Abonneer Log in

Martha Nussbaum

Figuur in de kijker

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 51 tot 55

Op 13 december geeft Martha Nussbaum in het Kunstencentrum Vooruit, Gent, een lezing over haar nieuwste boek Politieke emoties. Waarom een rechtvaardige samenleving niet zonder liefde kan (Ambo, 2014). Daarin houdt ze een warm pleidooi voor meer empathie in het politieke denken. Als politiek filosofe onderzoekt ze in hoeverre empathie een basis kan vormen voor de moderne verzorgingsstaat. Een boodschap die ook aanslaat in ons land.

De welvaartsstaat kan enkel overleven dankzij een behoorlijke dosis solidariteit. De rijkste groepen in de samenleving weten dat ze nooit het geld dat ze investeren in het systeem, zullen terugzien. De fundamentele vraag is dan waarom dit systeem van herverdeling toch kan blijven bestaan. Een eenvoudig antwoorden is dat de staat nu eenmaal op een dwingende manier inkomens en winsten afroomt door een progressief belastingsysteem. Solidariteit kan ook het gevolg zijn van een rationele afweging: een samenleving zal stabieler zijn en meer harmonieus functioneren als de maatschappelijke ongelijkheid beperkt blijft. De meeste filosofen die in een Kantiaanse traditie werken, gaan uit van een vergelijkbaar rationeel inzicht. We beseffen allemaal dat het moreel verkeerd is een persoon van armoede te laten sterven, en daarom investeren we in sociale zekerheid.

MEER DAN REDE ALLEEN

De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum stelt in haar jongste boek Politieke emoties dat dergelijke rationele overwegingen te zwak zijn om een solidaire samenleving op te grondvesten. Verbondenheid of empathie is voor haar een essentiële voorwaarde om ervoor te zorgen dat mensen bereid zijn te investeren in een gemeenschap. Net zoals in haar vorige werk pleit Nussbaum daarmee voor een opwaardering van de emoties: met louter rationele inzichten komen we er volgens haar niet. De droom van Kant is altijd geweest dat we door rationeel inzicht een meer rechtvaardige en vredevolle samenleving zullen bereiken. De rode draad in het werk van Nussbaum is dat ze zich verzet tegen deze eenzijdige cognitieve benadering van moraliteit. In haar meest bekende boek Wat liefde weet (Nederlandse vertaling, 1998) paste ze dat inzicht toe op onze manier om betrouwbare kennis te verzamelen. Wetenschap mag voor haar niet alleen bestaan uit een kille, afstandelijke observatie, maar het is juist onze gevoelsmatige band die er voor zorgt dat we mensen en dingen ook echt kunnen begrijpen. Door liefde en een positieve betrokkenheid komen we tot waarachtige kennis.

In Politieke emoties trekt Nussbaum die lijn consequent door. Een rechtvaardige samenleving kan volgens haar onmogelijk tot stand komen louter op basis van strenge logische regels, zoals we die in het werk van Immanuel Kant of John Rawls vinden. De essentie van een rechtvaardige samenleving berust op een gevoel van verbondenheid en van mededogen met wie het moeilijk heeft. Liefde is met andere woorden belangrijk: een economisch of sociaal beleid moet ook durven uitgaan van het feit dat we als mens meevoelen met wie het moeilijk heeft.

Het moet worden gezegd dat de theorie van Nussbaum bijzonder relevant wordt in de huidige Europese context van harde bezuinigingen. Die bezuinigingspolitiek wordt vooral gevoerd op basis van louter economische argumenten: hoeveel procent van het nationaal inkomen moet er getransfereerd worden van gezinnen naar bedrijven? Het emotionele discours wordt daarbij geschuwd, omdat dit in veel gevallen te soft klinkt. Maar in werkelijkheid is het volgens Nussbaum belangrijk dat we meevoelen met iemand die zijn of haar job verliest, die medische zorgen uitstelt bij gebrek aan financiële middelen, of die geen enkel toekomstperspectief meer heeft. Het is juist dat elementaire besef van mede-menselijkheid dat het verschil kan maken tussen een kille bezuinigingspolitiek of de keuze voor een solidaire samenleving. Die keuze mag volgens haar niet alleen berusten op rationele economische argumenten.

VERBONDENHEID

Martha Nussbaum is natuurlijk niet de eerste auteur die kiest voor een dergelijke benadering. Ze verwijst uitvoerig naar het werk van Jean-Jacques Rousseau, die al pleitte voor een vorm van ‘burgerlijke religie’. Hij bedoelde daarmee dat de moderne samenleving niet alleen een zaak kan zijn van abstracte principes en anonieme regeltjes. We moeten van de samenleving ook een moderne ‘religie’ kunnen maken. Een van de belangrijkste functies van godsdiensten is altijd geweest dat ze zorgen voor een sterke verbondenheid van mensen met een groep. Die groep overstijgt dan zelfs het individu, en juist daardoor zijn mensen geneigd hun eigen belang opzij te schuiven voor het ‘hogere’ belang van andere groepsleden. In het verleden waren dit soort religies altijd gebaseerd op een godsgeloof, maar het is volgens Nussbaum belangrijk om ook in de huidige geseculariseerde tijden die verbondenheid nog altijd te cultiveren. De ‘burgerlijke religie’ heeft dus niets meer met godsdienst te maken, maar er blijft wel het besef dat we onlosmakelijk verbonden zijn met een groter geheel. Liefde, of je zou in niet-geseculariseerde termen haast zeggen ‘naastenliefde’, blijft hiervoor onmisbaar.

Nussbaum bouwt verder op het werk van Rousseau met haar stelling dat die burgerlijke religie, of het gevoel van groepsverbondenheid, er niet vanzelf zal komen. Net zoals bij alle andere religies is er nood aan rituelen en instellingen die er voor zorgen dat we telkens opnieuw aan de ‘juiste’ emoties worden herinnerd. De bereidheid mee te investeren in een collectief project komt er immers nooit vanzelf. Een groot gedeelte van het boek gaat dan ook over vooral Amerikaanse rituelen van groepsvorming. Daar kijken wij als Europeanen altijd een beetje verwonderd naar. Is het samen groeten van de vlag nu echt zo’n mooi en na te volgen symbool van verbondenheid? Afgaande op de resultaten van dit soort Amerikaanse toestanden krijg je niet de indruk dat zo'n collectieve rituelen er toe leidt dat de Amerikanen bereid zijn hun arme landgenoten structureel te helpen.

Voor een stuk heeft Nussbaum natuurlijk wel gelijk. Omdat we een hekel hebben aan overdreven sentimentaliteit en grote symboliek houden we het in Europa vaak bij een steriel en afstandelijk discours over rechten en plichten. Diegenen die de sociale verzorgingsstaat willen verdedigen, doen dat meestal aan de hand van een lange verzameling tabellen en grafieken. Maar is dat voldoende om een maatschappelijk draagvlak voor herverdeling te verdedigen? Daar kunnen we allicht wel iets leren van het Amerikaanse debat over de betaalbaarheid van gezondheidszorg. In de Verenigde Staten werd vaak onbeschroomd geschermd met zeer emotionele voorbeelden. Wat te denken van een ‘normaal’ gezin met een laag inkomen, en zonder ziekteverzekering, waarvan de moeder bedlegerig blijft omdat ze geen 3000 dollar kan betalen voor een routine-ingreep die haar weer op de been zou brengen? Met dat soort heel eenvoudige, maar pakkende voorbeelden, heeft president Obama geprobeerd steun te verwerven voor zijn hervorming van het systeem voor gezondheidszorg. In Europa doen we dat niet: we houden het bij cijfers en overzichten, zodat het allemaal heel rationeel blijft. Maar de gevolgen van armoede en uitsluiting zijn heel tastbaar. Het gaat om gezinnen die nauwelijks of niet kunnen rondkomen, en die hun kinderen niet meer op een normale manier naar school kunnen sturen. Als we Nussbaum volgen, dan moeten we onbeschroomd dat soort emotionele voorbeelden uitspelen om de solidariteit van de moderne verzorgingsstaat te rechtvaardigen. Emotie is volgens haar een uiterst belangrijke bron van intermenselijke solidariteit.

ZIJN EMOTIES BETROUWBAAR?

Daarmee zitten we echter meteen bij een zwak punt van haar redenering. In Europa hebben we vooral geopteerd voor een moreel-neutrale omgang met solidariteit. We hebben het geheel in regels en instellingen gegoten, en er wordt geen moreel appel meer gedaan aan de modale burger. De solidariteit is institutioneel en anoniem geworden. Een dergelijk systeem heeft ook zijn limieten. Er zijn steeds minder groepen en organisaties die actief opkomen voor de versterking van deze solidariteit. Maar tegelijk voorkomt die institutionalisering ook willekeur, en die overweging ontbreekt grotendeels in het werk van Nussbaum. Ze gaat er van uit dat verbondenheid en liefde algemene gevoelens zijn, die zich tot iedereen binnen de groep uitstrekken. Maar dat klopt natuurlijk niet. De hardwerkende alleenstaande moeder, die haar kind niet meer naar de universiteit kan sturen, is een voorbeeld dat aanspreekt, en het is relatief gemakkelijk in dit geval empathie aan de dag te leggen. In dat soort gevallen komen emoties los, en kan er sprake zijn van een sterke vorm van solidariteit. Maar stel nu dat een dronken chauffeur een verkeersongeval veroorzaakt, en daardoor zelf gehandicapt blijft. Als we het enkel van emoties laten afhangen, dan is de kans groot dat veel mensen weinig medelijden zullen hebben met deze chauffeur, die het ‘zelf gezocht heeft’.

Uit onderzoek weten we ook dat er veel meer bereidheid is tot solidariteit met mensen die op ons lijken, dan met mensen die bijvoorbeeld een andere etnische afkomst hebben. Emoties zijn bijna per definitie ‘partijdig’, en het is heel moeilijk dit te verzoenen met de objectieve toepassing van rechtsregels. Emoties kunnen bovendien uiterst gemakkelijk gemanipuleerd worden en zijn niet altijd een even betrouwbaar moreel kompas bij het nemen van beslissingen. Een mooi voorbeeld daarvan is de manier waarop een goed georkestreerde reportage van de openbare omroep onlangs veel sympathie wist op te wekken voor een veroordeelde moordenaar, terwijl de familie van het 19-jarige meisje dat hij vermoordde, gewoon niet aan bod kwam. In andere gevallen zullen de media enkel aandacht hebben voor het slachtoffer, en is er juist geen enkele opdracht voor de dader. Als je emoties als enige grondslag neemt voor een sociaal beleid, riskeer je voortdurend op dat soort toestanden te botsen, waarbij je een onderscheid maakt tussen ‘goeden’ (die dan geholpen worden) en ‘slechten’ (die dan blijkbaar aan hun lot mogen worden overgelaten).

Er zijn dus wel ernstige vragen te stellen bij het pleidooi van Nussbaum om emoties een grotere rol te laten spelen in de politiek. Emoties zijn per definitie weinig stabiel en vormen daardoor een wankele basis om een structureel systeem van herverdeling mogelijk te maken. Toch merken we dat haar boek bijzonder succesvol is, ook binnen een Europese context. Daar zijn twee redenen voor.

SUCCES NUSSBAUM

Ten eerste lezen haar boeken altijd bijzonder vlot, door de manier waarop ze abstracte filosofische concepten weet te illustreren door mooi uitgewerkte literaire en muzikale voorbeelden. Het is best knap om te lezen hoe je vanuit een analyse op Mozarts Le Nozze di Figaro kunt komen tot een duidelijke visie op gelijkheid en solidariteit. Tegelijk blijft hier natuurlijk de kritiek gelden die ook werd geformuleerd op haar vorige boeken: Nussbaum is soms zo enthousiast over haar literaire analyse dat het filosofische argument wat ondergesneeuwd raakt.

De tweede reden voor haar succes is dat ze een bijzonder reëel probleem aankaart. In zowat alle Europese landen merken we dat het huidige model van herverdeling en solidariteit onder druk staat en niet langer beschouwd wordt als een groot wervend project. De louter rationale overwegingen waar Kant voor pleitte, zijn duidelijk niet langer voldoende als basis voor de legitimiteit van de verzorgingsstaat. Het meenemen van andere legitimiteitsgronden, zoals emotie en empathie, is dus geen overbodige luxe. Het grotere verhaal van de verzorgingsstaat is er een van solidariteit en mededogen en het willen vermijden dat onze medeburgers in onmenselijke omstandigheden moeten leven. Het kan geen kwaad af en toe ook aan deze basisvoorwaarde te herinneren.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 51 tot 55