Log in

Kinderarmoede door economische bril

redactioneel

Het recente Kinderarmoederapport van Unicef schudde ons nogmaals wakker: in België leeft 1 kind op 5 onder de armoededrempel. Dit gemiddelde verbergt grote regionale verschillen: 1 op 10 in Vlaanderen, 1 op 4 in Wallonië, en bijna 4 op 10 in Brussel. Het Brussels Gewest zit daarmee op hetzelfde niveau als Roemenië. De laatste jaren is het armoederisico verschoven van ouderen naar jongeren. Vandaag leven zo’n 420.000 kinderen onder de armoedegrens in ons land. Het is een schandvlek voor een rijk land als België.

Deze alarmerende cijfers blijken voor Bourgeois I en Michel I geen signaal om een versnelling hoger te schakelen. Hoewel de beleidsnota’s van de bevoegde minister Liesbeth Homans en staatssecretaris Elke Sleurs aandacht besteden aan de specifieke strijd tegen kinderarmoede, doet het algemeen sociaal beleid die focus teniet. De besparingen treffen gezinnen, en dus ook kinderen. Laten we het probleem van de kinderarmoede eens door de economische bril bekijken, nu het door de sociale bril troebel kijken wordt.

RENDEMENT

Op 1 december werd het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2014 van het Antwerpse Centrum OASeS voorgesteld. Daaruit bleek nogmaals dat wie opgroeit in armoede later zelf meer kans heeft op armoede: 26% van de Belgen tussen 25 en 59 jaar die opgroeiden in een gezin met een (zeer) slechte financiële situatie is arm, tegenover slechts 8% van de respondenten die opgroeiden in een gezin met een (zeer) goede financiële situatie.

Deze cijfers tonen niet alleen aan dat geen elk individu een onbeschreven blad is dat zelf ten volle verantwoordelijk is voor zijn sociale positie (en dus dat de toegenomen focus op het individuele schuldmodel erg onrechtvaardig is), maar vooral dat we fel moeten investeren om die generatiecirkel te doorbreken. Ook in economisch belang. Want een maatschappij die op deze ‘uitgavenpost’ bespaart, krijgt later een veelvoud aan kosten als een boemerang terug. Maar ook uit efficiëntieredenen: hoe later de programma’s worden uitgeschreven, hoe minder impact ze hebben.

Amerikaans econoom en Nobelprijswinnaar James Heckman ontdekte dat voor iedere geïnvesteerde dollar in onderwijs en zorg, men het meest rendement behaalt bij de jongste kinderen. De naar hem genoemde Heckman-curve biedt een verklaring voor de herhaaldelijke vaststelling dat interventieprogramma’s bij jonge kinderen een hoog rendement hebben, terwijl ze bij tieners of volwassenen een veel lager rendement hebben.

Het is, met andere woorden, ‘rendabel’ om zo vroeg mogelijk (zelfs al tijdens de zwangerschap, zoals Hendrik Cammu in zijn bijdrage aantoont) een ambitieuze sociale politiek te voeren. Dat moet sommige beleidsmakers, bij wie de taal van het geld de enige is die ze lijken naar waarde te schatten, toch als muziek in de oren klinken?

INVESTEREN

Een sleutelelement, zo blijkt uit zowat elke studie, zijn forse investeringen in voorschoolse opvang. Een goede kinderopvang en kleuterschool zet kinderen op het juiste spoor. Het resulteert in betere leerprestaties, grotere deelname aan hoger onderwijs, betere carrièremogelijkheden, en dus hogere lonen en overheidsinkomsten, terwijl de afhankelijkheid van sociale voorzieningen en uitkeringen daalt.

Diegene die stelt dat ‘daar geen geld voor is’, getuigt van een bijzonder kortzichtige visie. Die ziet alleen de maatschappelijke kosten: die van de preventieprogramma’s zelf of - als die de wijsheid heeft wat verder te kijken dan het momentane - naar de meeruitgaven in het hoger onderwijs door een grotere doorstroom. Maar vergeet daarbij de baten op lange termijn: de minderuitgaven voor bijkomende ondersteuning in opvang, de minderuitgaven voor buitengewoon onderwijs, de meerontvangsten van belastingen, de minderuitgaven in sociale bijstand, gezondheidszorg en criminaliteit, enzovoort.

Hetzelfde geldt in se voor de verhoging van uitkeringen en vervangingsinkomens tot boven de armoedegrens, met de gelijktijdige verhoging van het interprofessioneel minimumloon om een volwaardig salaris te verzekeren en de werkloosheidsval te vermijden. Ja, dat kost handenvol geld (1,5 miljard euro volgens het Rekenhof). Maar tel uit je winst. Je trekt er een groot aantal ouders, en dus kinderen, mee uit de armoede. Je spaart er een pak toekomstige uitgaven mee uit.

SCHADE

Hoeveel je precies kan besparen, is niet eenvoudig te becijferen. De Amerikaanse studie "The economic costs of childhood poverty in the United States" in Journal of Children and Poverty (Vol. 14, Nr. 1, maart 2008) schat de economische schade van kinderarmoede in de VS op zo’n 500 miljard dollar per jaar, ofwel bijna 4% van het bbp: het vermindert de productiviteit en economische winst ten bedrage van 1,3% van het bbp, het verhoogt de kost van criminaliteitsbestrijding met 1,3% van het bbp, net als de gezondheidsuitgaven met 1,2% van het bbp. Uiteraard is België de VS niet, niet op het niveau van de kinderarmoede, laat staan inzake criminaliteitscijfers (gelukkig maar), maar de cijfers zijn toch ook voor ons een indicatie.

Op Europees vlak is nog niet veel onderzoek gedaan naar de precieze kostprijs van kinderarmoede. Wel berekende armoede-expert Steven Groenez (HIVA) het gemiddelde van bestaande, vooral Angelsaksische, kosten-batenanalyses van verschillende armoedebestrijdingsprogramma’s: hij komt uit op een jaarlijks rendement van 5 à 6%. Kinderarmoedepreventie brengt de maatschappij dus geld op. Ook die percentages moeten sommige beleidsmakers toch als muziek in de oren klinken? Het is een rente waar de spaarder alleen maar van kan dromen.

Kinderarmoedepreventie is tevens een levensverzekering. Letterlijk. Gezien de vergrijzingsgolf die ons wacht. Vandaag maken 60-plussers 21% van de bevolking uit; tegen 2050 zullen zij 32% van de bevolking uitmaken. Vandaag zijn er voor elke gepensioneerde 3,84 werkenden. Tegen 2030 verwacht men dat er maar 2,68 actieven zullen zijn per gepensioneerde. In 2050 zou het aantal werkenden dalen naar 2,21 per gepensioneerde. Ook in kille economische termen heeft het dus zin te investeren in de ontwikkeling van kinderen. Als we hen kunnen opvoeden tot zelfbewuste volwassenen zullen ze later gewapend zijn om bij te dragen tot het in stand houden van ons sterk uitgebouwde sociale welvaartssysteem.

STORM OP KOMST

Hamvraag is of de politici vandaag aan de macht dat laatste willen. De conclusie inzake de strijd tegen kinderarmoede (‘Investeren is de beste besparing’) vereist van de huidige regeringen een ideologische flexibiliteit die niet evident is. Het staat haaks op hun mantra dat eerst moet worden gesnoeid om daarna te kunnen groeien.

Toch is de strijd tegen kinderarmoede, door een economische bril, an investment you can not afford not to make. Want wie op deze ‘uitgavenpost’ bespaart, moet later een veelvoud ervan moet betalen via kosten voor justitie, gezondheidszorg, werkloosheid. In beurstermen is kinderarmoede, zo lezen we in de bijdrage van Gaëlle Buysschaert, dan ook een ‘leading indicator’. Een meetbare economische factor die aangeeft volgens welke trend de economie verder zal evolueren. Kinderarmoede? Dat is storm op komst.

Wim Vermeersch
Hoofdredacteur Samenleving en politiek

edito - redactioneel - armoede - kinderarmoede - armoedebestrijding

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 10 (december), pagina 1 tot 3