Log in

Over oude en nieuwe progressieven

redactioneel

In de eerste troonrede van Koning Willem-Alexander op 17 september hoorden we dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Velen lazen dat als: de afbraak van de Nederlandse sociale zekerheid gaat gestaag verder; bij tegenslag moet de burger niet te veel rekenen op de steun van de terugtredende overheid. Een bijzonder geluid uit het voormalige gidsland Nederland. Maar een verrassing is het niet.

PARTICIPATIESAMENLEVING

Minder overheid, meer eigen verantwoordelijkheid, minder professionele zorg, meer zorg door naasten. De trend naar sociaal doe-het-zelven is onmiskenbaar. Verderop dit nummer tonen Tim Reeskens en Wim van Oorschot echter aan dat bij bezuinigingen mensen juist minder tijd en geld hebben om te investeren in hun netwerken, waardoor het sociale middenveld net verschrompelt. Participatie als valse illusie dus.

Een participatiesamenleving vereist juist meer inmenging van de overheid. Die moet via regelgeving het ‘altruïsme overschot’ (het overschot aan goede intenties van mensen dat vaak onbenut blijft) naar boven halen én tegelijk de belangen blijven verdedigen van diegenen die op eigen houtje niet kunnen participeren. De grootste verandering is dus voor de overheid, niet voor de burger. Maar dat horen we natuurlijk niet van rechts-conservatieve partijen. Voor hen is de participatiesamenleving politieke codetaal voor: er zijn te veel burgers die beroep doen op sociale voorzieningen. Het moet voor ontslagen werknemers een vreemde gewaarwording zijn, de ene dag je job verliezen en de volgende dag horen spreken over de participatiesamenleving.

‘NIEUWE’ PROGRESSIEVEN?

In tijden van besparingen de participatiesamenleving naar voor schuiven om de armlastige overheid te ontlasten, zoals we van Koning Willem-Alexander en dus ook van regeringspartner PvdA te horen krijgen, zet de moeilijkheden in de verf waarmee sociaaldemocraten geconfronteerd worden inzake welzijn en overheidsuitgaven. Uit de enquête van Transatlantic Trends 2013 komen twee tegenstrijdige tendensen naar voor: ‘in moeilijke tijden keert de publieke opinie zich resoluut tegen hoge overheidsschulden en staatsuitgaven, maar tegelijkertijd willen velen de diensten van de welvaartsstaat in hun omgeving beschermen en er nog meer in investeren.’

Dit maakt sociaaldemocraten electoraal kwetsbaar. Zeker omdat de politieke overzijde met een dubbele aanpak slim inspeelt op die veranderde tijdsgeest: vele rechts-conservatieve partijen in Europa combineren stoere retoriek over begrotingsdiscipline met een vernieuwing van hun sociale waarden. Ze hebben het electoraat ervan overtuigd dat niet zozeer de markt maar de spilzieke overheid verantwoordelijk is voor de economische crisis. Tegelijk wordt hun wantrouwen ten opzichte van de staat omgezet in een andere invulling van de welvaartsstaat: niet langer de 20ste eeuwse logge overheid, maar de 21ste eeuwse dynamische samenleving is beter in staat publieke voorzieningen te verzekeren. De boodschap klinkt offensiever, ja zelfs optimistischer, en dus electoraal aantrekkelijker dan het louter verdedigen van de huidige welvaartsstaat. Met hun zachter taalgebruik vertroebelen rechts-conservatieven de gekende ideologische grenzen. Ze profileren zich als ‘nieuwe’ progressieven.

MERKEL, CAMERON, REINFELDT

Voor de crisis was het plaatje duidelijker: rechts-conservatieven waren voor de vrije markt, het grote geld en de nachtwakersstaat. Vandaag zit achter het nieuwe discours nog steeds dezelfde conservatieve agenda, alleen is die moeilijker te ontmaskeren. Ze halen er midden- en soms zelfs linkse kiezers mee binnen. Met hun softer imago openen ze ook de deur voor vrouwen, een doelgroep waar ze vroeger alleen maar van konden dromen.

Het heeft hen in verschillende Europese landen geen windeieren gelegd. In Duitsland won Angela Merkel moeiteloos de verkiezingen met een programma met heel wat sociale accenten, zoals het minimumloon of de ‘Mutterrente’. Voor sommige politieke commentatoren kon Mutti Merkel gemakkelijk een SPD-kandidate geweest zijn. In Groot-Brittannië boekten de Tories in 2010 opnieuw succes door in te breken bij het centrumelectoraat. David Cameron brengt er een positief verhaal over een ‘big society’: niet de staat maar de samenleving, uzelf, kan onze welvaartsstaat in stand houden. In Zweden blijft Fredrik Reinfeldt van de rechts-conservatieve Gematigde Partij, sinds 2006 aan de macht, weg van traditionele liberale onderwerpen. Ook hier weer die dubbele strategie: inzetten op belastingvermindering voor lage en middenklassen, en tegelijk snoeien in de werkloosheids- en ziekte-uitkeringen.

Internationale trends extrapoleren naar onze politiek is altijd verschrikkelijk moeilijk. Maar zelfs over Bart De Wever schreef Walter Pauli onlangs in Knack (02/10): ‘Zijn achterban wil het niet horen, maar De Wever heeft christendemocratisch leren spreken’. Met een doelbewuste boodschap hengelt hij naar de ‘klassieke Vlaming’. De gemiddelde CD&V’er en N-VA’er lijken sterk op elkaar. Ruth Dassonneville en Marc Hooghe toonden het eerder in dit blad ook al aan: N-VA kaapte bij de voorbije lokale verkiezingen zelfs over het politieke centrum heen stemmen weg (‘Waar komen de lokale N-VA kiezers vandaag?’, Sampol, januari 2013).

DODELIJKE VERWARRING

Cameron, Merkel en Reinfeldt scoren met een misleidend discours. Hun gematigde retoriek verbergt hun voorkeur voor een kleine staat. Ze lijken op het eerste zicht minder gevaarlijk dan de hardliners die zonder gêne voor het grote geld rijden, maar vergis u niet: met schijnbaar sociale maatregelen ontmantelen ze stap voor stap de welvaartsstaat. De verwarring die rechts-conservatieven daarmee zaaien, is dodelijk voor sociaaldemocratische partijen. Die hebben deze nieuwe agenda onvoldoende goed begrepen. Dat maakt het voor hen moeilijker om zich te profileren op hun eigen kernthema. Want aan de oppervlakte lijkt het alsof de ideologische verschillen tussen links en rechts verdampen. En dus lopen de kiezers over.

De vertroebeling van de termen ‘progressief’ en ‘conservatief’ zijn symptomatisch voor de defensieve rol die sociaaldemocraten zijn gaan aannemen. Daar waar progressief lange tijd stond voor een goed uitgebouwd staatsapparaat, lijkt vandaag een kleine overheid het toonbeeld van op een ‘progressieve’ manier met de centen omgaan. Rechts-conservatieven zijn er in geslaagd de discussie te verplaatsen naar de verspilzucht van de overheid. Ze beklemtonen de noodzaak van bezuinigingen, maar zwijgen zedig over het oorzakelijk verband tussen de banken- en de schuldencrisis. Structurele hervormingen, nog zo’n begrip dat links is kwijtgespeeld aan rechts, van de arbeidsmark zijn nodig. Maar over wat dat ‘hervormen’ precies moet inhouden, is er nauwelijks discussie. Volgens de Van Dale betekent het: ‘grote veranderingen om te verbeteren’. Wie kan daar nu tegen zijn?

WEES WAKKER

Links slaagt er dus minder goed in dan rechts om de rol van de staat na de crisis te definiëren. In tijden van budgettaire krapte zit het gevangen tussen de steeds scherpere eisen van hun traditionele achterban (grote vermogens moeten boeten, aan de publieke voorzieningen wordt niet geraakt) en de hervormingsagenda van deze ‘nieuwe’ progressieven.

Het mag daarbij in eigen boezem kijken. Want de kiezer werd niet alleen op het verkeerde been gezet door de strategische shift van rechts-conservatieven, maar evenzeer door de keuzes van sociaaldemocraten zelf. Het failliet van links is al in verschillende toonaarden bezongen, maar in deze kunnen we niet anders dan herhalen dat sociaaldemocraten in veel landen mee aan de knoppen zaten bij het versoberen van de welvaartsstaat. Met de allerbeste bedoelingen is links verworden tot de architect van het besparingsbeleid. Ze moest de bezuinigingen mee helpen verkopen, maar klonk daarbij vaak strenger dan rechts. Het maakt dat sociaaldemocraten zelfs inzake hun corebusiness in het verweer zitten.

Links, wees wakker: ook de participatiesamenleving is een semantische truc van dit ‘nieuw’ progressivisme. De welvaartsstaat loslaten voor iets onbestemds anders, daar gaan sociaaldemocraten toch ook niet aan meewerken? Moge de Nederlandse PvdA tot voorbeeld strekken: die zou volgens de laatste peiling van Maurice De Hond met nog slechts 10 zetels de zevende partij worden. Na 50PLUS. Kan het nog droeviger?

Wim Vermeersch
Hoofdredacteur Samenleving en politiek

edito - ideologie - nieuwe progressieven - welvaartsstaat

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 1 tot 3