Abonneer Log in

Waar blijven de sociale correcties?

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 68 tot 75

In januari 2015 berekende Decenniumdoelen 2017 een eerste keer de gevolgen van de besparingen op Vlaams en federaal niveau voor de mensen aan de onderkant van de inkomensladder. Onze conclusie was verontrustend: de laagste 20% inkomens gingen er door de gevraagde besparingen en inleveringen significant op achteruit. Op dat moment werd echter beloofd dat er werk zou worden gemaakt van sociale correcties op alle besparingsmaatregelen, zodat mensen in armoede nauwelijks getroffen zouden worden. Een jaar later zien we dat deze belofte niet is ingelost. De Vlaamse en federale regering zitten ondertussen meer dan 500 dagen in het zadel: waar blijven de sociale correcties?

KOUDE KOPIE VAN HET WARME VLAANDEREN

‘Vlaanderen wil op het vlak van armoedebestrijding een topregio worden.’ Met deze boodschap kondigde de Vlaamse regeringin 2009 aan dat ze van intensieve armoedebestrijding een topprioriteit zou maken. ‘De Vlaamse regering wil inzetten op een duurzaam en warm Vlaanderen. De Vlaamse samenleving moet een solidaire samenleving zijn, ook wanneer de budgettaire middelen schaars zijn. Vlaanderen wil op het vlak van armoedebestrijding een topregio worden. Om die ambitie te kunnen realiseren, is een daadkrachtige aanpak nodig.’

Toegegeven, sinds de vraag naar meer gelijkheid terug is van (lang) weggeweest staat ook de armoedeproblematiek uitdrukkelijk op de agenda van de Wetstraat. In het parlement zijn er speciale commissies over armoede opgericht en in de verschillende regeringen werden coördinerende ministers of staatssecretarissen aangeduid die dikke actieplannen presenteren, met de nodige prioriteiten, speerpunten en operationele doelstellingen om al deze intenties waar te maken.

Nochtans is er ondanks al deze retoriek en woordenschat van deze daadkrachtige aanpak, laat staan van een substantiële vermindering van het aantal mensen in armoede, veel minder te merken. Van dat warme Vlaanderen is slechts een koude kopie beschikbaar.

Bea Cantillon, directeur van het Centrum voor Sociaal beleid (UA), drukte het enkele jaren geleden zo uit: ‘Met het armoedeprobleem in dit land is het hetzelfde als met ontwikkelingssamenwerking. Iedereen blijft herhalen dat we dringend 0,7 procent van het bbp aan ontwikkelingssamenwerking moeten besteden, maar er gebeurt uiteindelijk haast niets.’

Inderdaad, haast niets. Al jaren blijft het Belgisch armoedecijfer rond de 15% hangen. Een percentage dat in de toekomst niet zal dalen als het huidig beleid ongewijzigd blijft. Integendeel, door de maatregelen van de vorige regeringen is het aantal leefloners gestegen, blijft de kinderarmoede in Vlaanderen groeien, stellen meer mensen doktersbezoek uit, moeten nog meer mensen een beroep doen op de voedselbanken en wachten meer dan 100.000 mensen op een sociale woning.

Decenniumdoelen 2017, een samenwerkingsverband tussen arbeiders-, welzijns- en armoedeorganisaties, dat sinds 2007 ijvert voor een halvering van de armoede in tien jaar tijd, rekende twee jaar geleden uit hoelang het nog zou duren voor die halvering gehaald zou worden. De resultaten waren ontluisterend: om de gezondheidsongelijkheid te halveren moet er nog meer dan 11 jaar gewacht worden, om de helft van de arme gezinnen een inkomen te geven dat overeenkomt met de Europese armoededrempel moeten we 36 jaar geduld hebben en voor de bouw van de noodzakelijke 75.000 (extra) sociale woningen loopt de wachttijd op tot 48 jaar.

‘Hoelang denken de overheden dat te kunnen volhouden?’, vroegen de armoedeorganisaties zich toen af. Een vraag waarop tot op heden geen bevredigend antwoord is gekomen. Integendeel, het beleid van de huidige regeringen geeft immers vele redenen tot verhoogde ongerustheid en verontwaardiging.

EEN NIEUW ONDERZOEK

In januari 2015 onderzocht Decenniumdoelen 2017 de gevolgen van de besparingen op Vlaams en federaal niveau voor de mensen aan de onderkant van de inkomensladder. Ze kwam tot de verontrustende conclusie dat de laagste 20% inkomens, en dus niet alleen mensen in armoede, er door de gevraagde besparingen en inleveringen significant op achteruit zouden gaan. De verschillende regeringen reageerden toen met de belofte van sociale correcties op alle besparingsmaatregelen, zodat mensen in armoede nauwelijks getroffen zouden worden. Een jaar later zien we dat deze belofte niet is ingelost.

‘Waar blijven die sociale correcties?’ Dat blijft de vraag na een nieuw onderzoek van dit voorjaar op basis van beleidsnota’s, (voorstel van) decreten en officiële websites van overheden, overheidsinstellingen en parlementen. Bij dit onderzoek hebben we de enkel algemeen geldende maatregelen meegeteld en kozen we steeds voor de minste extra uitgaven, bijvoorbeeld voor wat water en elektriciteit betreft. We hielden noch rekening met de verhoogde accijnzen voor diesel, tabak en alcohol, noch met de lagere woonbonus of waar je woont, noch met de extra kosten door de wijzigingen in de ziekteverzekering, extra kosten voor pro-deo advocaten, anciënniteittoeslagen voor oudere werklozen, noch met lokale verschillen.Kortom, we keken enkel naar de directe effecten op het inkomen van de gezinnen.

Een laag inkomen definiëren we als een inkomen onder de 22.000 euro en afhankelijk van de gezinssituatie onder de 32.500 euro. Het inkomen komt uit loon of uit een uitkering. We onderscheiden vier types gezinnen: een alleenstaande met een jong kind, een koppel met 2 jonge kinderen, een koppel met 3 tieners waaronder 1 student hoger onderwijs en een gepensioneerd koppel. Zo komen we tot 11 types gezinnen (Tabel 1).

Geconfronteerd met kritiek van oppositie en middenveld, verwijzen zowel de federale als de Vlaamse regering regelmatig naar de ingevoerde sociale correcties voor de allerzwaksten, vooral dan voor de leefloontrekkers. Dit is echter een beperkte groep in Vlaanderen. Het aantal leefloners bedroeg eind 2015 ongeveer 26.400.1 Het aantal mensen dat in armoede leeft of zich bestaansonzeker noemt, ligt met 11% van de Vlamingen echter een pak hoger. Onze berekeningen neemt deze groep bestaansonzekeren mee in het vizier. De gezinstypes waarvoor we de simulatie maken, omvatten gezinnen uit de laagste 20% van de inkomensladder in Vlaanderen.

WELKE BESPARINGSMAATREGELEN?

In onze berekeningen zijn verschillende maatregelen opgenomen: de verhoging van de bijdrage van de zorgverzekering (Vlaamse maatregel), de verhoging van de inkomensgerelateerde kinderopvang voor het laagste tarief (Vlaamse maatregel), de indexsprong in de kinderbijslag (Vlaamse maatregel), de indexsprong (federale maatregel), de verhoging van de maximumfactuur voor het lager onderwijs (Vlaamse maatregel), de btw-verhoging op elektriciteit (federale maatregel), de afschaffing van gratis water en gratis elektriciteit (Vlaamse maatregel) en de Turteltaks (Vlaamse maatregel).

Andere maatregelen zijn ook al gekend, maar hebben gevolgen die de gezinnen (zouden) kunnen vermijden. Ze zijn ‘niet verplicht’ (sic) om het openbaar vervoer te nemen of zich in te schrijven voor het volgen van volwassenenonderwijs. Deze besparingsmaatregelen hebben we niet in onze rekeningen opgenomen, maar het is wel duidelijk dat ze de zwakste gezinnen, die sterk afhankelijk zijn van het openbaar vervoer of die een volwassenenvorming nodig hebben om een job te vinden, hard treffen.

De keuze voor de gezinstypes in de simulatie brengt met zich mee dat bepaalde maatregelen niet (of niet altijd) van toepassing zijn voor deze gezinnen, zoals de afschaffing van de anciënniteittoeslag voor oudere werklozen of de minder gunstige Inkomensgarantie-uitkering voor deeltijds werkenden (IGU) of de inschakelingsuitkeringen. Maar het zijn wel reële inleveringen voor deze groepen.

Daarnaast zijn een aantal maatregelen nog niet gekend of moeilijk te berekenen. Denk aan het verhogen van belastingen of retributies door lokale besturen, een hogere ledenbijdrage in verenigingen, duurdere cultuur, de effectieve besparingen op het investeringsbudget voor sociaal wonen, de reeks wijzigingen aan het sociaal huurbesluit, de gelijkschakeling van de remgelden voor specialisten, de besparingen in het onderwijs of het nieuw systeem van Vlaamse kinderbijslag met andere bijslagen. Kortom: we zijn bescheiden gebleven bij onze inventaris van besparings- en inleveringsmaatregelen.

Uiteraard hebben we de duidelijk positieve maatregelen in het onderzoek betrokken. De taxshift heeft gevolgen op de netto-inkomens (inclusief de stijging van de forfaitaire beroepsaftrek voor de werkenden). En ook de verhoging van de minimumuitkeringen, de afschaffing van de belastingschijf van 30% en de welvaartsvastheid van de pensioenen hebben eveneens een gunstig effect.

DE NEGATIEVE IMPACT VAN DE BESPARINGSMAATREGELEN

De resultaten van ons onderzoek zijn verontrustend: in 2016 kost het besparingsbeleid deze gezinnen gemiddeld 908 euro per jaar of 76 euro per maand. Als we Tabel 2 en Tabel 3 naast elkaar leggen, en de impact tussen 2015 en 2016 vergelijken, dan merken we een stijgende neerwaartse trend!

De verschillen tussen 2015 en 2016 zijn voor sommige gezinstypes frappant. Voor gezinnen met een leefloon en voor gezinnen die uit meerdere personen bestaan (koppels met kinderen) is er een merkbare daling die volledig te wijten is aan de nieuwe berekening van de waterfactuur. Gezinnen met een leefloon moeten immers maar 25% van hun waterfactuur betalen. De nieuwe berekening van de waterfactuur is ook positief voor gezinnen die bestaan uit meerdere personen; voor kleinere gezinnen is er geen of een negatief effect. Daarnaast is er, op 1 jaar tijd, een merkbare stijging van de lasten voor iedereen die werkt of werkloos is. Naast de indexsprong springen vooral de kosten voor energie in het oog. Deze kosten stijgen hier tot 270 euro extra per jaar.

Het besparingsbeleid kost de laagste inkomens elk jaar meer geld. Van gemiddeld 52 naar 76 euro, of 24 euro per maand meer. En voor sommige gezinstypes stijgt de inspanning van 65 naar 111 euro, of 46 euro per maand meer!

EEN GERING POSITIEF RESULTAAT VAN DE SOCIALE CORRECTIES

De regering-Michel I en de regering-Bourgeois I beloofden corrigerende maatregelen.

Op het federale niveau zijn er vanaf midden 2015 twee gekend: de stijging van de forfaitaire beroepsaftrek voor de werkenden en de verhoging van de minima van 2% (reeds opgenomen in onze tabel met betrekking tot de lonen). Daarnaast zijn er nog de maatregelen in het kader van de taxshift: de koopkrachtverbetering door de afschaffing van de belastingschijf van 30% vanaf januari 2016, de welvaartsvastheid van de pensioenen en de sociale correcties voor de btw-hervormingen. Voor de verhoging van de minima werd 50 miljoen voorzien. Vanaf april 2016 wordt nog eens 25 miljoen verdeeld over de leeflonen.

Ook de Vlaamse regering beloofde een aantal corrigerende maatregelen. De hervorming van de waterfactuur is uitgevoerd; de maatregelen tegen de energiearmoede zijn nog niet gekend.

In Tabel 4 zien we dat de koopkrachtverbetering door het afschaffen van de belastingschijf van 30% en de forfaitaire aftrek voor een voltijdse werkende een bonus van bijna 1.000 euro per jaar oplevert. Deze koopkrachtverbetering is bijna nihil (11 euro per jaar) voor halftijdse werkenden omwille van hun laag inkomen (halftijds minimumloon!). De 27.000 leefloners in ons land krijgen er vanaf april 2016 zo’n 22 euro bij (voor alleenstaanden is dit 11 euro, voor samenwonenden is dit 18 euro). Dat is een kleine 200 euro per jaar. Werklozen krijgen niets, enkel de degressiviteit van hun inkomen op langere termijn.

Tabel 5 levert een totaalbeeld op van de lasten van 2016 per jaar. Het verschil tussen de verschillende groepen gezinnen blijkt bijzonder groot. Dit wordt nog duidelijker als we de lasten berekenen per maand (Tabel 6). Gezinnen met een leefloon (behalve het koppel met drie kinderen, omwille van de positieve correctie van de waterfactuur) en gezinnen die leven met een werkloosheidsvergoeding, betalen per maand tussen de 50 en 110 euro extra. Leefloners krijgen een kleine compensatie, werklozen niet. Gezinnen waarvan 1 lid halftijds werkt en het ander lid volledig werkloos is, betalen de volle pot. Gezinnen waar minstens 1 iemand voltijds werkt, moeten veel minder inleveren in 2016. Er is zelfs één gezinstype, voltijds werkende met 1 kind, die er op vooruit gaat. De taxshift geeft de werkenden inderdaad een ernstige compensatie, maar niet volledig. De twee andere gezinstypes leveren nog 20 tot 30 euro per maand in. Gepensioneerden gaan er niet op vooruit. Integendeel. Vooral de gezinnen met een laag pensioen gaan er sterk op achteruit.

Als we deze totale balans bekijken, dan kunnen we alleen maar tot de beschamende conclusie komen dat de laagste inkomens in Vlaanderen gemiddeld 44 euro per maand zullen inleveren. En voor velen is dat bedrag nog hoger, tot 110 euro per maand!

‘Deze regering heeft een sociaal hart en wil mensen, die deze indexsprong minder goed aankunnen dan anderen, beschermen tegen de directe gevolgen, in afwachting van de positieve gevolgen op de groei en de werkgelegenheid’. Dat verklaarde federaal vicepremier Kris Peeters in 2014. Van dat sociaal gelaat hebben we (nog altijd) weinig of niets gemerkt. Het is inderdaad juist dat de taxshift een positief effect heeft op de lagere inkomens. Maar voor wie slechts halftijds werkt en/of te weinig verdient om (veel) belastingen te betalen, is het resultaat pover. Voor gepensioneerden en werkzoekenden is er geen effect. En de kleine verhogingen voor mensen met een leefloon blijven totaal onvoldoende om deze over de armoedegrens te trekken.

HET BELEID CORRIGEREN

Nog steeds overleven bijna 1,7 miljoen Belgen (700.000 Vlamingen) in armoede. Van een structurele daling van de armoede is in België en Vlaanderen geen sprake. Dat is een even merkwaardig als onaanvaardbaar gegeven in een land dat tot de rijkste in de wereld hoort. Het is bovendien triest te moeten vaststellen dat het beleid van de verschillende regeringen de kans verhoogt op een toename van de armoede in plaats van een daling. Het is dan ook weinig waarschijnlijk dat de door de verschillende regeringen aanvaarde streefcijfers op Europees niveau (EU2020) en op Vlaams niveau (Pact 2020) zullen worden gehaald. Van een halvering van de kinderarmoede en de vermindering met een derde van de globale armoede zal met het huidige beleid geen sprake zijn.

De aankondigingen van de diverse regeringen om ‘hun sociaal gelaat’ te tonen en van hun belofte om de uitkeringen tot boven de armoedegrens op te trekken, behoren meer tot het domein van de goedklinkende retoriek dan van een structurele armoedebestrijdingspolitiek. De mensen aan de onderkant van de inkomensladder blijven inleveren. Ook wie al in armoede leeft heeft weinig hoop op een betere toekomst. Het lijkt meer en meer op een structurele stijging van de lastenverhoging voor de laagste inkomens. Begrijpe wie kan.

Uiteraard is een ander beleid wenselijk en mogelijk. Bepaalde maatregelen hebben een positief effect, ook of zelfs specifiek voor de lagere inkomensgroepen. Uiteraard zal dat extra middelen kosten. Maar ook binnen de bestaande budgetten zijn er mogelijkheden. Zo kan de Vlaamse regering in het systeem van de kinderbijslagen door een verhoogde selectiviteit (gunstig voor de laagste inkomens) in te voeren en de universaliteit (het recht van elk kind) te behouden, de kinderarmoede effectief doen dalen. En wat belet deze regering om hun eigen armoedetoets te gebruiken om het sociaal effect uit te rekenen van hun begrotingsmaatregelen en beleidsvoorstellen, en desgevallend sociaal bij te sturen. Corrigeren vooraleer het beleid wordt uitgevoerd, lijkt ons in deze tijden een absoluut minimum.

Dat ander beleid verbreedt onze vraag ‘Waar blijven de sociale correcties?’ naar de vraag naar een ‘sociaal gecorrigeerd beleid’ waarin aanvaard wordt dat grotere ongelijkheid en stijgende armoede de ganse samenleving ondermijnen.

De strijd tegen de armoede heeft te lang in de niche van het politiek debat gezeten. Het zou bijzonder cynisch zijn dat ze nu in een andere hoek terechtkomt, namelijk deze van de liefdadigheid en van het paternalisme. Armoede is, politiek gezien, niet alleen een probleem van een ‘doelgroep’. Het is geen ‘individueel’, maar een samenlevingsprobleem en dient als zodanig erkend en benaderd te worden.

Dat veronderstelt bovendien dat we weg moeten van een eenzijdig individueel ‘eigen schuld, dikke bult’-model en een eng activeringsbeleid dat mensen in armoede sanctioneert in plaats van de armoede reduceert. Dat vereist ook dat de door onze regeringen aanvaarde doelstellingen en streefcijfers op Europees en op Vlaams niveau omgezet worden in meetbare normen met de daarbij horende budgetten en timing. Met minder kunnen we niet tevreden zijn als we nog meer armoede willen vermijden.

Jos Geysels
Voorzitter Decenniumdoelen 2017

Noot
1/ http://aps.vlaanderen.be/lokaal/domeinen/welzijn\_kansarmoede/maak\_zelf\_een\_rapport\_welzijn.html.

sociale correcties - armoede - besparingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 68 tot 75