Log in

Waarom een basisinkomen een goed idee is

PRO - CONTRA

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 57 tot 63

Het basisinkomen is een inkomen dat wordt toegekend aan elk lid van een politieke gemeenschap, op individuele basis, zonder dat er een tegenprestatie voor verwacht wordt. Het verschilt dus van een minimuminkomen (zoals het ‘leefloon’ in België) in die zin dat het individueel, universeel en onvoorwaardelijk wordt toegekend. In wat volgt probeer ik een aantal voordelen van het basisinkomen samen te vatten door de klemtoon te leggen op zijn impact op activiteit, armoede en vrijheid. Het is, met andere woorden, nodig voor sociale rechtvaardigheid. Daardoor toon ik aan dat dit voorstel niet alleen een grondige discussie waard is, al is het maar omdat het wijst op een aantal gebreken van ons huidig sociaal beleid, maar ook nodig is voor sociale rechtvaardigheid.1

IS HET BASISINKOMEN EEN NIEUW IDEE?

Het basisinkomen is tegenwoordig een veelbesproken idee, niet alleen in Vlaanderen. In Zwitserland, bijvoorbeeld, werd in het voorjaar van 2012 een burgerinitiatief gelanceerd om het basisinkomen in de grondwet in te schrijven. In oktober 2013 overhandigden de initiatiefnemers niet minder dan 126.000 geldige handtekeningen aan de Zwitserse regering in Bern. De autoriteiten zullen een referendum moeten organiseren waarin de Zwitsers over het voorstel kunnen stemmen. In andere Europese landen wordt er ook hevig over het idee gedebatteerd: bijvoorbeeld in Ierland, Finland, Spanje en zelfs in Duitsland zijn er tal van initiatieven rond het basisinkomen.2 Ook op Europees niveau werd in 2013 een burgerinitiatief ingediend. Het wou lidstaten verplichten om samen te onderzoeken of de invoering van een basisinkomen de sociale zekerheid kon verbeteren. Het burgerinitiatief kreeg niet genoeg steunbetuigingen (het doel om handtekeningen van een miljoen Europese burgers te verzamelen in minimaal zeven lidstaten bleek te hoog gegrepen), maar bereikte wel zijn belangrijkste doelstelling: het debat omtrent het basisinkomen verder stimuleren.

Het idee van een basisinkomen is nochtans verre van nieuw. Het begon aan zijn opmars in de 19de eeuw en werd in de 20ste eeuw verdedigd door Britse sociaaldemocraten, Nederlandse socialisten, Franse liberalen, Catalaanse nationalisten, Belgische groenen en vele anderen. In de Verenigde Staten zagen bekende figuren zoals John Kenneth Galbraith, James Tobin, maar ook Martin Luther King in het voorstel een manier om een grotere garantie op economische zekerheid aan de meest kwetsbaren te bieden. In 1986 werd een netwerk opgericht door onderzoekers en activisten uit heel Europa, onder de naam ‘Basic Income European Network’ (BIEN), om het concept verder uit te denken en te promoten. In 2004 werd dit omgedoopt tot het ‘Basic Income Earth Network’, omdat het inmiddels een wereldwijd netwerk is geworden. België is hierin vertegenwoordigd via het Belgisch Netwerk voor het Basisinkomen3, opgericht in juni 2012.

Vaak leggen al die voorstanders van het basisinkomen de nadruk op drie belangrijke verschillen tussen hun voorstel en het minimuminkomen, zoals het ‘leefloon’ in België. Een eerste verschil is dat het basisinkomen strikt individueel wordt toegekend. Bij de toekenning van de klassieke sociale minima wordt rekening gehouden met de gezinssamenstelling. Het basisinkomen wordt bovendien op universele basis toegekend, zonder enige controle op de andere bestaansmiddelen. Rijk en arm ontvangen dus een gelijk basisinkomen, ongeacht hun inkomensniveau. De klassieke sociale bijstandsprogramma’s zijn daarentegen gericht op de armsten. Tot slot wordt het basisinkomen onvoorwaardelijk toegekend, zonder enige verplichting (zoals de beschikbaarheid voor werk of het ondertekenen van een integratiecontract), in tegenstelling tot de traditionele sociale uitkeringen. Deze ‘onvoorwaardelijkheid’ is helemaal niet revolutionair: verschillende Europese landen kennen immers al universele systemen van kinderbijslag, basispensioen en ziektekostenverzekering.4

RECHT OP WERK OF RECHT OP INKOMEN?

Eén van de belangrijkste discussiepunten rond het basisinkomen heeft betrekking op de effecten ervan op de arbeidsmarkt. Tegenstanders van het systeem stellen de onvoorwaardelijkheid van het basisinkomen in vraag. Zij vrezen dat de reeds geboekte vooruitgang op het gebied van ‘actieve inclusie’ ondermijnd zal worden en dat het basisinkomen een zekere passiviteit zou stimuleren. Daarom pleiten sommige tegenstanders eerder voor het garanderen van een echt ‘recht op werk’, bijvoorbeeld in de vorm van massale subsidies voor laaggeschoold werk of door het genereren van openbare tewerkstelling.

Nochtans schuilt de enige manier om het recht op werk te garanderen net in het garanderen van het recht op een inkomen. Het basisinkomen moet niet als eenalternatief voor een volledige tewerkstelling gezien worden, maar als een soepele strategie om deze te bereiken. Zoals alle selectieve programma’s, hebben klassieke bijstandsmiddelen immers de neiging om een ‘werkloosheidsval’te creëren waardoor het voor sommigen niet voordelig is om uit de inactiviteit te treden. Vooral mensen die een slecht betaalde job uitoefenen, worden gestraft: zij verliezen geheel of gedeeltelijk het recht op een uitkering, waardoor zij vaak een netto-inkomen genereren dat lager of niet veel hoger ligt dan hun uitkering. In economische termen betekent dit dat de marginale belastingdruk voor die groepen rond 100% ligt: voor elke euro die verdiend wordt op de arbeidsmarkt wordt een euro ingetrokken van de uitkering.

In een aantal Europese landen heeft men door hervormingen van het bijstandsbeleid getracht dit averechtse effect te voorkomen. Zo worden ‘winstdelingsmechanismen’ of ‘sociaalprofessionele integratievrijstellingen’ ontwikkeld, waarbij rechthebbenden een deel van hun uitkering kunnen aanvullen met inkomsten uit een professionele activiteit.5

In Frankrijk bijvoorbeeld, verving men in 2009 het ‘Revenu Minimum d’Insertion’(RMI) door het ‘Revenu de Solidarité Active’(RSA). Ditvernieuwde beleid streeft er uitdrukkelijk naar om rechthebbenden de mogelijkheid te bieden om bij hun toetreding op de arbeidsmarkt een deel van het minimuminkomen te behouden.

Dit systeem benadert eigenlijk het basisinkomen, in ieder geval in de vorm van een ’negatieve inkomensbelasting’. In dergelijk systeem ligt de marginale belastingaanslag beneden de 100%. Onder een bepaald bruto-inkomen betaalt men zelfs geen belasting, maar krijgt men een premie (die daarom ‘negatieve belasting’ wordt genoemd). Toch vertonen dit soort hervormingen vaak nog verschillende gebreken. Ze zijn zeer complex en daardoor niet bepaald transparant. Bovendien zijn ze vaak ook beperkt in de tijd. Hierdoor wordt het probleem van een lager inkomen als gevolg van de toetreding tot de arbeidsmarkt alleen maar uitgesteld. Verder leidt de gerichte, dus de niet-universele aard ervan, tot ongelijkheden op de arbeidsmarkt. Voor eenzelfde uurloon geniet een werknemer, die eerder een minimuminkomen ontving, van een aanvulling op het loon terwijl zijn collega er geen recht op heeft. De eerste balansen die zijn opgemaakt na de invoering van de Franse RSA hebben dan ook belangrijke problemen aan het licht gebracht. Zo is de maatregel te complex, is de uitbetalings- en berekeningswijze onbegrijpelijk, creëert de maatregel te veel administratieve rompslomp en blijkt er een gebrek aan begeleiding te zijn.

Een basisinkomen kan de toetreding tot de arbeidsmarkt echter aanmoedigen, ook wanneer het gaat om slecht betaalde, weinig productieve of deeltijdse jobs. Het netto-inkomen ten opzichte van de inactiviteitssituatie wordt immers duurzaam verbeterd. Omdat het basisinkomen universeel is, kan het dus gelijkgesteld worden met een stabiele en permanente tewerkstellingssubsidie, die voor iedereen toegankelijk is, ongeacht het eerder doorlopen traject. Zo voorkomt ze het ontstaan van ongelijke verloning onderaan de salarisschaal, terwijl de toekenning van het systeem veel transparanter is.

Het basisinkomen kan daarom onderdeel uitmaken van een actieve inclusiestrategie, maar moet héél duidelijk onderscheiden worden van de ‘harde’ versie van deze strategie, die bestaat uit gedwongen werkhervatting via de ‘workfare’. Het ontbreken van de voorwaarde tot tegenprestatie (het basisinkomen wordt onvoorwaardelijk toegekend) geeft de zwakkeren een onderhandelingspositie waarin ze geestdodende banen, die hen geen opleiding of toekomstperspectief bieden, kunnen weigeren. Kort gezegd: hoewel de universaliteit van het basisinkomen ervoor zorgt dat slecht betaald werk gesubsidieerd wordt (in strikt economische zin), verhindert de onvoorwaardelijkheid ervan dat het afstompend werk of ‘bad jobs’ subsidieert.

DE IMPACT VAN HET BASISINKOMEN OP ARMOEDE EN ONGELIJKHEID

Ondanks de verontrustende toename van het aantal arme werknemers in heel Europa blijft werk één van de beste manieren om te ontsnappen uit de armoede. Daarom kunnen we stellen, gezien zijn effecten op tewerkstelling, dat het basisinkomen een belangrijk ingrediënt is in de strijd tegen sociale uitsluiting. Het universele karakter van het basisinkomen is echter omstreden, ondanks zijn positief effect op het recht op werk dat zonet werd aangekaart. Zo vragen velen zich af of het niet beter zou zijn om het armoedeprobleem aan te pakken door de uitgaven uitsluitend te richten op mensen in armoede.

Het lijkt inderdaad absurd om een extra inkomen te geven aan hen die reeds een voldoende inkomen hebben. Het invoeren van een basisinkomen heeft echter niet tot doel om een netto verbetering tot stand te brengen voor de rijken en zou dit ook niet tot gevolg hebben. Net zoals elk ander herverdelingsprogramma moet het basisinkomen op één of andere manier worden gefinancierd. De meeste voorstellen impliceren een herstructurering van de huidige voorzieningen van sociale transfers en belastingen op fysieke personen. Concreet zou het er enerzijds om gaan bepaalde overdrachten af te schaffen of te verminderen ten gunste van de armen - maar nooit voor een bedrag dat hoger is dan het basisinkomen - en anderzijds om fiscale vrijstellingen (of verminderde tarieven) af te schaffen waarvan de rijken meer profiteren dan de armen. Naargelang het bedrag van het basisinkomen zal een eerder verwaarloosbare of aanzienlijke belastingtoename worden voorzien. Of het nu progressief of proportioneel gebeurt, in de vorm van klassieke belastingen of een algemene sociale bijdragen, logisch gezien zullen vooral de rijksten eraan bijdragen. Geen sprake, dus, van een ontmanteling van de sociale zekerheid die ten koste van de zwakkeren zou gaan.

Een inkomen dat ook aan de rijken wordt toegekend, is niet beter voor de rijken, maar waarom zou het beter zijn voor de armen? In deze context is het interessant om landen met een universalistische traditie (voornamelijk Scandinavische landen) te vergelijken met landen die een selectief beleidals traditie hebben (zoals het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten). Verschillende indicatoren tonen aan dat de eerste groep landen er beter in slaagt om armoede en ongelijkheid te bestrijden dan de tweede groep. Er worden vaak verschillende argumenten aangehaald om deze schijnbare paradox te verklaren. In de eerste plaats zijn selectieve uitkeringen slecht gekend bij de potentiële rechthebbenden, die vaak verdwalen in een doolhof van instanties, regels en categorieën. Ten tweede impliceert de aard van de selectieve programma’s dat, soms op indringende en vernederende manier, moet worden gecontroleerd of de rechthebbenden wel aan de toekenningsvoorwaarden voldoen. Tot slot verzekeren de gerichte programma’s zeer slecht de continuïteit van de rechten. Zoals eerder vermeld, vallen de transfers gedeeltelijk of volledig weg bij verandering van statuut, waardoor de rechthebbenden niet worden gestimuleerd om risico’s te nemen en zich weer te integreren op de arbeidsmarkt.

Een regelmatige uitbetaling van een onvoorwaardelijk inkomen zou deze drie gebreken van doelgerichte transfers naar de minstbedeelden kunnen voorkomen en hun economische zekerheid verhogen. We benadrukken evenwel dat het basisinkomen alleen de multidimensionale armoedeproblematiek niet zal kunnen oplossen. Andere hervormingen, bijvoorbeeld op het gebied van toegang tot huisvesting of onderwijs, zijn eveneens vereist. In dit kader blijven maatschappelijk werkers een essentiële rol spelen. Maar het wegnemen van complexe procedures, die vaak worden gekenmerkt door willekeur, laat maatschappelijk werkers eindelijk toe om zich te concentreren op de begeleiding van de minderbedeelden, in plaats van op controle en sanctionering. Het is dus geen toeval dat econoom Philippe Defeyt, sinds 2006 voorzitter van een van de grootste OCMW’s van het land, nog altijd een vurig voorstander van het basisinkomen is.6

EEN LIBERAAL-EGALITAIRE HERVORMING

Naast de pragmatische argumenten om aan te tonen dat het basisinkomen werkloosheid en armoede kan terugdringen, is het ook belangrijk om de normatieve argumenten niet uit het oog te verliezen. Zoals eerder werd aangegeven, zou het uitkeren van een basisinkomen, gekoppeld aan een financiering via progressieve (of proportionele) heffingen, de ongelijkheid kunnen terugdringen, net zoals dit ook wordt vastgesteld bij andere universele programma’s. Bovendien kunnen verschillende essentiële kenmerken van het basisinkomen bijdragen tot de individuele emancipatie van mensen: het basisinkomen kan de reële vrijheid (real freedom) maximaliserenvan zij die het minst vrij zijn.7

Onze economieën produceren rijkdommen die collectief eigendom zijn, maar ook zeer ongelijk verdeeld blijven. Om de nodige herverdeling te organiseren kan men aan iedereen een deel van deze rijkdommen toekennen, zodat iedereen zijn of haar idee van een bevredigend leven kan nastreven. Uit dit laatste kunnen we het diep ‘liberale’karakter van het basisinkomen ontwaren. Dit liberale aspect zorgt soms voor verwarring bij de gebruikelijke aanhangers van het egalitarisme aan de zijde van sociaaldemocratische partijen of in de vakbondswereld. Aan iedereen een dergelijk onvoorwaardelijk inkomen garanderen, is in feite een manier om iedereen gelijke kansen te bieden op een grotere individuele vrijheid. Sommigen vermoeden echter dat deze maatregel individualisme en het terugplooien op de privésfeer in de hand zal werken, zonder rekening te houden met sociale banden en het algemeen welzijn. Toch is het net omdat het basisinkomen de enge band tussen inkomsten en productieve bijdrage doorbreekt dat de maatregel, met name door ecologisten, als gunstig wordt beoordeeld voor autonome en niet-handelsactiviteiten. Als het basisinkomen een subsidie is voor slecht betaald - maar zelf gekozen - werk, kan het ook worden beschouwd als subsidie voor andere vormen van nuttige activiteiten die niet door de markt worden gewaardeerd.8

CONCLUSIE

Een basisinkomen voor iedereen is niet alleen wenselijk, maar ook haalbaar. Uiteraard mogen wij de werkelijkekosten van een dergelijke hervorming niet onderschatten. Net als bij ieder universeel programma moeten de brutokosten echter worden onderscheiden van de nettokosten, wat vaak uit het oog wordt verloren door de tegenstanders. Het is niet omdat België 11 miljoen inwoners telt, dat de nettokosten van een basisinkomen van 500 euro per maand 5,5 miljard euro bedragen. Zoals hierboven vermeld wordt het gefinancierd door een herstructurering van bepaalde uitkeringen en belastingen. Onder bepaalde omstandigheden kan er wél een meerkost veroorzaakt worden, omdat het basisinkomen op individuele basis wordt uitbetaald. Maar deze individualisering moet worden beschouwd als een essentieel onderdeel van iedere egalitaire strategie. Het verbetert inderdaad de situatie van de meest kwetsbare partner, door deze een inkomen te garanderen, zonder onderbreking en ongeacht het totale inkomen van het gezin. Omwille van de onvoorwaardelijke aard van deze individuele uitkering kan de formule niet alleen de nefaste gevolgen van de ongelijkheid binnen het gezin beperken, maar ook de reële vrijheid van ieder lid van het gezin vergroten, waar voornamelijk vrouwen bij gebaat zullen zijn.9

De discussie rond de werkelijke kosten van een basisinkomen moet vertrekken vanuit realistische scenario’s, met een bescheiden bedrag als startpunt. Zo heeft econoom Marc de Basquiat, die sterk geïnspireerd werd door het werk van Thomas Piketty, onlangs kunnen aantonen dat een basisinkomen van 450 euro per maand tot een duidelijke verbetering van de laagste inkomens in Frankrijk kan leiden, zonder meerkost en met het behoud van de meeste belangrijke sociale voorzieningen.10

Ondanks de voordelen ervan, en het feit dat het financieel haalbaar is in rijke landen zoals België, blijft het twijfelachtig dat het basisinkomen op korte termijn zal worden ingevoerd. Het is echter helemaal geen illusie om te hopen dat het voorstel en de onderliggende ethische en pragmatische argumentatie bepaalde hervormingen zal inspireren die de selectiviteit vervangt door universaliteit, en zo de dominante tendens in de meeste Europese landen van richting zal doen veranderen. Het basisinkomen kan in elk geval niet meer worden genegeerd door iedereen die in de armoedebestrijding geen verplichte liefdadigheid, maar een rechtvaardigheidseis ziet

Yannick Vanderborght
Professor aan de Université Saint-Louis Bruxelles en Université catholique de Louvain (UCL)

Noten
1/ Een andere versie van deze bijdrage is eerder verschenen in in D. Dierckx, J. Coene, A. Van Haarlem en P. Raeymaeckers (eds.)(2013), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2013, Leuven: Acco, pp. 341-353.
2/ Zie www.binews.org voor up-to-date informatie.
3/ http://basicincome.be.
4/ Voor een overzicht van het academisch debat rond het basisinkomen, zie Widerquist K. & al.(eds.) (2013), Basic income. An anthology of contemporary research, New-York: Wiley-Blackwell.
5/ Zie De Vil G. & Van Mechelen N. (2011), Het leefloon en alternatieven voor de sociaalprofessionele integratievrijstelling in de berekening van het inkomen, Brussel: KBS.
6/ Defeyt was, samen met Philippe Van Parijs o.a., één van de eerste Belgische voorstanders van het basisinkomen in de jaren 1980.
7/ Van Parijs P. (1995), Real freedom for all. What (if anything) can justify capitalism ?, Oxford: OUP.
8/ Arnsperger C. & Johnson W.A. (2011), ‘The guaranteed income as an equal-opportunity tool in the transition toward sustainability’, in Gosseries A. & Vanderborght Y. (eds.) (2011), Arguing about justice, Louvain-la-Neuve: PUL, pp. 61-70.
9/ Zie Basic Income Studies, 3 (3), December 2008.
10/ De Basquiat, M. & Koenig, G. (2014), Liber, un revenu de liberté pour tous, Paris: Ed. de l’Onde. Zie ook www.allocationuniverselle.com

basisinkomen - armoede - sociale rechtvaardigheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 57 tot 63