Log in

Een Belgiëbocht? Parlementsleden over de bevoegdheidsverdeling

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 2 (februari), pagina 74 tot 85

Uit een uitgebreid onderzoek bij de leden van alle parlementen in België blijkt hun voorkeur over de bevoegdheidsverdeling in België te zijn geëvolueerd. Terwijl in 2011 de gemiddelden van alle partijen nog uitkwamen op een (lichte) defederalisering van bevoegdheden zitten die van de Franstalige partijen, sp.a, Groen en Open VLD intussen op een (lichte) herfederalisering. Bovendien evolueerden alle partijen in Belgische richting. De kloof groeit tussen parlementsleden van N-VA/Vlaams Belang, die zo goed als geen België meer willen, en die van de andere partijen die iets minder of iets meer België willen. Dat een groeiend aantal parlements­leden open staat voor het terugbrengen van sommige bevoegdheden naar België verbreedt het spectrum van het debat over staatshervorming. Een vergelijking met de voorkeuren van de kiezers leert echter dat die nog een pak ‘Belgischer’ denken dan hun volksvertegenwoordigers.

INLEIDING

Er mag dan al wel afgesproken zijn dat er deze legislatuur geen nieuwe stappen worden gezet in de staatshervorming, de discussie over de verdeling van bevoegdheden in België gaat verder. Zeker sinds N-VA aankondigde het debat daarover terug te willen aanzwengelen en intern verder studiewerk te verrichten. Geregeld worden bepaalde politieke problemen ook geanalyseerd vanuit de bril van de bevoegdheidsverdeling, of het nu gaat om veiligheid of mobiliteit.

Intussen wordt de zesde staatshervorming, die eind 2012 in het parlement werd gestemd, volop uitgevoerd. Op vele punten is dat een zeer complexe operatie. Zij het minder complex dan de lange onderhandelingen die eraan voorafgingen en België het wereldrecord opleverden van de langste regeringsvorming. Het was echter langer dan die 541 dagen dat het land in de ban was van die staatshervorming, want al sinds 2007 zorgden de pogingen om hierover een akkoord te vinden voor chronische politieke instabiliteit.1

De vraag is dan ook welke impact het akkoord over de zesde staatshervorming en de uitvoering daarvan heeft gehad op de attitudes tegenover de bevoegdheidsverdeling in België. Die vraag naar de impact van institutionele hervormingen is vrij prominent in het internationale onderzoek naar federalisme. Men heeft het in dat verband vaak over ‘de paradox van het federalisme’2: hoewel hervormingen vaak worden uitgevoerd om centrifugale tendenzen te bedwingen (en de ontmanteling van een land te vermijden), lijken ze vaak deze tendensen net te versterken (en de eenheid van de centrale staat te bedreigen).3 Ze creëeren immers dynamieken die de neiging hebben zichzelf te versterken, zoals het geven van macht aan deelgebieden die deze zullen willen uitbreiden. Die dynamiek zien we onder andere in Italië, Spanje, het Verenigd Koninkrijk of Canada. België is geen uitzondering. België is zelfs een ‘extreem’ geval. Het mag dan soms al lijken of staatshervorming in België een zeer traag proces is, op zo’n 45 jaar tijd zijn er maar liefst 6 staatshervormingen doorgevoerd wat in vergelijkend perspectief veel is.

Leidt ook het goedkeuren van de zesde staatshervorming weer tot een verdere centrifugale dynamiek? Of heeft de ervaring met de diepgaande politieke crisis rond de zesde staatshervorming, alsook het resultaat daarvan, eerder gezorgd voor een tegenovergestelde dynamiek?

De vraag is ook welke impact de politieke evoluties sinds toen hebben gehad. Na de verkiezingen van 2014 werd het politieke landschap immers grondig dooreengeschud: er werd een federale regering gevormd met drie Vlaamse en één Franstalige partij, die maar kan bogen op een minderheid van de Franstalige parlements­leden in de Kamer. Bovendien trad voor de eerste keer een Vlaams-nationalistische partij toe tot de federale regering zonder enige verdere stap in de Vlaamse autonomie te bekomen. En de socialistische partijen zitten voor de eerste keer in 26 jaar in de oppositie.4 Al die elementen hangen ook sterk samen met het debat over de staatshervorming, al was het alleen maar al omdat N-VA de voorbije jaren de noodzaak aan Vlaamse autonomie vooral verdedigde met als argument dat zo een beleid zonder socialisten mogelijk zou worden, dat volgens N-VA dichter aanleunt bij de wens van de Vlaamse kiezer.

Vraag is dus hoe de politieke meningen over de bevoegdheidsverdeling in België de voorbije jaren zijn geëvolueerd. Om die te beantwoorden voerden we een onderzoek bij de leden van alle parlementen in België. Voor meer toelichting bij de methodologie, verwijzen we naar de bijdrage in het vorige nummer van Samenleving en politiek5 waarin we op basis van ditzelfde onderzoek de identiteitsgevoelens van de parlementsleden bespraken.

EEN BELGIËBOCHT

Om de voorkeur van de parlementsleden over de staatshervorming te kennen, werd hen zowel in 2011 als in 2014-2015 de volgende vraag gesteld: ‘Er bestaat discussie over de juiste verdeling van bevoegdheden tussen de regionale en federale beleidsniveaus. Sommigen zijn van mening dat de gemeenschappen en gewesten meer bevoegdheden zouden moeten krijgen, anderen denken dat de federale staat meer bevoegdheden zou moeten krijgen. Waar situeert u zich in deze discussie op een schaal van 0 tot 10? 0 betekent dat alle bevoegdheden aan gewesten en gemeenschappen moeten worden toegekend, 10 betekent dat alle bevoegdheden aan de federale overheid moeten worden toegekend, 5 betekent dat u tevreden bent met de huidige bevoegdheidsverdeling’.

Tabel 1 geeft de resultaten weer van de enquête 2014-2015, en vergelijkt die met de resultaten van 2011. Drie elementen zijn aanwezig voor elke partij: haar gemiddelde score, de index van cohesie van haar parlementsleden (standaardafwijking)6 en het dominante scenario binnen de partij inzake de toekomst van het Belgische federalisme (een gemiddelde tussen 0 en 4,9 betekent een scenario van min of meer sterke ‘defederalisering’, een gemiddelde van 5,0 een scenario van status quo, en een gemiddelde tussen 5,1 en 10 een scenario van min of meer sterke ‘herfederalisering’).


Drie partijen hebben een gemiddelde score die zich bevindt aan een van de uiteinden van de institutionele voorkeursschaal (dicht bij 0 of 10). Enerzijds PVDA-PTB met de hoogst waargenomen score (8,5), voorstander van een sterke herfederalisering. Anderzijds aan het andere uiteinde hebben N-VA en VB een gemiddelde score van respectievelijk 0,6 en 0,4. Hun parlementsleden spreken zich uit voor een scenario dat quasi alle bevoegdheden weghaalt bij de federale overheid richting de deelgebieden. Op zich is dat geen verrassing: de parlementsleden van deze twee partijen reflecteren het fundamentele doel ingeschreven in de statuten van hun partij, een onafhankelijke Vlaamse staat. N-VA verdedigt dit echter al enkele jaren niet meer als dusdanig in het publieke debat. Zich goed bewust dat er bij de Vlaamse publieke opinie nauwelijks steun voor is, spreekt de partij al enige tijd over ‘confederalisme’. De resultaten van dit onderzoek tonen echter aan dat alvast de parlementsleden van de partij nog sterk vasthouden aan een scenario dat zeer dicht in de buurt komt van een onafhankelijk Vlaanderen.

N-VA, VB en PVDA-PTB zijn overigens ook de drie partijen die het intern het meest eens zijn over de bevoegdheidsverdeling: er zijn weinig afwijkende meningen.

De gemiddelde scores van alle andere partijen liggen erg dicht bij elkaar. Op één uitzondering na, liggen ze tussen 5,0 (status quo) en 5,8. Binnen de socialistische, liberale en ecologische partijen en binnen cdH is een (lichte) herfederalisering dus het dominante scenario. De afwezigheid van noemenswaardige verschillen tussen zusterpartijen over de taalgrens heen is opvallend: bepaalde Nederlandstalige partijen zijn zelfs meer voorstander van een herfederalisering dan bepaalde Franstalige partijen (zoals sp.a en Groen, tegenover PS en Ecolo). Dit ligt in lijn van de resultaten over de identificatie met België.7 De uitzondering op de gemiddelde scores boven de 5 is CD&V, waar men op 4,5 uitkomt. CD&V is de enige niet-nationalistische partij waar de parlementsleden, ook na het uitvoeren van de zesde staatshervorming, (lichtjes) meer uitgesproken voorstander zijn van een overheveling van bevoegdheden. Niettemin ligt de keuze van CD&V zeer ver van die van die van N-VA en VB en relatief dicht bij die van alle andere partijen.

Als we dan de resultaten van 2014-2015 vergelijken met die van 2011 kunnen we spreken van een ‘herfederaliseringsbocht’: in 2011 kwamen de gemiddelde scores bij alle partijen uit op een scenario van (lichte) defederalisering, terwijl dit in 2015 enkel nog het geval is bij N-VA, VB en, in mindere mate, CD&V.

Nog opvallender is dat bij alle partijen de gemiddelde score gestegen is. Dit is zeer licht het geval bij N-VA, PS, VB en FDF maar meer uitgesproken bij de andere partijen, gaande van +0,9 bij Groen tot +1,8 bij de MR. De CD&V-parlementsleden mogen dan nog wat afwijken van hun niet-nationalistische collega’s qua uiteindelijke score, ze laten met +1,5 wel de op één na grootste evolutie optekenen richting België.

Die ‘Belgiëbocht’ is het grootst bij de MR. Dit kan wellicht deels verklaard worden door het feit dat de partij in deze legislatuur enkel op het federale niveau aan de macht is en bovendien de Belgische premier levert, al is het wel de vraag of de impact daarvan zich al zo snel laat voelen, aangezien het onderzoek gebeurd is in de eerste maanden na het aantreden van de regering-Michel. Vanuit dezelfde logica zou men ook kunnen verklaren dat de evolutie naar meer federale bevoegdheden in vergelijking zeer beperkt is bij de PS (die partij zit immers in de omgekeerde situatie van de MR: federaal in de oppositie, regionaal aan de macht). Dit wordt echter sterk genuanceerd als men weet dat de PS in 2011 al de meest Belgische score had van alle Franstalige partijen. De beperkte verschuiving naar België maakt weliswaar dat de PS nu na het FDF de minst Belgische score heeft, de verschillen met de andere Franstalige partijen blijven beperkt tot enkele procentpunten en ook het gemiddelde van de PS zit niet minder aan de kant van de herfederalisering. Het lijkt er dus op dat de voorspelling van N-VA-voorzitter Bart De Wever dat de PS eens federaal in de oppositie terug meer regionalistisch zou worden voorlopig wishful thinking blijft (al past ook hier de nuance dat het begin van de legislatuur wat vroeg is om die impact te meten).

Een grafische weergave, in de vorm van een ‘snorrendoos’ (Figuur 1)8, staat toe om beter zicht te krijgen hoe opmerkelijk en systematisch de evolutie tussen de twee enquêtes is. In 2011 gaf de meerderheid van de parlementsleden (het witte oppervlak van de snorrendoos) een antwoord tussen 0 en 4,9, het scenario van de defederalisering. In 2014-2015 is dit niet meer het geval, behalve voor N-VA, CD&V en VB.

Figuur 1. Institutionele voorkeuren van parlementsleden (enquêtes 2011 en 2014-2015).

| ** 2011** | ** 2014-2015** |
| | |

Als we vergelijken met 2011, moeten we natuurlijk in het achterhoofd houden dat intussen de bevoegdheidsverdeling is gewijzigd: de parlementsleden spraken zich toen uit over de situatie zoals ze was voor de zesde staatshervorming, terwijl ze zich in 2015 uitspraken over de situatie erna. In die zin kan het van consequentie getuigen als parlementsleden opschuiven in Belgische richting, want dit kan betekenen dat hun voorkeur grotendeels ongewijzigd blijft. Wie immers voor de zesde staatshervorming voorstander was van een lichte defederalisering kan vanuit dezelfde positie, na een toch aanzienlijke overdracht van bevoegdheden, voorstander zijn van een lichte herfederalisering. Niettemin blijft het opvallend dat voor een belangrijk deel van de parlementsleden de zesde staatshervorming te ver doorgetrokken lijkt.

VERKLARENDE FACTOREN

Om inzicht te krijgen in de verklarende factoren van de institutionele voorkeuren van de bevraagde parlementsleden, bekijken we de resultaten per assemblee en per gemeenschap. Daarna integreren we deze variabelen in een verklarend model door ze aan te vullen met individuele variabelen.

Bij de vier onderzochte parlementen - federaal parlement (Kamer van Volksvertegenwoordigers en Senaat), Waals parlement, Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Vlaams Parlement - valt een belangrijk statistisch verschil op bij de antwoorden van de parlementsleden (Tabel 2). In het Vlaamse Parlement zien we de meest uitgesproken positie voor defederalisering (gemiddelde score van 3,4). De federale parlementsleden kiezen gemiddeld voor het status quo (5,0), daar waar de parlementsleden van het Waals en Brussels Parlement voor lichte herfederalisering zijn (respectievelijk 5,2 en 5,5). Zoals de standaardafwijking aantoont, bestaat er echter grote verdeeldheid binnen het federaal parlement (2,5) en het Vlaams Parlement (2,4) en iets minder grote binnen het Waals en Brussels Parlement.

Als we de parlementsleden van N-VA en VB - veel meer voorstander dan de andere partijen van een nieuwe transfer van bevoegdheden naar de federale entiteiten - buiten beschouwing laten, dan stijgen de gemiddelden merkbaar in het federaal parlement en in het Vlaams parlement (respectievelijk +0,7 en +1,4). De resterende leden van het federale parlement lijken dus lichtjes meer voorkeur te hebben voor een herfederalisering dan die van het Waals Parlement en die van het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (respectievelijk 5,7 tegen nog steeds 5,2 en 5,5). De gemiddelde score van het Vlaams Parlement, daarentegen, blijft iets onder de waarde 5 (4,8); de leden van deze assemblee blijven zich dus onderscheiden van de drie andere assemblees inzake hun voorkeur voor een scenario van defederalisering. Het uitsluiten van de parlementsleden van N-VA en VB van de tellingen leidt tot een vermindering van de standaardafwijking in het federaal parlement (1,8, dus -0,7) en in het Vlaams Parlement (1,4, dus -1,0); hun waarden zijn niettemin vergelijkbaar met die van de standaardafwijkingen waargenomen in de twee andere assemblees.

Tussen de twee grote taalgemeenschappen bestaat eveneens een significant statistisch verschil in de antwoorden van de parlementsleden (Tabel 3). Gemiddeld genomen spreken de Franstalige parlementsleden zich lichtjes meer uit voor een scenario van herfederalisering (gemiddelde score van 5,5), terwijl de Nederlandstalige parlementsleden meer hun voorkeur laten blijken voor het scenario van defederalisering (3,9). De standaardafwijking is beduidend hoger aan de kant van de Nederlandstalige parlementsleden dan bij hun Franstalige collega’s (2,5 tegen 1,7). Dit heeft vooral te maken met de parlementsleden van N-VA en VB die sterk afwijken van de anderen. Als we deze niet meenemen in de telling dan zijn de resultaten over de taalgrens heen gelijkaardiger, met een gemiddelde score van 5,2 langs Nederlandstalige kant en 5,5 langs Franstalige kant. Ook de standaardafwijkingen liggen dan vlakbij elkaar. Dit toont opnieuw aan dat de grote kloof in de voorkeuren rond de bevoegdheidsverdeling ligt tussen de nationalistische partijen en alle andere (met uitzondering van de PVDA-PTB).

We betrekken vervolgens in de analyse van de verklarende factoren ook de individuele kenmerken van de parlementsleden. Daarvoor gebruiken we een multivariabel model met als afhankelijke variabele de scores van de parlementsleden op een schaal van 0 tot 10 (met andere woorden de institutionele voorkeuren die we pogen te verklaren). Gezien de aard van deze schaal, gebruiken we een lineaire regressie als statistisch model. We gebruiken de variabelen ‘parlementen’ en ‘nationalistische parlementsleden’, omdat er - zoals we net aantoonden - tussen beide variabelen substantiële verschillen bestaan. We voegen de variabele ‘politieke partij’ niet toe, aangezien de onderlinge scores van de partijen erg gelijk lopen (met uitzondering van N-VA en VB) en er binnen partijen verdeeldheid bestaat; dit zou de uiteindelijke kwaliteit van ons analysemodel verminderen.9

Bij de individuele variabelen van de parlements­leden gebruiken we de identiteitsgevoelens en het politieke traject. Ook bij het onderzoek van 2011 waren die reeds essentieel om de institutionele voorkeuren van de parlementsleden te verklaren.10 De identiteitsvariabele wordt beschouwd als één van de centrale factoren om de toegenomen eisen voor regionale autonomie te verklaren.11 Het politieke traject van de parlementsleden wordt, op zijn beurt, in de analyse opgenomen door te kijken naar de federale en regionale of communautaire ervaring. Het aantal opgenomen mandaten in het federaal parlement of regering, of in één van de regionale of gemeenschapsparlementen of -regeringen is hier van belang.

De resulaten van de lineaire regressie zijn weergegeven in Tabel 4. Deze valt als volgt te lezen: de waarden van de coëfficiënten geven het effect van de variabelen weer op een schaal van 0 tot 10, terwijl het teken van die coëfficiënten (positief of negatief) de richting van het effect aanwijst. Een negatieve coëfficiënt wijst op een voorkeur dichter bij de waarde 0 (dus het scenario van defederalisering), terwijl een positieve coëfficiënt wijst op een voorkeur dichter bij de waarde 10 (dus het scenario van herfederalisering).


Uit Tabel 4 blijkt dat de identiteitsvariabele een belangrijke rol speelt. Gemiddeld gesproken hebben de parlementsleden met een ‘meer Vlaamse/Franstalige dan Belgische identiteit’, in vergelijking met hun collega’s met een ‘gemengde identiteit’, een zwakkere score van 1,10 punt. De parlementsleden met een meer Belgische identiteit hebben daarentegen een hogere score van 0,81 punt. Met andere woorden: gemiddeld positioneren de parlementsleden die zich meer Belg dan Vlaming/Franstalig voelen zich meer richting het scenario van herfederalisering, terwijl de parlementsleden die zich meer Vlaming/Franstalig dan Belg voelen meer gaan naar het scenario van defederalisering.

Het effect van het politieke traject van de respondenten is ook van belang. De enige statistisch significant variabele is deze van de regionale of gemeenschapservaring. Aangezien we het aantal regionale of gemeenschapsmandaten in rekenschap brengen, moeten we de resultaten als volgt interpreteren: in het geval dat alle andere zaken hetzelfde blijven, doet elk extra regionaal of gemeenschapsmandaat de voorkeuren van de respondenten verschuiven met 0,15 naar het scenario van defederalisering. Aangezien er vijf types regionale of gemeenschapsmandaten bestaan (Wallonië, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Franse Gemeenschap, Vlaanderen, Duitstalige Gemeenschap), bestaat dus een niet te verwaarlozen effect voor de respondenten met een sterke regionale of gemeenschapservaring.

De assemblee waarin de parlementsleden zetelen heeft eveneens een impact op hun institutionele voorkeuren. We spreken van een ‘positioneel’ effect: de parlementsleden hebben de neiging het machtsniveau te verdedigen waarin ze zelf zetelen. Dit stelden we vast in de nationale en regionale parlementen in Spanje.12 Deze hypothese is echter nog niet systematisch getest in België.

Gemiddeld gesproken hebben de leden van het federaal parlement, tegenover hun collega’s in het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een lichtjes zwakkere score van 0,25 punt. Het verschil is iets meer uitgesproken bij de leden van het Waals Parlement (een zwakkere score van 0,41 punt) en vooral bij de leden van het Vlaams Parlement (een zwakkere score van 0,45 punt). De multivariabele analyse bevestigt dus dat de leden van het Vlaams Parlement, gemiddeld, meer gunstige posities innemen voor een defederalisering dan de andere parlementsleden. Het effect is in dit geval, echter, relatief beperkt.

Tabel 4, tot slot, toont het effect van het feit een parlementslid van N-VA of VB te zijn. Tegenover het geheel van de leden van het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hebben de parlementsleden van die twee Vlaams-nationalistische partijen gemiddeld een aanzienlijk zwakkere score van 3,52 punten (met een foutenmarge van 0,31 punt). Daaruit blijkt de meer duidelijke tendens van de parlementsleden van N-VA en VB naar een defederalisering dan hun collega’s van andere partijen. Dit hoeft niet te verwonderen, gezien hun voorkeuren inzake institutionele kwesties.

VERGELIJKING MET DE KIEZERS

Tot slot vergelijken we de houding van de parlementsleden tegenover de bevoegdheidsverdeling in België met die van de kiezers.13 Hiervoor baseren we ons op de resultaten van het interuniversitaire onderzoek PartiRep, dat werd afgenomen naar aanleiding van de verkiezingen van 2014.14 Iets eerder dus dan het onderzoek bij de parlementsleden. Belangrijk is wel dat het hier een onderzoek betreft, enkel bij Vlaamse en Waalse kiezers. Brusselaars zijn hierin niet opgenomen.

Aan de kiezers werd exact dezelfde vraag gesteld over de bevoegdheidsverdeling. In Tabel 5 worden de resultaten weergegeven per partij.

Daaruit blijkt dat vooral de kiezers van N-VA en van Vlaams Belang op een duidelijk andere lijn zitten dan hun partij. Het gemiddelde van de kiezers van die twee partijen komt weliswaar uit op een decentralisering, maar die is eerder beperkt in vergelijking met de voorkeur van de parlemenstleden van de partij. De kloof tussen kiezers en volksvertegenwoordigers is het grootst bij Vlaams Belang, waarvan de kiezers enkel voorstander zijn van een lichte defederalisering (maar gezien het beperkt aantal kiezers van die partij in 2014 moeten de resultaten met enige voorzichtigheid worden geanalyseerd).

Ook bij de kiezers zien we aan de kant van de herfederalisering sp.a, Open VLD, Groen en PVDA opduiken. Bij de kiezers van de drie linkse partijen is dat iets minder uitgesproken dan bij de parlementsleden, al blijft het verschil beperkt. Het gemiddelde van de kiezers van Open VLD en CD&V komt op exact hetzelfde punt uit als dat van de parlementsleden van die partijen.

Aan Franstalige kant liggen de gemiddelden van kiezers en parlementsleden per partij dicht bij elkaar, maar de kiezers kiezen wel systematisch meer voor bevoegdheden bij België. De afstand is het grootst bij PTB (maar daar manen de zeer beperkte aantallen aan tot grote voorzichtigheid) en vervolgens bij cdH: 6,6 bij de kiezers tegenover 5,5 bij de parlementsleden. Bij de andere partijen is de afstand beperkt tot minder dan een half punt.

Vergelijken we Vlaamse en Franstalige kiezers, zien we dat de verschillen beperkt blijven tot één punt. Wel bevinden de gemiddelden van beide groepen zich elk aan de andere kant van de huidige situatie: Vlaamse kiezers zijn dus voorstander van een lichte defederalisering, Franstalige van een lichte herfederalisering. Kijken we tot slot naar het verschil tussen kiezers en parlementsleden als geheel, stellen we vast dat de kiezers de bevoegdheidsverdeling Belgischer inkleuren dan hun parlementsleden. En dit aan beide kanten van de taalgrens.

CONCLUSIE

De houding van de parlementsleden in het debat over staatshervorming is de voorbije jaren opmerkelijk geëvolueerd. Het meest opvallend is ongetwijfeld de ‘herfederaliseringsbocht’ die we vaststellen in vergelijking met 2011. De gemiddelden van de Franstalige partijen, sp.a, Groen en Open VLD komen nu uit op een (lichte) versterking van de bevoegdheden richting België. Een belangrijk deel van de parlementsleden lijkt dus de mening toegedaan dat de zesde staatshervorming een stap te ver ging in het overhevelen van macht naar de deelgebieden.

Drie partijen, waarvan twee grote, zitten niet op deze lijn: de CD&V-parlementsleden blijven gemiddeld kiezen voor een licht defederalingsscenario terwijl die van N-VA en VB weliswaar ook zeer licht evolueren tegenover 2011, maar in essentie op de positie blijven dat België best zo goed als geen bevoegdheden meer heeft.

Evenzeer als in het onderzoek naar de identiteiten van de parlementsleden blijkt de visie over de bevoegdheidsverdeling van België dus allerminst de vertegenwoordigers van de twee gemeenschappen tegenover elkaar te zetten. In tegenstelling tot wat men zou kunnen verwachten, zijn het de parlementsleden van twee Vlaamse partijen die het meeste bevoegdheden voor België willen (als we evenwel de PTB uitzonderen). Er is eerder sprake van een groeiende kloof tussen parlementsleden van de nationalistische partijen (N-VA en Vlaams Belang), die zo goed als geen België meer willen, en die van de andere partijen die iets minder of iets meer België willen, een kloof die in de eerste plaats door Vlaanderen snijdt.

We analyseerden in deze bijdrage de mening van de parlementsleden, geen officiële partijposities. In België is de macht van het parlement als instelling beperkt. Parlementsleden kunnen echter wel bijdragen tot de opinievorming en standpuntbepaling binnen hun partijen. In die zin suggereren de resultaten dat in de toekomst het spectrum van het debat over federalisme in België breder kan worden. In het verleden ging dat vooral over de vraag of bevoegdheden verder moesten worden weggehaald bij België en in welke mate. Het herfederaliseren van bevoegdheden - hoewel dit soms door bepaalde politici wel werd geopperd - maakte nooit echt deel uit van institutionele onderhandelingen. Nu er intussen veel bevoegdheden zijn overgedragen en men ook heeft kunnen zien hoe dit in de praktijk werkt en welke gevolgen dit heeft, blijkt dat alvast heel wat parlementsleden openstaan voor zo’n herfederalisering van sommige bevoegdheden. Als zij in de toekomst ook effectief kunnen wegen op het debat over staatshervorming, zou dat debat moeten verbreden, alsook de mogelijke evoluties van het Belgische federalisme.

Dave Sinardet
Professor politieke wetenschappen aan de VUB en aan de Université Saint-Louis Bruxelles
Min Reuchamps
Professor politieke wetenschappen aan de UCL
Jérémy Dodeigne
Post-doctoraal onderzoeker aan de UCL en deeltijs docent aan de Université de Liège

Noten
1/ Zie over de zesde staatshervorming o.a. Popelier Patricia, Sinardet Dave, Velaers Jan & Cantillon Bea (ed.), ‘België, Quo Vadis? Waarheen na de zesde staatshervorming?’, Antwerpen-Cambridge: Intersentia, 2012, 356 p.
2/ Zie o.a. J. Erk, L. Anderson, ‘The Paradox of Federalism: Does Self-Rule Accommodate or Exacerbate Ethnic Divisions?’, Regional and Federal Studies, 19, nr. 2, 2009, pp. 191-202.
3/ Zie bijvoorbeeld L. Hooghe, G. Marks, A. H. Schakel, The Rise of Regional Authority: A Comparative Study of 42 Countries, Londen, Routledge, 2010.
4/ Voor de sp.a klopt dit niet helemaal, aangezien die - in tegenstelling tot de PS - federaal ook in de oppositie zat tussen 2008 en 2011.
5/ Dave Sinardet, Min Reuchamps, Jérémy Dodeigne, ‘Belg, Vlaming, Waal... identiteiten van parlementsleden’, in: Samenleving en politiek, januari 2016, nr. 1, pp. 4-15.
6/ De standaardafwijking is een indicator van de gemiddelde spreiding van parlementsleden van een gegeven partij, op een schaal van 0 tot 10, tegenover de gemiddelde score van die partij.
7/ Dave Sinardet, Min Reuchamps, Jérémy Dodeigne, ‘Belg, Vlaming, Waal... identiteiten van parlementsleden’, in: Samenleving en politiek, januari 2016, nr. 1, pp. 4-15.
8/ De ‘snorrendozen’ zijn als volgt te begrijpen: de ‘snorrendoos’ vertegenwoordigt 50% van de antwoorden van de parlementsleden van de beschouwde partij, de zwarte verticale streep binnen de witte doos geeft de mediaan weer, de ruimtes links en rechts van de mediaan geven de waarden weer van 25% van de respondenten, en de uitersten van de zwarte horizontale strepen komen overeen met de minimale en maximale waarden. De punten geven dus de extreme waarden van de respondenten weer. Hoe meer de ‘snorrendoos’ is uitgestrekt, hoe meer de antwoorden van de parlements­leden zijn verspreid op de schaal van 0 tot 10 (en, dus, hoe zwakker de cohesie van de partij).
9/ Omdat we dan een categorie zouden moeten bijvoegen voor elk van de 14 aanwezige partijen.
10/ J. Dodeigne, P. Gramme, M. Reuchamps, D. Sinardet, ‘Beyond linguistic and party homogeneity: Determinants of Belgian MPs’ preferences on federalism and state reform’, Party Politics, 2015, pp. 1-13.
11/ Voor deze factor gebruiken we de Linz-Moreno vraag, in drie categorieën: een categorie met een meer Vlaamse/Franstalige dan Belgische identiteit (‘Ik voel me enkel Vlaming/Franstalig’ en ‘Ik voel me meer Vlaming/Franstalig dan Belg’), een categorie met een gemengde identiteit (‘Ik voel me evenveel Vlaming/Franstalig als Belg’) en een categorie met een meer Belgische dan Vlaamse/Franstalige identiteit (‘Ik voel me meer Belg dan Vlaming/Franstalig’ en ‘Ik voel me enkel Belg’).
12/ S. León, ‘Territorial cleavage or institutional break-up? Party integration and ideological cohesiveness among Spanish elites’, Party Politics, 2015.
13/ Voor een vergelijking tussen parlementsleden en kiezers op basis van de cijfers van 2011, zie Reuchamps Min, Sinardet Dave, Dodeigne Jérémy & Caluwaerts Didier, ‘Reforming Belgium’s federalism: Comparing the views of MPs and voters’, in: Government and Opposition, 2015.
14/ Voor meer details over de communautaire overtuigingen van de kiezers, zie Deschouwer Kris, De Winter Lieven, Sinardet Dave, Reuchamps Min, & Dodeigne Jérémy, ‘Communautaire overtuigingen en stemgedrag’, in: De kiezer ontcijferd. Over stemgedrag en stemmotivaties, Leuven, Lannoo Campus, 2015, pp. 151-167.

staatshervorming - parlement - communautaire verschillen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 2 (februari), pagina 74 tot 85