Log in

Het kapitalisme redden?

boekessay

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 10 (december), pagina 79 tot 85

Het is tegenwoordig al Thomas Piketty wat de klok slaat. Ik zal de laatste zijn om het belang van zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw te minimaliseren, maar eigenlijk verdedigt hij maar één stelling: het rendement op vermogen is groter dan op economische productie en als je daar niets aan verandert, gaat het kapitalisme ten onder aan ongelijkheid. Dat meer mogelijk is, bewijst Paul De Grauwe in zijn goed geschreven boek De limieten van de markt. De slinger tussen overheid en kapitaal. Hij analyseert in 200 bladzijden (tegenover bijna 1000 van Piketty) het kapitalisme op een veel omvattender manier en je krijgt er nog een hoofdstuk Piketty bij. De Grauwe wil, net als zijn Franse collega, de vrije markt redden van de vele bedreigingen. Dit boek moet verplichte lectuur worden. Toch botsen we op ideologische grenzen: hoeven we te aanvaarden dat kapitalisme intrinsiek zelfdestructief is?

WELVAART = MARKT + OVERHEID

Voor Paul De Grauwe is het voldoende bewezen dat een centraal geleide markt niet werkt, maar ook dat een zuiver marktmechanisme evenmin voldoende welvaart opbrengt. De markt is niet beter dan de overheid of omgekeerd. Beide zijn instrumenten om welvaart te creëren. Beide heb je nodig. Telkens zie je dat een expansie van de markt, tot deze op zijn grenzen stoot en de overheid tussenkomt, om na verloop van tijd de markt weer een stuk los te laten. Om te zien dat het kapitalisme succesvol is in het bevorderen van welvaart, volstaat het te kijken naar het verschil tussen Noord- en Zuid-Korea. In 1950 waren beide even arm, vandaag zijn het extremen. Het succes van het kapitalisme heeft te maken met zijn gedecentraliseerde karakter. Het kan steeds nieuwe producten en diensten voortbrengen en stuwt technologische ontwikkeling vooruit.

Fundamenteel is de onzichtbare hand van Adam Smith: als iedereen zijn eigen belang nastreeft wordt het collectieve belang het best gediend. Het is een manier om de individuele en de collectieve rationaliteit met elkaar te verzoenen. Maar dat kan mislopen. Het kapitalisme kan op externe limieten stuiten, waarbij geen rekening gehouden wordt met effecten van initiatieven op derden, maar ook op interne limieten. Die laatsten hebben te maken met de tegenstelling tussen het calculerende en het gevoelsmatige. De vrije markt doet beroep op de rationaliteit van ieder mens, die zo goed mogelijk uitrekent wat in zijn belang is, maar een mens heeft tegelijk ook behoefte aan liefde en rechtvaardigheid. Als de vrije markt te ver gaat, worden mensen ongelukkig.

EXTERNE LIMIETEN

Paul De Grauwe ziet drie externe limieten: ze hebben te maken met milieu, met financiële markten en met publieke goederen.

1/ Het milieu toont heel duidelijk dat er spontaan geen rekening gehouden wordt met externe kosten. In het systeem zet niets daar toe aan. Als de overheid geen beperkingen oplegt, raken de milieuproblemen niet opgelost. Dan vernietigt het marktsysteem gewoon zichzelf.

2/ Het geloof in de zelfregulering van de markt is een sprookje. Niemand kan de toekomst voorspellen. Mensen apen vaak gewoon na wat anderen doen; ze gedragen zich als kuddedieren. Dat leidt dikwijls tot euforische toestanden, zoals bij vastgoedbellen die onvermijdelijk uit elkaar spatten. Hierbij komt dat banken zich wel afschermen voor allerlei risico’s, maar niet voor risico’s die volgen uit het feit dat ze aan elkaar gekoppeld zijn en elkaar kunnen meesleuren. Ze rekenen er gewoon op dat ze toch gered zullen worden. Zonder de overheid zou de bankencrisis van 2008 het einde van de markt hebben ingeleid.

3/ Het marktsysteem heeft geen mechanismen om publieke goederen tot stand te brengen. Als je dat zijn beloop laat, heb je te veel mensen die erop rekenen dat anderen het wel zullen doen en ervoor zullen betalen. Alleen een overheidsinterventie kan ervoor zorgen dat die vrijbuitershouding geneutraliseerd wordt. Je moet er dan wel bijnemen dat niet alle mensen het leuk vinden om tot participatie gedwongen te worden.

WAT ZIJN DE INTERNE LIMIETEN?

De vrije markt gaat ervan uit dat er een automatisch evenwicht ontstaat tussen vraag en aanbod, maar trekt er zich niets van aan dat iemand iets niet kan kopen dat hij of zij nochtans echt nodig heeft. Ze komt wel tot een evenwicht, maar niet tot een maatschappelijk optimum. Zo ontstaan er onvermijdelijk problemen met een gevoel van rechtvaardigheid. Dat is eigen aan mensen. Zelfs zij die zich kunnen veroorloven om iets te kopen, zullen daar problemen mee hebben.

Verder rekent de vrije markt op extrinsieke motivaties om iets te doen, op financiële beloning, en veel minder op intrinsieke motivatie, op het plezier om iets te doen. Daardoor wordt vooral appel gedaan op de calculerende mens en minder op het gevoelsmatige. Er ontstaat een discrepantie tussen het individueel en het collectief welzijn.

Het vrije marktsysteem moet het, ten slotte, vooral hebben van concurrentie. Die duwt de prijzen de laagte in en zorgt op die manier voor welvaart, maar zet tegelijk de behoefte aan samenwerking onder druk.

DE MARKT REGULEERT ZICHZELF NIET

Er zijn dus externe en interne limieten aan de vrije markt die we echt wel moeten aanpakken, willen we een catastrofe vermijden. Marktfundamentalisten denken bijvoorbeeld dat milieuproblemen opgelost kunnen worden door zaken als lucht en water in termen van eigendom te benaderen. Omdat er zich een enorm probleem van informatie stelt, is dat echter zeer theoretisch. Het is overigens alleen de overheid die eigendom kan definiëren.

Je moet ook niet rekenen op de technologische vooruitgang om de groei van de productiviteit te stimuleren, stelt Paul De Grauwe. Natuurlijk heb je technologische oplossingen nodig, maar tot nu heeft de digitale revolutie nog geen effect gehad op de productiviteitsgroei.

Ten slotte zit er in het kapitalisme een stimulans om steeds nieuwe producten te ontwikkelen en zal minstens de wereld buiten de VS en Europa haar achterstand willen goedmaken. Denken dat er een ingebouwde rem zou zijn op de groei is een illusie. ‘Het kapitalisme zelf is niet in staat om een onvermijdelijke botsing tegen zijn limieten te voorkomen’ (98).

STERKE OVERHEID

Alleen een overheidsbeleid kan het marktsysteem van de ondergang redden. Wie spreekt over overheidsbeleid, spreekt over opleggen van beperkingen. Er is al opgemerkt dat publieke goederen niet vanzelf tot stand komen, maar afhangen van politieke beslissingen. Dat moet bij voorkeur een sterke overheid zijn, wil deze voldoende weerstand bieden aan belangengroepen die niet het algemeen belang voor ogen hebben.

Willen we de markt in stand houden, dan is ook herverdeling onvermijdelijk. Het zijn precies de eigenaars die een steeds groter deel van de koek voor zichzelf opeisen die het kapitalisme in gevaar brengen: ‘In die zin zijn de kapitalisten de grootste vijanden van het kapitalisme’ (106). De hoogste inkomens moeten voor Paul De Grauwe in elk geval zwaarder belast worden dan vandaag. Er hoeft zeker geen totale gelijkheid nagestreefd te worden, maar het IMF bijvoorbeeld geeft duidelijk aan dat landen met minder ongelijkheid gemiddeld sneller groeien. Het is niet overdreven te stellen dat een herverdelingspolitiek gemiddeld de groei niet afremt. Dat beantwoordt overigens aan de historische realiteit in West-Europa, waar in de naoorlogse periode hoge belastingen niet verhinderd hebben dat de groei op een hoogtepunt kwam.

Grotere gelijkheid heeft een sociaal en politiek stabiliserend effect. Men mag niet te ver gaan, maar vanaf een bepaald niveau hebben belastingen nauwelijks nog invloed op de inzet van de mensen. Een drastische herverdelingspolitiek, gericht op de top van de extreem hoge inkomens, komt het marktsysteem ten goede.

EXTERNE EN INTERNE LIMIETEN VAN DE POLITIEK

De politiek moet dus optreden als het collectief belang te ver achterwege blijft. Dat is natuurlijk niet noodzakelijk leuk, want de overheid moet dan ingrijpen op privébelangen om collectieve belangen te vrijwaren. Dat zal weerstand oproepen, omdat privébelangen in staat om zijn veel middelen te generen. We stoten hier op een externe limiet van de politiek, waar de kwaliteit van de democratie een grote rol zal in spelen. Het blijft een vorm van dwang, die tot veel verzet kan aanleiding geven.

Aan de politiek zijn ook interne limieten verbonden. De markt doet beroep op het calculerende en rationele van de mensen; ze zorgt voor ongenoegen over een koude en onmenselijke kant van die markt. De politiek moet ruimte geven aan rechtvaardigheid en herverdeling, maar dat laatste leidt gemakkelijk tot inefficiëntie. In het Communisme bereikte dat zijn meest extreme vorm. Er moet een evenwicht gevonden worden tussen betutteling en bescherming tegen de markt. Zo moet de sociale zekerheid ervoor zorgen dat mensen die uit de markt vallen, opgevangen worden maar zonder dat dit aanspoort om zich erin te installeren. Werkloosheidsverzekering mag, met andere woorden, niet aanzetten om geen werk meer te zoeken.

HOGE LONEN ZIJN TEKEN VAN WELVAART

Er wordt gemakkelijk gezegd dat de overheid verantwoordelijk is voor hoge loonkosten. De Scandinavische landen bewijzen echter dat hoge loonkosten geen probleem hoeven te zijn, terwijl de Europese landen met de grootste problemen juist de laagste loonkosten hebben. Hogere loonkosten zijn een resultaat van een hogere productiviteit, die aan de ene kant zorgt voor uitstoot van arbeid, maar aan de andere kant voor hogere lonen voor wie kan blijven. ‘Werkgevers zouden graag de loonkosten drukken. Welnu, dat zal hen alleen maar lukken als ze de technologische vooruitgang weten te stoppen’ (151).

Er is gewoon een positief verband tussen hoge lonen en concurrentievermogen, aldus Paul De Grauwe. De laatste jaren is het loonconcurrentievermogen van België en Nederland niet trendmatig verslechterd in vergelijking met hun belangrijkste handelspartners. Er waren alleen cyclische schommelingen, die zeker niet genegeerd moeten worden. Hoge loonkosten zijn een teken van welvaart, die moeten aansporen om nieuwe goederen en diensten te ontwikkelen. Een verschuiving naar de consumptie, door een verhoging van de BTW, zal dat niet oplossen. Je zou het alleen kunnen door op de sociale zekerheid te besparen. Ook een vermogensbelasting zal niet voldoende opbrengen, ook al pleit Paul De Grauwe voor een progressieve vermogensbelasting als een noodzakelijke voorwaarde om het kapitalisme te kunnen redden: ‘Een progressieve vermogensbelasting redt het kapitalisme van de kapitalisten’ (206).

REFORMISTISCH SCENARIO

In de loop van de geschiedenis zijn we pendelbewegingen tussen de markt en de overheid gewoon, maar wat zal er in de nabije toekomst gebeuren?

We zijn uit de bankencrisis geraakt door overheidsoptreden. Daarna is de eurozone in een tweede recessie gesukkeld, waar vooral de zuiderse landen onder te lijden hadden. Daar zit een structureel probleem met de Europese muntunie voor iets tussen. Landen kunnen niet meer zelf op hun munt ingrijpen, waardoor de financiële markten de bovenhand krijgen. De ECB zou voor Paul De Grauwe meer mogelijkheden moeten krijgen en de Europese overheid zou nationale verantwoordelijkheden moeten kunnen overnemen. Tot zolang is niet uitgemaakt of we niet terug moeten naar de nationale munten.

Het is absoluut niet uit te sluiten dat de problemen met het milieu en de ongelijkheid het systeem vroeg of laat zullen doen ontploffen. Toch zet Paul De Grauwe in op wat hij een reformistisch scenario noemt, waarbij de inkomensongelijkheid en de milieuproblemen onder controle gehouden worden. Er zijn dan wel twee voorwaarden: de democratische instellingen moeten voldoende functioneren en de landen moeten met elkaar willen samenwerken. ‘We kunnen met grote zekerheid stellen dat het kapitalisme op haar limieten zal stuiten als we er niet in slagen het reformistisch programma uit te voeren’ (231).

Wellicht zullen de externe grenzen eerder bereikt zijn dan de interne. De kans dat we het redden is misschien klein, maar we hebben geen keuze. Paul De Grauwe verwijst naar Sisyphus, in de interpretatie van Albert Camus. We moeten de steen telkens opnieuw de berg opduwen, maar we moeten dat gewoon doen in het besef dat er geen einde aan komt. Als we dat doen kunnen we best wel gelukkig zijn, ook al weten we niet of het allemaal ergens voor zal hebben gediend.

OP EEN PRAGMATISCH NIVEAU OPLOSSINGEN ZOEKEN

Paul De Grauwe geeft, naar eigen zeggen, met het vorderen van de jaren de voorkeur aan het pragmatische boven het ideologische. Hoe lossen we de problemen samen op? Over ideologie kunnen we het later nog hebben, zoiets. Het resultaat is eerder verbluffend, vind ik. Met deze liberaal kan links morgen een regeerprogramma maken. Neen, de markt hoeft niet afgeschaft te worden, maar de overheid moet wel beperkingen invoeren. Zonder die beperkingen krijg je een aantal fundamentele problemen niet opgelost: milieu, banken, publieke goederen. Je kunt dan nog altijd van mening verschillen over de concrete invulling van die beperkingen, maar ik twijfel er niet aan dat je er een compromis over kan vinden.

Ook over de intrinsieke limieten van de markt kan overeenstemming bereikt worden, als je maar aanvaardt dat het niet de markt maar de overheid is die moet zorgen voor herverdeling, voor een andere motivatie dan geld en voor een stimulans tot samenwerking. Je gaat er dan immers van uit dat er een sterke overheid moet zijn, om de kleine maar soms invloedrijke belangengroepen te weerstaan. En je bent niet bang om de hoogste inkomens te belasten, zelfs niet om een progressieve vermogensbelasting in te voeren. En ja, je kunt de vakbonden gerust stellen dat die hoge lonen veel meer een teken van welvaart dan een probleem zijn. Dat is nogal wat anders dan de steriele positie dat er geen alternatief is! De Grauwe moet gewoon verplichte lectuur worden.

IDEOLOGISCHE GRENZEN

Is daarmee de kous af? Wel, er blijft finaal toch wel een ideologisch verschil. Het is goed om daar niet mee te beginnen, maar vroeg of laat kom je er op uit. Voor Paul De Grauwe gaat het om een tegenstelling tussen de calculerende mens, die enkel het eigenbelang voor ogen houdt en de gevoelsmatige mens, voor wie ook het algemeen belang telt. De overtuiging van Adam Smith (dat als iedereen zijn eigenbelang nastreeft het collectieve belang het best gediend wordt) gaat niet helemaal op. Individueel en algemeen belang moeten worden verzoend en daar moet de overheid een rol in spelen. De individuele rationaliteit leidt ons anders naar de ondergang.

Maar wat is daar dan zo rationeel aan? Omdat er gecalculeerd wordt, lijkt Paul De Grauwe te zeggen. Maar is iemand die alleen rekent met zijn eigen belangen, en ook niet verder in de tijd kijkt, rationeel? Kijk naar de banken, die uit elkaar barsten van de systemen om risico’s te vermijden, maar dat ene risico straal genegeerd hebben. Heeft dat niet veel meer met hebzucht en kortzichtigheid dan met rationaliteit te maken? En heeft rationaliteit niet veel minder te maken met rekenen dan met wat berekend wordt? Ik wil maar zeggen: Paul De Grauwe maakt een traditioneel onderscheid tussen rede en emoties. In de economie zou geen plaats zijn voor emoties, maar ook niet voor rechtvaardigheid en medeleven. Wat is dat voor economie? Het lijkt ondertussen toch duidelijk dat ook empathie en gevoel voor rechtvaardigheid essentieel menselijk zijn, dat het onderscheid kunstmatig is. ‘De homo economicus’ bestaat niet, tenzij als product van een economisch systeem dat die andere aspecten van de mens onderdrukt.

Paul De Grauwe grijpt graag terug naar het indrukwekkende boek van de Israëlische psycholoog Daniel Kahneman, Ons feilbaar denken (2011). Deze auteur leert ons juist dat mensen niet in staat zijn tot alleen maar rationeel of calculerend denken. De facto laten ze zich zelfs veel vaker leiden door hun intuïtie en emoties. Ook de grootste managers calculeren veel minder dan ze laten uitschijnen. Of erger nog, dat calculeren verbergt vaak dat ze het zelf ook niet goed weten. Paul De Grauwe aanvaardt een economie die maar voor de helft menselijk is, maar wil deze hard bijstellen. Hij wil bij manier van spreken van buiten de economie een morele dimensie toevoegen. Dat zal in een reformistische praktijk toelaten een heel stuk van de weg samen af te leggen. Maar wie links is, aanvaardt finaal niet dat de economie voor iets anders dient dan voor een bevrediging van de behoeften van de mensen.

HERSTEL VAN DE GEBRUIKSWAARDE

Als er een ideologisch verschil is, dan heeft het te maken met het al dan niet aanvaarden van een dergelijke economie. Aanvaarden we een kapitalisme dat intrinsiek zelfdestructief is? Of proberen we een economische structuur uit te bouwen waarbij ook rechtvaardigheid, behoefte aan samenwerking en geluk essentieel zijn? Iemand als peer-to-peer activist Michel Bauwens legt zich in elk geval niet neer bij de spiraal van een oneindige groei in een eindige planeet. Hij probeert een nieuw verhaal te ontwikkelen dat ertoe leidt dat de markt zich onderwerpt aan de ‘commons’ (gemeengoed), aan datgene wat vrij toegankelijk en bruikbaar is voor iedereen. Misschien is hij naïef wanneer hij een nieuwe productiewijze ziet ontstaan, maar misschien zal hij het net beter blijken te doen dan Sisyphus. ‘Peer to peer’, of het herstel van de gebruikswaarde, daar gaat het om. En laat ons ondertussen maar ophouden over de ‘vrije markt’, de markt is al voldoende. Niemand twijfelt er nog aan dat de markt noodzakelijk is in wat voor economie dan ook. Alleen is dat een markt die juist niet vrij is, maar waar een rem op staat.

Luc Vanneste
Redactielid Samenleving en politiek

De limieten van de markt.
De slinger tussen overheid en kapitalisme
Paul De Grauwe
Lannoo, Tielt, 2014

kapitalisme - Picketty Thomas - vrije markt

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 10 (december), pagina 79 tot 85