Abonneer Log in

Bezinning van een geconstipeerde opiniekwaker

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 2 (februari), pagina 64 tot 69

Interviewen kan een moeilijke stiel zijn, maar is dat daarom niet altijd. In de eerste vijftien jaren sedert mijn debuut heb ik mij voornamelijk moeten inspannen in het beantwoorden van steeds dezelfde vragen, die geloof ik ook aan al mijn collega’s al honderdmaal zijn gesteld. ‘Waarom bent u beginnen schrijven?’. Of: ‘Heeft u rituelen voor het u het schrijven aanvat?’ Hier voel ik altijd de neiging om iets onnozels te verzinnen. Maar ik ben Frank Zappa niet, vooral tijdens interviews tot mijn spijt, en dus blijf ik maar een brave sul, onvoldoende ad rem en schaapachtig antwoordend op vragen waarvan de intelligente insteek mij ontgaat. Jammer voor mezelf, want ik ben gaandeweg wel gaan begrijpen dat uitgerekend de mallotigste vragen de schrijver naar zijn arsenaal verbaal vuurwerk kunnen drijven. Een andere klassieker: ‘Moet de schrijver of de artiest in het algemeen politiek en/of sociaal geëngageerd zijn?’

Die vraag is minder keutelig dan de voorgaande, maar omdat ze zo vaak op mijn boterham wordt gesmeerd mankeert mij vaak de fut om er een paar propere volzinnen voor in elkaar te bricoleren. En in mijn drang om geen automatisch antwoordapparaat te zijn ben ik er net wel één, mij er vanaf makend dat een artiest helemaal niets heeft te moeten, dat het afbakenen van de verplichtingen van de kunstenaar het einde van de kunst is. Zo het lelijke werkwoord ‘moeten’ in deze context bestaansrecht krijgt, dan enkel in de zin dat de kunstenaar zich alleen maar voor de kunst moet engageren.
Swingend is zo’n antwoord niet, dat begrijp ik wel.
En bovendien zit niemand er op te wachten. Omdat het al lang voetstoots is aangenomen dat de schrijver plaats hoort te nemen in het politieke debat, of hij dat wenst of niet.

IN DE TELEVISIESTUDIO

Een avondje zappen leert ons dat praatprogramma’s op televisie allemaal min of meer hetzelfde format hanteren: men smijte een aantal gasten die weinig met elkaar te maken hebben rond dezelfde tafel, liefst met een glas wijn, rode welteverstaan, want witte deugt alleen voor sabayon, en laat die mensen met elkaar kletsen om het zware beroepsleven van de interviewer te verlichten. De keren dat ik in zo’n televisiestudio uitgenodigd was naar aanleiding van een literaire gebeurtenis, zoals daar kan zijn het verschijnen van een boek of het overlijden van een gewaardeerde collega, had ik mijn zendtijd met een politicus te delen. Om te beginnen heb ik daar niet altijd zin in. Wijn drinken is een intieme gebeurtenis, ook al staan er zeven camera’s op, en ik doe dat het liefst met vrienden. Maar wat erger is, is dat ik altijd in mijn hoedanigheid van schrijver in het gesprek met de politicus wordt betrokken (hetgeen meteen ook betekent dat ik tijd moet inleveren om het over literatuur te hebben, toevallig iets waarover ik nét wel iets te vertellen heb). Opinies worden al enige decennia gescheten, het is niet meer een product van lang en degelijk nadenken, maar mijn eigen persoonlijke waarheid is dat ik toch vaak geconstipeerd ben waar het op opinies aankomt. Ik ben een trage denker, voor eenvoudige optelsommen en veel meer nog voor opinies, maar op televisie meent men dat ‘t schrijverken altijd wel iets kant en klaars heeft op te hoesten als het over politiek gaat.
De kijker heeft daar vrede mee, met dat gezellig rondetafelgeklets, anders zouden al die talkshows niet de kijkcijferkanonnen zijn die ze nu eenmaal zijn. Dat iedereen daar maar wat loze uitspraken zit te doen stoort niet in het minst.

Het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook, dat politici zich een uitspraak over een artiest laten gevallen. Uit een recent verleden herinner ik mij de katholieke politicus Mark Eyskens over het werk van Hugo Claus boutades doend, omdat hij toevallig met de weduwe van de auteur het scherm moest delen. De ene open deur na de andere poneerde die man, inhoudelijk volkomen oninteressant, je reinste scheurkalenderpraat, maar wel zodanig verpakt dat het voor de leek voor het flatscreen moest klinken alsof de politicus verstand van de schone letteren had. De schoenmaker blijft niet altijd bij zijn leest, deze politicus is lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschap en Kunsten en meent af en toe te moeten trompetten welke auteur er voor de Nobelprijs dient te worden voorgedragen. (Wat is eigenlijk nog de waarde van een Nobelprijs, indien de kanshebbers door de politieke machten worden voorgedragen?)
Ik ken anderzijds wel politici die iets zinnigs over literatuur te vertellen hebben, zeker weten. Helaas is daar geen enkele minister van Cultuur bij (daar heb ik gek genoeg nooit contact mee, en de enige keer dat ik Minister Schauvliege ontmoette gaf ze mij een hand zonder mij aan te kijken en hield ze vooral heel erg hard haar mond, wat misschien verstandig was). Maar politici die het verschil tussen Harold Brodsky en Harold Brodkey kennen zijn uitzonderingen, hetgeen hen volkomen te vergeven is: niet literatuur maar wel de politiek is hun vak. Ik ben soms al blij wanneer een politicus iets van politiek afweet.

Als ik, wanneer ik over politiek praat, voor een politicus klink zoals een politicus dikwijls voor mij klinkt wanneer hij over literatuur praat, dan moet ik de eerlijkheid hebben om wat vaker mijn snavel dicht te naaien in politieke debatten.
Alleen stopt daarmee de gewoonte nog niet om schrijvers gaarne naast politici in de opnamestudio te installeren. Bij mijn laatste doortocht bij Pauw en Witteman mocht, nou ja, mocht, ik plaatsnemen naast VVD’er Frederik Teeven; in De Wereld Draait Door heb ik ooit in het parfumgebied van eurocommissaris Neelie Kroes gezeten, en telkens werd er een poging ondernomen om mij in de conversaties met deze mensen te betrekken. Alsof ik zomaar tot in de puntjes hun partijprogramma ken, om te beginnen. Bovendien heeft een politicus van kaliber mediatraining gevolgd, bedient ie zich van goed voorbereide oneliners, waar het mijn vak is om op z’n minst toch een 25.000-tal woorden te gebruiken eer ik het gevoel krijg iets deftigs te hebben verteld.

DE POLITIEKE ROMAN

Uiteraard ben ik niet vrij van zonde en valt het de televisiemaker meer dan te vergeven dat hij mij in het politieke taalbad probeert te sleuren, ten andere ben ik nu eenmaal maatschappijkritisch, soms, de aard van het beestje, en laat dat sporen na in mijn literaire werk. Niet altijd succesvol, trouwens. Zo ben ik bijvoorbeeld de auteur van een roman genaamd De verveling van de keeper uit 2003, een satire, aartsmoeilijk genre overigens, waarin ik het naar onafhankelijkheid snakkende en extreemrechts-stemmende Vlaanderen portreteer. Ik maak er geen geheim van: het is een slecht boek geworden, iets wat ik helaas pas heb beseft toen het al was verschenen, en ik heb mijn uitgever gevraagd het niet langer in herdruk te brengen. Het is te schreeuwerig, de satire kan het pamflettaire karakter ervan niet verhullen. Ik heb daar een mea culpa te slaan, in de eerste plaats tegenover de literatuur. De houdbaarheidsdatum van deze roman is niet groter dan deze van een fles melk. Een uitschuiver; er zijn dagen dat ik mij kan troosten met het feit dat alle constructeurs van een omvangrijk oeuvre er hun aantal van hebben. En het maakt me meteen ook heel erg nederig tegenover de groten der aarde, de auteurs die er met verve in slaagden hun eigen tijdsgewricht vast te leggen in een roman op een manier die tijdeloos was. Thomas Mann, De Toverberg, de grootsheid van dit boek zou dagelijks op de radio moeten worden omgeroepen.

Maar de aard van het beestje dus. Ik heb het niet kunnen laten om een tweede maal met het thema van het zelfgenoegzame, masturberende Vlaanderen aan de slag te gaan en koos andermaal voor de satire, De Intrede van Christus in Brussel, verwijzend naar meester-satiricus Ensor die op zijn beurt naar Honoré de Balzac verwees. In Vlaanderen werd ik door de kritiek in het prikkeldraad gehangen, de Waalse en Franse pers goten een emmer wijwater over me uit, mijn Londense uitgever sprong door het dak van vreugde met dit boek, en Nederlandse recensenten meenden, en ik geef toe, het is overdreven, dat mij dringend de titel van baron moest worden toegekend. Kennelijk had ik op de kleine Vlaamse pik getrapt, de verleiding is althans groot om dat meteen te denken. Al zou ik daar mezelf mee kunnen beliegen natuurlijk, met die gedachte. Het is de makkelijkste gedachte, maar niet noodzakelijk de juiste. Gek genoeg is dit het enige boek van mezelf dat ik zo nu en dan nog eens herlees, alleen maar om mij te vergewissen van de kwaliteit. Laat me eerlijk zijn, er waren dagen dat ik mij liet meeslepen door de bagger van de Vlaamse recensenten en het inderdaad maar zo-zo vond, zij het al een heel stuk beter dan De verveling van de keeper. Bij mijn laatste drie herlezingen kreeg ik meer vrede met het werk, het was goed geschreven, punt, geen Toverberg evenwel, en ook binnen mijn eigen kleine oeuvre lang mijn beste niet, maar het heeft onmiskenbaar enkele literaire kwaliteiten waarvoor ik wens te staan, en drie jaar na verschijnen ben ik eindelijk in staat om afscheid te nemen van deze roman. Bevallen van dit boek was tamelijk makkelijk, maar ik heb er een stevige postnatale depressie aan overgehouden. Zoiets.

Een ding heb ik doende geleerd: de politieke roman is ontiegelijk moeilijk als genre en heeft wellicht alleen maar een kans op slagen als het ook als een niet-politieke roman kan worden gelezen. Wat dat betreft valt er heel wat van José Saramago op te steken. Om nog maar te zwijgen van één van mijn grote persoonlijke idolen, Vaclav Havel, een nog altijd onvoldoende naar waarde geschat theaterauteur, een van de grootste van de twintigste eeuw. Het geval Havel is uiteraard apart en verdient een essay op zichzelf. De geschiedenis betreurt het niet dat hij het schrijfhok voor het presidentieel paleis heeft verruild en dat is sowieso al een godswonder. Collega’s als György Konrád beschouwden de overstap van Havel naar de politieke macht als een vorm van prostitutie, en ook Havel zelf heeft er onder geleden dat hij er als president niet meer toe kwam toneel te schrijven. We kunnen evenwel moeilijk ontkennen dat zijn politieke loopbaan in het verlengde van zijn werk als schrijver en denker lag. Hij heeft de standbeelden die hij verdient, alleen blijven de letteren ietwat verweesd achter: het is slechts zelden nog dat Havel om zijn theater wordt herinnerd, ik zie hem zelden in iemands boekenkast staan. Als er één president was die de Nobelprijs voor Literatuur toekwam, dan niet Churchill, maar Havel.

Artiesten met een politieke carrière, hoe gepolitiseerd hun schrijfsels ook mochten zijn, het zijn zelden succesverhalen. Denk aan Alberto Moravia, denk aan Mario Vargas Llosa. Dichter bij huis is de nagedachtenis van Jacques Brel gered door zeer welwillende hagiografen. Ze zagen niet alleen zijn carrière in flapdrollen van films door de vingers, maar ook het feit dat hij zich volkomen onbeslagen in de Luikse politiek stortte. Was hij als liedjesschrijver geniaal, en was het chanson de plaats bij uitstek waar hij zijn zicht op de menselijke natuur en zijn meningen allerhande met brio kon ventileren, als zelfverklaard politicus was hij een fiasco. Politiek was zijn taal, zijn instrument niet. Ook Louis Paul Boon, nog altijd het oervoorbeeld van de geëngageerde schrijver, was vaak een treurige clown wanneer hij in het openbaar zijn visies op de politieke gang van zaken profileerde; hij is door een grote groep van zijn eigen generatie ongelezen gebleven omdat hij in de media een zulkdanige onnozele indruk maakte dat niemand kon geloven hoe krachtig zijn romans wel konden zijn.

Uiteraard zijn er voorbeelden van auteurs die zich wel overeind houden in de politieke boksring, die politiek ademen en eten en er hun eigen werk mee voeden. We moeten niet ver zoeken, Tom Lanoye is de naam die in deze context onmiddellijk valt, en het weze genoteerd dat hij in een rechtstreeks debat met een politicus telkens praat met vel over z’n buik, weet waarover ie het heeft.

ETIKETTEN

Het politieke vaarwater heeft voor de schrijver nog een bijkomstig gevaar, namelijk dat de lezer het recht heeft om een auteur verkeerd te lezen, verkeerd te begrijpen. Een voorbeeld uit mijn eigen winkeltje: een Britse recensent die mijn roman Problemski Hotel afschilderde als racistisch.

Boeken worden gebruikt, en misbruikt. De Cubaanse dichter José Marti is een heilige voor het Castro-regime, maar tegelijkertijd is hij het symbool van de Castro-tegenstanders en vluchtelingen in Florida. Dat heb je natuurlijk met boeken en oeuvres, men pikke eruit wat men kan gebruiken. Bijbel en Koran zijn al eeuwen goede exempels van boeken die uiterst opportunistisch worden geïnterpreteerd. Een schrijver kan schrijven wat hij wil, eens hij voldoende populariteit heeft hoeft hij alleen maar dood te stuiken en hij kan worden gerecupereerd door eender welke ideologie. Hij kan zich toch niet meer verdedigen. Om nog eens naar Boon terug te keren, die heeft het op gênante boerenkermisachtige wijze uitgezongen dat hij het communisme had afgezworen en socialist was geworden. Dat heeft de rechtse fractie binnen zijn geboortestad er dertig jaar na zijn dood niet van weerhouden om hem tot één van hen te maken, al was het maar om de toeristische aantrekkingskracht van Aalst en de verkoop van Boontaarten en Boonbieren te promoten.

Wie met de stylo schermt tegen zo nu en dan een onrecht, een klein of een groot, moet er op voorbereid zijn een etiket te krijgen opgekleefd. Mijn blik op mijn eigen land heeft me al het stigma van antiflamingant en belgicist opgeleverd. Volkomen verkeerd, hoe zou ik belgicist kunnen zijn als ik anti-nationalist ben, en bovendien bén ik een ‘nestbevuiler’ omdat het nu eenmaal mijn eigen nest is. Laat me stellen dat ik er de pedagogische waarden uit de oude doos op na hou en mijn kinderen alleen uit liefde sla.
Wat ik ook al over mezelf heb mogen lezen, is dat ik een communist zou zijn. Interessant, zo af en toe iets over jezelf te weten te komen. En dit enkel omdat ik het voorwoord heb geschreven bij een boek van PvdA-voorman Peter Mertens, een boek dat de bankencrisis onder de loep nam op een uiterst leerzame en welgedocumenteerde manier. Communist? Ik? Hoe zou ik dat kunnen zijn wanneer ik de rijkentaks van François Hollande volkomen idioot en zelfs suïcidaal voor de Franse economie vind? Als ik zelfs vind dat zanger Bono anno 2013 een progressieve daad stelt door al zijn miljoenen off-shore te parkeren? Ik heb een voorwoord geschreven bij een boek dat er zijn moest, niet bij een partijprogramma.
Etiketten. Begin ze maar eens af te weken.
Etiketten. Op het voorhoofd van Louis-Ferdinand Céline staat met sterke behangerspap geplakt dat hij een extreem-rechtse zuurpruim en antisemiet is. Et alors? Reis naar het einde van de nacht is een ab-so-luut meesterwerk, ik heb geen tien boeken gelezen die beter zijn, terwijl ik toch al iets gelezen heb in mijn over de helft gesleepte leven, en bovendien is het van een zulkdanige woede én sociale bevlogenheid dat je elke linkse rakker het werk van een extreem-rechtse zuurpruim kunt aanbevelen.

KUNST BLIJFT DE BESTE OPPOSITIEPARTIJ

Ik kan er wel eens in mijn zetel met een bak koffie over liggen mijmeren om gewoon ver weg van het maatschappelijke debat te schrijven. Heel verleidelijk klinkt dat. Alleen steek ik zo nu niet elkaar. De mens, de wereld, het is - meestentijds - mijn literaire grondstof. En nogmaals, dat moét het niet per se zijn. Ik kijk allesbehalve minachtend neer op schrijvers die zich beperken tot het landschap, de liefde, de huiskat, de jeuk aan het kuitbeen, de geur van eigen sokken. Het onderwerp draagt niet de kwaliteiten van een letterkundig werk. Maar voor mezelf moet ik met de mens, de kleine of de grote, en zijn sociale context aan de slag. Net zoals ik hoop dat het gros van de politici daarmee aan de slag gaat. Dus onvermijdelijk bevinden die twee machten, de artistieke en de politieke, zich op hetzelfde terrein. Gelukkig ook. We willen niet weten waar de apartheid vandaag zou staan indien de gitaren nooit het woord hadden genomen. We kunnen nooit de iconische kracht ontkennen van Vedran Smailovic, De cellist van Sarajevo, en wat zijn eenvoudige artistieke daad heeft betekend voor de internationale bewustwording van een zoveelste vuile oorlog. Moeten moet niks in de kunst. Maar alles kan en mag en dat moet gegarandeerd blijven. (Kunst is de overtreffende trap van kunnen, schreef Jan Hoet een kwarteeuw geleden; ik ben blij dat ik zulks niet hoef te vertalen in pakweg het Frans). Dus ook de artistieke kritiek op de politiek moet blijven kunnen. De politiek zelf zal zich ten anderen altijd wel met de kunst blijven bemoeien.

Niet dat ik me zorgen hoef te maken over het verdwijnen van de kunstenaar in het openbare debat, verre van. Ik heb mijn eigen kleine blutsjes en builtjes opgelopen en heb van die kleinzerige dagen dat ik moe word, me wil terugtrekken uit het geloei. Bloed kruipt waar het niet gaan kan, ik zal wellicht nooit tegen mijn eigen bek in zingen. En met of zonder mij, de kunst is en blijft nog altijd de beste oppositiepartij. De zuiverste misschien ook.

Dimitri Verhulst
Schrijver

cultuur - literatuur - politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 2 (februari), pagina 64 tot 69