voor culturele vrijheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 12

Vlaanderen en Brussel zijn in een nieuwe fase van hun geschiedenis beland: de superdiverse samenleving. Het antwoord daarop is niet om aan gemeenschapsvorming te doen vanuit een cultureel ingevuld burgerschap dat bepaald wordt door een dominante cultuur. We pleiten daarentegen voor een sociaal en politiek burgerschap dat culturele vrijheid koestert als een essentiële waarde. Culturele vrijheid is evenwel niet hetzelfde als cultuurrelativisme: het recht van eenieder op een eigen cultuur impliceert niet het zomaar accepteren van alle onderdelen van die cultuur. In een permanente dialoog tussen gemeenschappen en individuen moeten de grenzen aan de culturele vrijheid helder afgebakend worden. U leest hierna een warm betoog voor een samenleving waarin elk individu en elke gemeenschap het gevoel heeft er bij te horen.

EEN NIEUWE FASE IN DE GESCHIEDENIS VAN ONS LAND

Na twee decennia waarbij de immigratie aanhoudend recordhoogtes heeft bereikt, is ons land definitief in een nieuwe fase van zijn geschiedenis beland. Cultureel gesproken heeft onze bevolking een metamorfose ondergaan. We zijn beland in Steven Vertovecs ‘superdiversiteit’.1
Hoewel deze superdiversiteit ons land vooruit heeft gestuwd (demografisch, economisch, cultureel), verloopt ze niet zonder slag of stoot. Mensen die hier al lang wonen, voelen zich vervreemd of bedreigd. Veel Vlamingen van vreemde afkomst ervaren dagelijks dat ze af te rekenen hebben met uitsluiting. Probleemstatistieken inzake arbeid, inkomen en onderwijs blijven zo fel in het rood dat de betrokkenen er moedeloos of opstandig van worden.
Deze maatschappelijke spanning die onderhuids zindert, uit zich ook in vele maatschappelijke debatten. Omdat dit essay focust op de culturele factor, sta ik even kort stil bij twee actuele debatten in die sfeer.

Culturele uitsluiting

De Verenigde Naties schetsen twee categorieën van culturele uitsluiting.2 Uitsluiting van levenswijze betekent dat taal, religie of traditionele gebruiken worden weggeduwd. Denk onder meer aan het hoofddoekenverbod. Uitsluiting van participatie betekent dat er geen volwaardige plaats in het sociale, economische of politieke leven is omwille van bepaalde culturele kenmerken. Denk aan de discriminatie op de woonmarkt, de arbeidsmarkt of in het uitgangsleven.

In omgekeerde richting keren ook minderheden zich meer en meer af. Problemen in het onderwijs en de arbeidsmarkt zijn zo groot en houden zo lang aan, dat een zekere lethargie is ingetreden en een deel van onze bevolking zich afkeert van de samenleving. Jongeren geven massaal aan dat ze zich niet aanvaard voelen in de Vlaamse samenleving. Een klein aantal trekt zelfs met romantische idealen naar de oorlog in Syrië. En het hoofddoekenverbod houdt jongeren thuis van school of hun ouders zoeken naar middelen om eigen scholen op te richten.

Taalproblemen

Een veelzeggende indicator voor de superdiversiteit is de oprukkende meertaligheid. Volgens Kind en Gezin spreekt bijna een kwart van de jonge moeders in Vlaanderen geen Nederlands met hun kinderen. In de Antwerpse binnenstad wordt meer dan de helft van de kinderen opgevoed in een andere taal dan het Nederlands.
Hoewel mensen die in de stad wonen opvallend positiever staan tegenover meertaligheid, vindt de helft van de Vlamingen het niet prettig of zelfs bedreigend.3 Omdat er voortdurend mensen naar hier komen die onze samenleving niet kennen en de taal niet spreken, vindt men dat de integratieklok telkens wordt teruggedraaid.
Veel politici reageren verkrampt en creëren een fictie van een mogelijk eentalig Vlaanderen, wat leidt tot frustraties en onrealistische verwachtingen, zowel bij mensen die Nederlands als moedertaal hebben als bij anderstaligen. In het huidige beleidsdiscours wordt de verwerving van het Nederlands opgevat als de sleutel tot deelname aan de samenleving. De beleidsaanpak van afstraffing van wie (nog) geen Nederlands spreekt, is vaak contraproductief: de participatie daalt en de spanningen nemen toe.

MONOCULTUUR IS NIET DE OPLOSSING

Opmars van het ‘Vlaams Burgerschap’

In januari 2013 gingen in alle Vlaamse gemeenten nieuwe gemeentebesturen van start. Daar waar de coalitie veranderde, gaf dit uiteraard aanleiding tot nieuwe beleidskeuzes en hier en daar ook tot snelle maatregelen om onmiddellijk te tonen dat de verandering zijn intrede deed. De maatregelen die moesten worden gezien, gingen opvallend vaak over culturele en religieuze aangelegenheden, de plaats van symbolen van de cultuurgemeenschap (de Vlaamse vlag en de Vlaamse feestdag) en niet in het minst over taalgebruik.
Enkele sterk gemediatiseerde voorbeelden zoals Antwerpen (sanctionerend taalbeleid), Aalst (vergaande maatregelen om het Vlaamse karakter in de verf te zetten) en Boom (een ongrondwettelijk hoofddoekenverbod voor mandatarissen dat met tegenzin werd ingetrokken), hebben gemeen dat ze allen een N-VA-burgemeester hebben en dan is de politieke agenda achter deze maatregelen niet zo ver te zoeken. Het is de vertaling van hun filosofie van het ‘Vlaams Burgerschap’.
De vormgeving van het Vlaamse burgerschap werd de afgelopen tien jaar in de steigers gezet door de Vlaamse regering. Het past in een visie op identiteit en macht in Vlaanderen. Er wordt gestreefd naar Vlaamse autonomie (sub-state nation building). Het taalbeleid is daar een belangrijke hefboom voor. ‘Wie mijn taal spreekt, behoort tot mijn club’, aldus Bart De Wever. Voor de N-VA is de dominante en de publieke cultuur ‘de Vlaamse cultuur’. Nieuwkomers en ‘migranten’ moeten ‘hun cultuur’ privé houden, de publieke cultuur erkennen en zich engageren om eraan deel te nemen. De idee van Vlaams Burgerschap gaat uit van een homogene Vlaamse cultuur die als ijkpunt dient om nieuwkomers een ticket te geven als burger. Deze homogene cultuur bestaat in de werkelijkheid niet, is bovendien niet wenselijk en moet in mijn ogen afgewezen worden als politiek doel. Ik kom er later op terug.

Vlaanderen in Europa

Dit soort beschermende reacties zijn trouwens niet ‘typisch Vlaams’. In een recent verschenen boek argumenteert de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum dat het accent in Europa altijd heeft gelegen op homogeniteit en culturele assimilatie als overheersend paradigma. Nussbaum vergelijkt Europese landen met gated communities, maar dan op nationale schaal, en dat brengt hen ertoe om onrustbarende fouten te maken in het publieke debat.4
Het ontbreekt in Europa echter niet aan mooie politieke principes op het terrein van religieus respect en menselijke gelijkheid. Ze zijn wettelijk erkend en vormen een leidraad voor ons leven, maar zijn bijzonder fragiel in tijden van angst. Onze tijd is werkelijk gevaarlijk, waarschuwt Nussbaum. Oproepen van angst vormen een bedreiging voor principes waar we aan zouden moeten vasthouden, terwijl we in deze moeilijke tijden de neiging hebben om ons blikveld te vernauwen en het steeds meer op ons zelf te richten.5
Als die stelling klopt, is het Vlaams Burgerschap slechts een lokale vertaling van wat in heel Europa de hoofdtoon is: het idee dat een land een cultureel homogene bevolking nodig heeft om tot bloei te kunnen komen. Met de particulariteit in Vlaanderen dat het hier niet het land is, maar de regio die homogeen zou moeten zijn en dat taal, gezien de geschiedkundige achterstelling van het Nederlands in België, een extra gevoelige snaar raakt, waardoor sluimerende gevoelens worden aangesproken en het een sterk mobiliserende kracht krijgt.

DE ANDERE BENADERING

De kracht van culturele vrijheid

Hoe sterk appellerend en bevrijdend is de gedachte dat we onze eigen opinie mogen vormen. Dat we mogen geloven wat we willen. Dat we onze eigen voorkeuren mogen hebben. Dat we onze eigen uiterlijkheden mogen bepalen. Dat we gewoontes mogen ontwikkelen of overnemen van anderen.
Natuurlijk vindt niemand zomaar zelf ‘zijn eigen cultuur’ uit. Je wordt geboren in een gezin en bouwt netwerken op in een samenleving. Het zijn dat gezin en die samenleving die culturele patronen doorgeven. Die doorgegeven culturele patronen hebben van nature een impliciet, onopgemerkt karakter. Het is goed dat die patronen ook in vraag gesteld kunnen worden. En de aanleiding daarvoor is vaak de confrontatie met andere culturen en levensstijlen. Zoals een weekend in de natuur een stadsmens pas echt besef geeft van wat het betekent om in een stad te wonen, zo geeft het samenleven met andere culturen een beter besef van wat je aan je eigen onbewust meegedragen cultuurpatroon krachtig vindt, of waar je je toch zelf vragen bij begint te stellen.
De Indische toonaangevende politicoloog Bhikhu Parekh, academicus in Groot-Brittannië, verwoordt het als volgt: ‘Geen enkele cultuur draagt alles wat van waarde is in zich en ontwikkelt alle menselijke mogelijkheden. Verschillende culturen corrigeren elkaar en vullen elkaar aan. De waarde van andere culturen is onafhankelijk van het feit of ze voor ons een optie zouden zijn. Vaak zijn ze net waardevol omdat ze geen optie zijn. (…) Culturele diversiteit is een belangrijk onderdeel en voorwaarde voor menselijke vrijheid. Als mensen niet uit hun cultuur kunnen stappen, blijven ze er in opgesloten en hebben ze de neiging om die te gaan verabsoluteren, krijgen ze de veronderstelling dat het de enige natuurlijke weg is om het menselijk leven te verstaan en te organiseren. (…) Andere culturen maken het mogelijk om zichzelf te bekijken langs buitenaf en het zelfbewustzijn te vergroten. Culturele diversiteit is een objectief goed, omdat het zo’n onmisbare voorwaarden voor menselijke vrijheid creëert zoals zelfkennis, zelfrelativering en zelfkritiek’.6

Culturele vrijheid heeft niets van doen met cultuurrelativisme

Een gemakkelijke tegenwerping tegen een pleidooi voor culturele vrijheid, is om dat pleidooi terug te brengen tot de karikatuur van het cultuurrelativisme. Een cultuurrelativisme dat alle culturele uitingen evenwaardig zou moeten vinden, en geen cultuur- of godsdienstkritiek verdraagt, daar gaat het natuurlijk niet over. Culturele vrijheid mag op geen enkele manier een excuus zijn voor ontoelaatbaar gedrag. Net als andersom trouwens, dat ontoelaatbaar gedrag van sommigen geen excuus mag zijn voor culturele intolerantie. Ook Parekh is geen cultuurrelativist. In zijn boek besteedt hij vele pagina’s aan het beoordelen van andere culturen en culturele praktijken. Zo veroordeelt hij bijvoorbeeld terecht praktijken als vrouwenbesnijdenis en polygamie.
Om te beschrijven wat we onder respect voor andere culturen moeten verstaan, maakt hij de vergelijking met de plicht om een andere persoon te respecteren. ‘Deze plicht houdt onder andere het respect in voor de autonomie van personen om hun leven te leiden zoals ze dat zelf willen. Maar het houdt niet in dat we de keuzes die die personen maken niet kunnen beoordelen en bekritiseren. (…) Als we, na zorgvuldig te hebben geluisterd naar hun beweegreden, hun keuzes pervers, schandelijk en onaanvaardbaar vinden, dan zijn we niet verplicht om die keuzes te respecteren, integendeel. We moeten dus onderscheid maken tussen het recht op vrijheid, dat moeten we respecteren en dat is belangrijk, en het respect voor de manier waarop die vrijheid wordt aangewend en ingevuld’.7
Culturele vrijheid betekent dus dat we respect moeten hebben voor het recht van groepen en gemeenschappen om culturen uit te bouwen. Maar dat wil niet zeggen dat elke culturele praktijk op evenveel respect moet kunnen rekenen.
De aanhangers van de monocultuur maken volgens Parekh de denkfout dat vermits sommige culturen hoger ingeschat kunnen worden dan andere, ze zich aan die andere cultuur mogen opdringen, en negeren zo het recht zelf op de eigen cultuur. Cultuurrelativisten maken de omgekeerde denkfout dat we, aangezien iedereen recht heeft op een eigen cultuur, geen kritiek mogen geven op de inhoud ervan.

BURGERSCHAP IS POLITIEK EN SOCIAAL

Het cement van de samenleving

Maar als culturele vrijheid in de plaats komt van culturele homogeniteit, hoe gaan we dan onze samenleving bij elkaar houden? Hoe zorgen we ervoor dat we ons allemaal samen verantwoordelijk voelen voor het geheel? Hoe kunnen we tot een gedeeld burgerschap komen? Wel, hoe paradoxaal dat ook mag klinken, het zal gemakkelijker worden als we het idee van de culturele homogeniteit begraven.
Want een culturele invulling van burgerschap (zoals de manier waarop het ‘Vlaams Burgerschap’ nu is ingevuld) zal in een diverse samenleving altijd verdelend werken. Zo’n concept heeft immers nood aan een culturele definitie van wat een goede burger is, en die definitie is dan onlosmakelijk gemodelleerd op de dominante cultuur. Alle mensen die daarbuiten vallen, voelen zich buitengesloten, niet gerespecteerd en niet geappelleerd op hun verantwoordelijkheidsgevoel. Wil je rekenen op het engagement van burgers dan is er nood aan een paradigma dat mensen verbindt in plaats van mensen uit elkaar speelt.
Dit kan misschien theoretisch in de oren klinken, maar het heeft wel degelijk directe concrete gevolgen. Het beleidsdiscours van een overheid heeft namelijk een onmiddellijk effect op de sterkte van het integratiebeleid. Onderzoek van het Centre for European Policy Studies(CEPS) - dat het integratiebeleid van een aantal EU-lidstaten tegen het licht hield - wijst uit dat de politieke boodschap die wordt uitgezet door regionale of nationale beleidsverantwoordelijken erg bepalend is voor het welslagen of het falen van het beleid.8

De overheid speelt een rol

Om iedereen bij de samenleving te betrekken en verantwoordelijkheid te laten opnemen, is het logisch dat de overheid duidelijk en expliciet aan gemeenschapsvorming en gemeenschapsopbouw doet. Als inwoners van hetzelfde dorp, van dezelfde regio, van hetzelfde land zitten we allemaal in hetzelfde schuitje. We moeten samen de toekomst maken, beslissingen nemen over hoe we samenwonen, over waar ons gemeenschapsgeld naar toe gaat, over hoe we solidair zijn met elkaar.
Het is contraproductief om daar een culturele saus over te gieten. We zullen dat gemeenschapsgevoel niet bereiken door mensen die uit het buitenland komen of roots hebben in het buitenland de geschiedenis van de Guldensporenslag bij te brengen (al dan niet geromantiseerd) of door ze een taalexamen te laten afleggen. Gemeenschapsvorming en opbouw van burgerschap loopt via de weg van dialoog tussen burgers en groepen. Dialoog op straat, in verenigingen, in het onderwijs, op de werkvloer, in partijen, in de gemeenteraad, in het parlement.
Burgerschap is immers sociaal en politiek van aard. Dat is de enige mogelijke manier om iedereen te respecteren en serieus te nemen. Dat is de manier om in een context van verder uit elkaar drijvende morele inzichten en overtuigingen, van steeds meer verschillende culturen en van op elkaar stapelende loyauteiten, een echte democratie uit te bouwen die culturele verschillen waardeert voor wat ze zijn.

Spontane processen

Voor alle duidelijkheid: de overheid kan en moet een helpende hand bieden, maar het proces is in de eerste plaats iets dat spontaan moet en zal gebeuren. Ik pleit ook op geen enkele manier voor ontmoetingsdwang. De heterogeniteit aan religieuze denkbeelden, afkomsten, smaken en voorkeuren is zo groot, dat het kan leiden tot spanningen, en soms zelfs tot conflicten tussen groepen. In de concrete praktijk van het dagelijkse samenleven pleit ik voor een pragmatische houding. Ik ga niet zover als Nederlands socioloog en publicist Dick Pels die, wellicht provocerend bedoeld, pleit voor onverschilligheid, beleefde afzijdigheid en desinteresse.9 Het feit dat netwerken, niet alleen op internet maar ook in de echte wereld, zich in de eerste plaats vormen tussen mensen met gelijkaardige socio-economische en socio-culturele achtergronden, is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven en is ook niet zo problematisch. Wanneer we streven naar een harmonieus samenleven, is het onnodig om de ‘gezellige smeltkroes’ als doel op zich te stellen. De solidariteit en het verantwoordelijkheidsgevoel hangt niet op de eerste plaats samen met het aantal contacten dat je hebt met andere mensen, maar wel met het gevoel gewaardeerd te worden en evenveel kansen te krijgen in het onderwijs, op de arbeidsmarkt, de woonmarkt, zonder dat je datgene wat je zelf cultureel belangrijk vindt, moet verloochenen of dat je je moedertaal moet afzweren.

WAT DE POLITIEK KAN EN MOET DOEN

Erkenning in woorden en daden van de culturele vrijheid

Alle burgers en gemeenschappen hebben het recht op het gevoel erbij te horen. Dat is een basisvoorwaarde voor het slagen van een multiculturele samenleving als de onze. Dit geldt zowel voor individuen als voor gemeenschappen. De samenleving is immers ‘een gemeenschap van burgers en tegelijk een gemeenschap van gemeenschappen, en dus een geheel van individuen die in gemeenschappen ingebed en eraan gehecht zijn’.10

Sociale erkenning is cruciaal voor de identiteit en eigenwaarde van individuen. Burgerschap is er voor iedereen, ook als je niet tot de dominante cultuur behoort. Die erkenning is cruciaal om jezelf aanvaard te weten en welkom te voelen.

De politiek heeft voortdurend de neiging om daartegen te zondigen en de cultuur van een bepaalde groep te denigreren of te onderdrukken, of het nu gaat over het sanctioneren van uitingen van jongerencultuur of om het verbieden van kledingvoorschriften van een religie.

De politiek moet zich ook duidelijk uitspreken en actie ondernemen tegen racisme en discriminatie. Die fenomenen slaan wonden die je niet heelt door ze in te schrijven in een strafwet. Het discours er rond is even belangrijk. Vandaag horen we een overheid die het probleem van discriminatie eerder minimaliseert dan de strijd ertegen opvoert.

De actieve dialoog organiseren

Om te komen tot een goed management van de culturele vrijheid en diversiteit, moeten individuen en gemeenschappen permanent met elkaar in dialoog zijn om elkaar te leren begrijpen en om duidelijke afspraken te maken. De overheid moet die structurele dialoog tussen gemeenschappen permanent organiseren. Niet alleen volgens etnisch-culturele lijnen maar ook tussen de gemeenschappen van jongeren, ouderen, tussen levensbeschouwingen,…
Wat opvalt in het publieke debat, bijvoorbeeld over de Syriëstrijders, is dat er vandaag vooral gesproken wordt óver anderen. Door niet permanent mét de gemeenschappen te spreken, moeten we bijvoorbeeld plots ontdekken dat de islamitische gemeenschap ook al lang wakker ligt van radicalisering.

Dialoog vertrekt vanuit de opvatting dat andersdenkenden ook een deel van de waarheid bezitten. We zien vandaag een zelfgenoegzame overheid die de eigen stellige waarheid aan anderen tracht op te dringen. Ook niet-dominante groepen kunnen belangrijke thema’s op de agenda zetten. Het feit dat een bepaalde groep een meerderheidspositie heeft of dominant is in een bepaalde samenleving, verantwoordt niet dat zijn visie opgedrongen kan worden.

Heldere grenzen trekken

Zoals hoger uitgelegd, is er een groot verschil tussen culturele vrijheid en cultuurrelativisme. Via zo’n permanente dialoog kunnen en moeten er heldere grenzen getrokken worden en kan er in één adem ook besloten worden tot ‘redelijke aanpassingen’. We kunnen dan met alle belangrijke gemeenschappen in onze samenleving samen beslissen een rode lijn te trekken tegen fenomenen als vrouwenbesnijdenis, polygamie, huiselijk geweld, lijfstraffen, racisme, discriminatie, verbaal geweld in de publieke ruimte, enzovoort. Tegelijk zouden we het ook eens kunnen worden over redelijke aanpassingen zoals bijvoorbeeld het toestaan van verlof op verschillende momenten voor religieuze feestdagen. Ook dat gaat om het gevoel van erbij te horen. Wie wordt meegezogen in de hele heisa rond Kerstmis terwijl de feestdag van haar eigen gemeenschap ongemerkt voorbij gaat, en misschien zelfs examens moet afleggen op die dag, zal zich niet meteen sociaal erkend voelen.

Een ander taalbeleid

Nederlands is in Vlaanderen de gemeenschappelijke taal die dient als middel tot communicatie, participatie, dialoog en onderhandeling binnen de steeds meer diverse sociale ruimte. Daarom is het belangrijk om van alle burgers te verwachten dat zij een voldoende kennis van het Nederlands ontwikkelen. Kennis van het Nederlands is sociaal noodzakelijk. Verwachten dat nieuwkomers een functionele kennis hebben van het Nederlands betekent echter niet dat zij omwille van een te gebrekkige kennis van het Nederlands uitgesloten kunnen worden van openbare voorzieningen.

Het behouden van het Nederlands als lingua franca dient ook een sociaal doel omdat er niet van elke burger kan worden verwacht dat hij ook een andere taal dan het Nederlands machtig is. De reden waarom ik de kennis van het Nederlands als noodzakelijk beschouw, is dus om het samenleven te bevorderen en niet om een homogene culturele gemeenschap uit te bouwen (taal blijft een instrument en geen doel op zich).

Het belang van het Nederlands als gedeelde taal betekent echter niet dat we de ontwikkeling van andere talen willen bannen uit de samenleving en het beleid. Minderheden leveren immers ook een belangrijke talige bijdrage aan onze regio, die zelfs een economische troef is. Hoe meer Vlaanderen een superdiverse samenleving wordt, hoe groter de noodzaak om het Nederlands als lingua franca uit te bouwen én hoe groter de opportuniteit om van onze veeltaligheid een troef te maken. Onlangs schreef de Gentse econoom Koen Schoors in De Morgen dat Vlaanderen diversiteit steeds meer als een nadeel begint te beschouwen, en dat een groot deel van de politieke elite de nadruk legt op aanpassing en assimilatie. ‘Misschien zouden we er wel bij varen de diversiteit te omarmen, in plaats van ze blindelings weg te assimileren,’ concludeerde Schoors.11 Dat geldt niet in het minst op vlak van veeltaligheid.

Kortom: als de politiek voluit de kaart trekt van culturele vrijheid en als we op basis van sociaal en politiek burgerschap aan gemeenschapsvorming doen, kunnen we de spanningen die multiculturaliteit met zich meebrengt stap voor stap achter ons laten. Dat zal ons als maatschappij veel meer opbrengen dan de vermoeiende discussies over hoofddoekverboden, Vlaamse leeuwenvlaggen aan gemeentehuizen of verboden taalgebruik op de speelplaats.

Wouter Van Besien
Voorzitter Groen

Noten
1/ Vertovec Steven (2007), Super-Diversity and its implications. Ethnic and Racial Studies, volume 30, nr 6, pp. 1024-1054.
2/ UNDP (2004), Cultural Liberty in Today’s Diverse World. Human Development Report 2004, United Nations Development Programme.
3/ Taalpeilonderzoek in opdracht van de Nederlandse Taalunie in: Taalpeil 2011, Nederlandse Taalunie, november 2011.
4/ Martha Nussbaum (2012), De nieuwe religieuze intolerantie. Een uitweg uit de politiek van de angst, Ambo Amsterdam 2013, p. 162.
5/ Ibidem, p. 277.
6/ Bikhu Parekh (2002), Rethinking Multiculturalism: Cultural Diversity and Political Theory. Harvard UP, p. 167 (eigen vertaling)
7/ Ibidem, pp. 176-177 (eigen vertaling).
8/ Michael Emerson (ed), Interculturalism. Europe and its Muslims in search of sounds societal models, Centre for European Policy Studies (CEPS), 2011, Brussel, 184 p.
9/ Dick Pels, ‘Beschaafde onverschilligheid. Essay over leven en laten leven’, in: De Groene Amsterdammer, nummer 20, 18 mei 2011.
10/ Bikhu Parekh (2002), p. 340 (eigen vertaling).
11/ Koen Schoors, ‘Assimilatie geeft slechts gelijke kansen op arbeidsmarkt als je ook je naam assimileert’, De Morgen, 21 januari 2013.

diversiteit - cultuur - vrijheid - Groen

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 12