Abonneer Log in

De erfenis van Karel Van Miert

Figuur in de kijker

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 36 tot 40 en pagina 49

Het is precies zeven jaar geleden dat Karel Van Miert overleed. Vorige maand verscheen de politieke biografie Karel Van Miert. Strijder voor Europa, van de hand van Bart Hellinck. Vandaag staat Karel Van Miert in de galerij van de grote socialistische figuren maar toen hij in 1977 zijn mandaat opnam, stuitte Van Miert op veel scepticisme. Wie was immers die jonge snaak die door Willy Claes gelanceerd werd? Hoe zou hij omspringen met de Waalse kameraden? Hoe zag hij de relatie met de vakbond? Velen zagen in hem niets meer dan een overgangsfiguur. Zij dwaalden. Zijn rol in de naoorlogse geschiedenis van de socialistische partij kan en mag niet worden onderschat. Zijn voorzitterschap steunde op drie belangrijke aspecten: de openheid, het Vlaamse karakter en zijn rol in de Vredesbeweging. Die aspecten hebben tot vandaag de dag hun sporen nagelaten. In deze bijdrage maak ik de oefening hoe Karel Van Miert met de uitdagingen van vandaag omgegaan zou zijn.

DRIE PIJLERS VAN ZIJN VOORZITTERSCHAP

De openheid

Pas afgestudeerd, werd ik bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1970 gelanceerd. Ik was een uitzondering. De BSP van toen was immers een gesloten beweging, een monolithisch blok dat steunde op partijtucht, discipline en organisatie. Om voor lokale verkiezingen kandidaat te kunnen zijn moest men niet enkel aangesloten zijn bij de partij; men moest ook lid zijn van de vakbond, van de mutualiteit en zelfs van de coöperatieve. Voorkeursstemmen waren taboe, de polls heilig. Het resultaat was een totaal gebrek aan toegankelijkheid.

Voor Willy Claes waren de nadelen van dit systeem duidelijk. In een reactie probeerde hij in Limburg de beweging open te trekken. Karel Van Miert, door hem geïnspireerd, zette door. De gevestigde waarden, met aan het hoofd de zeer sterke Antwerpse en Mechelse federaties, reageerden fel. Pas bij de zogenoemde ‘grote slem’1 van 1979 - na meer dan twee jaar dus - werd zijn gezag erkend.

Karel stond ondubbelzinnig ook achter de ‘doorbraak’ beweging: hij zette de deur van onze partij wagenwijd open voor gelovige progressieven. Ondanks de electorale erosie die vanaf de jaren 1990 zou volgen - denk daarbij aan de amputatie van een deel van de arbeidersklasse door het migrantendossier en de slijtage na een te lange regeringsdeelname - is deze openheid tot vandaag ongetwijfeld een meerwaarde. De perceptie dat socialisten uitsluitend vrijzinnigen zijn, verdween immers en met die misvatting ook in grote mate de drempels.

Het Vlaamse karakter

Karel Van Miert was zijn politieke loopbaan begonnen als lid van de Rode Leeuwen, die de Franstalige overheersing in het Brusselse en Brabantse socialisme contesteerden. Ook in de unitaire partij liet hij zich van meet af aan niet doen. Hij nam ondubbelzinnige Vlaamse standpunten in en aarzelde niet hierover front te vormen met de andere democratische Vlaamse partijen. Dit was één van de oorzaken van de splitsing van de partij.

Zijn Vlaamse reflex was niet geïnspireerd door een vorm van nationalisme, wel door zijn strijd tegen een reeks discriminaties. Stilaan groeide een groot respect voor de progressieven in de Volksunie, in de eerste plaats voor Hugo Schiltz, later ook voor een personaliteit als Maurice Coppieters. Norbert De Batselier belichaamde in het parlement en later in de Vlaamse regering het Vlaamse engagement van Karel. Zelf ging ik wel eens op de rem staan; mijn vrees dat het land zou uiteenvallen was groot. Uiteindelijk geraakten Karel en ikzelf in het laatste decennium van zijn leven op dezelfde lijn: ondubbelzinnig Vlaams zijn impliceert niet noodzakelijk een drang naar separatisme. Zo steunde Karel bijvoorbeeld mijn stelling dat een onafhankelijk Vlaanderen grote procedurele problemen zou hebben om als afgescheurde regio lid te kunnen blijven van de Europese Unie. Evenzeer was hij allergisch voor de zogenoemde ‘Kleinstaaterei’ die volgens hem Europa zou versnipperen en dus verzwakken. Na Karel Van Miert is het Vlaamse karakter van de partij vanzelfsprekend geworden. Dit is zijn tweede grote verdienste.

Zijn rol in de Vredesbeweging

Vanaf einde jaren 1970 verzette Karel zich, samen met Louis Tobback en de volledige jonge generatie, tegen de installatie van raketten op Belgisch grondgebied. Toen we in de regering zaten, slaagde hij erin om de besluitvorming te doen uitstellen. Zodra wij in de oppositie belandden, zette de centrumrechtse regering Martens-Gol echter door. De polarisatie met het verzet van Tobback-Van Miert leidde tot een breed gedragen Vredesbeweging. Zelden of nooit kon de politisering hiervan worden aangeklaagd: Karel en Louis bleven bij hun standpunt, zowel bij regeringsdeelname, als in de oppositie. Hun geloofwaardigheid werd daardoor versterkt.

Dankzij de samenwerking binnen de Vredesbeweging gingen meer en meer leden van jeugd­organisaties, voor wie vroeger de drempel naar het socialisme te hoog was ingevolge de zuilgebondenheid, zich sterk engageren. De twintigers van die jaren 1980 zijn nu bijna vijftigers geworden. Overal in ons politieke kader vind je hen terug. In mijn eigen Sint-Niklaas vormen KSA’ers en scouts van toen vandaag het kader van onze partijafdeling. De rol van Tobback-Van Miert in de Vredesbeweging heeft dus wel degelijk sporen nagelaten.

De huidige generatie kan veel leren van de manier waarop Van Miert de beweging heeft geleid. Zijn openheid, zijn Vlaams engagement en zijn politieke geloofwaardigheid moeten een voorbeeld blijven.

HOE ZOU KAREL VAN MIERT MET DE UITDAGINGEN VAN VANDAAG ZIJN OMGEGAAN?

‘Hoe zou Karel Van Miert met de uitdagingen van vandaag zijn omgegaan?’. Ik heb lang getwijfeld om deze vraag te beantwoorden. Ook al ben ik één van de kroongetuigen van zijn loopbaan, dan nog zou het antwoord op deze vraag al te pretentieus kunnen overkomen. Bovendien heb ik mijn twijfels over hoe Karel op sommige thema’s zou reageren. Toch waag ik me eraan om mij voor zeven thema’s in Karels denkwereld in te leven. Beschouw dit niet als een opeenstapeling van lukrake stellingen. De stellingen steunen op empirische ervaringen met de politicus en de mens. De zeven thema’s die ik heb gekozen, zijn zonder meer relevant voor de politieke actualiteit. De grootste twijfel over zijn vermoedelijke reactie koester ik voor het laatste thema, de Brexit.

Vluchtelingenproblematiek

Karel zou zonder twijfel woedend hebben gereageerd op de manier waarop de Europese Unie deze problematiek heeft aangepakt. De verlammende verdeeldheid is er immers de oorzaak van dat Europa zich nu moet onderwerpen aan de grillen van een Turkse dictator. Deze verdeeldheid zou hij voor een groot gedeelte hebben toegeschreven aan de volgens hem zeer voortijdige uitbreiding van de Europese Unie met de nieuwe lidstaten van Centraal- en Oost-Europa. Karel was van oordeel dat deze landen niet klaar waren voor een toetreding en dat zij het integratieproces zouden kunnen afremmen of zelfs blokkeren.

Hij zou een evenwicht gezocht hebben tussen de ethische en morele plicht om mensen op de dool op te vangen naargelang de capaciteiten van onze eigen bevolking. Hij zou dus hebben gepleit voor gastvrijheid en wellicht had hij emotioneel Angela Merkel ondersteund met ‘Wir schaffen das’. Maar daartegenover zou ook zijn realistische instelling een rol hebben gespeeld: hij zou opkomen voor klare afspraken tussen de lidstaten omtrent een billijke verdeelsleutel, tegelijk met een betere bescherming van de buitengrenzen. Karel zou uiteraard ook hebben geijverd voor een menselijke opvang en de integratie van de erkende vluchtelingen.

Terreur

Karel Van Miert zou niet diametraal zijn ingegaan tegen de manier waarop de huidige regering het terreurdossier - een dossier zonder voorgaande - aanpakt. Hij zou hebben getracht om de veiligheidsstructuren te versterken. Hij zou hebben geprobeerd om de diepe oorzaken van de radicalisering aan te pakken. Misschien was hij minder meegegaan in het opbod rond de inzet van politiediensten en militairen. Veeleer zou hij aandacht hebben besteed aan een grotere efficiëntie en een betere werking. Zeker zou hij hebben geprobeerd om komaf te maken met de politieke baronieën die het veiligheidsbeleid in Brussel versnipperen en hypothekeren. Hij zou zeker ook hebben geopteerd voor een meer Europese aanpak. Het is ondenkbaar dat hij zou zijn meegegaan in de huidige dynamiek waarbij België haantje de voorste gaat spelen, tot en met F-16 bombardementen in Syrië. Kortom: in grote trekken zou Karel Van Miert de globale aanpak van het gevoerde anti-terreurbeleid hebben gesteund, maar met meer specifieke en efficiëntie oogmerken en met een sterker Europees kader.

Sociaaleconomisch beleid regering-Michel

Hoewel Karel tijdens het laatste decennium van zijn leven een aantal bestuursfuncties had opgenomen in het bedrijfsleven, zou hij het eenzijdige centrumrechtse beleid van de huidige regering sterk hebben bekritiseerd, omdat dit beleid nu eenmaal door een aantal flagrante onrechtvaardigheden wordt gekenmerkt. De indexsprong op federaal vlak en de Turteltaks op Vlaams niveau zijn lineaire ingrepen waarbij de lage en middeninkomens het zwaarst worden aangepakt. De aantasting van de koopkracht van de gepensioneerden en de mindervaliden zou hij niet hebben geduld.

Karel zou samen met zijn kritiek wellicht hebben gepleit voor enig realisme. De maatregelen om de activiteitsgraad van de oudere werknemers te verhogen bijvoorbeeld zou hij m.i. hebben ondersteund. Inzake de pensioenhervorming had hij zich meer dan waarschijnlijk afgezet tegen de symbolische verlenging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar. Hij zou zich veeleer hebben gebaseerd op het meer samenhangend plan dat in het rapport-Vandenbroucke, vanuit de expertengroep, werd vertolkt. Karel zou ook hebben gecontesteerd dat er in de huidige regering geen maatregelen worden genomen om de fiscaliteit rechtvaardiger te maken, onder meer door het ontbreken van enige aanpak van de vermogenden. LuxLeaks, Panama Papers en de grote fraude van de beschermde diamantkaste zouden hem woedend hebben gemaakt.

Sociale onrust

In 1983 belde ik Karel in Straatsburg op - hierbij gesteund door een aantal vrienden in het parlement - om naar Brussel terug te keren, omdat de spoorstaking tegen de pensioenhervorming van toenmalig pensioenminister Mainil maar bleef aanslepen en de regering wankelde. Ik kreeg de volle lading: ‘Ik denk er niet aan om terug te keren. Zorg dat uw ABVV-vrienden zo snel mogelijk stoppen met de spoorstaking. Onze kiezers staan te verrechtsen op het perron.’ Daarmee kon ik het stellen.
En inderdaad, Karel was tegen stakingen die de bevolking rechtstreeks troffen. Voor hem moesten die tot een minimum worden beperkt. Spelregels dienden te worden nageleefd. Indien het overleg met de overheid of het patronaat mislukte, moest een stakingsaanzegging worden ingediend. Dan was Karel ronduit rechtaan. Zo zou hij nu volle begrip hebben gehad voor de interprofessionele acties van de vakbonden; hij zou hen hebben gesteund tegen het eenzijdige optreden van de regering.

Sociaal overleg, waarbij het patronaat bij voorbaat weet dat ze bij niet-akkoord toch hun gelijk halen in de regering, is natuurlijk geen ernstige werkmethode. Karel wou steeds dat het sociaal overleg uitgeput werd, maar vond dat de regering op het einde van de rit de knopen moest doorhakken. Zo botste hij geregeld met Georges Debunne, die het licht bijna altijd op rood zette en die enkel toeliet dat de regering optrad als het voor hem oranje werd. Hierdoor werd gedurende de periode 1978-1981 de aanpak van de crisis en van de ontspoorde openbare financiën belet. Dat heeft Karel jarenlang zwaar gefrustreerd.

Had hij het moeilijk met Georges Debunne, dan kon hij wel goed omspringen met sterke Vlaamse interprofessionele leiders als Louis Melis en Marcel Schoeters. Hij gaf ook de voorkeur aan een sterke vakbondsleiding, die gewoonlijk weinig last heeft van spontane acties en dat wat leeft bij de werknemers, op passende wijze kan kanaliseren. Zo mocht ik hem in mijn streek enkele keren verwelkomen om acties van René Stroobant bij Nobels-Peelman en Boelwerf te ondersteunen. Bij die gelegenheden pleitte hij steeds voor het naleven van de spelregels en sprak hij zich uit tegen elke vorm van geweld.

Karel zou ook hebben opengestaan voor een verstandige dialoog over een minimale dienstverlening, ook in de gevangenissen. Hij zou er wel op gewezen hebben dat de organisatie van de minimale dienstverlenging midden in een sociaal conflict weinig realistisch is. Ongetwijfeld zou hij gepleit hebben voor een ruim debat, dat bij voorkeur zou uitmonden in een consensus met de sociale partners.

Kernenergie

Einde van de jaren 1970 gaf Karel mij zijn fiat om namens de SP het woord te voeren op manifestaties tegen de kerncentrales. Vooral het onopgeloste probleem van het radioactief afval bekommerde hem.

Daarnaast was voor hem ook de machtspositie van Electrabel onaanvaardbaar. Als partijvoorzitter, maar ook als Europees commissaris, contesteerde hij het privémonopolie van de elektriciteitsgigant. Vanuit het gezond verstand zou hij de oudste kerncentrales ongetwijfeld hebben willen sluiten. Hij zou in opstand zijn gekomen tegen het feit dat Electrabel werd beloond om deze langer te kunnen openhouden, wat blijkt uit het onderzoek van de Europese Commissie naar verdoken staatssteun. Wat de kerncentrales betreft, stemt onze houding in de regering systematisch overeen met onze houding in de oppositie. In zulke dossiers ligt dus een groot kapitaal aan geloofwaardigheid en daar had Karel een goede neus voor.

Fiscaliteit

Als jonge staatssecretaris voor financiën kreeg ik van mei tot oktober 1980 de kans om de fraude aan te pakken. De BBI werd opgericht en de bijzondere mechanismen in de banksector werden aangepakt. Ik kreeg hiervoor de steun van Karel Van Miert voor de volle 100%. De strijd tegen de grote fiscale fraude beschouwde hij immers als een streven naar meer rechtvaardigheid. Einde van de jaren 1990 dreigde hij als Europees commissaris in de fiscale groepen Monti en Primarolo - waarin ik België mocht vertegenwoordigen - met procedures tegen verdoken staatssteun, indien de bevoordeling van multinationals in bepaalde lidstaten bleef voortduren. Naast zijn rechtvaardigheidsgevoel vormde de verstoring van de markteconomie hierbij evenzeer een bekommernis. Hij zou ongetwijfeld hebben geprobeerd om de fiscale rulings in diverse lidstaten te saneren. De kloof tussen de fiscaal voordelige behandeling van de multinationals en de stiefmoederlijke behandeling van de kmo’s zou hij niet hebben aanvaard, niet als partijvoorzitter, maar ook niet als Europees commissaris.

Brexit

Welke houding zou Karel Van Miert hebben aangenomen in het ‘Brexit’-dossier? Hier twijfel ik het meest. Aan de ene kant zou hij de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie nadelig hebben gevonden, wat betreft de geopolitieke impact van Europa. Hij zou echter niet hebben geduld dat een te hoge prijs moest worden betaald om het Verenigd Koninkrijk in de Europese Unie te houden. Sommige mechanismen die men nu heeft toegegeven, dreigen elke verdieping van de Europese Unie, ook in de toekomst, te hypothekeren.

Ik durf mij dus niet uit te spreken over welke invalshoek voor Karel de doorslag zou hebben gegeven. In elk geval herinner ik mij dat hij zeer ontgoocheld was toen einde jaren 1990, ook onder Tony Blair, Groot-Brittannië niet mee wilde in het verdere integratieproces. Historisch is dit voor de Europese sociaaldemocratie op een ramp uitgedraaid, want nooit hadden wij in de lidstaten zoveel politieke impact als toen. Over de houding van Karel Van Miert ten aanzien van Brexit heerst dus ook bij mij de grootste twijfel.

VOORZITTERSCHAP JOHN CROMBEZ

Ten slotte ben ik er stellig van overtuigd dat Karel Van Miert onze huidige voorzitter, John Crombez, voluit zou hebben gesteund. Crombez probeert met concrete dossiers en een sterk engagement in de voetsporen van Karel te treden. Karel zou voor geduld hebben gepleit. De resultaten van zijn eigen voorzitterschap kwamen ook slechts na twee jaar aan het licht. Daarnaast zou hij hebben gepleit voor een selectieve oppositie. ‘Niet op alle slakken zout leggen,’ ik hoor het hem zo zeggen. Soms moet je ook vanuit de oppositie durven te erkennen dat een minister op een bepaald domein goed werk levert. Hard werken, totale inzet, consequent volhouden en streven naar een maximale geloofwaardigheid zou ook vandaag zijn devies voor de partijleiding zijn geweest.

Freddy Willockx
*Minister van Staat en ereburgemeester van Sint-Niklaas *

Noot
1/ De grote slem was de reactie van Van Miert in de zomer van 1979, toen hij weigerde de lineaire inleveringen in de begroting van 1980 goed te keuren. De regering-Martens II ging door de knieën en verving de maatregel door een progressieve heffing.

Karel Van Miert. Strijder voor Europa
Bart Hellinck
Uitgeverij Manteau, Antwerpen, 2016

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 36 tot 40 en pagina 49