Log in

Waarom hebben ze Jean Jaurès vermoord?

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 6 (juni), pagina 49 tot 55

In Frankrijk wordt dit jaar niet alleen het begin van de Eerste Wereldoorlog herdacht, maar ook de moord op socialistisch boegbeeld Jean Jaurès op 31 juli 1914. Jaurès kan daardoor beschouwd worden als het allereerste slachtoffer van de oorlog, maar zijn overlijden betekent ook meteen het einde van de utopische en pacifistische fase van het socialisme. Ook de arbeidersbeweging bleek niet in staat oorlog en geweld tegen te houden. Wat betekent de figuur van Jaurès nu nog voor de sociaaldemocratie, voor het pacificisme of voor de mogelijkheid om samen te werken tussen de verschillende Europese landen? En is er een toekomst voor een ethisch socialisme?

PACIFISME

De omstandigheden konden nauwelijks dramatischer zijn. In juli 1914 stijgt de spanning overal in Europa, en wordt het duidelijk dat het tot een grootschalig gewapend conflict zal komen. Niemand kan nog voorspellen hoe moorddadig de oorlog zal worden, maar men weet dat de vuurkracht van de legers van de grote mogendheden de afgelopen honderd jaar exponentieel gestegen is. Als Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk-Hongarije de confrontatie aangaan, dan wordt dat een massaslachting. Maar er is ook nog iets anders gebeurd: ook de grote Napoleontische oorlogen van het begin van de 19de eeuw hebben tot bijzonder veel doden geleid. Wanneer je de bronnen van die tijd er op naslaat, dan zie je dat er daarover nauwelijks enige verontwaardiging ontstond. Soldaten sneuvelden nu eenmaal, vaak in heel erbarmelijke omstandigheden, en dat werd gezien als een niet te vermijden noodlot. De grootste morele revolutie van de 19de eeuw is allicht dat dit 100 jaar later niet langer evident is. De arbeidersbeweging heeft er voor gezorgd dat het voetvolk niet langer wordt beschouwd als nutteloos kanonvoer, maar dat er wel degelijk een moreel debat wordt gevoerd over de vraag of het verantwoord is tien- of honderdduizenden mannen zomaar naar hun dood te jagen.

De socialistische arbeidersbeweging heeft een cruciale rol gespeeld in dit morele bewustwordingsproces. De diagnose die werd gemaakt in de aanvangsfase van het socialisme was zonder meer correct: het was vooral de arbeidersklasse die werd ingezet op het slagveld. Zij betaalde de prijs voor alle mogelijke militaire conflicten in Europa. Het is een element waarvan we ons nu nauwelijks nog bewust zijn, omdat het niet langer actueel is, maar bij de aanvang van de arbeidersbeweging was die pacifistische gedachte even sterk als het streven naar gelijkheid of solidariteit. De bedoeling van het socialisme was wel degelijk de oorlog uit te bannen, omdat oorlog altijd een element van sociale onrechtvaardigheid bevat.

Jean Jaurès (1859-1914) speelde een sleutelrol in het socialistisch debat over het pacifisme. Jaurès was vanaf 1885 volksvertegenwoordiger. Zijn historische verdienste was dat hij de verschillende, meer of minder radicale stromingen binnen het Franse socialisme bij elkaar had gebracht in één politieke beweging. Jaurès had echter nooit geloofd in een naïeve vredesgedachte, waarbij men er van uitging dat het leger zomaar vanzelf zou verdwijnen. Landen en samenlevingen kunnen nu eenmaal botsende belangen hebben, en het is belangrijk dat landen zich kunnen verdedigen tegen buitenlandse agressie. In zijn werk L’armée nouvelle (1910) pleit hij dan ook voor een soort volksleger, dat louter op de verdediging van het eigen grondgebied is gericht, waardoor offensieve oorlogen in de toekomst onmogelijk zouden moeten worden gemaakt. Zijn inzichten kwamen echter te laat en de grote mogendheden waren toen al volop bezig aan het opbouwen van een militaire escalatie.

In de zomer van 1914 probeert Jaurès met de moed der wanhoop zijn ideeën in de praktijk te brengen, om zo een massale slachting te voorkomen. Op 29 juli 1914 was er een ultiem overleg in het Brusselse Volkshuis, met vertegenwoordigers van de Franse, Duitse en Belgische socialisten. De verklaring van de Socialistische Internationale is echter zwakker dan Jaurès gehoopt had. Er komt geen oproep tot een algemene staking tegen de oorlog, maar de Franse en de Duitse socialisten beloven wel druk uit te oefenen op hun nationale regeringen om de oorlog te vermijden. In beide landen neemt de socialistische partij daardoor een groot risico: zowel in Berlijn als in Parijs wordt ze voortdurend beschuldigd van een gebrek aan vaderlandsliefde en zelfs van collaboratie met de erfvijand. Jaurès houdt echter woord. Hij probeert nog op 30 en 31 juli de Franse regering er toe te bewegen van de oorlog af te zien. Op de avond van de 31ste juli 2014 gaat hij ’s avonds eten met zijn collega’s van L’Humanité, de krant die hij had opgericht en waarvan hij nog altijd hoofdredacteur was. De bedoeling is dat er de volgende dag in de krant een ultiem appel verschijnt voor het behoud van de vrede in Europa. De nationalist Raoul Villain richt echter zijn pistool door het open raam van het Café du Croissant, in de rue Montmartre, rechtover het gebouw van L’Humanité. Jean Jaurès wordt vermoord, en daarna is er geen enkele rem meer op het opbod tussen de Europese mogendheden. Op 3 augustus 1914 verklaart Duitsland de oorlog aan Frankrijk en begint het meest bloeddorstige conflict dat Europa tot dan toe gekend heeft.

DE ACTUALITEIT VAN JAURÈS

Het leven van Jaurès eindigt dus op een mislukking. Zijn droom van een sterke, eengemaakte arbeidersbeweging die een eind kan maken aan de oorlogen in Europa, wordt nooit verwezenlijkt. Toch stellen we vast dat nu, precies een eeuw na zijn dood, er nog altijd heel veel belangstelling is voor het leven en werk van Jaurès. Er verschenen diverse boeken over zijn gedachtegoed, in het voorjaar was er een succesvolle tentoonstelling over Jaurès in Parijs, en de Fondation Jean Jaurès, die nog door Pierre Mauroy werd gesticht, probeert na te gaan hoe zijn ideeën kunnen worden gebruikt door de huidige sociaaldemocratische beweging in Europa. Dat maakt Jaurès op zich tot een uitzondering. Wanneer we het louter historisch bekijken, is Jaurès een van de pioniers van de socialistische arbeidersbeweging, net zoals Eduard Bernstein, Jules Guesde, Karl Liebknecht of Emile Vandervelde dat waren. Het verschil is dat er niemand meer geïnteresseerd is in hun teksten of ideeën, terwijl Jaurès wel nog steeds tot de verbeelding spreekt.

De belangrijkste reden hiervoor is dat Jaurès altijd een unieke stem is geweest binnen de ontwikkeling van het socialisme. In navolging van de oorspronkelijke teksten van het marxisme gingen de meeste pioniers van het socialisme uit van een materialistische visie. Vanuit een theoretisch perspectief wil dat zeggen dat de materiële levensomstandigheden de ideologie en de ruimere ideeën gaan bepalen. Voor wat betreft de politieke strategie is het gevolg dat het socialisme in eerste instantie gericht moet zijn op het verbeteren van de materiële positie van de arbeidersklasse. Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw is dat een heel logische keuze. De armoede van de arbeidersklasse was toen dermate scherp, dat dit de allereerste prioriteit moest zijn. Armoede en uitbuiting waren toen zo’n duidelijke aanslag op de menselijke waardigheid, dat het vanzelfsprekend was dat dit de belangrijkste doelstelling vormde van het socialisme.

Die nadruk op het materiële zorgt er echter tevens voor dat die oorspronkelijke teksten nauwelijks nog relevant zijn voor de hedendaagse progressieve bewegingen in Europa. De levensstandaard van de bevolking in Europa is de afgelopen honderd jaar op spectaculaire wijze verbeterd en dat betekent dat die louter materiële benadering veel minder aantrekkelijk en wervend is geworden. De overgrote meerderheid van de Europeanen voelt zich niet langer uitgebuit in de klassieke betekenis van het woord, en zijn dan ook minder dan in het verleden geneigd op een socialistische of sociaaldemocratische partij te stemmen. De huidige economische crisis zou in theorie een goede voedingsbodem moeten vormen om voor linkse partijen te stemmen, omdat kan worden verwacht dat die de gevolgen van de crisis kunnen milderen voor de bevolking. In zowat heel Europa zien we echter dat dit effect niet optreedt, en dat de socialistische beweging verder afkalft. Het puur materiële argument om voor een linkse partij te stemmen, lijkt dus niet langer te werken. Ook niet in tijden van economische crisis.

EEN ETHISCH SOCIALISME

Jean Jaurès is in die zin afwijkend onder de grote pioniers van het socialisme dat het materialisme bij hem nooit centraal heeft gestaan. In zijn doctoraatsverhandeling uit 1891 stelt hij dat de filosofische wortels van het socialisme in het werk van Luther en Kant moeten worden gezocht. Het socialisme is bij hem dan ook in de eerste plaats een ideologie van de vrijheid, die moet toelaten tot meer individuele zelfontplooiing te komen. Bij Jaurès wordt de mens nooit herleid tot zijn economische functie, maar gaat er juist veel aandacht naar onderwijs, cultuur, het pacifisme, het antikolonialisme en het niet-religieuze karakter van de staat. In Amerikaanse termen gesteld zou hij als een liberal kunnen worden bestempeld, iemand voor wie de mensenrechten en de gelijkheid centraal staan. Zijn werk doet daarin verrassend modern aan: als één van de eersten verzet hij zich tegen de koloniale overheersing door Frankrijk en de andere Europese mogendheden. In zijn werk komen ook regelmatig pleidooien terug voor meer vrouwenrechten.

Die idealistische benadering van het socialisme betekent echter niet dat Jaurès geen aandacht zou hebben gehad voor de materiele onderstroom. Hij werd daardoor trouwens gedwongen door de realiteit. Vanaf 1892 wordt hij meegesleept in de staking van de mijnwerkers van Carmaux, in de Tarn. Jaurès schaart zich voluit achter hun syndicale strijd en daardoor radicaliseert ook zijn eigen gedachtegoed. Hij engageert zich voor een eengemaakte socialistische partij, die in Frankrijk pas in 1905 ontstaat. Dat is belangrijk, omdat de verschillende socialistische strekkingen en groepjes elkaar tot dan toe op leven en dood bekampten, met als gevolg dat de politieke invloed van het socialisme zo goed als nihil was. In 1904 sticht hij ook het dagblad L’Humanité, dat hij tot aan zijn dood zou leiden. Het historisch belang van L’Humanité was dat het blad veel aandacht besteedde aan cultuur en literatuur, en er op die manier in slaagde intellectuelen en schrijvers te betrekken bij de socialistische beweging. In de partijbladen lag het accent tot dan toe op het syndicale en het politieke nieuws. Dat zorgde ervoor dat de Franse intellectuelen nauwelijks oog hadden voor de socialistische arbeidersbeweging. Jaurès gaat er echter van uit dat onderwijs en cultuur net zo goed op de socialistische agenda thuishoren. L’Humanité wordt daardoor de thuishaven van heel wat vooraanstaande schrijvers.

UN PAYSAN CULTIVÉ

Als je de politieke carrière van Jaurès overloopt, dan vallen er twee dingen op. Een. Hij heeft nooit een uitvoerend mandaat gehad. Hij was in de eerste plaats parlementslid, een functie die hij van 1885 (met twee onderbrekingen) tot aan zijn dood in 1914 zou bekleden. Dat belette echter niet dat hij uitgroeide tot de onbetwistbare intellectuele leider van het Franse socialisme. In zekere zin verzoende hij het socialisme met het parlementair systeem: door bijna drie decennia lang onafgebroken zijn standpunten met veel verve te verkondigen in het parlementair halfrond, toonde hij aan dat het parlement wel degelijk een belangrijk instrument kon zijn voor sociale verandering, iets wat niet altijd gewaardeerd werd door de meer radicale stromingen binnen het socialisme. Het feit dat hij nooit minister is geweest of andere machtsposities heeft bekleed, is ook kenmerkend voor een materiële onthechting in zijn leven. Je krijgt de indruk dat hij met even veel passie en plezier zijn parlementair werk uitoefende, als zijn dagelijks stuk in de krant schreef, als ook nog eens filosofie doceerde te Toulouse. Jaurès bleef gedurende zijn gehele leven sterk gehecht aan zijn geboortestreek in de Tarn. Hij beschreef zichzelf met enige ironie als een ‘paysan cultivé’, een plattelandsbewoner met een doctoraat in de filosofie.

Twee. De veelzijdigheid van zijn parlementaire werk valt op. De ethische bevlogenheid van Jaurès strekte zich uit tot discussies over de legerdienst, de religieuze congregaties en de strijd tegen het antisemitisme. Ondanks enige aanvankelijke aarzelingen, zal hij uitgroeien tot een van de meeste vurige verdedigers van de onschuld van Alfred Dreyfus. In zijn redevoeringen werpt Jaurès zich op als de verdediger van de grote principes van de Franse Revolutie, die hij ook toepast op nieuwe maatschappelijke uitdagingen. Het socialisme is dus slechts één onderdeel van dit veel bredere humanistische ideaal. Het ethisch socialisme van Jaurès kan dus niet louter vanuit een materialistisch Marxisme verklaard worden, maar gaat uit van heel fundamentele ethische waarden, die voor Jaurès uiteraard ook meteen de waarden van de Franse Revolutie waren. Er is daarom een grote verwantschap tussen het werk van Jaurès en dat van de Amerikaanse filosoof John Rawls. Voor beiden staan de basiswaarden van de menselijke waardigheid en vrijheid centraal, en het is in de eerste plaats de taak van de overheid om dat basisrespect veilig te stellen. Jaurès voegt daar nog een dimensie van gelijkheid en materiële omstandigheden aan toe: veel meer dan Rawls heeft hij oog voor het feit dat het verwezenlijken van de persoonlijke levenskeuze ook een kwestie is van toegang tot voldoende materiële middelen en tot goed onderwijs. Maar het zijn wel degelijk de mensenrechten die de kern vormen van zijn opvatting van het socialisme. Dat zorgt er meteen voor dat Jaurès een heel moderne vorm van socialisme bedrijft. De Duitse socioloog Hans Joas stelt in zijn recente boek Die Sakralität der Person (2011) dat respect voor het individu, en haar/zijn onvervreemdbare mensenrechten, de kern vormt van elke hedendaagse morele opvatting. Die sacraliteitsgedachte is ook al aanwezig in het werk van Jaurès; hij weet er een uitgesproken socialistische dimensie aan te geven. Daarin wijkt hij af van het hedendaagse socialistische discours, dat bijzonder sterk gericht is op economische factoren en zich lijkt teruggetrokken te hebben uit het ethische debat. Men vergeet daardoor echter dat juist dit ethische debat steeds relevanter wordt voor grote groepen binnen de samenleving. Zeker in het huidige tijdperk van globalisering stelt zich de vraag naar een meer rechtvaardige wereldordening. Het valt op dat de gevestigde socialistische partijen nauwelijks nog proberen een antwoord te formuleren op die vraag.

Hierin ligt grotendeels de actualiteit van het werk van Jaurès. Als je terugkijkt naar de geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging in de 19de en 20ste eeuw, dan is daarin telkens een belangrijke idealistische dimensie aan verbonden. De arbeidersbeweging heeft het voortouw genomen inzake pacifisme, dekolonisatie, de vrouwenbeweging, culturele ontvoogding en de bescherming van de mensenrechten. Als je naar de huidige agenda kijkt, dan is die ethische dimensie grotendeels weggevallen. Men heeft zich teruggeplooid op het economische kernthema. Socialistische politici laten zich nog zelden opmerken in debatten over ontwikkelingssamenwerking, feminisme, gelijke rechten en non-discriminatie. Die agenda is grotendeels overgenomen door groene of liberale politici. Zij slagen er wel in een nieuw kiespubliek te bereiken. Dat betekent dat de socialistische beweging zich heeft afgesneden van een van haar belangrijkste intellectuele voedingsbronnen, door enkel nog aandacht te hebben voor de economische en sociale agenda. Socialisten zien zichzelf graag als de beheerders van de economische crisis, en uiteraard is dat een belangrijke maatschappelijke functie. Maar het is geen wervend maatschappelijk project: het is enkel het in stand houden van het sociaal model dat de afgelopen eeuw werd opgebouwd. De ethische dimensie, daarentegen, kan wel de kern vormen van een meer begeesterende interpretatie van de klassieke ideologische standpunten. Non-discriminatie, ecologie en mensenrechten zijn een belangrijk aandachtspunt, met name voor hoogopgeleiden. De klassieke sociaaldemocratische partijen durven hier echter nauwelijks nog aandacht aan besteden, allicht omdat ze de etnocentrische reacties vrezen van een deel van hun achterban.

TE IDEALISTISCH?

Uiteraard zou men de zaken ook kunnen omkeren. Ook de grote tegenstrever van Jaurès, de socialistische voorman Jules Guesde, verweet Jaurès al dat hij niet ‘echt’ een socialist was. Volgens Guesde was Jaurès niet veel meer dan een progressief republikein. Met republikein dan in de betekenis van iemand die de waarden van de Franse Republiek verdedigt, tegen het conservatisme en de religieuze stromingen in. Dat verwijt klopt echter maar zeer gedeeltelijk. Wanneer je de werken uit de periode 1880-1892 er op naleest, dan komt Jaurès inderdaad op een zeer geleidelijke manier tot het socialisme, waarbij hij zijn aanvankelijke republikeinse idealen nooit heeft afgezworen. Maar hij probeert wel steeds tot een synthese te komen tussen zijn eigen humanistische idealen, en de socialistische nadruk op gelijkheid en gelijke kansen. Juist die synthese tussen humanisme en socialisme maakt zijn werk ook nu nog inspirerend. Als de sociaaldemocratie nog een toekomst wil hebben, dan is het duidelijk dat die niet ligt in een terugkeer naar de klassieke orthodoxe Marxistische ideologie. Ten eerste is de economische voorspellingskracht van die ideologie relatief beperkt gebleven, zodat er heel wat vragen kunnen worden gesteld bij de empirische houdbaarheid ervan. Maar ten tweede, en misschien meer fundamenteel, is het ook geen ideologie die aansluit bij de gevoeligheden van de hedendaagse samenleving. Bij zowat alle grote politieke stromingen zien we tegenwoordig een proces van waardenveralgemening. Daarmee bedoelt men dat die stromingen wel nog altijd uitgaan van een eigen waardenpatroon, maar dat die waarden niet langer op een heel specifieke en uitputtende manier worden ingevuld. Ook de christendemocratie probeert niet langer een soort bijbel aan te leggen met alle ideologische uitgangspunten waaraan de christelijke sociale leer zou moeten gehoorzamen. De reden daarvoor is dat een dergelijke kookboek-opvatting van ideologieën tegenwoordig gewoon niet meer zou werken. Het gemiddelde opleidingsniveau van de bevolking is sterk gestegen, met als gevolg dat er een veel grotere nadruk is op het belang van zelf-expressieve normen en waarden. Ook wie overtuigd christendemocratisch is, voelt niet langer de behoefte een volledig uitgewerkte set van geloofspunten te ontvangen, die dan maar moeten worden geaccepteerd. Dat betekent echter niet dat die basiswaarden dan maar verdwijnen of verwateren, zoals meer pessimistische auteurs vaak schrijven. Het betekent wel dat ze veralgemeend worden, dat wil zeggen dat ze ontdaan worden van hun heel expliciete ideologische formulering, en in een meer algemene betekenis worden toegepast.

Dezelfde evolutie geldt ook voor het socialisme. De steun voor het klassieke orthodox uitgewerkte socialisme kalft af, en er zijn heel weinig kiezers die nu nog behoefte hebben aan een volledig uitgewerkt Charter van Quaregnon. De veralgemeende waarden van solidariteit, menselijke vrijheid en gelijkheid blijven echter wel degelijk aanwezig onder de bevolking, en op basis van die bredere waarden is het nog altijd mogelijk bredere sociale bewegingen te grondvesten. Jaurès is destijds vanuit die veralgemeende humanistische idealen zelf opgeschoven naar het socialisme. De omgekeerde beweging, waarbij het socialisme opschuift richting humanistische idealen is net zo goed mogelijk, en beantwoordt aan een algemeen traject van politieke partijen. Het betekent tegelijk dat de socialistische beweging ongelijk heeft, als men thema’s als non-discriminatie, gelijke rechten voor vrouwen en mannen, mensenrechten, en pacifisme en internationale solidariteit, links laat liggen.

Dat kan een wat intellectuele agenda lijken. Het socialisme heeft inderdaad altijd een wat ambivalente verhouding gehad met intellectuele milieus. Mede doordat hijzelf filosoof was, kon Jaurès die kloof gemakkelijk overbruggen. Een verschraling van de socialistische agenda tot louter economische thema’s, lijkt echter niet van aard om het socialisme ook intellectueel aantrekkelijk te maken. Het is uiteraard een eerbaar politiek doel om te proberen het West-Europees sociaal model in stand te houden, maar het is geen intellectueel wervend project. Als je kijkt naar wat er de afgelopen twintig jaar is verschenen, dan moeten we helaas tot de conclusie komen dat daar weinig grote begeesterende theorieën in zitten die moeten toelaten een meer rechtvaardige maatschappelijke ordening uit te werken. Wat is de socialistische visie op het Europees integratieproces, op oorlog en vrede, op de problemen inzake het leefmilieu? Die agenda is zonder al te veel scrupules ingepikt door andere politieke partijen, waardoor de sociaaldemocratische partijen nog slechts een beperkte wervingskracht hebben.

De sociaaldemocratie heeft dus, net zoals alle andere politieke ideologieën, nood aan intellectuele boegbeelden. De ethische benadering van Jaurès sluit hier perfect bij aan. Juist in tijden van economische crisis stelt zich daarom de vraag die Jacques Brel zich al in 1977 stelde: pourquoi ont-ils tué Jaurès?

Demandez-vous belle jeunesse
Le temps de l’ombre d’un souvenir
Le temps du souffle d’un soupir
Pourquoi ont-ils tué Jaurès?

Marc Hooghe
Centrum voor Politicologie, KU Leuven

Bibliografie
- Gilles Candar & Vincent Duclert (2014). Jean Jaurès. Paris: Fayard.
- Gilles Candar, Romain Ducoulombier & Magali Lacousse (éds., 2014). Jaurès. Une vie pour l’humanité. Paris: Éditions Beaux Arts.
- Vincent Duclert (2013). Jaurès 1859-1914: La politique et la légende. Paris: Autrement.
- Jean Jaurès (2012). L’armée nouvelle. (1910) Paris : Fayard, Œuvres, t. 13.
- Hans Joas (2011). Die Sakralität der Person: Eine neue Genealogie der Menschenrechte. Berlin: Suhrkamp.
- Madeleine Rebérioux (1994). Jaurès: la parole et l’acte. Paris: Gallimard.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 6 (juni), pagina 49 tot 55