Log in

Ik, het interimmerke

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 4 (april), pagina 15 tot 20

Een fragment uit het officieel standpunt van de grootste Vlaamse partij: ‘Vanaf de eerste dag moet de overheid de werkloze activeren en intensief begeleiden naar een nieuwe baan. Een job is immers de beste sociale bescherming.’ Klinkt mooi. Maar hoe ziet het activeringsbeleid er in de praktijk uit? Zijn de werklozen tevreden over het activeringsbeleid? Tijd voor een getuigenis, mijn getuigenis.

n 2004 lanceerde toenmalig minister van tewerkstelling Frank Vandenbroucke (sp.a) het activeringsbeleid. Hij had gezien dat de werkloosheidscijfers hoog lagen en dat er vacatures vrij bleven, telde één en één op en kwam tot de oplossing dat werklozen konden worden ingezet voor die vacatures. Daartoe hoefde de overheid alleen de werklozen wat te porren, of - zoals ze het zelf zo mooi verwoordden - te ‘activeren’. De werkloze zou voortaan ‘werken aan zichzelf’ en geregeld bewijzen van sollicitaties voorleggen. Voor wat hoort wat. Aanhangers van het activeringsbeleid benadrukten dat dit leidt tot een snellere invulling van vacatures en minder werklozen. Maar dat activeringsbeleid onvermijdelijk op zijn grenzen stuit wanneer er een schaarste aan openstaande vacatures is, daar hielden en houden de beleidsmakers al bij al stil. Deze stand van zaken (veel meer werklozen dan vacatures) is al bijzonder lang actueel in België en bij uitbreiding het grootste deel van de westerse wereld. Vanzelfsprekend deden de crisisjaren 2008 en 2011 de situatie geen goed. Echter, toen in 2009 Philippe Muyters de tewerkstellingsportefeuille van Frank Vandenbroucke overnam, bleef de nadruk onverminderd op activering liggen. Sterker nog, hij schakelde een versnelling hoger: activering 2.0.

In 2006 start ik de opleiding Geschiedenis aan de UGent. Ik heb me wel vragen gesteld bij de jobmogelijkheden, maar enkele wervende teksten op de webstek van de UGent trekken me over de streep. Tot op de dag van vandaag kun je op de websites van de meeste onderwijsinstellingen teksten vinden die lezers aanmoedigen een opleiding te volgen die bijzonder weinig toekomstperspectief biedt. In juni 2011 studeer ik af. Ik merk algauw dat werkelijk niemand op een historicus zit te wachten. Na enige tijd besluit ik het over een andere boeg te gooien: ik solliciteer voor een bank. In september 2011 mag ik bij Dexia starten met een contract van 6 maand. Een maand na mijn aanwerving breekt de Dexia-crisis uit en weet ik meteen ook dat mijn contract niet zal worden verlengd.

Aangezien overheden de enige zijn die interesse tonen voor een dergelijk diploma, schuim ik geregeld de site van Selor (het selectiekantoor van de overheid) af. Helaas, meer dan windowshopping kan ik voorlopig niet doen. De selectieproeven kan ik op dat moment onmogelijk bijwonen gezien ik nog geen vakantierechten heb opgebouwd en contractueel aan Dexia gebonden ben. Pas de laatste maand van mijn contract bij Dexia kan ik één dag per week vrij nemen om te solliciteren. Gezien de maandenlange selectieprocedures bij Selor betekent dat de facto dat ik onmogelijk tegen het einde van het Dexia-hoofdstuk op die manier een nieuwe baan kan vinden.

Ik besluit het op een andere manier te proberen. Niet Selor of VDAB helpen me aan een nieuwe job, neen het gaat via een interimkantoor. Sinds de jaren 1970 heeft de overheid beetje bij beetje de arbeidsbemiddeling, opleiding en jobbegeleiding uitbesteed aan private ondernemingen. Veel liever was ik er nooit mee in zee gegaan, maar mijn uitermate zwakke positie dwingt me zo’n interimkantoor in te schakelen. Ik zit op dat moment immers nog in de beroepsinschakelingsperiode en heb bij werkloosheid recht op welgeteld 0 euro. Onze (‘marxistische’) federale regering heeft deze uitkeringsloze periode na de studie opgetrokken van 9 naar 12 maanden. Volgens de regering om jongeren - en hier komt het al een eerste keer - 'te activeren'. In de praktijk betekent het voor mij en veel andere jongeren dat het water je een jaar lang aan de lippen staat. Onze financiële toestand laat het niet toe om een geschikte vacature af te wachten of deel te nemen aan lange selectieprocedures. Ik neem gewoon de eerste de beste (interim)job aan. Hoewel ik in een bijzonder penibele situatie verkeer (onzekere dagcontracten die me veel te laat bereiken, slechte arbeidsomstandigheden) is het probleem voor de VDAB en de politiek opgelost. Ik verdwijn uit de werkloosheidsstatistieken. Mijn carrière is begonnen! Een zoveelste bewijs van de goede werking van het activeringsbeleid.

Het interimkantoor plaatst me in een rusthuismeubelfabriek. Ik laad er meubels op de camion. Een onderzoek van de UGent en de HUB uit 2012 leert ons dat meer dan de helft van de jongeren een job onder zijn niveau aanneemt en dat dit bovendien nefast is voor de verdere loopbaan. Voor mij is het dubbel: ik ben tevreden dat ik kan werken maar ik haat het mijn toekomstbeeld te zien verbrokkelen. Zowel het interimkantoor als het inlenend bedrijf beloven me bij aanvang een lange periode nodig te hebben. Hoewel mijn collega’s en oversten tevreden zijn over mijn werk krijg ik na amper twee weken op vrijdagmiddag, 5 minuten voordat het weekend begint, te horen dat ik de volgende week niet meer op de planning sta. Ik heb nog een halve namiddag de tijd om een nieuwe baan te zoeken voor de volgende week. Op exact die manier worden iedere vrijdagmiddag duizenden - veelal jonge - werknemers zonder opzegvergoeding ontslaan.

In een hels tempo volgen de opdrachten elkaar op: in 9 maanden zie ik 9 verschillende bedrijven de revue passeren. Nu en dan zit er tussen twee opdrachten een dag werkloosheid. In het volledige jaar 2012 was ik op die manier een stuk of 15 weekdagen werkloos. Voor de RVA reden genoeg om me op het einde van het jaar een strenge brief te schrijven. Wil ik mijn normale recht op uitkering behouden, dan hou ik best alle documenten bij die bewijzen dat ik actief naar werk zoek. Ik wijs er de lezer op dat de RVA van iedere actieve Belg alle belangrijke informatie in een enorme databank bijhoudt. Zo kunnen ze zelf zeer eenvoudig opzoeken waar en wanneer een bepaald persoon actief was. Met andere woorden: in mijn specifieke geval bezit de RVA zelf het beste bewijs van het feit dat ik (op zijn minst) een actieve werkzoekende ben: ze hoeven mijn naam maar in het systeem in te geven en ze zien dat ik zowat het hele jaar werkte. Toch maken ze de keuze om die informatie niet op te zoeken en alle jongeren in de beroepsinschakelingsperiode zo’n brief te sturen. Activering, weet je wel.

De langste periode van tewerkstelling via interim is 3 maanden, de kortste 1 dag. Het zijn eenvoudige jobs. Maar ik wil vooruit in het leven en doe mijn uiterste best. Het gaat om jobs zoals bandwerk, inpakker, order picker… Steeds begin ik helemaal onderaan de hiërarchische ladder, meestal geraak ik ook geen sport hoger. Relevante werkervaring opdoen is in dergelijke jobs niet van toepassing. Steeds vind ik relatief vlug werk via een interimkantoor. Steeds wordt een langere periode werk binnen hetzelfde bedrijf beloofd, geregeld zelfs een vast contract. Steeds opnieuw krijg ik vlak voor het weekend het deksel op de neus. Uitzendkantoren doen veelal weinig moeite de juiste m/v met de juiste baan te matchen. Hun tactiek voor de kantoorjobs is er één van trial and error. Voor de andere vacatures nemen ze de eerste kandidaat die wanhopig genoeg is zich voor de job aan te bieden. Na de productiepiek wordt de kandidaat overboord gegooid als een stuk vuil. Zijn contactgegevens worden bewaard tegen dat er een nieuwe productiepiek komt in een ander bedrijf.

In een reactie op mijn recente boek, Wegwerpmens, klopte de verenigde interimsector zichzelf luid op de borst: 75% van de uitzendkrachten is tevreden. Maar eigen lof stinkt: ze citeerden een onderzoek waaruit tevens de belangrijkste beweegredenen om uitzendwerk aan te nemen bleken: 1) financiële noodzaak, 2) beter dan werkloos. Ja, de uitzendkrachten zijn tevreden, bij gebrek aan beter.

Uitgerekend in een tapijtenmagazijn waar ik wel kans maak om te blijven, word ik gepest door collega’s die al iets langer in dienst zijn. Als nieuwe werknemer krijg ik vaak heel wat tegenwind. Een deel van mijn vele tijdelijke collega’s gedurende die 9 maanden vindt me simpelweg een hautaine hufter. Guy Standing heeft het in zijn boek The Precariat, The New Dangerous Class over hoe de onderklasse wel in gelijkaardige omstandigheden werkt (gelijkaardige jobs, loon, hiërarchische verhoudingen) maar toch intern sterk verdeeld is. Dat is ook hoe ik de realiteit beleef: met sommige van mijn collega’s voel ik werkelijk geen enkele verwantschap. Ik vind ze marginaal, luidruchtig en dom terwijl zij mij hautain en wereldvreemd vinden. Het zijn de mensen waarop David Van Reybrouck in zijn Pleidooi voor populisme van op zijn Blankenbergs terras neerkijkt: zie de homo marginalis over de dijk strompelen. Bij deze groep is de concurrentie heel opzichtig en agressief: ze voelen zich snel bedreigd en handelen er ook naar. Mijns inziens voedt hun gedrag vaak het wantrouwen van werkgevers tegenover al wie in de onderbuik van de arbeidsmarkt vertoeft. Dan zijn er de allochtonen, sommigen onder hen konden zich opwerken en genieten binnen het bedrijf een soort van respect, zij het op een fragiele wijze. Voor de autochtone werknemers, oversten en werkgevers wordt de allochtoon bij onenigheid toch snel weer ‘de bruine’ of ‘de Rus’. Ten slotte ontmoet ik in de onderbuik van de arbeidsmarkt veel mensen die wel een soort opleiding hebben genoten. Vaak zijn het jongeren op zoek naar een eerste echte job, jongeren met een 'moeilijk' diploma. Soms zijn het 50-plussers die zich nog enkele jaren tevreden kunnen stellen met een job onder hun niveau. Deze groep vind ik over het algemeen behoorlijk collegiaal en intelligent. Ze hebben slechts één mankement: vaak klinken ze zo verbitterd.

Maar goed ik word dus gepest - je zal het altijd zien - precies in het bedrijf waar ik een kans maak: de banden van mijn fiets worden platgezet, mijn brooddoos wordt gepikt, fouten worden in mijn schoenen geschoven, tot zelfs fysieke bedreiging toe. Met dat slag van mensen heb ik alleen mijn job gemeen (en dan nog slechts voor een tijdje). Ten einde raad vraag ik de personeelschef om er iets aan te doen en tegen mijn verwachting in neemt hij mijn hulpkreet ter harte. Vrijdagnamiddag, na mijn shift, krijg ik telefoon van het interimkantoor, mijn contract wordt niet verlengd. Hij vond inderdaad een oplossing voor het pesten... Er bestaan tal van regels en wetten in verband met pesten op het werk, maar een interimmer met een week- of een dagcontract moet zich geen illusies maken. Hij trekt toch aan het kortste eind. En op die manier zijn er honderden voorbeelden te vinden van situaties waarbij de arbeidswet en het arbeidsreglement niet worden gehandhaafd omdat precaire werknemers (slecht geschoolde, flexibele contracten, oude werknemers) te zwak staan om hun rechten te doen gelden. De wet blijft dode letter. Als vakbondsbonzen het hebben over sociale verworvenheden dan is dat niet meer dan wishfull thinking. In de hedendaagse praktijk zijn die zogezegd onontvreemdbare verworvenheden (opnieuw) stuk voor stuk strijdpunten (geworden). Dat geldt van op het niveau van de nationale en supranationale politiek tot op het niveau van de individuele werknemer binnen een bepaald bedrijf. De wet waarborgt bijvoorbeeld een aantal mogelijkheden om (tijdelijk) wat minder te werken (educatief verlof, 4/5 regeling voor 50-plussers, ouderschapsverlof,…). Maar wie waarborgt dat de werkgever na de aanvraag de werknemer in kwestie niet alleen nog de vervelende taken geeft? Hem/haar buitenpest? Ondanks alle arbeidswetten blijft de machtsrelatie op het veld bijzonder doorslaggevend. Bij interimmers is dit nog schrijnender. Heeft een interimmer recht op jaarlijkse vakantie? Wie waarborgt dat de job niet weg is wanneer hij/zij uit verlof terugkomt? Kan een uitzendkracht zijn werkgever overuren weigeren? Kan hij een onveilige taak weigeren uit te voeren? Altijd bengelt het einde van het contract als een zwaard van Damocles boven het hoofd.

Als ik na een aantal interimjobs bij de VDAB aanbel, verwijst de consulente me door naar de website. Die website had ik al tal van keren bezocht. De vacaturedatabank lijst een enorm aantal vacatures op. Zo’n 90 procent van die jobs gaan via een uitzendkantoor. Veel van die vacatures zijn spookvacatures, ze bestaan enkel achter de vitrines van uitzendkantoren. Andere vrije vacatures zijn al lang ingenomen maar blijven op de databank rondhangen als ouders in een kleuterklas. Zowat alle vacatures komen diverse malen in de databank voor: telkenmale gaat het om dezelfde job maar via verschillende kantoren. Verder raadt de jobconsulente van de VDAB me achteloos een D-cursus aan. Helaas, op dat moment ben ik nog volop in mijn beroepsinschakelingsperiode en zou het volgen van een voltijdse opleiding betekenen dat er totaal niks meer bijkomt op mijn rekening. Een opleiding in avondonderwijs volgen, is dan weer onmogelijk omdat ik door de onzekere interimopdrachten niet weet wanneer ik zal werken. Ik kan immers onmogelijk voorspellen welke uren ik zal hebben bij een nieuw opdracht. Trouwens met een D-cursus op zak zou ik les geschiedenis, esthetica en nog een aantal zo'n vakken kunnen geven. Niet bepaald knelpuntfuncties.

In de nasleep van mijn boek Wegwerpmens hebben zowel de VDAB als de interimsector de beschreven casus afgedaan als irrelevant. De Vlaamse jeugdraad bevroeg in 2013 zo’n 750 jongeren tussen 16 en 30. Zo’n 7 op 10 vinden dat de VDAB hen niet aan werk helpt: ‘Er is een gebrek aan informatie en de jongeren missen een aanpak op maat.’ Hoezo irrelevant?

Ik voel me meer en meer een personage uit een Kafka-roman. De maatschappij, de Vlaamse grondstroom, verschillende kennissen van mij, de RVA,… veroordelen me omdat ik geen vaste job te pakken krijg. Nochtans doe ik mijn uiterste best. Ik heb er geen enkel idee van hoe ik de burcht van de vaste contracten kan binnendringen. Meer en meer vraag ik me af of er zich in de maatschappij iemand het lot van de (jonge) werkzoekenden/interimmers echt aantrekt. Is onze maatschappelijke rol niet vooral deze van pispaal? Komen we niet vooral in de media als politici in volle verkiezingsstrijd op ons afgeven? Op de site van het Voka las ik een klein jaar geleden nog dat we in België met een structurele krapte op de arbeidsmarkt kampen. Ze maakten zich zorgen over de instroom van nieuwe arbeidskrachten. Tussen haakjes, een klein jaar geleden heerste de crisis meer dan ooit tevoren en lagen de werkloosheidscijfers reeds enorm hoog. Vandaag schrijft de Vlaamse minister voor tewerkstelling op zijn site dat het belangrijkste knelpunt van de arbeidsmarkt de aanwezigheid van 55-plussers is. Van het totaal aantal werklozen is de grootste groep echter jonger dan 25. Uitgerekend zij moeten nog hun hele leven opbouwen! De 55-plussers vormen ook een grote groep onder de werklozen, dat is juist. Maar voor velen onder hen hoeft het niet meer zo nodig, dat lijkt me een wezenlijk verschil. Toch acht onze minister net de activering van die groep het allerbelangrijkst. Het lijkt wel of overheden de crisis willen te lijf gaan door een kunstmatige uitbreiding van het reserveleger van werklozen. Het doet me denken aan een scène uit The Grapes of Wrath waarin twee hongerige werkzoekenden zich bij een sinaasappelkweker aanmelden om sinaasappelen te plukken. De kweker speelt de twee tegen elkaar uit met als slotsom dat er één van de twee in dienst treedt voor een belachelijk laag loon en de andere van plan is hetzelfde te doen bij de eerste kans die zich voordoet. Dit is wat nu op grote schaal gebeurt. Eurostat spreekt vandaag van meer dan 8 procent werklozen en 24 procent jonge werklozen in België! Maar de cijfers vermelden niet hoeveel van de werkende jongeren er met een zeer flexibel contract aan de slag zijn en dus ieder moment kunnen buitenvliegen. Onze politieke vertegenwoordigers vegen die vreselijke cijfers snel van tafel door te verwijzen naar grotere entiteiten (Europa, de beurzen, de economie), maar moet het in een democratie niet zo zijn dat de verkozen vertegenwoordigers de touwtjes in handen hebben?

Opeenvolgende interimjobs, werkonzekerheid en werkloosheid zijn reusachtige problemen op persoonlijk vlak. Ze maken levens kapot. Het is niet voor niets dat ‘recht op arbeid’ opgenomen werd in de mensenrechten. Wie slecht begint op de arbeidsmarkt loopt bovendien onherstelbare averij op. Zoals een kind dat de eerste levensjaren niet in een goede omgeving opgroeit de opgelopen achterstand nog slechts moeilijk inhaalt, zo valt de schaduw van een slechte start over de hele beroepsloopbaan van deze generatie. Maar nog belangrijker is de psychologische last van het werkonzeker zijn. Wie hooggeschoold is heeft een bepaald toekomstbeeld waar grote, langdurige werkonzekerheid niet in past. Je toekomstbeeld zo brutaal aan gruzelementen zien vallen, leidt ontegensprekelijk tot psychologische problemen. Zonder werk en centen zakt de vaste grond onder de voeten weg. Ik wil niet spreken in de plaats van een andere groep maar ook bij laaggeschoolde jongeren is dit problematisch. Ze kampen met een minderwaardigheidscomplex. Dat wordt er niet beter op wanneer ze merken dat bedrijven hen niet willen. Zelf voelde ik me in mijn interimperiode bijzonder onzeker. Ik was bang dat een nieuwe baan een nieuwe ontgoocheling zou betekenen, kampte met stemmingswisselingen, voelde me neerslachtig. Nog nooit in mijn jonge leven had ik me zo lang zo slecht gevoeld. Een depressie lonkte. De laatste 10 jaar is enorm veel onderzoek gebeurd naar de psychologische gevolgen van werkloosheid en werkonzekerheid. Lees er gerust de besluiten op na, ook hier ben ik geen irrelevante casus.

Wat schiet er over van het N-VA-tekstje waar ik mee startte? ‘Vanaf de eerste dag moet de overheid de werkloze activeren en intensief begeleiden naar een nieuwe baan. Een job is immers de beste sociale bescherming.’ We concluderen dat de overheid (niet in het minst N-VA-minister van tewerkstelling Philippe Muyters als baas van de VDAB) de werklozen helemaal niet begeleidt. Ze heeft die uiterst belangrijke taak al lang doorgeschoven naar interimkantoren en andere private ondernemingen. Je wordt door die ondernemingen niet naar een volwaardige nieuwe baan begeleid maar naar een volgende waardeloze, tijdelijke interimjob waarbij arbeidsregels alleen voor de sier bestaan. Onderzoekers van de UGent en de HUB geloven zelfs dat het op langere termijn beter is te wachten op een goede job dan snel een tijdelijke, flexibele job aan te nemen. De overheid biedt jongeren niet afdoende kansen om te ontsnappen uit deze vicieuze cirkel. Door de grote discrepantie tussen het aantal werkzoekenden en het aantal vacatures is dit fragment een groteske, stigmatiserende leugen. Of wacht, dat laatste zinnetje, daar zit misschien toch nog wat in… Een job is misschien toch de beste sociale bescherming, vooral dan één van die schaarse, ouderwetse vaste banen. Als we daaropvolgend bedenken dat alle sociale bescherming in snel tempo wordt afgebroken, wordt het statement nog krachtiger. Zo cynisch had ik het nog niet bekeken.

En zo wil ik het ook niet bekijken. Misschien kunnen we met zijn allen samen de tanker van koers laten veranderen.

Tuur Viaene
Auteur van Wegwerpmens (epo, 2014)

interim-werk - werkloosheid - jeugdwerkloosheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 4 (april), pagina 15 tot 20