Log in

'De loonkosten remmen onze groei'

SLOGANS ONTRAFELD

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 4 (april), pagina 21 tot 26

Vraag een Belg of hij te veel verdient en hij zal niet snel ‘ja’ antwoorden. De kans is reëel dat hij wel zal klagen dat de belastingen op zijn loon te hoog zijn. Op zich is daar weinig tegen in te brengen. Maar het overgrote deel van de Belgen zal ook beamen dat met die belastingen heel wat goeds wordt gedaan. De inkomsten van de overheid bestaan voor 33% uit belastingen op arbeid. Om de belastingen op arbeid te verminderen, moet dus een concreet financieringsalternatief gevonden worden. Zoniet dreigt ons algemeen welvaartspeil te dalen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Los van deze premisse wordt over de loonkosten in België heel wat mist gespoten en paniek gezaaid. Daarom is het nuttig om de belangrijkste stellingen die hierover, ook deze verkiezingscampagne opnieuw, circuleren tegen het licht te houden.

#1 "De Belgische loonkosten zijn de hoogste van Europa en dat is een probleem"

De Belgische loonkosten zijn inderdaad bij de hoogste van Europa. Doe de boeken maar toe, sluit de fabriekspoorten en neem als bedrijfsleider de eerste vlucht naar Bangladesh. Zij die vandaag in België ondernemen zijn ofwel blind, ofwel dom.

Niet dus. Uit de Economische Vooruitzichten voor 2014 van het Planbureau blijkt dat de bedrijfsinvesteringen, na een eerste lichte heropleving in 2013, in 2014 zullen toenemen met ongeveer 2,5%. In 2014 investeerden buitenlandse ondernemers voor 14 miljard euro in België. We staan staan daarmee op de 19de plaats in de wereldwijde rankschikking. Allemaal ondernemers die blind zijn? Neen, eerder ondernemers die met hun twee voeten in de realiteit staan.

Wat is die realiteit? Onze lonen liggen iets hoger dan het gemiddelde in de buurlanden. Juist. Dat gemiddelde wordt zwaar beïnvloed door de Duitse loonmatiging van de afgelopen jaren. Een loonpolitiek waar de Duitse regering stilaan vanaf stapt. Het loonverschil met de buurlanden is te verklaren en te objectiveren door de hogere productiviteit van de Belgen. Productiviteit is datgene wat je aan waarde produceert binnen een bepaalde tijd, datgene wat je opbrengt aan de firma. Je kan als werknemer meer kosten, maar als jouw productiviteit in dezelfde mate hoger ligt, is er geen ‘ontsporing’ van de loonkost.

Er bestaat al geruime tijd een methode om de productiviteit mee in rekening te nemen bij de vergelijking van de loonkosten: de Unit Labour Costs maken de verhouding tussen de arbeidskosten en de productiviteit. In de zomer van 2013 maakte een expertengroep in opdracht van de regering een verslag op over de loonkosten. Zij maakten een vergelijking op basis van de Unit Labour Costs in de verwerkende industrie. Dat zijn de sectoren die de internationale concurrentie moeten aangaan en dus ‘competitief’ zijn. Wat blijkt? België zit op hetzelfde niveau als onze buurlanden.1 We doen het enkel iets slechter dan Nederland.

Dat de Belgische loonkosten dus bij de hoogste zijn in Europa vormt op zich geen probleem, zolang de toegevoegde waarde maar in dezelfde mate evolueert. Cruciaal in de discussie is het productiviteitsniveau. De laatste jaren evolueert de Belgische productiviteit relatief traag. Dit heeft voornamelijk te maken met de bewuste keuze voor een beleid dat kortgeschoolden massaal inschakelt in de arbeidsmarkt. Die mensen komen hoofdzakelijk terecht in diensten met een ‘lagere productiviteit’, zoals bijvoorbeeld de dienstencheques. Dit haalt de totale productiviteitsevolutie naar beneden. Maar aangezien iedereen recht heeft op kwaliteitsvol werk, ook kortgeschoolden, zijn dit geen - zoals hier en daar wordt geopperd - minderwaardige jobs.

Het komt erop aan om dit productiviteitsniveau verder op peil te houden. Maar daarover later meer.

#2 "Het zijn de hoge loonkosten die de hoge productiviteit veroorzaken door een automatisering van de productie"

De productiviteit van de Belgische economie zou zo hoog liggen omdat té hoge lonen de handenarbeid geleidelijk uit onze economie heeft gepusht. De voordien geleverde handenarbeid werd geleidelijk vervangen door machines, door kapitaal, waardoor de productiviteit van de Belgische economie momenteel zo hoog ligt. Daarom zouden de loonkosten naar beneden moeten.

Dat is een omgekeerde economische redenering. Lonen stijgen omwille van een gestegen productiviteit. Ons hele naoorlogse model van sociaal overleg is op dat principe gebouwd: productiviteitswinsten evenredig verdelen tussen arbeid en kapitaal. In lijn met dat principe moeten de reële lonen in lijn liggen met de arbeidsproductiviteit. Enkel indien op lange termijn de reële lonen evolueren met de stijging van de productiviteit kunnen consumenten hun vertrouwen behouden en hun inkomen uitgeven. In dit licht geeft de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) in haar Global Wage Report 2012/2013 aan dat: ‘When wages rise in line with productivity increases they are both sustainable and create a stimulus for further economic growth by increasing households’ purchasing power’.

Sinds de jaren 1970 zijn de productiviteitswinsten in België correct vertaald in reële loonsstijgingen. Hetzelfde ILO-loonrapport stelt echter dat de reële loonsstijgingen overal in Europa steeds meer achterliggen op de productiviteitsstijgingen van de economie, ook in België. Met andere woorden: de Europese economieën produceren steeds meer, maar de vruchten (de winsten) van die productie worden steeds onevenwichtiger verdeeld tussen kapitaal en arbeid. Die evolutie heeft ongunstige gevolgen. De ILO stelt vast dat in vele landen het arbeidsaandeel in het nationaal inkomen daalde, waardoor het consumptieniveau werd aangetast en de inkomensongelijkheid pijlsnel steeg. Wat op haar beurt een cruciale rol speelde in het ontstaan van de economische crisis.

Het klopt dat hoge lonen een hoge productiviteit reflecteren, maar ze zijn geenszins de oorzaak van die hoge productiviteit. Ze zijn het logische gevolg.

#3 "De Belgische loonkosten vormen vandaag de belangrijkste rem op onze economische ontwikkeling en tewerkstelling"

Wie de ranglijst neemt van de loonkostenkampioenen zal volgende usual suspects opmerken: Noorwegen, Zweden, Denemarken, Luxemburg, Finland, Oostenrijk en natuurlijk België. Deze ranglijst stemt verdacht overeen met het lijstje van landen dat… op een ietwat deftige sociale en economische manier de crisis heeft overwonnen. De landen die de crisis op een abominabele manier doorspartelen zijn de landen met… de laagste loonkosten.

Je zou bruutweg kunnen stellen dat hoge loonkosten een garantie zijn op economische groei en welvaart. Dat is kort door de bocht, maar het causaal verband is er wel. Wanneer de hoge loonkosten een hoge mate van productiviteit weerspiegelen, is er niets mis met deze loonkosten. Met die hoge lonen ontstaat een positieve dynamiek zoals reeds aangehaald in het ILO-rapport. Hoge lonen zorgen voor hoge koopkracht, voor consumptie. Op die hoge lonen worden belastingen geheven, net zoals op de consumptie. Dit belastinggeld kan op zijn beurt gebruikt worden om collectieve voorzieningen aan te leggen die de competitiviteit van een land verbeteren: infrastructuur, telecommunicatie, investeringen in innovatie maar in de eerste plaats goed onderwijs en een uitgebreid sociaal vangnet. De hoge lonen voeden de ‘structurele competitiviteit’ van een land. Kan een land werkelijk competitief zijn zonder een uitgebouwd democratisch onderwijssysteem dat de beste ingenieurs, de beste medici en de beste financiële koppen voortbrengt? De vraag stellen is ze beantwoorden.

In die zin zijn hoge lonen, zolang ze niet sneller stijgen dan de productiviteit, geen rem op economische ontwikkeling, maar eerder een katalysator van economische ontwikkeling. Samen met de economische ontwikkeling hangt ook de tewerkstelling samen. De landen met de hoogste loonkosten in Europa hebben… de hoogste tewerkstellingsgraad. Opnieuw is er hier geen absoluut causaal verband. De hoge lonen zijn het resultaat van een evenwichtige economische politiek die inzet op een hoge vormingsgraad, innovatie, duurzame tewerkstelling, met als uiteindelijk gevolg een hoge productiviteit. Deze hoge productiviteit wordt op haar beurt vertaald in goede, waardige - noem het hoge - lonen.

#4 "De hoge loonkosten zullen onze industriële basis vernietigen"

De hoge loonkosten zouden de traditionele industriële sectoren in België kapot maken. In hun plaats komen vooral dienstensectoren met lage toegevoegde waarde. Ons land heeft inderdaad, net zoals de rest van Europa, problemen om de zware basisindustrie aan zich te binden. Twee vragen kunnen hierbij gesteld worden. Ten eerste, is deze evolutie per se negatief? Ten tweede, hebben de hoge loonkosten met deze evolutie te maken?

Economieën evolueren. Toen onze agrarische samenleving zich in de 19de eeuw omvormde naar een industriële maatschappij stond een rist politici en economen erg kritisch tegenover deze evolutie: kan een maatschappij overleven wanneer zij productiemiddelen weghaalt uit de voedselproductie? Honderdvijftig jaar later is het antwoord gekend: ja dat kan. Dat kan als je de sector in kwestie aanpast aan de nieuwe realiteit: door innovatie heeft de landbouw ongeziene productiviteitswinsten geboekt, waardoor Europa vandaag geen honger lijdt. Met onze industrie zal wellicht hetzelfde gebeuren.

Onze industriële basis zal niet vernietigd worden, maar veranderen. Vooral: onze industrie moét veranderen om ons welvaartsniveau op peil te houden. Onze economie kan geen producten blijven produceren die elders in de wereld aan een fractie van de kostprijs worden gemaakt. Onze industrie zal zichzelf hoger moeten positioneren op de ‘internationale waardenketen’. De industrie zal weg moeten manoeuvreren van de productie van halffabricaten met een beperkte toegevoegde waarde, naar productie met hoge toegevoegde waarde. Een voorbeeld: we produceren tonnen vochtabsorberende capsules, met een beperkte toegevoegde waarde en exporteren deze naar buurlanden waar ze worden verwerkt in producten (bijvoorbeeld in luiers) met een hoge toegevoegde waarde. We zijn dus gespecialiseerd in half afgewerkte producten die elders worden omgevormd tot een eindproduct met een hoge waarde.

Wanneer in het competitiviteitsdebat enkel wordt gefocust op de loonkosten, dan maakt dit ons lui. Lui om de nodige veranderingen door te voeren. Wat maakt België competitief? Een rapport van het Federaal Planbureau van november 2012 toont aan dat het verlies aan marktaandeel van de Belgische export slechts voor een derde te maken heeft met de kosten van onze bedrijven. Het gaat hierbij om loonkosten én andere kosten, zoals energie. Het rapport toonde aan dat twee derde van ons verlies aan concurrentievermogen wordt verklaard door andere aspecten, de zogenaamde niet-kostencompetitiviteit.

Door de focus te leggen op de loonkosten wordt een noodzakelijke transformatie binnen onze economie tegengehouden. We moeten aanvaarden dat de structuur van onze economie niet goed zit, dat onze producten te weinig innovatief zijn en dus een te lage toegevoegde waarde hebben, dat we ons te weinig op hoogtechnologische sectoren richten en dat we de ‘groeilanden’ (China, Rusland, India) als exportmarkt te veel links laten liggen. Wanneer dat aanvaard wordt, dan kunnen we onze industrie omvormen in een model dat de toekomst kan doorstaan. Het IMF zegt in haar meest recente landenverslag over België hierover: 'België verliest aan competitiviteit sinds 2005, maar dit is eerder het gevolg van lage productiviteitsgroei dan de loonkosten'. Zonder onze bestaande sterktes te verwaarlozen moeten we het belang van innovatieve en kennisintensieve sectoren vergroten door middel van product en procesinnovatie en R&D. Dit is enkel mogelijk door te investeren. Investeren in R&D en - vooral - investeren in mensen. Echter, de ondernemingen schieten te kort op deze twee vlakken.

De Belgische economie kampt met een zwaar innovatiedeficit. België zit onder de Europese doelstelling om 3% van het BBP te investeren in R&D. In 2012 investeerden de ondernemingen 2,1% van het BBP. Investeringen in mensen, via onderwijs en opleiding, waren jarenlang onze sterke punten, maar hier verliest België terrein. De sociale partners legden duidelijke doelstellingen vast inzake voortgezette opleiding. De bedrijven engageerden zich om 1,9% van de loonmassa te investeren in opleidingen en om te streven naar een participatiegraad van 50%. In 2011 bedroeg de financiële indicator 1,05% van de totale loonmassa en bedroeg de participatiegraad 34,4%.

De Belgische productiviteit moet omhoog, maar dit lukt niet als we tekorten qua vorming en innovatie blijven opstapelen. De ondernemingen lijken hun verantwoordelijkheid voor zich uit te willen schuiven en verliezen zich liever in een ondergeschikt debat over loonkosten. Het is een strategie waarbij noch de industrie, noch de tewerkstelling wel bij zal varen.

#5 "Onze ‘loonhandicap’ met onze buurlanden bedraagt 16%"

De 16% waar menig werkgever en opiniemaker naar verwijst, stamt uit het eerder vermelde Expertenverslag van vorige zomer. Daarin worden eenentwintig sectoren opgelijst met hun corresponderende loonkosten. Deze eenentwintig sectoren vertegenwoordigen minder dan de helft van de toegevoegde waarde van de Belgische economie. Ik herhaal: minder dan de helft. Representatief? Geenszins. Bovendien blijft men appelen met peren vergelijken. Een Belgische werknemer kost meer, maar - opnieuw - hij brengt een pak meer op.

Bovendien heeft deze discussie weinig zin. De loonkosten liggen ingebed in een wettelijk kader: de wet van ’96. Hierin is vastgelegd dat onze lonen niet sneller mogen stijgen dan in de ons omringende buurlanden. De evolutie van de loonkosten: dat is de discussie die er toe doet. Niet het absolute niveau van de loonkosten. In dit kader heeft de Centrale Raad van het Bedrijfsleven momenteel het monopolie op betrouwbare cijfers. Uit haar laatste Technisch Verslag blijkt dat het loonverschil met de buurlanden, opgebouwd sinds 1996, op 3,8% zal staan.

Maar ook bij dit cijfer zijn kanttekeningen te maken. Dit cijfer gaat voorbij aan het feit dat de Belgische bedrijven voor miljarden aan publieke steun ontvangen om hun kosten te verminderen. De bedrijven in België kregen in 2012 zo voor meer dan 11 miljard aan directe voordelen, gelieerd aan de loonkosten. Aan de ene kant zijn er de verminderingen van de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid. Op het brutoloon betalen werkgevers normaal gezien een patronale bijdrage van om en bij de 32%. Echter, in 2012 moest 4,94 miljard van deze patronale bijdragen niet doorgestort worden naar de sociale zekerheid. Dit bedrag is de laatste jaren fors opgelopen van 1,5% van de totale loonmassa tot 3,3% van de loonmassa. Een verdubbeling.

Aan de andere kant ontvangen de werkgevers tal van loonsubsidies. Zo ontvingen de bedrijven voor 6,1 miljard loonsubsidies via zowel de federale fiscaliteit (door het niet moeten doorstorten van verschuldigde bedrijfsvoorheffing), de sociale zekerheid en de gewesten. In totaliteit bedragen de loonsubsidies meer dan 4% van de loonmassa. Uit het Expertenverslag van vorige zomer blijkt dat indien de loonsubsidies in hun totaliteit worden meegeteld, de ‘loonkloof’ met de buurlanden tot nul wordt herleid. Het verslag van de Expertengroep geeft voor het eerst aan dat een proportie van de loonsubsidies wel degelijk moet worden meegeteld in de discussie. Het is geen kwestie meer ‘of’ we de loonsubsidies moeten meerekenen, maar ‘welke’. Momenteel woedt de politieke discussie over welke loonsubsidies nu wel en welke niet moeten worden meegeteld. Het spreekt voor zich dat alle loonsubsidies uiteindelijk de loonkosten verminderen en het concurrentievermogen vergroten. Zo zijn er de Belgische dienstencheques die het equivalent zijn van de Duitse mini-jobs. De mini-jobs halen de gemiddelde loonkost in Duitsland sterk naar beneden, terwijl deze jobs zich ook steeds vaker in de ‘niet-competitieve’ gedeelte van de Duitse economie bevinden. Het is dan ook correct om de dienstencheques in de vergelijking mee te tellen.

#6 "We zijn gedoemd"

Neen, dat zijn we niet. In plaats van discussies te vervuilen met betwistbaar cijfermateriaal wordt beter naar de brede economische en maatschappelijke processen gekeken die momenteel aan de gang zijn. Productiestromen veranderen en verschuiven. In die nieuwe context moet de Belgische economie zich herpositioneren. Deze processen, en de structurele aanpassingen die hiervoor nodig zijn, worden zowel nationaal als internationaal door economische organisaties erkend. En zij zijn duidelijk: ja, onze vertragende productiviteit is een probleem, dus doe daar iets rond. De loonkosten moet worden gemonitord, en dat gebeurt, maar laat ons die loonkosten niet als een dooddoener gebruiken in het debat

Lars Vande Keybus
Economisch Adviseur Federaal ABVV

Noten
1/ België 69,8; Duitsland 69,2; Frankrijk 75,7; Nederland 62,7. Bron: Rapport Expertencommissie - Planbureau.

loonkost - werkgelegenheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 4 (april), pagina 21 tot 26