Log in

Welk taalbeleid voor de Vlaamse Rand?

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 11 tot 17

Met de regelmaat van de klok staan de Vlaamse gemeenten rond Brussel in het oog van de politiek-communautaire storm: de omzendbrief Peeters, de benoeming van de burgemeesters in de faciliteitengemeenten, klachten bij de Raad van Europa, de BHV-saga,… Maar ook dossiers als Uplace en het Neo-project, een nieuw nationaal voetbalstadion of de verbreding van de ring krijgen een extra communautair kleurtje. Taal blijft een discussiepunt, niettegenstaande de taalwetgeving duidelijk afbakent waar de grondwettelijke taalvrijheid geldt en waar ze wordt beperkt. Op basis van de resultaten van het recente BRIO-taalbarometeronderzoek naar taalgebruik in de Vlaamse Rand bekijken we in dit artikel enkele spanningsvelden die deze relatie bepalen en het beleid dat op basis hiervan wordt uitgetekend. Na een korte inleiding over de relatie tussen stad en rand, gaan we dieper in op de concrete taalsituatie en de appreciatie van het gevoerde beleid. Ten slotte reflecteren we over de contouren van het huidige en een toekomstige beleid.

DE CONTEXT: EEN PERMANENT SPANNINGSVELD MET TAAL ALS KANALISATOR

De stad en haar rand zijn aparte entiteiten met een eigen identiteit, maar door de economische en demografische dynamiek van een stedelijke samenleving ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. Deze dualiteit geldt ook voor Brussel en de omliggende gemeenten, die afhankelijk van het onderwerp en de betrokken actoren als de Brusselse Rand, de Vlaamse Rand, de Rand of de periferie wordt gedefinieerd.

De verhoogde mobiliteit vanaf de jaren 1950 en 1960, gericht op het bereikbaar maken van Brussel met de auto, samen met het verkavelingsbeleid van de lokale overheden en projectontwikkelaars in de randgemeenten rond Brussel, vormden de motor van het suburbanisatieproces waarbij steeds meer stedelingen naar de rand uitweken. Dit proces bracht ook de stedelijke levensstijl naar het platteland, en in de Brusselse context impliceerde dit dat inwijkelingen vaak Frans spraken. Nog steeds is er een netto-instroom vanuit Brussel naar Vlaanderen, hetgeen gepaard gaat met een stijgende uitstroom naar de rand (Willaert, 2010). Tegelijk vertoont de rand ook een positief buitenlands migratiesaldo (Pelfrene, 2012). Het nettoresultaat is een groeiende diversiteit en internationalisering van, vaak hoger geschoolde, inwoners. Deze diversiteit, waarvan taal een onderdeel vormt, ent zich bovenop het traditionele politieke spanningsveld tussen Vlamingen en Franstaligen. Hierbij komt nog een extra spanningsveld waarbij Brussel als economische draaischijf met een hoge productiviteit en inherente creatie van rijkdom toch een armere bevolking met een laag te besteden inkomen heeft omdat de gecreëerde meerwaarde in belangrijke mate door de pendel naar de rand wordt gedraineerd. Maar ook binnen de rand is de sociale diversiteit groot en mogen we ons niet blindstaren op louter taaldiversiteit.

Alhoewel er tussen Brussel en de rand een aantal formele samenwerkingsverbanden groeiden (zie De Witte, 2014) duikt de taalproblematiek steeds opnieuw op. Taalwetgeving en taalbeleid in de Vlaamse Rand zijn twee complementaire en soms zelfs tegenstrijdige beleidsdomeinen: de taalwetgeving stelt grenzen aan de taalvrijheid, het taalbeleid tracht impact te krijgen op die domeinen waar taalvrijheid heerst. Om het taalbeleid rond Brussel te stroomlijnen keurde de Vlaamse Regering op 9 november 1994 een nota goed waarin het de Vlaamse Rand definieerde. De 19 Vlaamse gemeenten (met name: Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel, Wezembeek-Oppem, Asse, Beersel, Dilbeek, Grimbergen, Hoeilaart, Machelen, Meise, Merchtem, Overijse, Sint-Pieters-Leeuw, Tervuren, Vilvoorde en Zaventem) die grenzen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of aan de zes faciliteitengemeenten en deze laatste gemeenten zelf, werden afgebakend als ‘Vlaamse Rand’, een zone waar een preventief beleid zou worden gevoerd om de ‘Nederlandse taal en cultuur veilig te stellen en te bevorderen’. In dat beleid staat de taalproblematiek centraal. In haar Actieplan vraagt de Vlaamse Regering anderstalige inwoners een inspanning te doen om het Nederlands te leren en zet daar de organisatie van taallessen en taalstimulerende activiteiten tegenover. In de afgelopen 20 jaren werden verschillende initiatieven genomen met de Vlaamse overheid, de provincie Vlaams-Brabant en de lokale gemeenten als partners.

MYTHE VERSUS DATA: DE HUIDIGE TAALSITUATIE

Niettegenstaande de algemene teneur van het huidige beleidsklimaat de nadruk legt op het formuleren van doelstellingen en het oplijsten van indicatoren om het beleid te evalueren, ontbreken gegevens over taalkennis en taalgebruik. Als men een beleid ter ondersteuning van het Nederlands wil concretiseren, is het uiteraard essentieel te weten hoe het doelpubliek er uit ziet en wat het effect is van het gevoerde beleid. Het BRIO-taalbarometeronderzoek (Janssens, 2014)is een eerste poging om, op basis van een representatieve steekproef van 2500 volwassen inwoners van de rand, een beeld van dit taalgebruik te schetsen. Tabel 1 geeft een overzicht van de thuistaal of thuistalen van de inwoners van de Vlaamse Rand. De oorspronkelijke thuistaal verwijst naar de primaire taalverwerving, de taal van het gezin waarin de ondervraagden opgroeiden. Een tweede kolom geeft aan in welke mate deze inwoners van zichzelf vinden dat ze het Nederlands goed tot uitstekend beheersen.
Met iets minder dan de helft inwoners uit eentalig Nederlandstalige gezinnen en 20% uit eentalig Franstalige gezinnen behoort zo’n twee derde van de inwoners van de randgemeenten tot de tweedeling die het politieke discours domineert. Zo’n 10% sprak thuis beide talen, een groeiende groep die veelal buiten het communautaire vizier wordt gehouden. De groep inwoners die van huis uit noch Nederlands noch Frans sprak komt met 15% op de derde plaats. Van diegenen die van huis uit geen Nederlands spreken, is de kennis van het Nederlands al bij al beperkt.

De beperkte kennis van het Nederlands impliceert niet automatisch dat men de taal niet zou spreken. Men hoeft een taal niet uitstekend te beheersen om ze ook effectief te gebruiken. Hoe formeler de situatie, hoe meer men in de publieke ruimte Nederlands gaat spreken. Van diegenen die het Nederlands niet van thuis uit mee kregen, wordt met de buren - en zeker in de winkel - de taal wel degelijk gesproken. De scores inzake taalgebruik Nederlands liggen significant hoger dan deze van de taalkennis gedefinieerd als het ‘goed tot uitstekend’ spreken van het Nederlands (Janssens, 2014). Het taalbeleid mikt op het verder ondersteunen van deze houding.

Het is de taalwetgeving, in casu het verplichte taalgebruik in bestuurszaken, die de limieten van het taalgebruik stelt. Zo’n 8% van de inwoners in de niet-faciliteitengemeenten spreekt nooit Nederlands in hun mondelinge contacten met de gemeentelijke overheid, al dient in principe alle communicatie in het Nederlands te verlopen. Van de Franstaligen, of diegenen die het Frans thuis met een andere taal dan het Nederlands combineerden, spreekt zo’n 10% geregeld Frans of Engels met de lokale ambtenaar, van de anderstaligen is dat ongeveer een derde. Dit is het terrein waar die overheid effectief kan optreden en waar de taalwetgeving wordt overtreden (Janssens, 2014).

EEN BELEID VOOR ELK WAT WILS

De maatregelen die binnen het taalbeleid in de Vlaamse Rand worden genomen, zijn heel divers, zowel inhoudelijk als qua initiatiefnemers. Tevens ontbreekt een duidelijke evaluatie, temeer daar de bedoeling ervan ook niet altijd eenduidig is. Daarom peilde het taalbarometer­onderzoek naar de appreciatie van de ondervraagden van een aantal maatregelen die ofwel reeds werden toegepast ofwel onderwerp zijn van politieke discussies. Een factoranalyse legt drie duidelijke dimensies binnen dat taalbeleid bloot (Janssens, 2014).

Een eerste dimensie kunnen we onder het label ‘Vlaams karakter’ samenvatten. Deze maatregelen beklemtonen het Nederlands als enige officiële en officieuze taal. Onder deze noemer kwamen in het onderzoek volgende maatregelen, in volgorde van appreciatie, naar voor: het feit dat men de wil moet tonen Nederlands te leren als men een sociale woning koopt of huurt, dat opschriften in winkels enkel in het Nederlands zouden mogen zijn, dat het Frans geen officiële taal mag worden in de Vlaamse Rand, dat men taallessen Nederlands zou moeten verplichten aan anderstaligen en dat kinderen die geen voldoende Nederlands kennen van de speelpleinen geweerd zouden moeten worden. Ook waar de wetgeving het taalgebruik vrij laat, wordt hier de keuze van het Nederlands moreel opgelegd of wordt de noodzaak aan communicatie in het Nederlands uit veiligheidsoverwegingen als argument gebruikt. Deze maatregelen hebben vooral de steun van diegenen die van huis uit Nederlandstalig zijn, anderen staan hier significant negatiever tegenover. Deze maatregelen hebben een relatief beperkte impact op het taalgebruik zelf. Niet-Nederlandstaligen gaan hierdoor niet meer Nederlands gebruiken dan nu het geval is. Ze zijn dan ook vooral bedoeld voor de Nederlandstalige inwoners zelf, als bevestiging van de linguïstische identiteit van de regio en van het onderschrijven ervan door het beleid, hetgeen dan al dan niet electoraal verzilverd kan worden. In deze valt de rol van de media moeilijk te onderschatten. Waar maatregelen die het gebruik van het Nederlands moeten ondersteunen relatief weinig nieuwswaarde hebben, hebben deze maatregelen dit wel. Ze voeden op die manier de polarisatie die het politieke discours beheerst.

Een tweede dimensie ‘Taalstimulering’ omvat maatregelen die het gebruik van het Nederlands ondersteunen en de mogelijkheid bieden aan niet-Nederlandstaligen om de taal te oefenen. Deze maatregelen trachten een brug te slaan tussen het gebruik van het Nederlands en de beperkte kennis van de taal bij een grote groep inwoners. In dit rijtje kwamen volgende maatregelen uit het onderzoek naar voor: winkels en sportclubs bieden een ideale omgeving om het taalgebruik te oefenen, bedrijven kunnen een stimulerende rol spelen in het gebruik van het Nederlands, bij officiële communicatie zou een zakwoordenboekje met gerichte vertalingen kunnen helpen zodat een anderstalige zich in het gemeentehuis toch in het Nederlands kan behelpen, en in een gesprek met anderstaligen zouden Nederlandstaligen hun taalgebruik in die mate moeten aanpassen dat ze eenvoudig maar correct Nederlands gebruiken dat ook voor niet-Nederlandstaligen verstaanbaar is. In deze maatregelen kunnen, naast Nederlandstaligen, ook anderstaligen zich wel vinden. Enkel bij Franstaligen kunnen ze op relatief minder steun rekenen.

Een derde type maatregelen ten slotte staat eerder neutraal tegenover de traditionele tegenstelling tussen Nederlands en Frans en vallen onder de noemer ‘Integratiehulp’. Het zijn bijvoorbeeld maatregelen van de overheid die anderstaligen bij het Nederlandstalige verenigingsleven trachten te betrekken, en het toelaten van het gebruik van het Engels in officiële communicatie. Deze initiatieven worden vooral door anderstaligen, jongeren en hoger opgeleiden ondersteund. Ook hier zijn het vooral Franstaligen die hier weinig goedkeuring aan geven.

WELK TAALBELEID VOOR DE VLAAMSE RAND?

Bovenstaande maatregelen zijn erg divers. Het beleid wordt in algemene termen omschreven zodat het de nodige ruimte laat om op individuele situaties in te spelen, maar dit komt de coherentie ervan niet altijd ten goede. Het beleid moet een evenwicht vinden tussen het emotionele aspect van het taalgebruik, gericht op de inwoners die in de streek geboren en getogen zijn, en het instrumentele karakter van het taalgebruik door de nieuwkomers. Migratie en verhuisbewegingen hebben immers zowel een impact op diegenen die de transitie maken als op diegenen die reeds in de regio wonen. De diversiteit in de rand is een exponent van een verhoogde mobiliteit van de bevolking. Traditionele arbeidsmigranten, zoals we die kennen van de periode na de Tweede Wereldoorlog, waren mensen op zoek naar een nieuw leven in onze contreien en ze bleven hier meestal ook wonen. Vandaag komen steeds meer migranten tijdelijk, gedurende een bepaalde fase van hun leven, in een land wonen om hierna opnieuw te verhuizen. Deze mobiliteit, van Erasmusstudent en ‘expats’ tot de spreekwoordelijke Poolse loodgieter, wordt zelfs door de Europese wetgeving gestimuleerd. Voor deze nieuwkomers is het echter niet steeds noodzakelijk de lokale taal te leren: het internet en sociale netwerksites bieden genoeg mogelijkheden inzake informatie en netwerkvorming in de eigen taal, en in andere contacten zijn er nog het Engels en het Frans waarin men zich kan behelpen. Het nut om de lokale taal te leren is voor sommigen dan ook beperkt. Dit zou het uitgangspunt van het beleid moeten zijn, alhoewel het nog vaak uitgaat van het oude concept van migratie met een permanent karakter.

De taalwetgeving veranderen is niet aan de orde. Morrelen aan de taalwetgeving betekent dat het systeem van evenwichten van lokaal tot nationaal niveau op de helling komt te staan. Tegelijk biedt de taalwetgeving de nodige erkenning en houvast aan de oorspronkelijke bewoners. De domeinen waarin men een taalbeleid kan uittekenen, zijn beperkt. Taalmaatregelen die kaderen in het beleid dat we hier onder de dimensie ‘Vlaams karakter’ onderbrengen, bestendigen de kloof met de nieuwe inwoners en trachten ook binnen de domeinen waar taalvrijheid heerst het gebruik van het Nederlands te verplichten. Op deze manier wordt een grijze zone gecreëerd waarbij het gebruik van het Nederlands als verplichting naar voor wordt geschoven op terreinen waar taalvrijheid heerst. Dit biedt meestal munitie aan de traditionele communautaire tweedeling maar lost het probleem van samenleven in diversiteit niet op. Morele verplichtingen opleggen waar dit wettelijk niet kan, is geen vorm van goed bestuur. Maar hoe zit het dan met het integratiebeleid waarvan taalcursussen een onderdeel zijn en die wel een verplichtend karakter hebben? In eerste instantie dienen we deze verplichting te nuanceren. Europese rechtspraak maakt het, in de context van het recht van vrij verkeer en verblijf van EU-onderdanen, onmogelijk om inwoners met een EU-nationaliteit aan een dergelijke verplichting te onderwerpen. In de Vlaamse Rand komt slechts 25% van de niet-Belgen uit een land van buiten de EU, en is de impact van het integratiebeleid sowieso beperkt. Dit betekent echter niet dat anderstaligen geen inspanning leveren om Nederlands te leren. Niet alleen de wachtlijsten van de cursussen Nederlands spreken voor zich. Ruim 40% van diegenen die thuis een andere taal spraken dan Nederlands of Frans volgde een of andere vorm van taallessen Nederlands. Van de Franstaligen, van wie toch een groot deel via het leerplichtonderwijs lessen Nederlands heeft gehad, volgde ruim een derde nog een bijkomende cursus. Zo’n 80% van hen deed dit vrijwillig. De beste motivatie lijkt van economische aard. Bijna 30% van wie via het werk een cursus volgde beweert nu goed tot uitstekend Nederlands te spreken. Van de personen die door de overheid werden verplicht om taallessen Nederlands te volgen spreekt nog geen 10% goed tot uitstekend Nederlands (Janssens, 2014). We kunnen de cijfers op zich niet veralgemenen voor alle cursisten, maar de tendens is wel duidelijk.

Het komt er op aan een goede mix van maatregelen te vinden waarin zowel de oorspronkelijke inwoners als de nieuwkomers zichzelf kunnen vinden en waarbij ook effectief de brug tussen beide geslagen wordt. Een morele verplichting kan men enkel opleggen als anderstaligen het nodige respect kunnen opbrengen voor deze regel, en dit respect kan men niet afdwingen maar moet men opbouwen via taalondersteunende maatregelen die een gradueel gebruik van het Nederlands toelaten. In realiteit betekent dit dat men naast het Nederlands ook andere talen zal gebruiken. Taalkennis is een noodzakelijke maar onvoldoende voorwaarde, het is essentieel dat deze kennis ook effectief kan worden toegepast in de publieke ruimte in de dagelijkse leefomgeving, hetgeen impliceert dat alle inwoners hier op een open manier mee omgaan. In deze context passen de breed gedragen maatregelen die onder de noemer ‘Taalstimulering’ werden samengevat. Men kan echter niet verwachten dat anderstaligen ook thuis naar het Nederlands zullen overschakelen.

Tot op vandaag blijft de symboliek van de rand als een inclusieve homogene eentalige leefgemeenschap een rol spelen in het politieke discours. Dit staat tegenover een jong creatief multicultureel en meertalig Brussel, een kleine wereldstad in een globaliserende context. Deze, wat clichématige, conceptie van stad en rand, bevat de elementen die de discussie rond het beleid in het algemeen en het taalbeleid in het bijzonder voeden. Deze tweedeling is moeilijk houdbaar. Meertaligheid is geen politieke keuze maar een gegeven. Voor een groeiende groep van inwoners is taal niet langer een decisief criterium in hun politieke keuze (Janssens, 2014) maar wel hun visie op de relatie tussen stad en rand. Een illustratie hiervan is het feit dat in Brussel een grote groep mensen zich als Nederlandstalige zien, en zich hierbij nadrukkelijk afzetten tegen het etiket ‘Vlaming’ dat men met een anti-stedelijke manier van denken associeert (Janssens, 2013). Ook de visie op de Vlaams-Brusselse media weerspiegelt de tweedeling tussen een grootstedelijke en een randstedelijke visie (Janssens e.a., 2011).

De afbakening van de Vlaamse Rand als prioritair gebied inzake taalbeleid was een historisch logische beslissing en creëerde een laboratoriumsituatie inzake het omgaan met taalbeleid. Dit laboratorium leert ons dat het beleid niet langer moet steunen op de tweedeling Nederlandstaligen versus Franstaligen, maar dat de basisvraag voor het beleid luidt: Wat is de beste manier om de eigen taal en cultuur in een multiculturele en meertalige context aan bod te laten komen? Taalbeleid dient te vertrekken van de ondersteuning van het instrumentele karakter van het Nederlands als brugfunctie in een meertalige samenleving. Het opleggen ervan met emotionele argumenten heeft het omgekeerde effect. Dit is niet alleen een centraal element in het randbeleid maar een essentieel onderdeel van een goed beleid in een samenleving gekenmerkt door diversiteit, en als dusdanig niet beperkt tot de Vlaamse Rand. Tegelijk moet men zich evenzeer rekenschap geven van de sociale aspecten die achter het taalbeleid schuilgaan. Anderstaligen die Engels of Frans of Arabisch spreken worden meestal niet over dezelfde kam geschoren. Taalverschillen versterken de sociale verschillen die in de rand altijd al een belangrijke rol gespeeld hebben. Een inclusief beleid voor de Vlaamse Rand is veel meer dan een taalbeleid.

Rudi Janssens
Professor faculteit Letteren en Wijsbegeerte, VUB en Senior Researcher bij BRIO, Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum

Referenties
- De Witte, L. (2014). Vlaams-Brabant en Brussel. Autonomie versus samenwerking. Toespraak voor de provincieraad van Vlaams-Brabant door de provinciegouverneur, 7 oktober 2014.
- Janssens, R, Ressman Nick, Segers Katia & Vaesen Joost (2011). Strategisch publieksonderzoek van de impact van de Vlaams-Brusselse mediapartners. Brussel: onderzoeksrapport BRIO & CEMESO.
- Janssens, R. (2013). Meertaligheid als cement van de stedelijke samenleving. Een analyse van de Brusselse taalsituatie op basis van taalbarometer 3. Brussel: VUBPRESS.
- Janssens, R. (2014). Talen in de rand: een analyse van de taalsituatie in de rand rond Brussel op basis van de BRIO-taalbarometer. Brussel: VUBPRESS.
- Pelfrene, E. (2012). Migratiebewegingen. In Studiedienst van de Vlaamse Regering, Het internationale karakter van de Vlaamse Rand. Vergelijking met het Brussels Hoofdstedelijke Gewest en het ruime ommeland. Brussel: SVR, pp. 5-20.
- Willaert, D. (2010): De recente internationalisering van het Brussels gewest en de Vlaamse Rand, Interface Demography Working Paper 2010-2, Vakgroep SOCO, VU Brussel.

Vlaamse rand - taal - taalwetgeving

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 11 tot 17