Abonneer Log in

Een progressieve agenda voor de Trans-Atlantische Vrijhandelsonderhandelingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 2 (februari), pagina 29 tot 32 en 41 tot 43

Sinds juli vorig jaar zijn onderhandelingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten over een vrijhandelsakkoord (TTIP) aan de gang. Terwijl in een aantal andere landen hierover stevig gedebatteerd wordt, krijgen deze gesprekken in België - een occasioneel opiniestuk terzijde - weinig aandacht. Dat is volkomen onterecht. Dit akkoord kan een grote invloed hebben op de richting waarin Europa de komende jaren en zelfs decennia uitgaat. Het is dan ook belangrijk dat sociaaldemocraten hiertegenover een duidelijke, progressieve agenda ontwikkelen en dit akkoord politiseren, onder meer bij de verkiezingen van mei.

In dit artikel wordt achtereenvolgens uitgelegd om welke redenen nu precies onderhandeld wordt over het TTIP, waarom we de optimistische voorspellingen door de Europese Commissie over de gevolgen ervan met een flinke korrel zout moeten nemen, welke uitkomst we dan wel kunnen verwachten en welke positie sociaaldemocraten zouden moeten innemen.

VOOR GROEI, TEGEN CHINA

Het was niet van de eerste keer raak met de poging om onderhandelingen te houden over een Trans-Atlantische markt. Sinds begin jaren 1990, na de Koude Oorlog, zijn er om de paar jaar pogingen geweest om zulke gesprekken op te starten, om zo de relaties tussen de VS en de EU op een nieuwe, economische leest te schoeien. Die zijn telkens stukgelopen op een gebrek aan wil of interesse aan één van beide zijden van de Atlantische Oceaan.

Waarom is het deze keer dan wel gelukt? Omdat voorstanders in Brussel en Washington van de crisis in het westerse kapitalisme en de (daardoor nog snellere) opkomst van China gebruik hebben gemaakt om een vrijhandelszone als oplossing voor te stellen.

Groei en jobs zijn altijd de voordelen geweest waarmee voorstanders van vrijhandel hun zaak verdedigen. Nieuwe buitenlandse markten bieden exportkansen voor de eigen bedrijven, en meer buitenlandse concurrentie zorgt ervoor dat in eigen land de middelen meer efficiënt worden ingezet, wat leidt tot meer groei, en dus meer jobs, zo gaat de redenering ontleend aan de klassieke economie. Ook de Europese Commissie verdedigt haar vrijhandelsbeleid al lang op die manier.

Voor het TTIP worden grote (en misschien zal later blijken groteske) voorspellingen gemaakt. Het akkoord zou voor een extra jaarlijkse groei van 0,5% van het BBP zorgen, of omgerekend een extra 545 euro aan koopkracht per modaal gezin (vanaf 2027, dat wordt dan weer meestal verzwegen). Dat, zo vertelt de Commissie steeds in dezelfde adem, zonder de begroting met één euro te bezwaren. In de langgerekte crisis waarin we nog steeds verkeren is dat natuurlijk een aantrekkelijk perspectief. Aan Amerikaanse zijde worden gelijkaardige voordelen voorspeld.

Een tweede motivatie, die meer off the record wordt geuit, is om via het akkoord het westers economisch blok (of vermeende blok) te versterken om te vermijden dat China binnen de kortste keren de lakens uitdeelt in de internationale economie. Hoewel China begin dit jaar de VS voorbijstak als grootste handelsnatie ter wereld en volgens sommige voorspellingen binnen enkele jaren al de grootste economie zou worden, zijn de EU en de VS samen goed voor bijna de helft van het wereldwijde BBP en een derde van de wereldhandel. Als zij nu samen afspraken maken over de voorwaarden waaraan handel moet voldoen, dan is de rest van de wereld, inclusief China, verplicht te volgen. Hoe langer men daarmee wacht, hoe meer men de kans aan China geeft om de toekomstige spelregels te bepalen, zo gaat de redenering. De Europese Commissie stelt tegelijkertijd dat het akkoord wel tot globale regels zal leiden, maar dat de rest van de wereld, ook China, er economisch wel bij zal varen.

Voor sommige Atlanticisten gaat het strategisch belang van dit akkoord voorbij het economische. Niet voor niets wordt er naar het TTIP wel eens verwezen als een 'economische NATO'. Met een multipolaire, onzekere toekomst in het vooruitzicht, waarbij de VS ook nog eens het vizier naar Azië heeft verplaatst, is het volgens zulke Atlanticisten geopolitiek onontbeerlijk voor de EU om de banden met de VS aan te halen.

Met dit discours is het toch gelukt om in de EU, en de VS, voldoende steun te vinden voor de start van de onderhandelingen. Al gebeurde dat, zeker in de EU, niet zonder slag of stoot. In handelsbeleid zitten de Lidstaten niet aan het EU-stuur, maar op de achterbank, vanwaar ze eventueel wel aan de handrem kunnen trekken. De Europese Commissie heeft de bevoegdheid om onderhandelingen voor te stellen en vervolgens ook te voeren, maar in nauw overleg met de Lidstaten. Sinds het Verdrag van Lissabon moet ook het Europees Parlement haar goedkeuring geven aan handelsakkoorden. Hoewel de Commissie formeel niet haar instemming nodig heeft om onderhandelingen te starten, is dat politiek gesproken wel zo, en geeft het Parlement net als de Raad van Ministers aan wat ze van de onderhandelingen verwacht.

Niet alle Lidstaten waren even enthousiast over het opstarten van onderhandelingen. Er zijn een aantal verwoede voorstanders, als Duitsland, Nederland, het Verenigd Koninkrijk (waar Cameron met het TTIP de meerwaarde van een beperkte, liberale EU wil aantonen), de Scandinavische en de meeste Oost-Europese landen. Er zijn een aantal stille twijfelaars, terwijl Frankrijk haar scepsis niet onder stoelen of banken steekt. Door de politieke push op het hoogste niveau (Obama en Barroso en Van Rompuy lanceerden het idee in het najaar van 2011), was het voor Frankrijk echter onmogelijk om de onderhandelingen helemaal te dwarsbomen. Het heeft dan maar gezichtsverlies proberen vermijden door te bepleiten, en te bekomen, dat onderhandelingen over audiovisuele diensten (vooral: films uit Hollywood) voorlopig geen voorwerp van de onderhandelingen zullen vormen, daarin gesteund door het Europees Parlement (en België). Uiteindelijk werden de onderhandelingen opgestart in juli van vorig jaar. Onder andere door het NSA-schandaal hebben de gesprekken tot nog toe een hobbelig parcours afgelegd. Deze maand wordt er een eerste keer een balans opgemaakt, maar het is hoogst twijfelachtig dat de onderhandelingen voor het einde van het jaar zullen kunnen worden afgerond, zoals werd verhoopt aan beide zijden van de Oceaan.

GROTE BATEN ZONDER KOSTEN: KAN DAT?

Kritische observatoren, andersglobalistische campagnegroepen als Corporate Europe Observatory en vakbonden en milieu- en consumentenbeschermingsorganisaties stellen de voorgestelde economische baten niet in vraag maar argumenteren dat hiervoor veel offers moeten worden gebracht. Europese bescherming van de werknemer, de volksgezondheid, de biodiversiteit, het leefmilieu, etc. zal worden afgebouwd, vrezen zij. Een andere angst is dat investeerders het recht zullen krijgen om wetten en beslissingen door overheden voor een internationale private rechtbank aan te vechten omdat het hun toekomstige winsten zou kunnen verminderen (beter bekend als investor-to-state dispute settlement of ISDS). Op die manier wordt de democratische beslissingsmacht aangetast. De Europese Commissie is zich bewust van die kritiek en stelt telkens weer dat deze vrees ongegrond is. Europese regels zullen op geen enkele manier worden afgebouwd en democratische besluitvorming zal niet worden uitgehold. Critici antwoorden dat we die geruststelling niet zomaar kunnen aanvaarden, aangezien de onderhandelingen zelf, alhoewel er ongezien veel over gecommuniceerd wordt door de Commissie, geheim zijn, en zowel het schimmig geformuleerde ‘regulatorische convergentie’ als ISDS onderdeel vormen van de onderhandelingsagenda. Dat ondoorzichtige onderhandelingsproces, zowel tussen de EU en de VS als binnen de Unie, is trouwens op zich één van de andere voornaamste punten van kritiek vanuit verschillende hoeken. De kritiek heeft er toe geleid dat Commissaris Karel De Gucht vorige maand een publieke raadpleging van drie maanden, startend in maart, heeft aangekondigd over ISDS waarbij de onderhandelingen hierover worden opgeschort.

Het valt vandaag inderdaad niet te voorspellen of de doemberichten van critici dat het TTIP ons ecologisch, sociaal en democratisch model (verder) ten grave draagt steek houden. Maar uit onderzoek dat ik naar de onderhandelingen voer blijkt dat in elk geval niet alle argumenten van de Commissie pro het akkoord samen kunnen kloppen.1 Er is een incompatibiliteit tussen spectaculaire groeicreatie, het ontwerpen van globale standaarden en het niet verlagen van sociale en milieubescherming en democratische beslissingsmacht.

Volgens de studie waarop de Commissie haar voorspellingen baseert zijn de baten van het TTIP in grote mate afhankelijk van ‘regulatorische convergentie’: afspraken tussen de EU en de VS om allerlei regels over de kwaliteit van producten en diensten en de manier waarop ze worden geproduceerd gelijk te schakelen. Om tot de extra groei te komen die de Europese Commissie communiceert moet een vierde van alle ‘niet-tarifaire barrières’ tussen de EU en de VS worden weggewerkt. Maar omdat eigenlijk maar de helft van zulke belemmeringen onderhevig is aan beleidsinvloed (andere als consumentenvoorkeur zijn dat niet), gaat het eigenlijk om 50% van alle technische handelsbarrières die moeten worden verwijderd. Dat kan op twee manieren: ofwel spreken de EU en de VS af om precies dezelfde regels te gebruiken (harmonisatie), ofwel gaan ze akkoord dat wanneer een product of proces aanvaard is aan de ene kant van de oceaan, dat ook meteen aan de andere zijde zo is (wederzijdse erkenning). Harmonisatie is, op een aantal oncontroversiële uitzonderingen na, politiek niet realistisch: het zou betekenen dat voor een groot aantal producten en diensten de EU en de VS zich telkens akkoord verklaren dat één van hun beider regelgeving (of een internationale regel) superieur is en overgenomen kan worden. Wederzijdse erkenning is politiek minder gevoelig en bureaucratisch minder omslachtig. Het is dan ook de weg die de Commissie in haar communicatie aangeeft te zullen bewandelen. Maar daar schuilt het gevaar. Tenzij we menen dat regels in de EU en de VS niet verschillen in hun doelstellingen of niveau van bescherming, maar slechts om historische redenen variëren in de instrumenten waarmee men die probeert te bereiken (en voor een beperkt aantal gevallen is dat zo), betekent wederzijdse erkenning dat minder strenge regelgeving als equivalent wordt beschouwd. Dit zal wel degelijk leiden tot een race-to-the-bottom: in een voor de rest volledig vrije markt zal de entiteit met strengere regelgeving zich moeten aanpassen aan de andere om competitiviteitsverlies (of inkomensverlies) te vermijden. Bovendien zal bilaterale wederzijdse erkenning handel tussen de EU en de VS wel vergemakkelijken (en zo zou de doelstelling van extra groei en jobs wel kunnen worden bereikt), maar niet leiden tot het opstellen van ‘globale regels’.

Dit toont aan dat we de Europese Commissie maar beter niet op haar woord geloven wanneer ze de hemel belooft door te stellen dat het akkoord én voor spectaculaire groei én mondiale standaarden zal zorgen, zónder de sociale, milieu- en consumentenbescherming en democratische beslissingsruimte aan te tasten.

DE SOEP ZAL NIET ZO HEET WORDEN GEGETEN

Zoals het er nu naar uitziet, vermoed ik dat het akkoord veel minder verregaand zal zijn als aan beide zijden door sommigen wordt verhoopt en door anderen gevreesd. We moeten eerst nog zien of de onderhandelingen zich überhaupt niet zullen vastrijden op één van de vele mogelijke obstakels: naast audiovisuele diensten (die de Amerikanen toch op tafel zullen willen brengen) en ISDS, ook financiële diensten (hier is de EU vragende partij, met steun van de sector aan beide zijden, maar vreest de VS een afzwakking van haar Dodd-Frank hervormingen), landbouw, genetisch gemanipuleerde organismen, het EU voorzorgsbeginsel, overheidsaanbestedingen, data privacy, klimaat- en energiebeleid, etcetera.

Tarieven zijn al laag aan beide zijden, het moet mogelijk zijn om over de afschaffing ervan een akkoord te bereiken. Maar zulk miniakkoord levert ook minivoordelen op. Het wordt al een stuk moeilijker om afspraken te maken op vlak van liberalisering van de handel in diensten en van overheidsaanbestedingen, die wat extra voordelen zullen opleveren, omdat zowel in de VS als in de EU het subfederale niveau daar sterke bevoegdheden heeft, en Amerikaanse staten niet automatisch gebonden zijn aan het handelsakkoord. Maar zoals ik eerder schreef komen de meeste economische baten van regulatorische convergentie. Daar valt het te verwachten dat men zal opteren voor een ‘levend akkoord’, waarbij nu in eerste instantie een erg beperkt aantal afspraken worden gemaakt over de transparantie van regelgeving en fora worden opgezet waarin regulatoren in de toekomst moeten streven naar convergentie zowel van bestaande als toekomstige regelgeving.

Hoe moeten sociaaldemocraten zich hiertegenover opstellen?

EEN SOCIAALDEMOCRATISCH STANDPUNT

Sociaaldemocraten hebben een moeilijke verhouding met handelsbeleid. Internationalisme en openheid zitten in het sociaaldemocratische DNA en dus zijn sociaaldemocraten intuïtief ook voor economische internationale samenwerking en liberalisering. Bovendien kleeft aan protectionisme een negatieve, reactionaire, nationalistische connotatie waarmee zij niet willen worden geassocieerd. Maar ongereguleerde vrijhandel ondermijnt de sociale bescherming waar sociaaldemocraten op nationaal niveau decennialang voor hebben gevochten. Arbeidswetgeving en sociale bescherming hebben als functie te vermijden dat werkgevers werknemers tegen elkaar kunnen laten opbieden om toch maar een job te verwerven of te behouden. Maar als bedrijven ongehinderd hun activiteiten kunnen verhuizen naar waar wetgeving minder streng is en vrij van daaruit hun producten op de markt brengen, dan wordt de nationale bescherming ondergraven. Sociaaldemocraten moeten opletten dat antiprotectionisme niet gebruikt wordt om legitieme (sociale en milieu-) protectie te ondermijnen.

Vanuit dat besef spreken sociaaldemocraten al sinds de jaren 1990 over de nood aan ‘globalisering met een menselijk gezicht’ of ‘gereglementeerde globalisering’ en vragen ze om ‘sociale clausules’ in handelsakkoorden. De EU neemt tegenwoordig standaard een ‘duurzaam ontwikkeling’ hoofdstuk op in handelsakkoorden, maar dat stelt niet erg veel voor en is ook niet afdwingbaar. Maar het goede nieuws is: op dat vlak staat de VS al verder. De VS neemt vrij ambitieuze sociale en ecologische normen op in haar vrijhandelsakkoorden en maakt die ook afdwingbaar. Soms, zoals in de Trans-Pacific Partnership onderhandelingen met 12 landen rond de Stille Oceaan, wordt ze daarin tegengewerkt door de partnerlanden. Tegelijk heeft de VS natuurlijk zelf een aantal belangrijke sociale en milieuakkoorden niet geratificeerd, zoals fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie en het Kyoto Protocol voor het tegengaan van klimaatverandering, en is de sociale en milieubescherming in de VS over het algemeen lager dan in de EU.

Als de EU en de VS het serieus menen met hun discours dat handelsakkoorden ten dienste moeten staan van duurzame ontwikkeling en tegelijk moeten bijdragen aan groei, fatsoenlijke jobs en sociale en ecologische bescherming, dan is het TTIP daar een perfecte gelegenheid toe. Sociaaldemocraten moeten dan ook een offensieve campagne voeren tegenover dit akkoord. Daarvoor moeten ze eigenlijk vooral de Commissie aan haar beloftes houden. Europese bescherming mag niet worden verlaagd, niet rechtstreeks, maar zeker ook niet onrechtstreeks doordat er een Trans-Atlantische markt zou komen met een ongelijk speelveld, waarbij Amerikaanse bedrijven door minder lasten en regelgeving gehinderd oneerlijk kunnen concurreren met Europese. Het TTIP moet worden aangewend om de VS haar verantwoordelijkheden te laten opnemen in de bestrijding van klimaatverandering en in het garanderen en bevorderen van fundamentele sociale rechten. Als dat lukt, dan staan de EU en de VS samen inderdaad sterk om ook van de opkomende economieën te eisen dat ze, uiteraard naargelang hun niveau van ontwikkeling, eveneens niet concurreren door lakse sociale, klimaat- en milieuregelgeving. Doen ze dat wel, dan kunnen ze uitgesloten worden van of een extra importbelasting moeten betalen voor toegang tot de Trans-Atlantische Markt, goed voor de helft van de wereldeconomie. Zonder die progressieve elementen, die inderdaad garanderen dat verdere liberalisering hand in hand gaat met sociale en milieubescherming, zouden sociaaldemocraten niet akkoord moeten gaan met een Trans-Atlantische Markt. Er is in de wereld van vandaag geen gebrek aan geliberaliseerde markten, maar wel aan regulering, rechtvaardige verdeling en bescherming van het milieu. Deze ondubbelzinnige positie zou een centrale plaats moeten innemen in het programma van de sociaaldemocraten bij de Europese verkiezingen van mei.

Maar we mogen niet naïef zijn. De kans dat zulke progressieve uitkomst wordt bereikt, is klein. De EU slaagt er immers intern nog niet in om sterke sociale afspraken te maken, en zet in het klimaat- en energiebeleid stappen terug. Het is ook veelzeggend dat de grootste voorstanders van het TTIP (en de soevereiniteitsoverdracht die ermee gepaard gaat), vaak diegenen zijn die anders roepen dat de EU niet bevoegd mag worden voor sociale en fiscale zaken. Dat toont de gevaarlijke, conservatieve motieven van sommigen bij dit akkoord.

Waakzaamheid, en de lat zeer hoog blijven leggen, is dan ook geboden.

Ferdi De Ville
Centrum voor EU-Studies, Universiteit Gent

Noot
1/ Zie De Ville, F. & Siles-Brügge, G. (2013), ‘The potential benefits of the EU-US free trade deal may be much smaller than we have been led to believe’, LSE European Politics and Policy Blog, http://blogs.lse.ac.uk/europpblog/2013/12/23/the-potential-benefits-of-the-eu-us-free-trade-deal-may-be-much-smaller-than-we-have-been-led-to-believe/.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 2 (februari), pagina 29 tot 32 en 41 tot 43