Abonneer Log in

De wortels van de toekomst

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 2 (februari), pagina 70 tot 75

Niet iedereen is ervan overtuigd dat cultuur een duurzaam begrip is. Cultuur kan inderdaad gezien worden als deel van een bepaalde tijdsgeest. Cultuur verandert doorheen de tijd, zoals smaken, voorkeuren en interesses veranderen. Cultuur en zeker kunst staan ook voor vernieuwing en innovatie. Terwijl cultuur geldt als barometer van de samenleving, loopt kunst vaak vooruit, in de voorhoede of de avant-garde. Toch laat cultuur sporen na die we doorheen de geschiedenis langs de levenswandel van de mensheid aantreffen. Sporen die we doorgaans koesteren en die ons blijvend inspireren. Die sporen vormen immers de wortels van de toekomst.

DE GROEI VAN CULTUUR

We richten musea, bibliotheken en archieven op ter bewaring van wat mensen hebben gecreëerd. Wat aan cultuur is geproduceerd, wordt niet enkel bewaard maar ook levendig gehouden. In cultuurcentra, schouwburgen, concertzalen, operagebouwen enzovoort blazen kunstenaars oude verhalen nieuw leven in. Wat beweegt mensen om cultuur in leven te houden, om steeds meer en steeds nieuwe cultuur te maken en te smaken?
Om het cultureel potentieel van een samenleving en de rol van burgers in die samenleving te detecteren, is het goed om het concept van cultuur in de maatschappelijke context in beschouwing te nemen. De wijze waarop cultuur in onze westerse maatschappij inhoud en vorm krijgt, houdt nauw verband met de natuur. Het betreft de zorg voor die natuur of nog anders gezegd: de natuur als cultus. Die idee uit de antieke filosofie blijft ook vandaag actueel. We vinden het terug in ons discours over duurzaamheid bijvoorbeeld. Maar ook over waarden als solidariteit en gelijkheid. Op zich niet echt bijzonder, want uiteindelijk stoelen dergelijke waarden op een humanisme als wereld- en mensbeeld. De liefdevolle zorg voor de natuur, zoals onder meer Cicero ‘humanitas’ omschreef, impliceert ook de cultivering van die natuur. De natuurlijke omgeving werd oorspronkelijk gezien als de primaire nexus, de eerste verblijfplaats of thuis van de mens: de natuur als natuurlijke habitat van de mens. Bovendien werd die thuis algauw een plek met een eigen lijfgeur, een omgeving waarin de mens zichzelf kon ontwikkelen. De zorg voor de natuur evolueerde bijgevolg als een cultivering van het zelf. Hannah Arendt zou hiervoor zelf een metafoor bedenken, namelijk: de cultivering van het zelf als een veld.

De cultivering van het zelf als een productieve culturele ontwikkeling van de mens ligt nog steeds aan de basis van de manier waarop we onze samenleving inrichten en organiseren. Hoe wij als mensen met elkaar leven, is bepalend voor de gemeenschappen die ontstaan. En dus ook voor de identiteiten die we binnen die gemeenschappen ontwikkelen. Misschien is de waarde die voorafgaat aan alle andere waarden om een dergelijke ontwikkeling van mens door cultuur mogelijk te maken die van vrijheid. Vrijheid in de betekenis van het vrijwaren van die ontwikkeling van elke vorm van onderdrukking. We kennen allemaal vormen van onderdrukking: wetenschappelijke zekerheid, absolute waarheid, het schoonheidsideaal zijn slechts enkele voorbeelden.

Cultuur impliceert dus in eerste instantie een vrijplaats zonder inmenging van buitenaf. De mens is in principe meester over zijn eigen creativiteit. Cultuur wordt gecreëerd, niet louter omwille van de creatie, maar net om gedeeld te worden met anderen. Onze samenleving is de context waarbinnen cultuur als vrijplaats een plek moet krijgen, op de een of andere manier. Dat klinkt eenvoudig, maar de zinsnede ‘op de een of andere manier’ suggereert de ontwikkeling van een bepaald beleid, een sociaal-cultureel beleid. Meteen stelt zich ook een aloud dilemma tussen cultuur als vrijplaats en cultuur als beleid. Of anders gezegd: waar eindigt de intrinsieke vrijheid van creativiteit en begint de inmenging van buitenaf? Het blijft voor elke cultuurmandataris, van schepen tot minister, een moeilijke evenwichtsoefening.

Dat blijkt heel duidelijk als we de historische ontwikkeling van het Vlaamse cultuurbeleid even onder de loep nemen.1 De wortels van een Vlaams cultuurbeleid leiden tot diep in de grond van de staatshervorming van 1970. Op dat moment wordt de culturele autonomie van de drie gemeenschappen ingevoerd. Hoewel, we dienen meteen de nuanceren, want Frans Van Mechelen, de eerste minister bevoegd voor cultuur in de zogenaamde Nederlandse cultuurgemeenschap, maakte nog deel uit van de nationale regering. Idem voor de ministers die Van Mechelen opvolgden tot de grondwetsherziening van 1980. In al die tijd bleven de bevoegdheden en het budget voor cultuur uiterst beperkt. De grondwetsherziening van 1980 impliceerde een gewestvorming. In Vlaanderen werden gewest en gemeenschap onmiddellijk samengevoegd. De liberaal Karel Poma werd de eerste cultuurminister van de Vlaamse Gemeenschap en doorbrak daarmee ook het CVP-monopolie dat al die tijd had standgehouden. Een volgende staatshervorming vond plaats in 1988 en zorgde voor een uitbreiding van bevoegdheden voor de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de oprichting van een Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De vierde staatshervorming van 1993 maakte van België een volwaardige federale staat met autonome gemeenschappen en per gemeenschap/gewest een rechtstreeks verkozen parlement. Een vijfde staatshervorming (cfr. de Lambermont- en Lombardakkoorden) kwam tegemoet aan de Vlaamse eis voor meer bevoegdheden zowel als aan de eis van de Walen voor meer financiële middelen. De zesde en voorlopig laatste staatshervorming vergroot de verschillen tussen Vlamingen en Walen nog verder. Dit Vlinderakkoord kwam bijzonder moeizaam tot stand (na bijna 460 dagen) en regelde naast de splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde ook een nieuwe uitbreiding van bevoegdheden naar het niveau van de gemeenschappen. De verschillende staatshervormingen deden de culturele autonomie van de gemeenschappen telkens groeien, maar vraten ook aan de eenheid van het Belgische volk.

De groei van cultuur is in deze beleidscontext ook steeds de evolutie van een cultuurbegrip. Ik had het daarnet nog over cultuur als cultivering van het zelf. Als we de verschillende invullingen overschouwen van de opeenvolgende cultuurministers dan zien we meteen ook dat deze visie werkelijk een basisgedachte is, sinds Van Mechelen tot en met Schauvliege. Achter de idee dat cultuur wezenlijk bijdraagt tot de levenskwaliteit van mensen en een fundamentele rol speelt in de eigen ontwikkeling of zelfontplooiing, zowel van het individu als van de gemeenschap, schuilen opvoedingsidealen als Bildung en Paideia. Denken we maar aan typische termen die in de beleidsteksten van de verschillende cultuurministers ingang vonden: volksverheffing, cultuur als hefboom, gemeenschapsvorming, competentieverwerving en zelfs ondernemingszin. Terecht merkt De Pauw (2005) op dat we vooral niet naïef mogen zijn: idealen als Bildung en Paideia hebben als motor van cultuurparticipatie niet altijd het beoogde resultaat van democratisering en gelijkheid bereikt, maar droegen vaak ook bij tot net meer sociaal onderscheid en culturele elitevorming.

Een ander kenmerk van het cultuurbegrip leidt terug naar de vraag in welke mate cultuur commercieel dan wel gesubsidieerd moet zijn. Het antwoord van cultuurministers op die vraag is afhankelijk van een breuklijn die enerzijds de relativiteit van de Bildungsgedachte en anderzijds ook de verruiming van het cultuurbegrip aangeeft. Nog los van de ideologische signatuur van de respectievelijke cultuurministers kan men van oordeel zijn dat het cultuurbegrip zich vandaag niet langer beperkt tot de ontwikkeling van het individu en de niet-commerciële cultuur. Tegenwoordig verstaan we onder cultuur ook gemeenschapsvorming en cultuurindustrieën. We erkennen met andere woorden cultuur als markt en als economie, én we lijken onszelf opnieuw er aan te herinneren dat cultuur dient tot nut van ’t algemeen, of toch minstens van menigeen.

Een derde aspect in de groei van het cultuurbegrip in het beleid van de cultuurministers is de rol van de overheid. Dient een cultuurbeleid inhoudsbepalend of voorwaardenscheppend te zijn? Anders gezegd: hoever reikt het primaat van de politiek? In zijn wetenschappelijk onderzoek concludeert De Pauw (2005) dat onder de verschillende politici die ooit bevoegd waren voor cultuur een relatieve consensus heerst in de richting van een voorwaardenscheppend beleid. Toch tekenen zich twee tendensen af: de liberale cultuurministers (Poma en Dewael) verkozen steevast de absolute artistieke vrijheid boven al te veel overheidsregulering, terwijl de meer conservatieve (CVP) ministers (Van Mechelen, Chabert, De Backer, Weckx, Martens) eerder wezen op de maatschappelijke relevantie als gewicht in de balans van subsidiëring en overheidsinmenging. Ook Anciaux (toen VU&ID/Spirit) en Van Grembergen noopten meer naar die maatschappelijke relevantie. Schauvliege, de huidige cultuurminister, lijkt een ietwat hybride aanpak te verdedigen. In haar beleid vindt men zowel behoudsgezinde elementen terug als erkenning van het privé-initiatief. Eigenlijk vaart Schauvliege daarmee ook verder op de koers die werd ingezet door Anciaux (cfr. CultuurInvest en de samenwerking tussen de beleidsdomeinen cultuur en economie). Het aanmoedigen van sponsoring en de gang naar de commercialisering en vermarkting van cultuur begon evenwel reeds in de hoogdagen van de liberale cultuurministers.

BRUGGEN VAN CULTUUR

Stricto senso kunnen we stellen dat de recente ministers bevoegd voor cultuur, Anciaux en Schauvliege, allebei op hun eigen manier hebben bijgedragen tot een hedendaags, kwaliteitsvol cultuurbeleid dat zich meer dan ooit kenmerkt door transversaliteit in plaats van een louter sectoraal beleid en dit op verschillende vlakken en niveaus. Anciaux zocht toenadering tot het beleidsdomein economie zonder daarbij het welzijnsdomein te negeren. Net als Anciaux gelooft Schauvliege in een wisselwerking tussen cultuur en economie. Getuige haar visie op een uitbreiding van CultuurInvest, een piloot-project rond crowdfunding, aandacht in het nieuwe kunstendecreet voor instrumenten van ondernemerschap.

Schauvliege slaat bovendien bruggen tussen cultuur en technologie (nieuwe media) en tussen cultuur en natuur (eco-cultuur). De huidige cultuurminister continueert het beleid van Anciaux op het punt van culturele competentie-ontwikkeling en benadrukt daarbij via haar beleid rond erfgoed en cultuurbewaring ook de waardering van cultuur. Beide ministers maakten zich ook verdienstelijk op het gebied van het internationale cultuurbeleid. De vermarkting van cultuur vertaalde zich bij Anciaux en Schauvliege in een verdere professionalisering van de cultuursectoren. Anciaux wendde het subsidiariteitsbeginsel aan om de gemeenten in Vlaanderen en Brussel te responsabiliseren via een integraal en kwalitatief lokaal cultuurbeleid. Ook de nieuwe en gewijzigde decreten die Anciaux heeft gerealiseerd, kennen momenteel in het beleid van Schauvliege een eigen invulling, zij het ingegeven door al dan niet noodzakelijke en soms moeilijk te rechtvaardigen besparingsmaatregelen. Een mogelijke kritiek op het cultuurbeleid van Anciaux is het ad hoc/ad random-karakter van zijn veranderingen. Schauvliege daarentegen richt zich op het jaar 2020 met een beleid dat sterk inzet op duurzaamheid. Het aspect van duurzaamheid draait rond de vraag welk beleid we willen in 2020? In ieder geval oppert Schauvliege voor enkele markante doorbraken: een open samenleving, gekenmerkt door verbinding, dialoog en wisselwerking, waarin bestaande kaders geëvalueerd worden en beweging dient gestimuleerd. In ieder geval gaat Schauvliege voor een meer open, meer efficiënt beleid met minder planlast en ondoorzichtige procedures.

Ik haalde al eerder aan dat Schauvliege een brug heeft gebouwd tussen cultuur en technologie. Dat bewijzen ook haar doelstellingen voor 2020: ze kiest voor een open samenleving waar cultuur, net als technologie, alomtegenwoordig is. Die gedachte vinden we ook terug in het huidige discours over technologie: begrippen als netwerksamenleving, sociale en culturele ‘hubs’ en ‘nodes’ (knooppunten), informatie als voortstuwende stroom,… zijn vrij synchroon met de ideeën en doelstellingen van de toekomstvisie van de huidige cultuurminister. Culturele innovatie is het nieuwe vernieuwingsbegrip geworden, zo lijkt het wel. Ik wil mij hier niet verliezen in een retorische of semantische discussie over begrippen als vernieuwing en innovatie, maar ik merk toch een nuance. Vernieuwing is met betrekking tot het cultuurbeleid altijd een vervelend begrip gebleven. Voor sommigen refereert het begrip ‘vernieuwing’ naar niets meer dan een lege doos. Volgens anderen is het een toverwoord, een soort deus ex machina waarachter het goed schuilen is. Ik beweer niet dat het begrip ‘innovatie’ zoveel zaligmakender of concreter is. Het is in ieder geval een woord dat we courant terugvinden in het hedendaagse discours over cultuur, maar net zo goed over technologie, milieu, arbeid, wetenschap, economie,… Ik verdedig het vernieuwingsbegrip niet noodzakelijk, want ik blijf ook waakzaam voor interpretaties van het begrip ‘innovatie’. Als we via cultuur innovatieve bruggen kunnen slaan tussen andere beleidsdomeinen is dat een goede zaak. Ik erken cultuur als een open veld waarin de cultivering van het zelf, zowel individu als gemeenschap, centraal staat. En als we via het innovatieve de creativiteit van eenieder kunnen stimuleren, maatregelen nemen met het oog op de toekomst en een langetermijnvisie weten te combineren met ad hoc-acties, hebben we volgens mij goed gereedschap in handen om verder te ploegen op het culturele veld.

HET CULTURELE VELD

Het zou een misvatting zijn te veronderstellen dat het culturele veld zich beperkt tot het middenveld. Of dat het bewerken van het culturele veld een exclusieve aangelegenheid zou zijn voorbehouden aan het platteland. Als ik als grootstedeling om mij heen kijk, zie ik stadstuintjes, verticale tuinbouw en vooral veel ijverig en enthousiast geploeg van iedereen met een hart voor cultuur en onze samenleving. De verstedelijking is een van de meest uitdagende trends voor de toekomst. Steden zijn volgens mij net zo’n open velden als de weiden op de ‘boerenbuiten’. Cultuur is in de steden op dezelfde manier ontstaan als elders in dit land. Zodra de eerste spade in de grond ging en een kluit werd omgeploegd, ontstond er iets dat we later cultuur zijn gaan noemen. Vandaag sturen we schoolkinderen in de stad naar het platteland om hen opnieuw te laten kennismaken met de wortels van cultuur. In het weekend trekken we op wandeltocht door de bossen om die natuur, die ook onze eigen natuur is, in te ademen. We bezoeken musea en gaan naar voorstellingen, op zoek naar de wortels van cultuur. We surfen op het internet, genieten van een goed boek en zoeken elkaar op in ons favoriet stamcafé. We ontmoeten elkaar op straat, in parken, op pleinen. We worden haast voortdurend aangetrokken door de wortels van cultuur. Onze samenleving is terecht een ruimte waar cultuur alomtegenwoordig is. Waarom? Omdat overal mensen te vinden zijn. Het zijn de mensen die cultuur maken en verwortelen in het verleden, het heden en de toekomst. In navolging van de verschillende cultuurministers geloof ook ik nog steeds in een cultuur als vrijplaats voor menselijke creativiteit en de cultivering van het zelf. De digitalisering draagt volgens mij bij tot de uitbreiding van die vrijplaats. De beleidsinnovaties van Anciaux en Schauvliege houden (hopelijk) woord aan een afspraak in de nabije toekomst. Een toekomst die eigenlijk gisteren al begonnen is.

Maite Morren
Schepen te Elsene

Noot
1/ Voor een uitgebreid en recent wetenschappelijk relaas van de historiek van het Vlaamse cultuurbeleid verwijs ik naar het boek Minister Dixit (2005) van Wim De Pauw. Ik beperk mij in deze tekst tot enkele dwarslijnen en contouren van het cultuurbeleid van verschillende Vlaamse ministers (Van Mechelen – Anciaux). Ik actualiseer dit summiere en niet steeds chronologische overzicht met eigen kanttekeningen, met inbegrip over het cultuurbeleid van de huidige bevoegde minister Joke Schauvliege.

cultuur - kunst - politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 2 (februari), pagina 70 tot 75