Abonneer Log in

Tax shift: sociaal én economisch zinvol

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 36 tot 46

De tax shift van arbeid naar vermogen stuit op verzet: de shift zal een lift worden en zo de economische groei schaden; de middenklasse zal die finaal betalen en de belastingen op vermogen zijn al hoog; of nog: het is een symbolische belasting ingegeven door afgunst die niets zal opbrengen. In deze bijdrage weerleggen we één voor één deze argumenten. We tonen aan waarom de verschuiving van lasten op arbeid naar financieel vermogen een onvermijdelijk voorstel is. Een tax shift is immers sociaal én economisch zinvol.

De vermogenswinstbelasting is een fiscaal BHV geworden, zo was onlangs te horen van de kant van CD&V. Allicht wordt daarmee bedoeld dat die vermogenswinstbelasting 1. onvermijdelijk is, 2. moeite heeft geboren te worden en 3. een soort van kwestie is waarover regeringen vallen. Gevaarlijke stuff dus.

Het debat over de tax shift kristalliseert zich rond de verschuiving van belastingen op arbeid naar belasting op vermogen. Maar ook andere shifts zoals die van bedrijfswagen naar nettoloon of van arbeid naar vervuiling worden besproken. Dat is niet toevallig: die verschuivingen hebben gemeen dat ze zowel sociaal als economisch zinvol zijn. Anders gezegd: ze maken ons belastingsysteem efficiënter én rechtvaardiger. Ze zijn een antwoord op de vraag naar een eerlijke verdeling van de inspanningen én op de vraag naar meer aanmoediging van positieve bijdragen aan de samenleving zoals werk en negatieve zoals speculatie of vervuiling. Uit alle recente opiniepeilingen blijkt dat er een grote meerderheid van de bevolking voor een vermogenswinstbelasting is.1

Het goede nieuws is: die shifts zijn onvermijdelijk. Maar zoals Yves Desmet ooit zei: politiek is het onvermijdelijke mogelijk maken. En daar knelt het schoentje. Want het verzet van de vermogenden is groot. Tijdens de regeringsonderhandelingen vond een club doorgaans stille vermogende families het nodig om zich te laten horen: blijf van ons geld.2 De regering-Michel I kon het niet eens raken over de financiering van de door hen beloofde lastenverlaging en besloot dan maar om die grotendeels te laten vallen. In de plaats daarvan kwam een indexsprong, betaald door de werknemers en de uitkeringstrekkers. Dat gaat een stuk vlotter.

Los van deze politieke overwegingen wordt een reeks argumenten aangevoerd. De tax shift zou onvermijdelijk een tax lift worden. En we hebben al de hoogste belastingen, zelfs op vlak van vermogen. Zo’n shift zou onvermijdelijk de middenklasse treffen. Hogere belastingen op vermogen zouden de economische groei remmen. En ten slotte: de vraag naar tax shift zou ingegeven zijn door afgunst. Alle ballen prijs, moeten de tegenstanders denken. Een beetje zoals een pleidooi voor de Raad van State: best alle middelen gebruiken, er moet er maar één blijven hangen om een beslissing te schorsen of vernietigen. In dit artikel gaan we Raad van State-gewijs heel ernstig in op elk van die argumenten. Om tot de conclusie te komen dat de kritieken op de voorgestelde tax shift van arbeid naar vermogen ongegrond zijn en verworpen dienen te worden.

ARGUMENT 1: ‘TAX SHIFT MAG GEEN TAX LIFT WORDEN’

Laat ons beginnen met de gemakkelijkste. De tax shift mag geen tax lift worden, zo stelde Isabel Albers in De Tijd.3 Prima: beslis het dan zo. Maak een wet waar tegenover de lastenverlagingen compenserende lastenverhogingen staan. Niet meer en niet minder.

De realiteit is natuurlijk complexer. Want naast de motieven voor een lastenverlaging op arbeid, namelijk het verbeteren van de loonkostencompetitiviteit en de creatie van jobs, zijn er natuurlijk ook andere uitdagingen voor de overheid zoals het wegwerken van het begrotingstekort en de afbouw van de staatsschuld. En daarvoor zijn ook extra inkomsten nodig, temeer omdat het besparen in tijden van vergrijzing, vergroening en economische stagnatie minder makkelijk is dan het voor de verkiezingen leek.

Een tax lift is niet onvermijdelijk. Ze veronderstelt alleen economische groei. In een blog van de sp.a studiedienst4 toonden we aan dat de regeringen-Dehaene, -Leterme en -Di Rupo voor een tax lift hebben gezorgd, vooral op vlak van vermogen en vooral om het overheidstekort weg te werken. Tijdens paars ging de tax lift naar beneden op de rug van een sterke economische groei en de rentebonus van de dalende staatsschuld. Zonder terugkeer van normale economische groei is de herhaling van de paarse lastenverlaging onmogelijk. En het is precies om die groei te stimuleren dat een tax shift nodig is. Dat brengt ons bij het tweede argument.

ARGUMENT 2: ‘HOGERE LASTEN OP VERMOGEN REMMEN DE ECONOMISCHE GROEI AF’

Gwendolyn Rutten had gelijk in haar nieuwjaarsspeech: economische groei wordt niet tot stand gebracht door hogere belastingen. Maar dat is het voorstel niet: het voorstel is om de lasten te verschuiven, van arbeid naar vermogen. En dat is goed voor de economische groei. De schatting van het aantal extra jobs varieert in de verschillende studies van de Nationale Bank en het Planbureau maar er is een constante: lasten op arbeid verlagen is goed voor de economische groei, zeker als het een verlaging van de werkgeversbijdragen op de lage lonen is. En een van de ‘goedkoopste’ manieren om die te realiseren is een verhoging van de roerende voorheffing.5 Met andere woorden: het nettoresultaat in termen van export en extra jobs is het grootst bij een lastenverlaging gefinancierd door een verhoging van de roerende voorheffing. We beschikken niet over vergelijkende studies om het aan te tonen, maar ons vermoeden is dat een uitbreiding van de roerende voorheffing naar meerwaarde op aandelen zoals voorgesteld door sp.a nog gunstiger is en de economie nauwelijks verstoort.

Dat is intuïtief eigenlijk niet zo verwonderlijk. Een verhoging van de lasten op vermogen betekent dat investeerders en ondernemers rekening moeten houden dat een groter deel van hun winst zal worden wegbelast. Dat zorgt uiteraard op zich niet voor een extra motivatie om te investeren, maar het is ook onwaarschijnlijk dat het die motivatie wegneemt of zelfs maar sterk beperkt. Warren Buffet verwoordt het als volgt: ‘Ik heb zestig jaar met investeerders samengewerkt en ik ben niemand tegengekomen die afziet van een serieuze investering wegens de belastingvoet op de potentiële winst. Mensen investeren om geld te verdienen, en potentiële belastingen schrikken hen niet af’.6

De trickle-down theorie dat de economie gestimuleerd wordt door meer van de winst aan de investeerders te laten, is fout, en gezien de financiële crisis zelfs desastreus, gebleken. Daar is men sinds enkele jaren ook bij het IMF van overtuigd. Zo schreef Jeremy Clift, hoofdredacteur van het IMF-magazine Finance & Development, in zijn editoriaal van het themanummer over ongelijkheid: ‘We used to think that overall economic growth would pull everyone up. (…) But now research is showing that, in many countries, inequality is on the rise and the gap between the rich and the poor is widening, particularly over the past quarter-century’.7

Voor de omgekeerde stelling, namelijk dat de economie afgeremd wordt indien een groter deel van de winst wordt wegbelast, blijkt ook geen grond. De studiedienst van het Amerikaanse Congres (CRS) kwam recent tot de conclusie dat belastingverlagingen niet gecorreleerd blijken te zijn met investeringen en productiviteitsgroei en dat er geen verband is tussen de hoogte van de belastingtarieven en de economische groei.8 Specifiek met betrekking tot de Amerikaanse capital gains tax, een meerwaardebelasting op aandelen, en economische groei blijkt het verband in de eerste plaats niet significant9 en overigens in omgekeerde richting dan wat je zou verwachten op basis van de conventionele theorie.

** Grafiek 1. Meerwaardebelasting op aandelen en economische groei.**

Ten slotte is er ook iets vreemds conservatiefs aan de tegenstanders van de tax shift. Door een tax shift af te wijzen verklaren ze zich impliciet akkoord met de huidige tax mix. Het is niet zozeer dat ze hoge belastingen op arbeid toejuichen. Maar hun prioriteit blijkt eerder te liggen bij het bestendigen van de fiscaal bevoorrechte positie van financiële inkomsten, inkomsten uit financieel vermogen. En dat dus ten koste van de inkomsten uit arbeid.

ARGUMENT 3: ‘DE MIDDENKLASSE ZAL HET BETALEN’

Alexander De Croo’s bijdrage tot het tax shift debat was de stelling dat het onvermijdelijk de middenklasse zal zijn die betaalt. Klopt niet, toonden we in een andere blog van de sp.a studiedienst.10 In onze voorstellen wordt een tax shift gefinancierd door de invoering van een belasting op de meerwaarde op aandelen, al dan niet in het kader van een globale, hervormde vermogenswinstbelasting. Meerwaarden op aandelen zijn vandaag onbelast, een curiosum in de Europese fiscaliteit.11

In navolging van Piketty schetsen we de verdeling niet per deciel of door middel van de vaak gebruikte gini-coëfficiënt, maar door de bevolking in te delen in drie groepen: de onderste 50%, de middelste 40% en de top 10%. De ‘middenklasse’ - een term waar we geen fan van zijn - zijn dan de middelste 40% van de bevolking met een hoger inkomen dan het gemiddelde van de bevolking. Andere inschattingen van wie middenklasse is, is mogelijk. Maar evengoed kunnen we stellen dat het op zijn minst contra-intuïtief is de top 10% of de top 1% bij de middenklasse te rekenen.

Grafiek 2. Verdeling van inkomen uit arbeid en enkele vermogenscomponenten over de bevolking.

Binnen het financieel vermogen zijn er grote verschillen inzake de verdeling naargelang het type vermogen. Zo is het bezit van (beursgenoteerde) aandelen, obligaties en beleggingsfondsen nog veel ongelijker verdeeld dan het totaal financieel vermogen. Op basis van de gegevens uit de publicatie van het CSB12 schatten we de verdeling van de vermogenscomponenten over de drie grote groepen. Blijkt dat telkens de onderste twee groepen, 90% van de bevolking, zo goed als niet participeert in de betrokken activa, terwijl de top 1% goed is voor respectievelijk een derde van de deelbewijzen in ICB’s, bijna 60% van de beursgenoteerde aandelen en tot bijna driekwart van de obligaties.13

Tabel 1. België 2010: aandelen, ICB’s, obligaties.

Niet alleen het (financieel) vermogen is veel ongelijker verdeeld dan het inkomen uit arbeid. Die vaststelling geldt nog meer voor het inkomen uit financiële beleggingen.14 Wat aandelen, obligaties en deelbewijzen van beleggingsfondsen betreft, kunnen we zeggen dat de opbrengst daaruit bijna exclusief bestemd is voor 10% van de bevolking en meer dan de helft bij de top 1% terechtkomt. Voor 90% van de bevolking zijn die inkomsten verwaarloosbaar.

Conclusie: de verhoging van de roerende voorheffing op dividenden en rente-inkomsten uit obligaties, doorgevoerd door de vorige regering, is niet op kap van de middenklasse gebeurd. Evenzeer zal de invoering van een meerwaardebelasting op aandelen de ‘middenklasse’ niet of nauwelijks treffen.

ARGUMENT 4: ‘DE BELASTINGDRUK (OP VERMOGEN) IS AL HOOG’

Het volgende argument is dat we al aan de top van de wereld staan op vlak van belastingen, zelfs van vermogen. Bart De Wever betoogde in zijn slotspeech voor de verkiezingen van mei 2014 dat de Vlamingen de hoogste belastingen ter wereld betalen.

Als we naar alle belastingen samen kijken, dan is het overheidsbeslag in België 44,6% van het bbp.15 Daarmee zij we niet top maar wel bij de top. Alleen Denemarken, Finland en Frankrijk hebben een hoger (fiscaal) overheidsbeslag dan België. Dat is een relevant cijfer als de vraag is wat de impact is van het overheidsbeslag op de economie. En een discussie daarover is zinvol, maar staat volgens ons volledig los van de discussie over hoe dat overheidsbeslag idealiter samengesteld is. Los van de discussie of dat overheidsbeslag rechtvaardig verdeeld is en op zo’n manier dat het welvaartsverlies geminimaliseerd wordt?

De stelling dat ook vermogen al zwaar wordt belast, is eveneens gebaseerd op de verhouding van belastinginkomsten en bbp. En in die zin klopt ze ook: de inkomsten uit belastingen op vermogen zijn relatief hoog. Maar wat zegt dat over de belastingdruk op vermogen en inkomens uit vermogen? Bitter weinig. Volgens de Nationale Bank is ‘de omvang van de heffingen op het vermogen en op de inkomens uit vermogen in verhouding tot het bbp geen relevant gegeven voor het niveau van de heffingstarieven in een bepaald land’.16 De Europese Commissie bevestigt: ‘However, the consideration of tax revenue as a proportion of GDP provides limited information as no insight is given as to whether, for example, a high share of capital taxes in GDP is a result of high tax rates or a large capital tax base’.17

Volgens Eurostat belast ons land vermogen ten belope van 3,7% van het bbp in 2012.18 Alleen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben hogere belastingsinkomsten uit vermogen. Overigens betreft het niet alleen belastingen ten laste van particulieren, maar ook ten laste van vennootschappen. Als we de cijfers corrigeren voor belastinginkomsten die niet door particulieren worden betaald, dan belast ons land vermogen ten belope van 2,7% van het bbp.19

De eerste vraag is nu welk vermogen vooral wordt belast. Het antwoord is dat bijna 80% ervan betrekking heeft op onroerend vermogen (onroerende voorheffing, registratierechten, en deel van de schenking- en successierechten20). Los van de successie- en schenkingsrechten hebben de belastingen op vermogen amper betrekking op het financieel vermogen. Terwijl het onroerend vermogen en het financieel vermogen van de gezinnen eind 2012 quasi even groot was, respectievelijk 1100 en 1030 miljard euro.21

En als we ook de belastingen op het inkomen uit vermogen van de particulieren meerekenen (in essentie de roerende voorheffing), dan komen we op 3,6% van het bbp. Afgezet op het totaal vermogen van de gezinnen komt dat alles samen op 0,63%. De belastingen die betrekking hebben op het onroerend vermogen zijn goed voor 60% van dat totaal. En als we successie- en schenkingsrechten buiten beschouwing laten dan zijn de belastingen die verband houden met het financieel vermogen beperkt tot minder dan een derde van het totaal.

Wat zegt dit in internationale context? Aangezien we alleen over vergelijkbare gegevens inzake het financieel vermogen van de gezinnen beschikken22, vergelijken we de belastingen op het inkomen uit financieel vermogen van de particulieren als percentage van het financieel vermogen over de Europese Unie. We stellen dat in slechts twee landen de gezinnen een groter financieel vermogen hebben, maar dat er slechts drie landen een lagere belasting heffen op het inkomen uit dat financiële vermogen.23 Dat heeft ongetwijfeld te maken met de quasi nulbelasting van spaargeld én met de nulbelasting op meerwaarde op aandelen.

Grafiek 3. Belastingen op inkomen uit financieel vermogen % bbp.

De conclusie uit bovenstaande analyse is dat we inderdaad al hoge belastingen hebben, zeker op arbeid. Binnen de belastingen op vermogen wordt het onroerend vermogen buitenproportioneel belast. Het financieel vermogen wordt echter relatief weinig belast. Een verschuiving van lasten op arbeid naar een belasting op het inkomen uit financieel vermogen dringt zich op en zou onze belastingstelsel dichter bij de omliggende landen brengen.

ARGUMENT 5: ‘DE TAX SHIFT GAAT UIT VAN AFGUNST’

Een visie over belastingen is fundamenteel verbonden met een visie op de samenleving en de economie die ten dienste van die samenleving staat. Een visie over belastingen vertrekt vanuit fundamentele waarden. Gwendolyn Rutten vermoedt afgunst. Wij zien het eerder als een instrument tegen ongelijkheid. Het welzijn van een samenleving wordt voor ons niet alleen bepaald door het absolute niveau van de welvaart, maar door de mate waarin de welvaart is verdeeld. Ons belangrijkste uitgangspunt is dan ook dat hoe groter iemands financiële draagkracht is, hoe meer die kan en moet bijdragen. Dat is nu niet altijd het geval. Ons fiscaal systeem is progressief tot op een bepaald niveau.24 Het grootste deel van de bevolking valt onder dat progressieve schema, namelijk zolang hun inkomen uit vermogen relatief beperkt blijft. Maar de toplaag die buitenproportioneel veel inkomen uit vermogen geniet25, wordt er niet of slechts gedeeltelijk door gevat omdat de fiscale druk op inkomsten uit vermogen gering is.26

De nood aan een tax shift is niet alleen ingegeven door de vastgestelde onevenwichten in ons fiscaal systeem maar ook gezien een aantal fundamentele evoluties in onze economie en onze samenleving. Eén van de hoekstenen van Thomas Piketty’s analyse in Kapitaal in de 21ste eeuw27 is de historische evolutie van verhouding van het (private) vermogen ten aanzien van het nationale inkomen, ook wel de vermogensinkomenratio genoemd. De conclusie van Piketty is dat de vermogensinkomenratio in de door hem onderzochte landen de afgelopen 40 jaar is gestegen van 200-300% in 1970 tot 400-600% in 2010 en daarmee weer in de buurt komt van de verhouding tussen het vermogen en het nationale inkomen dat in Europa werd waargenomen in 18de en 19de eeuw. We maakten dezelfde oefening voor België28 en vonden dat in België de verhouding vermogen tot inkomen in de voorbije 30 jaar meer dan verdubbeld is, tot 624%. En als we alleen het financieel vermogen bekijken, dan is de verhouding financieel vermogen tot inkomen bijna verdrievoudigd.

Grafiek 4. Privaat vermogen / nationaal inkomen in België.

België ontsnapt met andere woorden niet aan de internationale trend die door Piketty werd vastgesteld. Indien het vermogen gelijk verdeeld zou zijn, dan is dat op zich geen probleem. Maar zoals we eerder aantoonden is het vermogen ongelijk verdeeld is, en dus versterkt deze evolutie de ongelijke verdeling van de welvaart. Bovendien behoort ons financieel vermogen bij de meest ongelijk verdeelde van Europa.29 Een vermogenswinstbelasting op financieel vermogen is dus allesbehalve een kwestie van afgunst maar wel van een eerlijke verdeling van de inspanning en het in toom houden van de evolutie naar meer ongelijkheid.

ARGUMENT 6: ‘DE VERMOGENSWINSTBELASTING IS EEN SYMBOOL EN ZAL NIETS OPBRENGEN’

De laatste kritiek is dat links op zoek is naar een symbool. Een symbool dat niets zal opbrengen, en dus ook niet voor budgettaire marge zal zorgen met het oog op een verlaging van de belastingen op arbeid. Ook dat klopt niet.

De vorige minister van Financiën heeft de Hoge Raad van Financiën aan het werk gezet om de mogelijkheden voor een tax shift te onderzoeken. Enkele maanden geleden bracht ze daarover een lijvig rapport uit na maanden studiewerk. De conclusie van de Hoge Raad: ‘Een uniforme belasting van verschillende vormen van spaaropbrengsten (inkomsten en meerwaarden) heeft verschillende voordelen: een dergelijke hervorming vormt een ‘win-win’ wat de afweging doeltreffendheid versus billijkheid betreft en ze biedt een belangrijke bewegingsmarge om een daling van de belastingdruk op de inkomsten uit arbeid te financieren. Het is eigenlijk de voornaamste marge die werd geïdentificeerd’.30

De Hoge Raad voor Financiën raamt de structurele belastinggrondslag van een meerwaardebelasting op aandelen die rechtstreeks of onrechtstreeks worden aangehouden door particulieren op 24 miljard euro. Aan een belastingtarief van 25% roerende voorheffing komt dit neer op een opbrengst van 6 miljard euro of ongeveer 1,5% bbp. De HRF benadrukt dat het hier om een indicatief gemiddeld cijfer op kruissnelheid gaat, en niet om het rendement van de invoering van een veralgemeende heffing op gerealiseerde meerwaarden in 2014. De theoretische opbrengst die het HIVA31 in een studie berekende is van dezelfde grootteorde. In de landen waar een meerwaardebelasting werkelijk wordt gehanteerd, varieert de opbrengst van 0,2 tot soms 1,4 en 1,6% van het bbp. Wanneer wordt gekozen voor een ruime basis zonder uitzonderingen zal de opbrengst eerder aan de bovenkant van die vork liggen. Wanneer men de basis al te zeer uitholt, dan zal de opbrengst eerder aan de onderkant van die vork liggen.

Wie stelt dat een meerwaardebelasting een symbool is, die neemt zijn eigen wensen voor werkelijkheid. De enige manier om er een symbool van te maken is door de suggestie van sommigen te volgen en alleen speculatieve meerwaarden, gerealiseerd op aandelen die slechts een korte periode werden aangehouden, te belasten. Sommigen stellen dit nu voor als compromis. Ze maken een inschattingsfout. De mensen willen geen symbool. Ze willen een faire bijdrage van de grote vermogens en een substantiële tax shift.

CONCLUSIE

In bovenstaande analyse hebben we zes kritieken op een vermogenswinstbelasting geanalyseerd. Geen een houdt stand tegen een verdere tax shift van arbeid naar inkomen uit financieel vermogen. Zo’n shift is onvermijdelijk. Het is wachten tot een regering het onvermijdelijke mogelijk maakt.

Jan Cornillie
Directeur sp.a studiedienst
Inti Ghysels
*Medewerker fiscaal beleid en fraudebestrijding sp.a *

Noten
1/ ‘Grote meerderheid Vlamingen wil vermogenswinstbelasting’, De Standaard, 9/12/2014.
2/ ‘Topondernemers vormen blok tegen meerwaardebelasting’, De Tijd, 18/9/2014.
3/ Isabel Albers, De Tijd, 12/11/2014.
4/ Lieven Meert en Jan Cornillie, Overheidsbeslag zal niet dalen zonder extra groei, https://defeiten.s-p-a.be/article/overheidsbeslag-zal-niet-dalen-zonder-extra-groe/.
5/ Henri Bogaert en Chantal Kegels, Concurrentievermogen van België: Uitdagingen en groeipistes, Planbureau Planning Paper 112, November 2012.
6/ De Morgen online, ‘Buffet vraagt Congres taksen voor miljonairs te verhogen’, 15/8/2011.
7/ Jeremy Clift, ‘Haves and Have less’, Finance & Development, September 2011, Vol. 48, No. 3, http://www.imf.org/external/pubs/ft/fandd/2011/09/letterfr.htm.
8/ Hungerford, T. (2012), ‘Taxes and the Economy: An Economic Analysis of the Top Tax Rates Since 1945’, Congressional Research Service Report for Congress, September 14, 2012.
9/ Statement of Leonard E. Burman and Daniel Patrick Moynihan Before the House Committee on Ways and Means and the Senate Committee on Finance: Tax Reform and the Tax Treatment of Capital Gains, September 20, 2012: Hij zegt daar: ‘If low capital gains tax rates catalyzed economic growth, we’d expect to see a negative relationship–high gains rates, low growth, and vice versa–but there is no apparent relationship between the two time series. The correlation is 0.12, the opposite sign from what capital gains tax cut advocates would expect, and not statistically different from zero.’
10/ Inti Ghysels, Dirk Verwerft en Jan Cornillie, Een taks shift naar vermogen is een shift weg van de middenklasse, https://defeiten.s-p-a.be/article/een-taks-shift-naar-financieel-vermogen-is-een-s/.
11/ Harding, M. (2013), ‘Taxation of Dividend, Interest, and Capital Gain Income’, OECD Taxation Working Papers, No. 19, OECD Publishing.
12/ Kuypers, S., en Marx I., ‘De verdeling van de vermogens in België’, CSB Bericht, mei 2014.
13/ Inti Ghysels, Dirk Verwerft en Jan Cornillie, Een taks shift naar vermogen is een shift weg van de middenklasse, https://defeiten.s-p-a.be/article/een-taks-shift-naar-financieel-vermogen-is-een-s/.
14/ Inti Ghysels, Dirk Verwerft en Jan Cornillie, Een taks shift naar vermogen is een shift weg van de middenklasse, https://defeiten.s-p-a.be/article/een-taks-shift-naar-financieel-vermogen-is-een-s/.
15/ De totale inkomsten van de overheid bedroegen in 2013 51,5% van het bbp maar daar zitten ook niet-fiscale inkomsten zoals dividenden bij.
16/ Nautet, M., Van Cauter, K., Van Meensel, L. (2010), ‘Tendensen inzake belastingen op de activa van de particulieren’, Economisch Tijdschrift, December 2010, NBB.
17/ Eurostat (2014), ‘Taxation trends in the European Union’, zie Annex B: Methodology.
18/ Eurostat (2014), ‘Taxation trends in the European Union’.
19/ Eurostat (2014), ‘Taxation trends in the European Union’, zie Revenue data by individual tax.
20/ We veronderstellen dat de helft van de successierechten betrekking hebben op onroerende goederen.
21/ Financiële rekeningen, website NBB.
22/ Database - Eurostat - European Commission.
23/ De outlier met een negatieve belasting op financieel vermogen is Nederland, door enorme hypothecaire renteaftrek.
24/ Tom Jansen en Inti Ghysels, ‘Is ons belastingstelsel fair?’, Samenleving en politiek, oktober 2012.
25/ Atkinson, Piketty en Saez, ‘Top incomes in the long run of history’, Journal of economic literature, vol. 49, no 1, 2011.
26/ Nico Pattyn, ‘Een billijke fiscale bijdrage van de vermogens in België’, Samenleving en politiek, maart 2014.
27/ Thomas Piketty, Capital in the 21st century, Harvard University Press, 2014.
28/ Inti Ghysels, Jan Cornillie en Lieven Meert, ‘Vermogen in België: een toepassing van Piketty’, https://defeiten.s-p-a.be/article/vermogen-in-belgie-een-toepassing-van-piketty/.
29/ Inti Ghysels en Alex Vansteenbergen, ‘Vermogensfiscaliteit: mythe en werkelijkheid’, Samenleving en politiek, november 2013.
30/ HRF (2014), ‘Een tax shifting ten voordele van arbeid en bredere belastinggrondslagen - scenario’s voor een globale en significante belastinghervorming’, augustus 2014.
31/ Pacolet, J. , De Wispelaere, F. & Vanormelingen, J. (2014), ‘De ontbrekende schakel: Een echte meerwaardebelasting voor België’, HIVA-K.U.Leuven, Leuven.

taks shift - vermogensbelasting - lastenverlaging

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 36 tot 46