Abonneer Log in

Hoe denken Belgen over belastingen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 50 tot 56 en pagina 65 tot 69

Gegevens van het Belgisch Nationaal Verkiezingsonderzoek 2014 tonen aan dat er in de Belgische publieke opinie bijzonder veel steun bestaat voor meer progressiviteit in ons belastingsysteem. Een grote meerderheid van de Belgen vindt dat belastingen voor de laagste inkomens omlaag moeten, terwijl belastingen die bedrijfswinsten, aandelenhandel en grote vermogens treffen best verhoogd kunnen worden. Deze steun voor meer herverdeling vinden we terug aan beide zijden van de taalgrens en in alle lagen van de bevolking, inclusief de hogere inkomens. Er bestaat best een groot draagvlak voor belastingheffing, op voorwaarde dat ze gestoeld is op principes die door de bevolking als rechtvaardig ervaren worden. De huidige taxshift loopt echter niet in de pas met de rechtvaardigheidsprincipes die we in de publieke opinie ontwaren.

Op 10 oktober 2015 knoopte de regering-Michel de losse eindjes van de taxshift aan elkaar. Deze verschuiving van de belastingdruk omvat onder meer een verlaging van de werkgeversbijdragen en 1,7 miljard euro belastingvermindering voor loontrekkenden. Daartegenover staan bijkomende lasten op consumptie, een stijging van de roerende voorheffing en besparingen via zogenaamde efficiëntiewinsten op het overheidsapparaat. Daarnaast omvat de taxshift ook enkele belastingen op kapitaal (de kaaimantaks en de speculatietaks), al is de omvang ervan eerder symbolisch.

De regeringspartijen gaan er prat op dat de taxshift ‘de grootste fiscale hervorming sinds 1963 is’ - dixit Minister van Financiën Van Overtveldt.1 Werkgeversorganisaties benadrukken dat de taxshift mogelijkheden biedt voor economische groei en jobcreatie. Oppositiepartijen ter linkerzijde verwijten de regering dan weer dat de hervorming op de kap van de gezinnen terechtkomt en dat het de grote vermogens en vervuilers buiten schot laat. Bij de vakbonden kon de hervorming evenmin op veel bijval rekenen.

De huidige politieke controverse over belastingen vormen een kernelement in het debat over de toekomst van ons sociaaleconomisch model in tijden van economische crisis en globalisering. Belastingen (in brede zin, inclusief sociale bijdragen) vormen de levensader van de overheid waarmee onder meer publieke dienstverlening en sociaal beleid gefinancierd wordt. De kritiek is echter dat het huidige belastingsysteem de concurrentiepositie van Belgische bedrijven zou aantasten en daarom slecht zou zijn voor de werkgelegenheid. Een politiek gecontesteerd thema als belastinghervorming laat ook de publieke opinie niet onberoerd. Het ontwerp van een belastingsysteem is altijd een bron van tegengestelde belangen en conflicterende opvattingen, die door actoren politiek gemobiliseerd kunnen worden. In die zin is inzicht in de publieke opinie onontbeerlijk.

Deze bijdrage brengt de opvattingen van Belgen over belastingen in kaart. Hiervoor maken we gebruik van gegevens van het Belgisch Nationaal Verkiezingsonderzoek (BNES) 2014. Voor dit survey, georganiseerd door ISPO-KU Leuven, werden tussen oktober 2014 en mei 2015 in totaal 1902 toevallig geselecteerde Belgische kiezers bevraagd door middel van een persoonlijk interview. De responsgraad van deze studie bedraagt 47,5%. De BNES2014-data laat toe om een gedetailleerd beeld te schetsen van hoe Vlamingen en Franstaligen denken over diverse belastingvormen en de principes die aan de grondslag ervan liggen. In deze bijdrage gaan we na in welke mate diverse vormen van belasting op steun van de Belgische kiezer kunnen rekenen. We analyseren eveneens hoe deze tax attitudes samenhangen met politieke voorkeur en een aantal structurele en culturele variabelen. Alvorens resultaten te presenteren, geven we enkele theoretische beschouwingen over taks-opinies mee.

THEORETISCHE BESCHOUWINGEN OVER TAX ATTITUDES

Een legitiem sociaal bestel veronderstelt dat brede lagen van de bevolking de indruk hebben dat de belastingdruk billijk verdeeld is. Dit houdt in dat burgers niet enkel instemmen met de principes van sociale rechtvaardigheid waarop belastinginning gestoeld is (substantiële legitimiteit), maar ook ervaren dat de concrete uitvoering ervan efficiënt, eerlijk en transparant verloopt (procedurele legitimiteit). De perceptie dat een belastingsysteem onrechtvaardig of inefficiënt is, ondergraaft de bereidheid tot het betalen van belastingen en kan op die manier belastingontduiking in de hand werken.

In de internationale literatuur over opvattingen over belastingen staan twee concepten centraal, namelijk taks-aversie en geprefereerde progressiviteit. Enerzijds hebben heel wat academici - voornamelijk vanuit Angelsaksische hoek - aandacht besteed aan publieke weerstand tegen belastingheffing en zogenaamde tax revolts. De theorie van taks-aversie voorspelt dat vooral zichtbare en omvangrijke belastingen met een brede basis tegenstand bij de bevolking zouden oproepen (Blount 2000). Anderzijds zijn er talrijke studies die erkennen dat de publieke opinie niet noodzakelijk tegen belastingen gekant is, zolang de onderliggende herverdelende principes als rechtvaardig ervaren worden. In dit kader hebben meerdere studies bevestigd dat grote groepen burgers een voorkeur hebben voor progressieve belastingsystemen waarin de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen (zie vb. Roosma et al. 2015).

Opvattingen over belastingen zijn echter niet gelijkmatig verdeeld over de bevolking, maar hangen af van een aantal structurele en culturele factoren (voor een overzicht, zie Hennighausen & Heinemann 2014). De rational choice-benadering gaat ervan uit dat individuen rationeel handelende wezens zijn die gedreven worden door eigenbelang. Deze redenering benadrukt dat taks-attitudes gestuurd worden door de financiële belangen van individuen. Vanuit deze optiek zou taks-aversie vooral terug te vinden zijn bij groepen die relatief veel belasting betalen. Ook de grote steun voor progressieve belastingsystemen zou zich door eigenbelang laten verklaren: alle burgers die een inkomen hebben dat lager ligt dan gemiddeld halen financieel voordeel uit progressieve belastingen. En aangezien inkomen scheef verdeeld is in de bevolking, heeft de meerderheid van de bevolking een inkomen dat onder het gemiddelde ligt.

Deze enge eigenbelang-benadering moet echter genuanceerd en aangevuld worden. Ten eerste is het, gezien de techniciteit en complexiteit van belastingheffing, niet realistisch te veronderstellen dat burgers over voldoende informatie beschikken om een volledig beeld te krijgen van het kostenplaatje. De mate waarin burgers over (al dan niet correcte) informatie beschikken, kan hun opinies over belastingen kleuren. Ten tweede kan een individu niet zomaar gereduceerd worden tot een homo economicus die volledig door eigenbelang gestuurd wordt. Opvattingen over belastingen worden immers evenzeer beïnvloed door allerhande waarden en normatieve opvattingen die individuen erop nahouden. Minstens drie types van opvattingen kunnen verbonden worden met taks-attitudes.

Ten eerste hangen opinies over belastingen samen met hoe mensen denken over de rol van het individu in de maatschappij. De overtuiging dat welzijn en succes afhankelijk (moeten) zijn van individuele inspanning en verdienste botst met de logica van belastingheffing en herverdeling. Een individualistische instelling kan daarom weerstand tegen belastingen opwekken, zeker als deze sterk herverdelend werken.

Aangezien belastingen onlosmakelijk verbonden zijn met sociaal beleid worden taks-attitudes, ten tweede, ook vaak gekoppeld aan de ideologische positie op de overheid-versus-markt breuklijn. Aangezien belastingheffing strikt genomen tegen de ideologie van een ongelimiteerde vrije markt indruist, kan een sterke taks-aversie teruggevonden worden onder aanhangers van de vrije markt. Een voorkeur voor een sterke overheid die levenskansen voor haar burgers garandeert, daarentegen, veronderstelt herverdeling via progressieve belastingsystemen.

Ten derde kunnen ook denkbeelden over het concrete overheidsfunctioneren invloed hebben op opvattingen over belastingen. Indien burgers weinig vertrouwen hebben in de eerlijke en efficiënte werking van overheidsinstellingen, zullen ze weinig bereid zijn belastingen te steunen, zelfs al kunnen ze zich vinden in de onderliggende principes.

DE PERSONENBELASTING: PLEIDOOI VOOR MEER PROGRESSIVITEIT

Vanuit het perspectief van de Belgische burger is de personenbelasting - in de volksmond ook wel als inkomensbelasting gekend - de meest zichtbare vorm van belasting. Deze directe belasting op het jaarinkomen van particulieren was in 2013 goed voor ruim 52 miljard euro, en is daarmee de belangrijkste inkomstenbron van de Belgische staat. De personenbelasting kent een zekere mate van progressiviteit: wie meer verdient, valt onder een hoger belastingtarief - oplopend in vier schijven, gaande van 25 tot 50%.

De taksaversie-theorie voorspelt dat er bij de bevolking veel weerstand zou bestaan tegen deze erg omvangrijke en zichtbare vorm van belasting. Maar hoe denken Belgische kiezers werkelijk over de personenbelasting?

Respondenten in het BNES2014 werden gevraagd aan te geven of de personenbelasting voor drie verschillende inkomensgroepen (de laagste, middelste en hoogste inkomens) verhoogd dan wel verlaagd moet worden. Figuur 1 laat zien dat Belgen er in sterke mate van overtuigd zijn dat het belastingtarief moet afhangen van de hoogte van het inkomen. Er bestaat een sterke consensus dat de belastingdruk op de laagste lonen naar beneden moet. Ruim de helft van de Belgen stelt voor om de belasting op de laagste inkomens te verlagen, en nog eens een kwart wil ze een beetje verlagen. Nauwelijks één procent van de Belgische kiezers is van mening dat de laagste inkomstengroep (een beetje) meer dient bij te dragen in de Belgische belastingspot. Deze duidelijke voorkeur voor een belastingverlaging ten voordele van de laagste inkomens vinden we terug in beide landsdelen, maar is onder de Franstalige kiezers nog iets meer uitgesproken dan bij de Vlamingen.

Figuur 1. Belgische kiezers over de personenbelasting voor verschillende inkomensgroepen - naar regio (N = 1871).

Ook wat de middelste inkomens betreft is een ruime meerderheid van de Belgische kiezers gewonnen voor een verlichting van de belastingdruk: 57,4% wil de belastingen op middelste inkomens (een beetje) verlagen, terwijl amper 3,6% vindt dat de belastingen voor deze groep (een beetje) omhoog kunnen. De roep om belastingverlaging klinkt hier echter opvallend minder luid: een vrij omvangrijke groep Belgen (39,1%) vindt dat de belastingen op de middelste inkomens best kunnen blijven zoals ze nu zijn. Ook hier vinden we beduidende regionale verschillen terug. In Franstalig België is de steun voor belastingverlaging ten voordele van de middeninkomens sterker dan in Vlaanderen.

Belastingen op de hoogste inkomens, ten slotte, wekken tegenovergestelde reacties op bij de Belgische bevolking. Een overduidelijke meerderheid (71%) meent dat belastingen op de hoogste inkomens (een beetje) verhoogd kunnen. Onder Vlamingen en Franstalige Belgen is het aandeel voorstanders van hogere belastingen op de hoge inkomens nagenoeg even groot. Maar Vlaanderen telt iets meer voorstanders van een lichte verhoging (‘moet een beetje verhoogd worden’), terwijl onder de Franstalige Belgen de voorstanders voor een duidelijke verhoging (‘moet verhoogd worden’) iets talrijker zijn.

Uit deze cijfers valt vooral een sterke roep om een meer herverdelend belastingsysteem af te lezen. Er bestaat in de publieke opinie een sterke steun voor het verlagen van de personenbelasting op de laagste - en in mindere mate ook op de middelhoge - inkomens, gekoppeld aan een belastingverhoging voor de hoogste inkomens. Dat het principe van progressieve belastingen grote steun geniet bij de bevolking komt overeen met de resultaten uit internationaal onderzoek (Edlund 2003; Roosma et al. 2015). Dat de Belgische kiezers de personenbelasting niet uniform willen verlagen, maar voor bepaalde groepen zelfs wensen te verhogen, wijst er bovendien op dat deze belasting niet zo’n sterke aversie oproept als vaak gedacht wordt. Verder in deze bijdrage geven we een meer diepgaande analyse van de steun voor progressiviteit en taks-aversie.

ALTERNATIEVE VORMEN VAN BELASTINGEN

De personenbelasting mag dan wel de meest zichtbare en omvangrijke tak zijn van de Belgische belastingen, het is slechts één element in een complex belastingstelsel dat op diverse belastingbasissen is gestoeld. Naast belastingen op het inkomen van particulieren heft de overheid bijvoorbeeld ook belastingen op consumptie (btw), de winst van bedrijven (vennootschapsbelasting), accijnzen op alcohol, tabak en brandstof, voorheffingen op inkomen uit roerend en onroerend goed, successierechten, enzovoort. Deze vormen van belasting verschillen niet alleen in omvang, maar ook in zichtbaarheid, onderliggende principes en herverdelende effecten. Op basis van de theorie van taks-aversie kan dan ook verwacht worden dat de publieke steun voor het belasten van de verschillende basissen sterk varieert.

Het BNES2014 peilt naar opinies over het belasten van vijf mogelijke basissen, namelijk arbeid, vastgoed, bedrijfswinsten, aandelen en beleggingen, en milieuvervuilende producten en activiteiten. Voor elk van deze types werden respondenten gevraagd of ze belastingen erop willen verhogen dan wel verlagen. Figuur 2 toont overduidelijk dat de burger in verschillende mate steun verleent aan diverse vormen van belasting. De wijze waarop arbeid momenteel belast wordt, roept overduidelijk heel wat weerstand op. Bijna 80% van de respondenten wil de belastingen op arbeid verlaagd zien, en minder dan 2% pleit voor een verhoging. Al mogen we niet uit het oog verliezen dat de burger sterk differentieert naargelang de hoogte van het belaste inkomen - zie vorige sectie. Dit maakt arbeid tot de minst populaire belastbare basis.

Figuur 2. Belgische kiezers over de belasting op inkomen voor verschillende inkomensgroepen (N = 1835).

Over belasting op vastgoed, exclusief de eigen gezinswoning, is de publieke opinie eerder verdeeld. Iets meer dan een derde (37,1%) wil een verhoging en iets minder dan een derde (29,4%) van de Belgen staat een verlaging voor. Het resterende derde is ervoor gewonnen belastingen op onroerend goed te houden zoals het nu is. Belastingen op bedrijfswinsten en inkomen uit aandelenbeleggingen, daarentegen, kunnen op beduidend meer bijval rekenen. De helft van de bevolking (51,9 en 48,8% respectievelijk) is van mening dat deze belastingen omhoog kunnen, terwijl minder dan 20% een verlaging bepleit. De kritiek dat het belasten van bedrijven de economie schaadt, vindt blijkbaar weinig ingang in de publieke opinie. Echter, het belastingtype dat de grootste voorkeur wegdraagt zijn taksen op milieuvervuilende producten en activiteiten. Meer dan 70% is gewonnen voor een vergroening van het belastingstelsel, en nauwelijks 8% wil de bestaande ecobelastingen terugschroeven.

In de opvattingen over verschillende belastingtypes valt een duidelijk patroon op. Conform de theorie van taks-aversie blijkt dat de belasting met de breedste basis, de grootste omvang en duidelijkste zichtbaarheid (namelijk belasting op arbeid) veruit de grootste weerstand opwekt. Naarmate belastingen de meer welstellende delen van de bevolking treffen (eigenaars van bedrijven, aandeelhouders, grote vermogens) kunnen ze op meer bijval rekenen. Net zoals de analyse van de personenbelasting wijzen ook deze bevindingen in de richting van een vraag naar meer herverdeling. Belgische burgers zijn in groten getale voorstander van een belastingverschuiving van arm naar rijk.

STRUCTURELE EN CULTURELE DETERMINANTEN VAN TAKS-ATTITUDES

Diversie theorieën voorspellen dat opvattingen over belastingen gestuurd worden door de structurele posities die mensen bekleden, alsook door de opvattingen die ze erop nahouden over de rol van het individu, staat versus markt en het vertrouwen in overheidsinstellingen. In deze paragraaf gaan we na in hoeverre deze theoretische modellen ook opgaan in de Belgische situatie.

Hierbij focussen we op de twee cruciale dimensies van attitudes ten aanzien van belastingen, namelijk de geprefereerde progressiviteit en taks-aversie. Geprefereerde progressiviteit - dit is de mate waarin burgers van mening zijn dat een belastingsysteem middelen moet herverdelen van hogere naar lagere inkomensgroepen - meten we door de verschilscore te nemen tussen (1) de opvatting dat de hogere inkomens al dan niet zwaarder belast moeten worden en (2) de opvatting dat de lagere inkomens al dan niet zwaarder belast moeten worden. Deze variabele werd omgezet naar een schaal die loopt van -5 tot 5. Score 5 impliceert hierbij maximale progressiviteit: de respondent in kwestie wil de belasting voor hogere inkomens sterk verhogen en voor lagere inkomens sterk reduceren. Score -5 wijst op een preferentie voor omgekeerde herverdeling of degressiviteit (belastingen verlagen voor hogere inkomens en optrekken voor lagere inkomens).

Taks-aversie verwijst naar een afkeer van belastingen in het algemeen en is dus niet verbonden aan een specifieke vorm van belastingen. Dit meten we door het gemiddelde te nemen over de vijf items die voor de verschillende types van belastingen nagaan of een respondent ze wil verhogen dan wel verlagen. Dit zijn de items weergegeven in Figuur 2. Ook deze variabele werd herschaald van -5 tot 5. Waarde 5 betekent dat de respondent alle belastingen zoveel mogelijk wil verlagen en wijst dus op de hoogst mogelijke mate van taks-aversie. Wie alle belastingen wil verhogen, krijgt waarde -5 op taks-aversie. Score 0 betekent dat men, gemiddeld genomen, belastingen noch wil verhogen noch wil verlagen.

Voor elk van deze afhankelijke variabelen schatten we twee regressiemodellen, waarin telkens een nieuwe reeks van verklarende variabelen wordt opgenomen (zie Tabel 1).

Een eerste model geeft de impact van een aantal sociaal-structurele kenmerken weer. Zowel voor progressiviteit als taks-aversie vinden we beduidende regionale verschillen terug. Franstalige kiezers uiten een sterkere voorkeur voor progressieve belastingen en vertonen minder taks-aversie dan Vlamingen. Leeftijd blijkt een min of meer lineair effect te hebben op opvattingen over belastingen. Jongere generaties vertonen een minder uitgesproken voorkeur voor herverdelende belastingen en staan ook meer afkerig tegenover belastingen in het algemeen. Ook bij de hoger opgeleiden vinden we minder taks-aversie terug. Dit suggereert dat deze groep zich beter dan de lager opgeleiden realiseert dat ze heel wat publieke diensten terugkrijgt voor de bijdrage aan de belastingen. Hoger opgeleiden verschillen echter niet wat voorkeur voor progressiviteit betreft. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat hoger opgeleiden relatief vaak aan de bovenkant van de inkomensladder te vinden zijn en dus nettobetalers zijn in een sterk herverdelend systeem. Wat beroepssituatie betreft springt vooral de groep zelfstandigen in het oog. Zelfstandigen zijn beduidend minder gewonnen voor progressiviteit in het belastingsysteem en vertonen een hoge mate van taks-aversie. Deze effecten van zelfstandigheid behoren tot de sterkste in het model. Dat deze groep - meer dan werknemers - duidelijk zicht heeft op welke middelen naar de fiscus gaan is wellicht niet vreemd aan dit uitzonderlijke patroon.

Een uiterst relevante structurele variabele is het huishoudinkomen (hier opgedeeld in decielen). Inkomenspositie heeft inderdaad een impact op preferenties voor progressiviteit. Maar verassend genoeg doen de inkomenseffecten zich vooral voor aan de onderkant van de inkomensverdeling. Bij de laagste twee inkomensdecielen vinden we de sterkste voorstanders van herverdeling terug, terwijl de andere inkomensgroepen sterk op elkaar lijken. Het is dus niet zo dat de hoogste inkomens zich het meest verzetten tegen progressiviteit, zoals de rational choice-theorie postuleert. Inkomen is bovendien niet gerelateerd met taks-aversie. Ten slotte blijkt subjectieve sociale klasse - dit is de klasse waar de respondenten zichzelf mee identificeren - de houdingen ten aanzien van belastingen te structureren. Wie zich vereenzelvigt met de hogere middenklasse of de hogere klasse, prefereert beduidend minder progressiviteit en is meer taks-avers dan wie zich tot de arbeidersklasse bekent. Ook respondenten die zichzelf als lid van de lagere middenklasse zien, zijn in mindere mate voorstander van herverdelende belastingen. In een tweede model voegen we opvattingen over individu, markt en overheid aan het model toe. Zoals verwacht structureren deze culturele disposities zowel progressiviteit als taks-aversie, maar op erg verschillende wijze. Een voorkeur voor herverdelende belastingen blijkt vooral sterk samen te hangen met de opvatting dat de overheid een actieve rol dient te spelen in het voorzien van een goede levensstandaard voor ouderen, zieken en werklozen (steun voor overheidsingrijpen). In beperktere mate is voorkeur voor progressiviteit ook positief gerelateerd met gevoelens van relatieve deprivatie. Naarmate respondenten vinden dat mensen zoals henzelf benadeeld worden ten aanzien van andere groepen in de samenleving pleiten ze ook voor meer sociale herverdeling via belastingen. Voorkeur voor progressiviteit is daarnaast ook negatief gerelateerd met utilitair individualisme en steun voor vrijemarktideologie. Om taks-aversie te verklaren blijkt voornamelijk deze laatste variabele relevant. Het onderschrijven van een vrijemarktideologie - namelijk een voorkeur voor de vrije werking van de markt en een afkerige houding ten aanzien van overheidsinterventie - blijkt afkeer van belastingen gevoelig in de hand te werken. Ook een gebrek aan vertrouwen in overheidsinstellingen (institutioneel vertrouwen) en een individualistische instelling stimuleren taks-aversie. Tot slot is ook links-rechts positionering verbonden met opvattingen over belastingen. Wie zichzelf als rechts beschouwt is minder sterk voorstander van herverdelende belastingen en staat gemiddeld genomen meer afkerig van belastingen.

DE TAXSHIFT GEWIKT EN GEWOGEN

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht staan Belgen helemaal niet zo afkerig tegenover belastingheffing. Belastingen die de lagere inkomensgroepen treffen, roepen weliswaar heel wat weerstand op. Maar een grote meerderheid van Vlamingen en Walen is tegelijk van mening dat grootverdieners, bedrijfswinsten, aandeelhouders en vervuilers zwaarder belast moeten worden. Een roep naar een sterker herverdelend belastingstelsel loopt als een rode draad doorheen de resultaten. Opvallend is dat de vraag naar meer herverdeling via belastingen in alle lagen van de bevolking teruggevonden wordt. Zelfs bij zelfstandigen, hoogopgeleiden en mensen bovenaan de inkomensladder - de groepen die minst voor progressiviteit gewonnen zijn - is de steun voor herverdeling aanzienlijk. Opvattingen over belastingen en herverdeling kunnen daarom niet enkel vanuit de factor eigenbelang begrepen worden, maar zijn tevens ingegeven door morele en ideologische principes. Als herverdeling gestoeld is op principes die door de bevolking als rechtvaardig ervaren worden, bestaat er een groot draagvlak voor belastingheffing.

De taxshift loopt echter niet in de pas met de rechtvaardigheidsprincipes die we in de publieke opinie ontwaren. Op het eerste zicht lijkt de 1,7 miljard euro belastingverlaging voor de lagere inkomens tegemoet te komen aan de roep om meer progressiviteit. Maar als de verhogingen van de accijnzen en de btw op elektriciteit - die een flat tax op consumptie vormen -meegerekend worden, is het nog maar de vraag welke herverdelende effecten de taxshift sorteert. Bovendien is het opvallend dat de taxshift geen serieuze maatregelen bevat om inkomsten uit vermogens en aandelenspeculatie zwaarder te belasten, terwijl daar ontegensprekelijk een groot draagvlak voor bestaat. Een grote verschuiving van de belastingdruk richting de sterkste schouders biedt deze taxshift alvast niet. Vanuit een ruimer historisch perspectief is er eerder sprake van een afbouw van de progressiviteit van het belastingsysteem: tot 2001 bedroeg was het tarief voor de hoogste inkomensschijf 55% in plaats van 50% nu, en tot 1989 lag dit maximum nog op 70%.

Hoe moet deze paradox tussen publieke opinie en het gevoerde beleid begrepen worden? Een mogelijke verklaring ligt bij de hoge mate van complexiteit van het thema belastingen. Beïnvloeding van het beleid door de publieke opinie veronderstelt niet alleen dat een thema voldoende belangrijk gevonden wordt, maar ook dat de bevolking over voldoende kennis en informatie beschikt. Daar knelt het schoentje. Zelfs voor belastingspecialisten is het niet duidelijk wat de exacte herverdelende effecten van de taxshift zijn, laat staan dat de publieke opinie hier een duidelijk beeld over heeft. Politieke communicatie over belastinghervorming dreigt dan ook belangrijker te worden dan de herverdelende effecten van de maatregelen zelf. De symbolische Kaaimantaks en taks op beursspeculatie kunnen vanuit dit perspectief begrepen worden. Ze appelleren aan het rechtvaardigheidsgevoelens van de bevolking zonder een daadwerkelijke verschuiving van lasten met zich mee te brengen. Daarnaast mogen we ook de asymmetrische machtsverhoudingen niet uit het oog verliezen. Het is pas wanneer individuele opvattingen (via het middenveld of politiek) een organisatorische vertaling krijgen, dat ze effectief het beleid kunnen gaan beïnvloeden. Vooralsnog blijken minderheidsbelangen van aandeelhouders en grote vermogens meer gewicht in de schaal te werpen, zodat beleidsmakers er niet in slagen het beleid aan te passen aan de veranderende omstandigheden (zoals toenemende ongelijkheid en de financialisering van de economie), zelfs al zijn beleidsalternatieven voorhanden.

Bart Meuleman, Koen Abts & Marc Swyngedouw
ISPO (Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek), KU Leuven

Noot
1/ https://www.n-va.be/nieuws/taxshift-de-langverwachte-verlaging-van-lasten-op-arbeid.

Referenties
- Blount, S. (2000). Public opinion and tax aversion in Australia. Journal of Sociology 36(2): pp. 275-290.
- Edlund, J. (2003). Attitudes towards taxation: Ignorant and incoherent? Scandinavian Political Studies 26(2): pp. 145-167.
- Henninghausen, T. & Heinemann, F. (2014). Don’t tax me? Determinants of individual attitudes toward progressive taxation. German Economic Review 16(3): pp. 255-289.
- Roosma, F., van Oorschot, W. & Gelissen, J. (2015). A just distribution of tax burdens? Attitudes toward the social distribution of taxes in 26 welfare states. International Journal of Public Opinion Research. Doi:10.1093/ijpor/edv020.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 50 tot 56 en pagina 65 tot 69