Log in

Toen donderde het in Keulen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 13 tot 19

Dit essay brengt een motief in beeld dat we steeds vaker in de Belgische actualiteit tegenkomen, zoals in het nieuws over aanrandingen in Keulen of aan het zwembad van Koksijde, cursussen ‘omgaan met vrouwen’ in asielcentra, en de nieuwkomersverklaring. Het gaat hier om het motief van de ‘donkere’ man als seksueel roofdier dat zich niet ‘beschaafd’ weet te gedragen ten aanzien van vrouwen. Dit gegendered motief, zo stellen we, speelt een cruciale rol in processen van racialisering, waardoor categorieën van etniciteit en ras (inclusief begrippen van allochtoon en autochtoon) tot stand komen. En morele paniek over (seksueel) geweld, zo argumenteren we, is een cruciale manier waarop die racialisering zich voltrekt.

Op oudejaarsnacht werden in Keulen tientallen vrouwen aangerand en beroofd. Een vrouw zou zijn verkracht. Het jaar opende aldus op een onaanvaardbare gewelddadige wijze - geweld dat niet beperkt blijft tot de vrouwen wier onvervreemdbaar recht op lichamelijke integriteit geschonden werden. Geweld op vrouwen heeft immers een disciplinerend effect dat de leefwereld van vrouwen die persoonlijk getroffen worden, overstijgt: wanneer een enkele vrouw in de publieke ruimte aangerand wordt, zullen vele anderen overwegen om ‘s avonds niet op straat te lopen, of toch niet alleen, of toch niet met een kort rokje aan.

Verhalen over geweld op vrouwen werken in dat opzicht zoals moraliserend sprookjes. Terwijl Roodkapje en de wolf geen twijfel laat over de slechte aard van het roofdier, leren kleuters in onze contreien vooral dat Roodkapje niet het pad had mogen verlaten om bloemen te plukken, en dat ze beter niet tegen vreemden had gesproken. Gelukkig liep het allemaal goed af voor Roodkapje, maar de uiteindelijk moraal van het verhaal is dat de pientere meid ondertussen haar lesje wel heeft geleerd!

Het feminisme leerde ons zien hoe verhalen over geweld tegen vrouwen vaak een performatief effect hebben: ze creëren een veel ruimer disciplinerend effect die de bewegingsvrijheid en autonomie van vrouwen inperken. Maar de disciplinering blijft niet beperkt tot de figuur van het vrouwelijke slachtoffer. Diezelfde verhalen vertellen ons immers ook iets over de daders van het geweld - over de boze wolf.

In de aanvankelijke berichtgeving over het seksueel geweld in Keulen werd zowel de gesuggereerde schaal van het geweld (in de aanvankelijke berichtgeving leek het om honderden vrouwen te gaan) alsook de ‘vreemdheid’ van de daders (de aanvankelijke berichtgeving had het specifiek over vluchtelingen, hetgeen vervolgens onjuist bleek) sterk benadrukt. Dergelijke voorstellingen zijn niet nieuw: aan de basis van dit soort morele paniek vinden we het motief van (seksueel) gewelddadige mannen die als zwart of bruin geracialiseerd worden. Zo wees Angela Davis (1983) in de context van de Verenigde Staten op the myth of the Black rapist, of het idee dat zwarte mannen een bijzondere aanleg zouden hebben om seksueel geweld te plegen, in het bijzonder tegen witte vrouwen. Die mythe diende vaak ook als rechtvaardiging voor lynchpartijen, racisme en segregatie.

Een drijvende kracht achter het Europese kolonialisme, alsook een effectieve rechtvaardiging ervan, is het idee van de ‘beschavingsmissie’ (la mission civilisatrice), die westerse naties een morele rol (the white man’s burden) toedicht om ‘beschaving’ te brengen naar wat gezien werd als onbeschaafde volkeren en regio’s. Om dat ongeciviliseerd karakter aanschouwelijk te maken, werd vaak ingezoomd op het geweld en seksisme van gekoloniseerde mannen en patriarchale tradities en gebruiken. Dit geweld werd als kenmerkend gezien voor gekoloniseerde samenlevingen, en gecontrasteerd met de bescherming en promotie van de status, emancipatie en rechten van vrouwen door koloniale machten. De postkoloniale denkster Gayatri Spivak (1988) vatte het uitgesproken gegenderde karakter van deze koloniale beschavingsmissie samen in de boutade ‘white men saving brown women from brown men.’ Leila Ahmed (1992) toonde de structurele hypocrisie van dergelijke beschavingsmissies aan: terwijl de Britse bezetter in Caïro, Lord Cromer, de gelijkheid van mannen en vrouwen inriep voor een koloniaal project, verzette hij zich in London tegen de suffragettes en hun strijd voor het stemrecht voor vrouwen.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden en analyses die een licht werpen op hoe het heersende discours rond seksueel geweld en seksisme vaak verweven is met xenofobe, racistische en koloniale beweegredenen (Coene & Longman, 2005; Bracke en De Mul 2009). Ook vandaag zien we dat rechtse bewegingen in Europa de vrouwenemancipatie schijnbaar omarmen om een westerse culturele superioriteit ten toon te spreiden en een anti-immigratie agenda door te voeren.

‘HET MORELE GEVAAR’ VAN DE VREEMDE MAN

Het motief van de gewelddadige ‘donkere’ man overheerste in de berichtgeving en publieke opinie over het seksuele geweld in Keulen: wolven die zich op het pad begeven van Roodkapje, en die de normen en waarden van Roodkapje’s samenleving niet delen. De gebeurtenissen gaven ook aanleiding tot het aankondigen van maatregelen, met meer bepaald Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken die voorstelde om een cursus ‘omgaan met vrouwen’ in te richten in asielcentra.

Dit voorstel mag opvallend heten omwille van een aantal redenen. Zo is het veelzeggend dat de enige beleidsmaatregel in relatie tot een voorval van seksueel geweld, dat bovendien plaatsgreep in een buurland, vanuit de bevoegde instanties voor asiel- en migratiebeleid kwam, en bijvoorbeeld niet vanuit gelijke kansenbeleid en vrouwenemancipatie. Op geen enkel moment suggereerde Francken dat zijn cursus deel zou zijn van een breder actieplan waarin ook cursussen ‘omgaan met seksisme’ in het parlement, op de werkvloer van bedrijven, of aan de universiteiten (we kennen een aantal collega’s die zo’n cursus erg goed zouden kunnen gebruiken) gegeven zouden worden. Bovendien ging de staatssecretaris er zonder meer van uit dat vluchtelingen en asielzoekers ‘andere’ waarden en normen hebben die aan de basis zouden liggen van het crimineel gedrag zoals dit zich in Keulen heeft gesteld. Een simpele bevraging in een asielcentrum had nochtans snel duidelijk gemaakt dat dergelijk gedrag ook vanuit de waarden- en normenkaders van asielzoekers niet wordt aangemoedigd en zelfs sterk wordt afgekeurd.

Tekenend voor deze morele paniek was ook de aankondiging van de burgemeester van Koksijde om in zijn gemeente een zwembadverbod in te voeren voor asielzoekers. Achteraf bleek het om een ‘inschattingsfout’ te gaan. Toch kon het voorstel bij de staatssecretaris op applaus rekenen. In een VRT-interview stelde hij dat er superhard moest worden opgetreden tegen inbreuken op de fysieke integriteit, zeker bij jonge meisjes, en liet zich daarbij nog ontvallen:‘Alstublieft zeg, het moet maar uw dochter zijn’.1 Bijzonder pijnlijk werd dit echter toen bekend werd dat de asielzoeker in kwestie een 10-jarig meisje met een beperking had proberen te helpen. De man werd dan ook niet aangehouden maar was intussen wel overgebracht naar een gesloten asielcentrum. Een zwembadverbod kwam er niet, maar de gemeente zou wel maatregelen nemen. Aan Fedasil werd gevraagd om in de centra een cursus over ‘onze waarden en normen’ in te richten en de asielzoekers zouden ook naar het zwembad begeleid worden. Volgens de burgermeester kwamen de asielzoekers namelijk niet zwemmen maar ‘enkel staren naar de vrouwen’. 2

Een maand later, naar aanleiding van een vechtpartij in een asielcentrum in Leopoldsburg, grijpt de staatsecretaris opnieuw de gelegenheid aan om te benadrukken dat asielzoekers zich aan ‘onze’ regels moeten aanpassen.3 De vechtpartij was ontstaan nadat een Syrisch meisje er werd op aangesproken dat ze geen hoofddoek droeg. Ook hier werd eenzijdig ingezoomd op de onaangepaste waarden van asielzoekers, terwijl het conflict net was ontstaan omdat een groep asielzoekers zich achter het meisje had geschaard.

Het hardnekkige motief van de ‘geweldadige donkere man’ wordt nog versterkt door het oriëntalisme dat een fundamentele andere aard (andere waarden en normen, andere cultuur) toeschrijft aan mensen met een Arabische achtergrond. De mythe dat vrouwen geweld kunnen verwachten uit de hoek van die ‘wolf’ staat echter in sterk contrast met de werkelijkheid van geweld tegen vrouwen. Dat etniciteit een significante indicator zou zijn voor het voorkomen van geweld tegen vrouwen is immers nog nooit aangetoond (Pieters et al. 2010). Het merendeel van geweld tegen vrouwen gebeurt ook in de huishoudelijke sfeer, door een bekend persoon, vaak een vertrouwenspersoon. Maar deze feiten verdwijnen in het beste geval naar de achtergrond en de morele paniek naar aanleiding van de gebeurtenissen in Keulen staat in scherp contrast met de stilte over andere vormen van geweld tegen vrouwen. Dit stoot tegen de borst, maar maakt vooral duidelijk wat Leila Ahmed (1992) reeds blootlegde: niet alleen staat de verhoogde aandacht voor het seksisme van de ‘vreemde man’ in schril contrast tot het gebrek aan aandacht voor het seksisme bij de ‘eigen’ mannen; het vervult tevens een rol die niets te maken heeft met een bezorgdheid om seksisme en vrouwen, maar wel met het controleren en disciplineren van die ‘andere man’.

NIEUWKOMERS DISCIPLINEREN

Een paar maanden na Theo Franckens voorstel van een cursus ‘omgaan met seksisme’ in asielcentra in te richten, kwam hij samen met Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken Jan Jambon met een ontwerp ‘Nieuwkomersverklaring’ voor de dag. De ontwerptekst zelf, en meer bepaald de referentie naar het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 dat het wijzigt, maakt duidelijk dat het hier gaat om het regelen van ‘de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. Francken en Jambon willen nieuwkomers een verklaring laten ondertekenen waarin ze aangeven de cultuur en de regels van het land te respecteren. Het niet ondertekenen van de verklaring heeft een impact op het dossier van de nieuwkomer. De ontwerptekst van het KB stelt dit niet uitdrukkelijk, maar de politieke context suggereert dat het niet ondertekenen van de verklaring een negatieve weerslag zal hebben op de toekenning van het verblijfsrecht.

In lijn met de problematische en essentialistische notie van cultuur (en ‘waarden en normen’) die hoogtij vieren in de huidige politieke economie, zijn de openingslijnen van de verklaring veelzeggend: ‘Nieuwkomers, zoals u, zijn vaak afkomstig uit landen met een andere culturele achtergrond.’ We kunnen het problematische gehalte van het concept ‘cultuur’ in dit hele verhaal niet genoeg benadrukken. De wijze waarop cultuur in de nieuwkomersverklaring ingeroepen wordt, is gebaseerd op een essentialistische conceptualisering die reeds lang door antropologen en cultuurwetenschappers ontmanteld werd als analytisch onhoudbaar en zeer problematisch. Cultuur is immers geen vastomlijnd geheel van opvattingen, normen en waarden dat vastgepind kan worden, en op basis waarvan mensen in duidelijke groepen onderscheiden kunnen worden. De culturalistische visie waarop dit soort beleidsmaatregelen gestoeld is, houdt bovendien geen rekening met economische en materiële dimensies die de sociale werkelijkheid mee vormgeven. Bepaald gedrag of opvattingen projecteren op een hele bevolkingsgroep, als ‘hun cultuur’, is zonder meer een racistische redenering en geen correct uitgangspunt voor het ontwikkelen van een opvang- en integratiebeleid, noch van een samenlevingsmodel.

De nieuwkomersverklaring doet bovendien, op een meer subtiele maar ook meer ingrijpende wijze, wat Franckens cursus ‘omgaan met seksisme’ reeds deed: via losse en stigmatiserende associaties een bedreigende verbeelding van ‘het vreemde’ cultiveren. Het ontwerp werd bekend gemaakt in de week volgend op de officiële rouwdagen na de aanslagen in Zaventem en Brussel van 22 maart 2016. Deze timing lijkt significant: dat was een moment van nationale shock dat zich leent voor het sluiten van de nationale rangen, en tevens een moment waarin verschillende ministers, en niet in het minst Jambon, onder vuur kwamen te liggen.

In principe beoogt de verklaring nieuwkomers ‘cultuur’ en ‘waarden en normen’ te doen onderschrijven die in België gangbaar zijn, maar de daders van de aanslagen in België waren, net zoals die in Keulen, geen nieuwkomers. Het waren mannen, geboren en getogen in West-Europese landen, die school liepen in een West-Europees onderwijssysteem en daar toch meer dan voldoende zouden moeten geconfronteerd geweest zijn met de westerse cultuur, normen en waarden. Vanuit een standpunt van effectiviteit kan de nieuwkomersverklaring (in tegenstelling bijvoorbeeld tot maatregelen in het onderwijs) dan ook nauwelijks als een slagkrachtig instrument beschouwd worden om dergelijke problemen aan te pakken.

Wat de verklaring wel doet, is de contouren van ‘onze’ cultuur uitstippelen en hiermee ook de demarcatielijn tussen ‘het eigene’ en ‘het andere’. De nieuwkomersverklaring heeft, met andere woorden, een uitgesproken symbolische functie waarin genderrelaties een centrale rol spelen. Ze komen aan bod als een van de vier fundamentele vrijheden die volgens de verklaring gewaarborgd zijn door de grondwet, en meer bepaald in de vorm van ‘de beleving van seksuele geaardheid’. Daarnaast wordt het vrijwaren van dezelfde rechten en plichten voor mannen en vrouwen als een van de cruciale principes beschouwd die nieuwkomers moeten ‘begrijpen en aanvaarden.’ Een aantal rechtsgeleerden stellen hier reeds serieuze kanttekeningen bij. Zo wees Jogchum Vrielink (2016) op het selectieve karakter van die rechten en vrijheden: enkel die waarvan men meent dat de nieuwkomers ze niet aanvaarden, zijn opgenomen in de verklaring, terwijl rechten waarmee we wat meer moeite hebben (zoals het verbod op discriminatie of de bescherming van vluchtelingen) niet worden vermeld. Kortom, de nieuwkomersverklaring past in het bredere beschavingsnarratief waarin de ‘ander’ gedisciplineerd moet worden en de eigen tekortkomingen en mensenrechtenschendingen netjes buiten beeld blijven.

WIENS LEVEN HYPOTHEKEREN?

Dat we hier mijlenver staan van een beleid dat seksueel geweld au sérieux neemt, mag ondertussen duidelijk zijn. In februari 2016 oordeelde een rechter in Gent dat een man - een witte Vlaming - die beschuldigd werd van het verkrachten van een vrouw op de werkvloer geen straf moest uitzitten. Voor alle duidelijkheid: de rechter achtte de man schuldig en oordeelde dat het hier wel degelijk om verkrachting ging.4 Hij erkende dat de vrouw een slordige 9 keer duidelijk ‘nee’ tegen de man zei. Maar de man in kwestie kreeg een opschorting van straf. De man had geen strafblad, en de rechter wilde omwille van een verkrachting het leven van de man niet ‘verder hypothekeren’.5

De rechter had het in feite niet duidelijker kunnen verwoorden. Geweld tegen vrouwen wordt afgerekend op wiens leven ‘gehypothekeerd’ mag worden. Het wordt maar interessant om een man te straffen voor seksueel geweld in het algemeen, en verkrachting in het bijzonder, als er een grond is om de dader ‘zijn leven te hypothekeren’. En die grond heeft alles te maken met etniciteit, ras, klasse en status in de samenleving. De Syrische vluchteling die hier gehavend aankomt? Yep. De jonge man van Marokkaanse afkomst die in de criminaliteit verzeild geraakte? Ja, graag. Een witte Vlaming? Ah nee, we gaan zo iemands verdere leven toch niet hypothekeren omwille van een verkrachting.

De zaak van deze verkrachting is, jammer genoeg, allesbehalve uitzonderlijk - behalve dan misschien voor het feit dat de vrouw aangifte deed. We mogen niet vergeten dat de UN Human Rights Council ons land reeds herhaaldelijk op het matje riep naar aanleiding van het hoge percentage van verkrachtingen (bijna 8 gerapporteerde verkrachtingen per dag, hetgeen een onderrapportering is van de eigenlijke verkrachtingen) in combinatie met het lage percentage van veroordelingen. Ook Amnesty International trok de laatste jaren de aandacht op de situatie in België als het op seksueel geweld aankomt. Ongeveer 13% van de gerapporteerde verkrachtingen leiden tot een veroordeling, en daarmee zit België wel onder het Europese gemiddelde. Maar het komt nauwelijks als een verrassing dat dergelijke vaststellingen weinig maatschappelijk debat, laat staan beleidsinterventies, teweegbrengen.

Toen de toenmalige minister voor Gelijke Kansen Joëlle Milquet in 2014 haar wet tegen seksisme ontwierp, was het rapport van Amnesty International nog niet zo lang uit. Toch was het niet dat rapport dat ‘haar ogen opende’ voor de verankering van seksisme in de Belgische samenleving, maar wel de documentaire Femme de la rue, waarin een sterke associatie gemaakt wordt tussen het lastigvallen van vrouwen op straat en Magrebijnse jongeren (Bracke 2014). Ook hier een gelijkaardig refrein: geweld tegen vrouwen wordt beleidsmatig slechts interessant - en dan meer specifiek als disciplineringsinstrument - als witte vrouwen het slachtoffer van bruine of zwarte mannen zijn. De etniciteit en de racialisering van de dader is, met andere woorden, doorslaggevend in de problematisering van geweld tegen vrouwen.

Is dat dan ‘onze cultuur’ waarin ‘nieuwkomers’ moeten integreren: een hoog aantal verkrachtingen en een laag percentage vervolgingen van daders (twee elementen die kenmerkend zijn voor rape culture), samen met onder meer een persistente loonkloof en een glazen plafond om U tegen te zegen? Dit zijn precies de sociale werkelijkheden die doorheen de symbolische politiek van de nieuwkomersverklaring gemystificeerd worden.

MORAAL VAN HET VERHAAL?

Seksisme en seksueel geweld zijn niet te herleiden tot simpele wij-zij-tegenstellingen waarin de ene groep wordt voorgesteld als geëmancipeerd en de andere groep als patriarchaal en seksistisch. Seksisme en grensoverschrijdend seksueel gedrag zijn niet het voorrecht van migranten of vluchtelingen.

De wijze waarop de maatschappelijke houding tot seksueel geweld in het bijzonder, en vrouwenemancipatie in het algemeen afhankelijk gemaakt wordt van de etniciteit en racialisering van de dader is dan ook diep problematisch.

Dat het hierbij niet om een oprechte bezorgdheid om de slachtoffers van seksueel geweld gaat, is bovendien wraakroepend. Het enthousiasme waarmee incidenten zoals dat in Keulen worden aangegrepen door beleidsmakers, staat immers in schril contrast met het gebrek aan daadkracht bij de aanpak van seksisme, racisme en andere vormen van machtsongelijkheid en discriminatie o.a. in het onderwijs en de arbeidsmarkt. Zichzelf opwerpen als verdedigers van vrouwenrechten wordt zo een handig excuus om andere vormen van discriminatie ongemoeid te laten.

Een cursus anti-seksisme en tegen geweld op vrouwen? Mensen verklaringen laten ondertekenen dat ze het principe van man-vrouw gelijkheid aanhangen? Goed, maar dan voor iedereen. Te beginnen met zij die dit land besturen, subsidies afschaffen voor vrouwenorganisaties, in het hele middenveld besparingsmaatregelen invoeren die vrouwen disproportioneel treffen, en het grote kapitaal - dat erg mannelijk is - gerust laten.

Sarah Bracke, Karen Celis, Gily Coene en Sophie Withaeckx
Rhea-expertisecentrum VUB

Noten
1/ Geen zwembadverbod voor asielzoekers, De Standaard, 25/01/2016.
2/ Ibid.
3/ Theo Francken. ‘Vluchtelingen in asielcentrum moeten zich aan ons aanpassen’, Knack.be, 20/02/2016.
4/ Met een penetratie die weliswaar, volgens de rechter, ‘niet brutaal’ was… ‘Veel onbegrip voor vonnis Gentse verkrachter’, De Standaard, 04/02/2016.
5/ Ibid.

Referenties
- Ahmed Leila (1992) Women and Gender in Islam: Historical Roots of a Modern Debate. New Haven: Yale University Press.
- Bracke Sarah (2014) ‘Sexism and the Specter of the Arab/Muslim Man. The Case of the Law Against Sexism in Belgium,’ paper presented at the Center for European Studies, Harvard University, December 10, 2014.
- Bracke Sarah & De Mul Sarah (2009) ‘In naam van het feminisme. Beschaving, multiculturaliteit en vrouwenemancipatie,’ In: Karel Arnaut, Bambi Ceuppens, Sarah De Mul, Nadia Fadil & Meryam Kanmaz, Een leeuw in een kooi. De grenzen van het multiculturele Vlaanderen. Amsterdam: Meulenhoff | Manteau.
- Coene Gily & Longman Chia (red.) (2005) Eigen Emancipatie Eerst? Over de rechten van vrouwen en representatie in een multiculturele samenleving, Gent: Academia Press.
- Davis Angela (1983) Women, Race & Class. New York: Vintage Books.
- Fanon Frantz (2008) Black Skin, White Masks. New York: Grove Press.
- Pieters Jérome, Italiano Patrick, Offermans Anne-Marie & Hellemans Sabine (2010), Ervaringen van vrouwen en mannen met psychologisch, fysiek en seksueel geweld, Brussel: Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen.
- Spivak Gayatri (1988) ‘Can the Subaltern Speak?,’ In: Cary Nelson and Lawrence Grossberg (eds.) Marxism and the Interpretation of Culture, Champaign, IL: University of Illinois Press.
- Vrielink Jogchum (2016) ‘Een boeketje grondrechten,’ De Standaard, 2-3/04/2016.

gender - diversiteit - seksueel geweld

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 13 tot 19