Abonneer Log in

Naar een nieuwe visie op arbeid

BIEVEN AAN MICHEL I

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 68 tot 70

Geachte heer Kris Peeters,
Beste Minister van Werk,

Ik schrijf deze brief in het volle besef dat uw stiel niet de meest gemakkelijke is. U bent federaal minister van werk omdat u verantwoordelijkheid wil opnemen en uit gemeenschapszin. Dat komt goed uit, want uitgerekend daarover wou ik het in deze brief even hebben. In het federaal regeerakkoord staat het voornemen ingeschreven om ook langdurig werklozen gemeenschapsdienst te laten verrichten. In het Vlaamse regeerakkoord, waar u nauw bij betrokken was, wordt dit eveneens vermeld. U lijkt me dus de geknipte persoon om hierover aan te spreken.

Maakt dit voornemen deel uit van de radicale veranderingen waar u prat op gaat? Op het eerste gezicht past het in een simpel verhaal van voor-wat-hoort-wat: wie financiële steun krijgt van de gemeenschap kan worden gevraagd daar iets voor terug te doen. Optimisten kunnen er echter een revolutionair nieuwe benadering van arbeid in zien, waarbij niet gewerkt wordt voor een loon of persoonlijke materiële welvaart, maar in dienst van een bredere gemeenschap. Een beetje zoals u dus. Hoe mooi zou dat niet zijn? In het regeerakkoord wordt het echter netjes gekaderd in trajectbegeleiding en activering. Letterlijk staat er: ‘De gemeenschapsdienst moet worden ingepast in een traject naar werk.’ De andere maatregelen in verband met werk en loopbaanontwikkeling geven bovendien voorrang aan competitiviteit eerder dan het welzijn van de bredere gemeenschap. Ik denk dan onder meer aan het voornemen om het loonsysteem meer prestatiegericht te maken, aangepast aan de competenties en de productiviteit. Is dat niet eerder meer van hetzelfde, mijnheer de minister?

De vakbonden zijn alleszins tegen, en ik vind het eerlijk gezegd moeilijk om hen ongelijk te geven. Want niet iedereen kan nu eenmaal mee in dat op prestatie en competitie gericht systeem. Zelfs wie aan de bak komt, heeft het steeds moeilijker. Vraag maar aan ouders met schoolgaande kinderen, die elke dag ondervinden hoe groot de druk op hun kinderen al van in het lager onderwijs is, om enkel maar toe te nemen naarmate ze opgroeien. Dit gezegd zijnde, wil ik deze brief niet schrijven vanuit de tegenstelling tussen werkgevers en werknemers. Ik vind dat ook sociaaldemocratische partijen en vakbonden er niet in slagen een nieuwe visie op arbeid te formuleren. Zij noemen gemeenschapsdienst ‘moderne slavernij’ of ‘dwangarbeid’ en vanuit hun perspectief klopt dat ook. Ze contrasteren het immers met volwaardig werk voor een volwaardig loon en roepen werkgevers van daaruit op om voor een ‘passend werkaanbod’ voor iedereen te zorgen. Wat is echter ‘volwaardig werk’? Sta mij een korte historische terugblik toe, gewoon om een en ander wat in perspectief te brengen.

Behalve voor ondernemers is arbeid per definitie loonarbeid geworden. En werkloosheid is daar het spiegelbeeld van, zoals een aantal Franse economen en sociologen in hun boek L’invention du chômage hebben benadrukt. ‘Werkloos’ is het negatief van de categorie werk zoals die in het onderhandelingsproces tussen werkgevers en werknemers tot stand is gekomen vanaf de laatste decennia van de 19de eeuw. De oplossing van de 19de eeuwse ‘sociale kwestie’ bestond in een akkoord waarin werkgevers zouden zorgen voor volwaardig werk en volwaardig loon en de overheid - via sociale bijdragen - voor een opvangnet in tijden van de uitzonderingssituatie, namelijk niet werken (hoe zinvol iemands activiteiten voor de rest verder ook zijn). Dit proces kende een versnelling vanaf de jaren 1930, toen het Keynesiaanse ideaal van volledige tewerkstelling vorm kreeg. Door de toetreding tot de arbeidsmarkt van vrouwen vanaf de jaren 1960 en 1970 is het proces in het laatste kwart van de 20ste eeuw nagenoeg volledig voltooid. Vandaag is niet werken zo goed als synoniem van ‘beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt’: je bevindt je als het ware in een soort wachtkamer van het leven dan.

In heel dit proces is werken steeds verder afgedreven van een bezigheid gericht op een gemeenschap of een activiteit met het oog op een breder nut. Wie vraagt zich nog af wat er intussen eigenlijk geproduceerd wordt en wat daarvan de sociale meerwaarde is? Mocht dat het doel van de geplande maatregel zijn, zou er in de kiem werkelijk verandering op til kunnen zijn. Maar daar zie ik in het regeerakkoord dus geen sporen van. Het probleem is echter niet zozeer het idee van de gemeenschapsdienst voor langdurig werklozen op zich, maar wel het uitblijven van een maatschappelijk appel aan ondernemingen, die in tegenstelling tot de langdurig werklozen niet aangesproken worden op wat hun activiteiten precies voor de gemeenschap opleveren. Althans, de vraag wordt wel gesteld maar ondernemers komen er vanaf met vrijblijvende verwijzingen naar het produceren van rijkdom en - ironisch genoeg - ‘het creëren van arbeid’. Ziet u ook het paradoxale karakter daarvan, mijnheer de minister?

In het licht daarvan is het inderdaad tijd om niet alleen werkzoekenden maar ook werkgevers te wijzen op hun verantwoordelijkheid voor de bredere gemeenschap, om te beginnen voor het lot van laaggeschoolden, ouderen, mensen met een beperking of mensen die om wat voor reden dan ook niet aan de bak komen. Was het om te beginnen geen optie om stimulansen in te bouwen voor werkgevers om het werk aan te passen aan de beschikbare talenten van mensen eerder dan omgekeerd? Er is natuurlijk de zogenaamde ‘sociale economie’, maar als ik me nog een uitstap naar het Vlaamse regeerakkoord mag veroorloven: zelfs in dat hoofdstuk staat activering voorop. Van belang is ‘toeleiding’, ‘doorstroming’ en ‘begeleiding naar werk’, waardoor de reguliere arbeidsmarkt en de markt de maatstaf blijven en ook tewerkstelling in de sociale economie een soort wachtkamer lijkt. Tegelijkertijd wordt er in het hoofdstuk ‘Economie en innovatie’ hoog ingezet op technologische innovatie - uiteraard eveneens met het oog op competitiviteit - waardoor de lat met betrekking tot scholing steeds hoger komt te liggen en het probleem voor de zogenaamde doelgroepen verder vergroot.

In mijn ogen is het hoog tijd om op een veel fundamenteler niveau na te denken over de relatie tussen ondernemen, arbeid en gemeenschap. We slagen er enkel nog in arbeid te zien als iets waar een betaling tegenover staat en wat materiële rijkdom oplevert, ongeacht wat daarvan de sociale en ecologische prijs is. Is het niet mogelijk de aanwezige talenten als maatstaf te nemen, sociale tewerkstelling als een doel op zich te zien en aan ondernemers te vragen wat ze eigenlijk produceren en creëren? Wat dat laatste betreft, kan ik me bijvoorbeeld voorstellen dat kleinschalige buurtbedrijfjes de lokale gemeenschap kunnen betrekken in de productie en distributie van duurzame goederen en diensten met een lage technologische input en dus veel kansen voor laaggeschoolden. Ik weet het, dat klinkt hopeloos utopisch. Bij ‘innovatie en ondernemerschap’ denkt u niet meteen aan zelfplukhoeves, artisanale ateliers, herstelwinkels en dat soort sympathieke maar onbelangrijke initiatieven. En toch ligt daar misschien de toekomst. Zulke ondernemers zouden immers kunnen helpen om arbeid helemaal anders te herdenken en op die manier ook uw werk te verlichten.

Want zoals ik in het begin al zei: ik weet dat uw stiel niet de gemakkelijkste is. Politiek is zelf gaan lijken op het runnen van een bedrijf, en dromers komen dan al gauw ongelegen. Maar wordt het geen tijd om weer wat utopischer te worden en weer wat meer de verbeelding in plaats van de cijfers te laten spreken?

Met vriendelijke groeten,

Bert De Munck
Directeur van het Urban Studies Institute (Universiteit Antwerpen)

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 68 tot 70