Log in

De levensvatbaarheid van het kiesrecht voor minderjarigen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 48 tot 57

Begin mei 2015 maakte Open VLD bekend dat de liberale fractie een wetgevend initiatief op stapel had staan om de kiesleeftijd te verlagen tot zestien jaar. Kiesrecht voor minderjarigen dus. Omdat het voorstel geen onderdeel uitmaakt van het Regeerakkoord-Michel I wordt voor de nodige steun ook over de coalitiemuren gekeken. Groen liet al weten het initiatief te zullen steunen. Bij de andere Vlaamse partijen is er geen tot weinig enthousiasme. Gaat het om partijpolitieke profilering of is er meer aan de hand? En zo ja, op welke uitdaging wil deze kieswethervorming een antwoord bieden? Hoe levensvatbaar is een uitbreiding van het kiesrecht naar minderjarigen te midden de jungle van heel verscheiden plannen om de kieswet te hervormen?

WELKE THEMATIEKEN EN VOORSTELLEN LOPEN DOOR ELKAAR?

Vlaanderen is enkel bevoegd voor de verkiezingsregels op lokaal/provinciaal niveau en moet hierbij rekening houden met de algemeen geldende bepalingen van het Algemeen Kieswetboek en de Grondwet. Die worden op federaal/nationaal niveau beslist. Het gaat dan bijvoorbeeld over de afschaffing van de opkomstplicht, de aanpassing van de kiesleeftijd, de aanpassing van de wettelijke kiesdrempels, of de regels die het actief en passief kiesrecht bepalen, etc… voor de regionale en federale verkiezingen. Omdat het Vlaams Parlement in de schaduw werkt van wat op federaal niveau voor deze wetgevende verkiezingsmateries wordt beslist of voorgesteld, is er op die aspecten dus geen wetgevend initiatief bij de Vlaamse parlementsleden of ministers.
In het federaal parlement valt er m.b.t. de kieswethervorming veel meer activiteit te noteren. (cfr. tijdsbalk)

*Figuur 1: Tijdslijn van de voorbije twintig jaar. *

Legende: vet = voorstellen tot invoering van het veralgemeend kiesrecht voor alle burgers, ongeacht hun leeftijd (art. 77 AKWB en aanpassing art. 66 GW) (lees: familiestemrecht); cursief = voorstellen tot afschaffing van de stemplicht, incl. de sanctionering van het niet naleven van de stemplicht (artikel 62, derde lid en artikel 68, § 2van de Grondwet + art. 74 AKWB + opschorting Titel VI, incl. artikelen 207 tot en met 210); onderstreept = voorstellen tot de verlaging van de kiesleeftijd (naar 16 jaar) (art. 78 AKWB, art. 77 GW).

Als het gaat om het uitbreiden van het kiesrecht (voor Belgen) worden inzonderheid drie thema’s om de zoveel legislaturen (terug) op tafel gelegd:

  1. Het veralgemeend kiesrecht voor alle burgers, ongeacht hun leeftijd.
  2. De verlaging van de kiesleeftijd (naar 16 jaar).
  3. De discussie m.b.t. stemplicht versus stemrecht.

Een vreemde eend in de bijt is het veralgemeend kiesrecht, het stemrecht voor alle burgers dus. Omdat dit ook stemrecht verleent aan minderjarige kinderen, maar kinderen wettelijk niet aan de opkomstplicht gehouden kunnen worden, zou het uitgevoerd worden door de ouders of voogden. Vandaar de benaming familie- of gezinshoofdenstemrecht. Enkel Vlaams Blok/Belang-parlementairen lanceerden in het verleden concrete wetsvoorstellen in die richting. Als dat systeem ingepast wordt in het bestaande Belgische kiessysteem dan houdt dat in dat een ouder (het gezinshoofd of de voogd) zich aanbiedt aan het kiesbureau (want er geldt opkomstplicht) en daar dan zoveel stembiljetten (of in geval van elektronisch stemmen leeskaarten) ontvangt als die kinderen heeft, plus één voor zichzelf. Maar in dat systeem van ‘meervoudige stemmen’ oefent de minderjarige dus niet zelf het kiesrecht uit, met als gevolg dat het aantal beschikbare stemmen toeneemt maar niet het aantal kiezers. De vraag is of dit verkiezingen meer of net minder democratisch maakt?

Om de effecten van een meervoudig stemrecht goed te begrijpen volstaat het om de blik terug in de tijd te werpen. Na lang aarzelen en met het vooruitzicht van het uitbreken van de nog moeilijk intoombare arbeidersopstanden werd in de jaren 1892-93 door de heersende katholieken ingestemd met de eis tot veralgemening van het kiesrecht voor alle meerderjarige mannen (toen 25 jaar voor de Kamer en 30 jaar voor de Senaat). Dat gebeurde echter niet zonder de toen heersende elite te bedanken met een even groot voordeel. Vermogende, hoogopgeleide en ondernemende burgers en notabelen kregen naast de basisstem (waarop alle meerderjarige mannen recht hadden gekregen) immers een extra stem als zij een eigendom bezaten van minstens 2000 frank of als ze een jaarrente opstreken van minstens 100 frank. Ook gezinshoofden van 35 jaar of ouder kregen zo een extra stem. Op die manier waren er dus kiezers met één stem, met twee stemmen en met drie stemmen. Er werd tegemoetgekomen aan de wensen van de Belgische werklieden, maar niet alle Belgen waren even gelijk voor de wet.

Om ervoor te zorgen dat die forse kieswetswijzigingen - annex Grondwetsherziening - geen slag in het electorale water werd, werd met het algemeen meervoudig stemrecht tevens ‘de stemplicht’ ingevoerd. Die stemplicht zou het democratisch gehalte van verkiezingen en de legitimiteit van het verkozen parlement meteen maximaliseren… en ze zou meteen ook de positie van de katholieke partij verstevigen. De kieswethervorming van 1893 diende vooral als een ‘bewarende’ maatregel, namelijk om de bezittende, conservatieve en revolutieschuwe klassen van notabelen, ondernemers en hoogopgeleiden in de zich snel industrialiserende maatschappij meer zeggingsmacht te geven. De katholieke partij behaalde in de daaropvolgende verkiezingen, waarbij om de twee jaar halve parlementen herverkozen, de ene absolute meerderheid na de andere. Tot op het punt dat ze zelf het ondemocratische karakter van het kiesstelsel - een combinatie van een tweerondenmeerderheidssysteem, de stemplicht en het meervoudig stemrecht in een vrij compacte driepartijsysteem - inzag. In het licht van nieuwe sociale spanningen vervingen de katholieken het oude kiesstelsel door een kiessysteem waarbij de zetels in elke kieskring op een meer proportionele wijze werden verdeeld (nl. het zetelverdelingssysteem-D’Hondt). Dat systeem is vandaag nog steeds in voege voor alle wetgevende verkiezingen in België. In Vlaanderen wordt het op bovenlokaal niveau toegepast in elke provinciale kieskring. De stemplicht bij verkiezingen geldt voor Belgen ook vandaag nog steeds op alle verkiezingsniveaus.

Ook het familiestemrecht geeft aan een bepaalde groep kiezers één of meerdere extra stemmen. Het feit dat er een proportioneel systeem van kracht is, betekent niet dat een kiessysteem waarbij gezinshoofden extra stemmen kunnen uitbrengen per definitie (meer) democratisch is.

OP WELKE UITDAGINGEN GEEFT EEN UITBREIDING VAN HET KIESRECHT EEN ANTWOORD?

Kinderstemrecht en familiestemrecht zijn twee alternatieven die zich in de marge afspelen van een veel breder debat, namelijk dat over de uitbreiding van het kiesrecht naar minderjarigen. In dat debat staat de leeftijd vanaf dewelke kinderen/jongeren een zekere democratische zelfbeschikking kunnen uitoefenen centraal. De vraag wat de ideale leeftijd is om aan de democratische kiesrecht een passende invulling te kunnen geven, is niet eenduidig beantwoordbaar. Daarvoor zijn de individuele verschillen in ontwikkeling tussen 14- tot 17-jarigen te groot. Bovendien, het verkrijgen van stemrecht (als minderjarige) betekent niet dat je dat stemrecht meteen ook kan valoriseren. Dat kan pas op het moment dat er effectief verkiezingen plaatsvinden. Afhankelijk van het tijdstip waarop dat gebeurt kan de eerste generatie nieuwe kiezers al gemakkelijk een aantal jaren ouder en dus meerderjarig zijn. Maar die overweging mag vanzelfsprekend geen bezwaar zijn om over de positieve effecten van de kiesrechtuitbreiding na te denken.

Welke elementen spelen in die discussie? Allereerst het versterken van de democratie en de legitimiteit van de democratische instellingen door de toegang tot het politieke speelterrein zo groot mogelijk te houden en zoveel mogelijk spelers op dat speelterrein te vertegenwoordigen. Een ander element is dat sommigen het gevoel hebben dat er een gezond tegengewicht gevormd moet worden tegen de veralgemeende ‘vergrijzing’ van onze maatschappij, incl. van de agendasetting en de politieke besluitvorming.

Wat het eerste element betreft, is het niet slecht om de doelgroep zelf te beluisteren. Volgens een online bevraging uitgevoerd door Karrewiet bij de leden van haar doelgroep is zes op tien kinderen ervan overtuigd dat het een goede zaak zou zijn als hun ouders dus ook in hun naam een stem kon uitbrengen. Al hebben sommige bezoekers van de site dat helemaal niet zo begrepen want ze schrijven o.a. over ‘zelf gaan stemmen’, ‘zelf deelnemen of niet’, enzovoort. Op lagere leeftijd mag zulks niet verbazen maar ook adolescenten zien zelf gaan stemmen niet echt zitten en liggen er dus ook niet van wakker. Die verbreding van de toegang tot het politieke speelterrein is dus hoogst onzeker. Dat jongeren geen vragende partij zijn om te mogen stemmen, ook adolescenten niet, blijkt trouwens ook uit recente onderzoeken die aan de UGent werden gevoerd.

Niet enkel in hoofde van de kinderen bestaat verwarring over wat precies de invulling van een veralgemeend kiesrecht kan zijn. In een toelichting van zijn recentste boek Het kind van onze dromen (2014) stelt Vlaams Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen dat anders dan actuele voorstellen waarin bijvoorbeeld gepleit wordt voor een stemrecht vanaf 16 jaar, de samenleving naar mogelijkheden moet zoeken om de politieke participatie van alle kinderen te versterken. ‘Dieperliggend behelst dit de vraag naar representatie in onze democratie en hoe we ‘het verschil’ hierbinnen een plek kunnen geven.’ Dat staat ver af van het familiestemrecht zoals het hiervoor werd voorgesteld.

Maar Vanobbergen pleit dus (ook) niet voor een vorm van kinderstemrecht noch voor het stemrecht voor minderjarigen. Dat valt immers niet te rijmen met de Grondwettelijk voorgeschreven stemplicht. Want minderjarigen kunnen nu eenmaal niet juridisch vervolgd worden, ook niet als het misdrijf zich beperkt tot het verzaken aan de kiesplicht. In elk systeem waar minderjarigen kunnen deelnemen aan verkiezingen draait de discussie bijgevolg om het verlenen van stem’recht’. De opkomstplicht handhaven en een stem geven aan minderjarigen kan alleen in een systeem van familiestemrecht.

IS DE UITBREIDING VAN HET KIESRECHT (VOOR MINDERJARIGEN) EEN GOED IDEE?

Er zijn verschillende argumenten denkbaar om de voorstellen te steunen om de kiesleeftijd te verlagen en specifiek naar ‘zestien’ jaar te brengen. Zestienjarigen mogen nu reeds heel veel: het label KNT in de bioscoop is niet van toepassing, zestienjarigen mogen een eigen bankrekening beheren, ze kunnen aankopen doen en inkomsten verwerven, ze mogen met een brommer rijden, ze mogen roken en alcohol drinken, ze mogen mits onderlinge toestemming zelfs met elkaar naar bed gaan, én - niet onbelangrijk - ze mogen van de meeste Vlaamse politieke partijen zelfs volwaardig lid worden (en dus ook meebeslissen, bijvoorbeeld een stem uitbrengen op ledencongressen, de partijvoorzitter mee verkiezen, enzovoort). Uit al deze zaken blijkt dat zestien- en zeventienjarigen door de maatschappij aangezien worden als volwaardige burgers. Enkel de meerderjarigheid verhindert hen dat ze aan verkiezingen kunnen deelnemen. Vooral de liberale en groene fracties zien voldoende redenen om jongeren ook te laten deelnemen aan verkiezingen (cfr. tijdslijn Figuur 1).

Steeds vaker gaan stemmen op om jongeren politiek (meer) te betrekken, hun participatie te concretiseren op basis van een verlaging van het kiesrecht (in eerste instantie voor de lokale verkiezingen). Uit een (kwalitatief) onderzoek gevoerd naar de stemintenties van zestien- en zeventienjarigen (Hurtekant, 2013) blijkt om het zacht uit te drukken dat deze groep jongeren vrij onverschillig staan ten aanzien van de thematiek. Een meerderheid van de deelnemers aan het onderzoek is het idee van een kiesleeftijdsverlaging genegen maar acht zichzelf niet rijp genoeg om aan verkiezingen deel te nemen. Volgens de onderzoekster zal ‘stemrecht op zestien’ niet tot meer politieke betrokkenheid aanzetten. Het gebrek aan intrinsieke motivatie en de lage politieke interesse heeft er toe geleid dat er geen concrete initiatieven voor de invoering van het stemrecht voor alle zestien- en zeventienjarigen vanuit de jongeren zelf vertrekken. Zonder bijkomende politieke vorming zal er geen tot weinig enthousiasme voor de kiesleeftijdsverlaging zijn. Daar zijn jongeren alvast wel vragende partij voor.

Sommige Vlaamse partijen hebben die boodschap goed verstaan. Volgens Groen moeten jongeren zelf zoveel mogelijk betrokken worden bij de politiek en het beleid. In het onderwijs moet een vak rond burgerschap komen om jongeren een betere politieke vorming te geven (cfr. Groen-programma). Ook uit het sp.a-programma blijkt dat jongeren een stem gegeven moet worden, maar verder is niet duidelijk hoe dat moet gebeuren. Omschrijvingen blijven heel wollig en concrete voorstellen voor hervormingen zijn er niet. Voor Open VLD is het verlenen van stemrecht aan zestien- en zeventienjarigen daarentegen vooral een sterk signaal van ‘vertrouwen’ in de vrijheid en de verantwoordelijkheid van mondige burgers. Open VLD koppelt dat stemrecht heel duidelijk aan de afschaffing van de opkomstplicht. Aan de vooravond van dezelfde verkiezingen van mei 2014 steunde ook de Piratenpartij de verlaging van de kiesleeftijd naar 16 jaar en de vervanging van de stemplicht door stemrecht. Ook stelde de Piratenpartij een hele resem begeleidende hervormingen voor die betrekking hebben op het versterken van de nieuwe politieke cultuur.1 CD&V en Vlaams Belang besteedden in het verkiezingsprogramma aan dit thema geen aandacht. Ook al was Vlaams Blok/Belang gedurende decennia gewonnen voor een invoering van het familiestemrecht, vandaag is dat niet langer het officiële partijstandpunt. Beide partijen zijn voor een status quo.

N-VA staat voor de afschaffing van de opkomstplicht (‘stemplicht’). Volgens de partij ‘dwingt’ stemrecht in plaats van stemplicht politici om op een andere manier aan politiek te doen. De zekerheid dat iedereen moet gaan stemmen, doet politici te veel op hun lauweren rusten.’ Een inspanning die politici en partijen zich blijkbaar niet spontaan getroosten. Bovendien, zo luidt de redenering, ‘in landen zonder stemplicht geven opkomstcijfers een belangrijke indicatie over de gezondheid van het politieke klimaat.’ De realiteit is echter dat in landen zonder opkomstplicht de deelname aan verkiezingen fors daalt, zelfs soms zo fors dat terecht vragen gesteld kunnen worden bij de geldigheid van de verkiezingen en de legitimiteit van de verkiezingsuitslag. Of stemrecht verkiezingen democratischer maakt, is om veel redenen voor discussie vatbaar. Stemrecht maakt deelname aan verkiezingen wel een pak ‘vrijer’, zij het niet in de geest van de free en fairness-regels. Die principes slaan allerminst op de keuzevrijheid om te gaan stemmen, neen, ze slaan op de keuzevrijheid tussen partijen die voldoende groot moet zijn. Zonder een gezonde competitie tussen duidelijk van elkaar te onderscheiden keuzes zijn verkiezingen immers vooral een lege doos.

Niet in het minst omwille van het vrijheidsstreven en de individuele zelfbeschikking werd de afschaffing van de stemplicht in het verleden vooral door de (Vlaamse) liberalen voorgesteld. Het pleidooi voor de verlaging van de kiesleeftijd, dat de liberalen ook genegen zijn, is dan meteen een hefboom of een breekijzer in de discussie om komaf te maken met de geldende opkomstplicht. In het verkiezingsprogramma van 2014 luidde het klaar en duidelijk: ‘De opkomstplicht schaffen we af. In plaats daarvan komt het recht om te stemmen, vanaf 16 jaar.’

Welke (drog)redenen worden ingeroepen om de opkomstplicht bij de federale verkiezingen te vervangen door stemrecht en de sancties op het niet naleven van de opkomstplicht te schrappen uit het kieswetboek? Volgens de Vlaamse liberalen zou een veralgemeend kiesrecht ‘een antwoord bieden op de verziekte toestand waarin het Belgisch politiek bestel verkeert.’ De redenering is dat die toestand mee veroorzaakt is door het kiessysteem dat burgers tegen hun zin verplicht om te gaan stemmen. Op die manier stemmen te veel (niet of slecht geïnformeerde) kiezers waardoor onnodig veel partijen worden gelegitimeerd. Dat maakt de politieke bedrijfsvoering onnodig complex en soms onmogelijk, waardoor het wantrouwen in het politiek systeem en de democratie dan weer verdwijnt. ‘De vertrouwenscrisis van de Belgische instellingen verantwoordt een grondige kieshervorming. Met andere woorden, stemrecht biedt burgers die te zeer worstelen met die vertrouwensbreuk de mogelijkheid om niet te gaan stemmen. Enkel op die manier kan het vertrouwen in de instellingen van ons land herstellen. Niet gaan stemmen, is immers ook een keuze.’

Ten tweede, zo luidt het, kiessystemen die de burgers de vrijheid laten om al dan niet te gaan stemmen, verplichten de politieke partijen om veel meer moeite te doen om de kiezers te overtuigen. Mocht dat zo zijn, dan zou dat de legitimiteit van de vertegenwoordigende wetgevende vergaderingen zeker ten goede komen. Maar dat de vervanging van stemplicht door stemrecht een positief effect heeft op de versplintering van het partijsysteem, is allerminst aangetoond. Wel integendeel. Nederland, dat de stemplicht in 1971 afvoerde, heeft een forse daling van de verkiezingsdeelname doorgemaakt, naast een enorme afname van het vertrouwen in de politiek (en de politieke partijen) en een enorme daling van de partijledenaantallen. Nederland heeft vandaag een van de meest versplinterde partijsystemen in Europa, zelfs ter wereld. De veronderstelde effecten kunnen zich enkel voordoen als er wordt van uit gegaan dat sommige partijen wel en andere niet meer hun best gaan doen om de kiesgerechtigde burgers te overtuigen om te stemmen. Enkel dan zou dit kunnen leiden tot minder partijen en een nauwere band tussen kiezer en partij. Als alle partijen meer hun best moeten doen om de kiezer te overtuigen (er zijn geen redenen om aan te nemen dat dit niet zo zou zijn), dan vervalt die logica. Maar er zijn elementen om aan te nemen dat het zo’n vaart niet zal lopen. Nu reeds wordt de verantwoordelijkheid van de politieke vorming bij de scholen gelegd. Nog geen enkele partij heeft een concreet actieplan op tafel gelegd waarin ze duidelijk maakt hoe ze de rol van de minderjarige kiezer politiek versterkt, hoe ze de politieke interesse, betrokkenheid en participatie buiten de kans om voor een van de partijen te kiezen, kan ondersteunen.

WAT IS DE IMPACT VAN DE VERLAGING VAN DE KIESLEEFTIJD?

Dat de politieke interesse, betrokkenheid en deelname zoals we die vandaag kennen (een partijdemocratie dus waar enkel de partijtopleden de plak zwaaien) versterkt kan worden door de kiesleeftijd te verlagen is o.i. een moeilijk te onderbouwen uitgangspunt, en vooralsnog ook niet systematisch aangetoond. Ondanks duidelijke adviezen van o.m. de Europese Raad om de kiesleeftijd te verlagen, spreken de vele onderzoeken naar de motieven en de impact van het verlagen van de kiesleeftijd elkaar (soms flagrant) tegen. Omwille van die tegenspraken is er geen sprake van een wetenschappelijk gevalideerde norm om te stellen dat een bepaalde leeftijd de meest ideale zou zijn, noch dat stemrecht (of stemplicht) het democratisch burgerschap versterkt. Bovendien staan de meeste jongeren in Vlaanderen niet te springen voor het kiesrecht. Dat heeft vooral te maken met een vrij grote desinteresse in politiek en (dientengevolge met) het gebrek aan kennis over de politiek in het algemeen (wat hun vertegenwoordigende organisaties hier ook over beweren). Het tegemoet komen aan deze bekommernissen is het belangrijkste argument pro, maar dat wordt o.i. te vaak door bijvoorbeeld de Europese Raad of andere instanties (zoals IDEA) bepleit om de legitimiteit van de door een dalende opkomst geplaagde verkiezingen te verhogen. Bij uitstek is dat het geval voor de zesjaarlijkse Europarlementsverkiezingen waaraan in meerdere EU-landen nog geen 30% van de bevolking deelneemt. In die zin is de uitbreiding van het kiesrecht een smoes - zij het een heel dure - om de totale participatie aan die verkiezingen de hoogte in te proberen krijgen. Ook al is de uitkomst van die oefening bijzonder onzeker.

Studies tonen even vaak als niet aan dat een meerderheid van de jongeren, zelfs mochten ze mogen deelnemen aan verkiezingen, toch aan dat kiesrecht zouden verzaken (bij afwezigheid van stemplicht is dat trouwens helemaal niet zo abnormaal en jongeren zijn er duidelijk van overtuigd dat wie er te weinig van kent, gewoon niet zou mogen gaan stemmen - cfr. Hurtekant, 2013). Uit de meest recente (kwantitatieve) studie naar de relatie tussen het verlenen van stemrecht aan 16- en 17-jarigen en politieke interesse bij een 400-tal Vlaamse adolescenten (Van Quakebeke, 2015) blijkt dat politiek voor heel veel jongeren een ver-van-hun-bed-show is: 48,6% van de deelnemers stelde niet geïnteresseerd te zijn in politiek, nog geen 5% stelde sterk geïnteresseerd te zijn.

Uit die studie blijkt dat in het algemeen de politieke interesse wel degelijk stijgt bij het verkrijgen van stemrecht maar dat er belangrijke nuances te maken zijn. Zo neemt de interesse vooral toe bij de reeds geïnteresseerde 16- en 17-jarige; bij de beneden gemiddelde geïnteresseerde neemt de politieke interesse relatief gezien het minst toe en zelfs het meest af. Voor de categorie van niet tot weinig politiek geïnteresseerden blijkt het verlenen van stemrecht dus een veel kleiner verschil te maken dan bij de reeds politiek geïnteresseerden. Voor de onderzochte doelgroep lijkt het verkrijgen van stemrecht dus al bij al samen te hangen met een stijgende interesse in politiek (cfr. Figuur 2). Vooral de politieke interesse van leerlingen uit het aso - die sowieso al een hogere politieke interesse hebben - stijgt.

Figuur 2: Staafdiagram voor de samenhang tussen politieke interesse zonder stemrecht en politieke interesse met stemrecht.

Commentaar: n=376, Chi²=15,797, df=4, p=.003

Deze conclusies liggen in de lijn van andere onderzoeken die getuigen van het systematisch lage vertrouwen in de politiek, de politieke instellingen, de partijen en de individuele politici. Dat vertrouwen is het hoogst bij de hooggeschoolde en maatschappelijk welgestelde groepen. Ze sluit ook aan bij analyses van de steeds lagere opkomstcijfers (meer thuisblijvers dus), en waar dat niet het geval is de hogere blanco en ongeldige stemmen. Mensen gaan de voorbije twintig jaar in het algemeen minder vaak stemmen, maar zij die niet in de politiek geloven nog net iets minder. Er is geen reden om te denken dat jongeren de algemene trend niet zouden volgen, rekening houdend met hun sociaaleconomische achtergrond of hun opleidingsniveau die voor een stuk hun politieke interesse bepalen. Bovendien lijken jongeren zichzelf een strenge norm op te leggen: uit het onderzoek van Hurtekant (2013) blijkt dat velen van mening zijn dat jongeren die politiek onvoldoende begrijpen, niet zouden mogen stemmen.

Bovendien is uit meerdere studies gebleken dat de impact op de stemuitslag en de zetelverdeling in de meeste landen en ook in Vlaanderen bijzonder klein zou zijn. Dat mag ook niet verbazen als we bedenken dat door een verlaging van de kiesleeftijd naar 16 jaar het totale electoraat aangroeit met… amper twee procent! Veel electorale ambiance mag dus niet verwacht worden van de invoering van een verlaging van de kiesleeftijd. En dus stelt de vraag zich of het sop (een Grondwetsherziening en een aanpassing van een hele batterij kieswetten op regionaal en federaal niveau) de kool (een wel bijzonder beperkt electoraal effect) wel waard is.

CONCLUSIE

Het punt waarop alle partijen anno 2015 inhoudelijk helemaal overlappen, is de handhaving van het one man one vote-principe. Geen van de partijen wil dit vervangen door een vorm van meervoudig stemrecht, zoals een familiestemrecht. Het vooruitzicht dat die groepen electoraal gemarginaliseerd worden, zorgt ervoor dat het veralgemeend stemrecht via familiestemrecht niet op veel steun bij de Vlaamse politieke partijen kan rekenen. Ook het Vlaams Belang houdt niet langer vast aan die eis. Alle Vlaamse partijen zijn vandaag gewonnen voor het gelijkwaardigheidsprincipe. Ze zijn dan ook ingeschakeld in de VN-bepalingen ter zake die stellen dat het kiesrecht moet worden ‘voorbehouden’ aan elke volwassen burger (‘each adult citizen’), meer precies aan ‘elke burger die een bepaalde leeftijd heeft bereikt’. Met andere woorden, om het kiesrecht te kunnen uitoefenen moet een kiezer een bepaalde leeftijd bereiken - de meerderjarigheid. Welke leeftijd is voorwerp van het politiek debat - ook vandaag nog - maar niet dat er een leeftijd bepaald moet zijn en blijven.

Ook al zijn er best heel wat concrete voorstellen in de verkiezingsprogramma’s terug te vinden, de enige concrete hervormingsmaatregel die in het Regeerakkoord-Michel I is opgenomen, is deze die de Belgen in het buitenland toegang moet verschaffen tot de verkiezing van de deelstatelijke parlementen. Van een historische kieswethervorming zoals we die onder Di Rupo I hebben gekend, kan vandaag en in de komende jaren geen sprake zijn. Andere initiatieven zijn sowieso het voorwerp van onderhandelingen binnen of buiten de coalitie.

Wat betreft de centrale vraag of een veralgemeend stemrecht voor alle Belgen mogelijk is, luidt het antwoord dat dit enkel kan mits de afschaffing van de opkomstplicht. Het verlagen van de kiesgerechtigde leeftijd - al dan niet in combinatie met de veralgemening van het stemrecht - kan onmogelijk gezien worden als een betekenisvolle stap richting veralgemeend kiesrecht. Uit recente studies in Vlaanderen blijkt dat we noch de electorale effecten, noch de democratiserende effecten, noch de (cognitief) mobiliserende effecten mogen overschatten. Of de verlaging van de kiesleeftijd, zoals vanuit diverse hoeken aanbevolen (o.m. door de Raad van Europa), werkelijk de democratie kan revitaliseren, kan dus worden betwijfeld. Met wat vandaag op tafel ligt, mogen ook de inspanningen die partijen zullen doen om die nieuwe kiezers (rechtstreeks) aan te spreken, zeker niet te hoog ingeschat worden. De hete aardappel wordt doorgeschoven naar de scholen van het secundair onderwijs.

Tom Schamp
Ghent Association for the Study of Parties And Representation (GASPAR), Universiteit Gent

Noot
1/ De Piratenpartij wil een nieuwe politieke cultuur door o.a. volgende maatregelen: ‘Verwijder de lijst met opvolgers. Iedere lijst is dan eenvoudig leesbaar. Na de verkiezingen worden de kandidaten gerangschikt volgens het aantal individuele stemmen die ze gekregen hebben. Zo worden de meest populaire kandidaten daadwerkelijk verkozen. De eerste in de gerangschikte lijst krijgt de zetel. Als één van de verkozenen ontslag neemt, krijgt de volgende op de gerangschikte lijst die plaats. Ontslag nemen is permanent. Je kan niet minister worden voor een jaar om een andere functie uit te oefenen, en dan terugkeren. Iedere verkozene neemt automatisch ontslag uit de vorige zetel en neemt de nieuw verkozen positie in.’

Geraadpleegde verkiezingsprogramma’s 2014
- CD&V (2014). 3D-plan. Economische groei met sociale vooruitgang. Brussel.
- N-VA (2014). Verandering voor Vooruitgang. Verkiezingsprogramma voor de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen, 25 mei 2014, Brussel.
- Open VLD (2014). Programmacongres. Vlaanderen vleugels geven, Brussel.
- PVDA+ (2014). Onze toekomst is sociaal. Draaiboek voor een sociale samenleving, Antwerpen.
- Sp.a (2014). Sociale welvaart. Verkiezingen 2014, Brussel.

Andere bronnen
- Hurtekant, S. (2013). Stemrecht op zestien: een jonge blik op de versterking van de democratie. Niet gepubliceerde Masterproef, UGent, Vakgroep Politieke wetenschappen.
- Van Quakebeke, F. (2015). Onderzoek naar het effect van het verlagen van de stemgerechtigde leeftijd op de politieke interesse van adolescenten. Niet gepubliceerde Masterproef, UGent, Vakgroep Politieke wetenschappen.

kieswetgeving - stemrecht - minderjarigen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 48 tot 57