Log in

Pleidooi voor een zevende staatshervorming

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 3 (maart), pagina 58 tot 66

Een kleine tien jaar geleden schreef ik in dit tijdschrift het artikel ‘Regionalisering van de arbeidsmarkt: quo vadis?’1, dat mee de grondslag vormde voor het voorstel van Elio Di Rupo over de zesde staatshervorming. Vandaag moeten we echter kritisch zijn over de uitrol ervan op het vlak van arbeidsmarktbeleid. Het gebrek aan echt homogene bevoegdheden belemmert regionaal arbeidsmarktbeleid en het gebrek aan gestructureerd interregionaal overleg doet afbreuk aan het nastreven van het algemeen belang. De onvoltooide zesde staatshervorming zorgt voor een minder performant regionaal arbeidsmarktbeleid en geeft daarmee voeding aan de kritiek van een slecht werkend overheidsapparaat. Tijd voor een zevende staatshervorming op het vlak van arbeidsmarktbeleid.

De terroristische aanslagen en de aanhoudende terreurdreiging deden België in bepaalde buitenlandse media bestempelen als een ‘failed state’. Bepaalde opiniemakers en politici grepen deze kritiek aan om te pleiten voor een herfederalisering van bevoegdheden. Herfederalisering impliceert immers in hun ogen een hogere beleidseffectiviteit, meer uniformiteit, een sterkere aansturing en minder afstemmings-, coördinatie- en communicatieproblemen.

Dit pleidooi is in se legitiem; we moeten ons inderdaad afvragen of onze institutionele architectuur beantwoordt aan de uitdagingen die met onze VUCA-wereld2, gekenmerkt door Volatility, Uncertainty, Complexity, Ambiguity, samenhangen? Die uitdagingen refereren vooral naar een beweging van gelijktijdige globalisering én lokalisering; en pleiten dus voor een versterking van de daaraan gekoppelde beleidsniveaus, namelijk het Europese én het lokale niveau. De tussenliggende beleidsniveaus staan dan voor de opdracht om zich zo dicht mogelijk bij één van deze niveaus te organiseren. Zo’n aangepast institutioneel organisatiemodel rond beide polen is vandaag nog niet in zicht en de vraag stelt zich of dit er op korte of middellange termijn wel inzit. In afwachting van mogelijke evoluties ter zake stelt zich hoe dan ook binnen onze federale staat de vraag hoe de diverse bevoegdheden het best worden georganiseerd en uitgeoefend. In dat opzicht is een pleidooi om bevoegdheden zoals justitie, veiligheid en defensie - bevoegdheden die aan de orde zijn in de bestrijding van terrorisme - te (her)federaliseren te begrijpen. Maar dat betekent geenszins dat dit opgaat voor alle bevoegdheden.

Wat het arbeidsmarktbeleid betreft durf ik het tegendeel te beweren. Juist de onvoltooidheid die in de zesde staatshervorming zit, veroorzaakt een minder performant regionaal arbeidsmarktbeleid en geeft voeding aan de kritiek van een slecht werkend overheidsapparaat. Als civil servant is het de plicht om bij te dragen tot een beter werkende overheid op alle niveaus en kan een kritisch, constructief bedoelde kijk op de uitrol van de zesde staatshervorming bijdragen tot een arbeidsmarktbeleid dat werkzoekenden, werknemers en werkgevers echt ten goede komt. Dit kan enkel indien de Gewesten volle homogene bevoegdheden krijgen en aangemoedigd worden tot meer ‘bottom-up’ interregionale samenwerking.

KORTE TERUGBLIK

Reeds eerder bepleitte ik in dit tijdschrift een verdere regionalisering van het arbeidsmarktbeleid vanuit de vaststelling dat de regionale, ook institutioneel ingebedde arbeidsmarkten erg verschillen. De Gewesten hadden op dat ogenblik met de hen toegewezen bevoegdheden onvoldoende hefbomen om op die regionale verscheidenheden passend en volgens de eigen inzichten in te spelen. Die toegewezen bevoegdheden waren toen erg beperkt, niet-homogeen en soms incrementeel.

Daarom was het m.i. noodzakelijk om in het kader van de toen aankomende zesde staatshervorming de Gewesten homogene, samenhangende en meer uitgebreide bevoegdheden inzake arbeidsmarktbeleid toe te bedelen, vooral inzake de organisatie van het arbeidsmarktbeleid, de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, de professionele integratie van leefloners, de plaatsingsprogramma’s, de sociale economie, uitzendarbeid en outplacement, doelgroepenbeleid en vormingsstelsels. Het moest daarbij niet enkel gaan over de toekenning van die nieuwe bevoegdheden aan de Gewesten maar ook over de financiële responsabilisering van die entiteiten, het bevorderen van interregionale samenwerking, de versterking van het regionaal sociaal overleg en het respecteren van de federale bevoegdheden inzake sociale zekerheid en arbeidsrecht.

De zesde staatshervorming hernam haast integraal hogervermelde lijst van items en voegde er zelfs de aangelegenheid ‘dienstencheques’, met de daarbij horende imposante budgetten, aan toe.3 Alhoewel vandaag nog niet alle overgedragen bevoegdheden zijn uitgemond in concrete, nieuwe regionale maatregelen, is het mogelijk al een eerste kritische blik op de uitrol van deze staatshervorming te werpen en verbeteringsvoorstellen te formuleren. Het is hierbij juist de bedoeling om te voorkomen dat onze institutionele architectuur direct of indirect gelinkt wordt met de notie ‘ failed state’.

In deze kritische analyse wordt ingegaan op drie institutionele knelpunten: het gebrek aan homogene bevoegdheden omwille van de introductie van ‘gebonden’ bevoegdheden, een toegenomen institutionele complexiteit en een onvoldoende koppeling tussen autonomie en verantwoordelijkheid.

KNELPUNT 1: ‘GEBONDEN’ BEVOEGDHEDEN

Onder ‘gebonden’ bevoegdheden versta ik dat de Gewesten institutioneel beperkt worden in de volle uitoefening van de overgedragen bevoegdheden. Deze beperkingen liggen hoofdzakelijk in een gebrek aan normatieve bevoegdheden en budgettair opgelegde contingent-bepalingen. Door deze beperkingen, die hieronder worden geïllustreerd, is er geen sprake van homogene bevoegdheidspakketten. De federale overheid blijft aldus de regionale bewegingsruimte beperken.

Geen normatieve bevoegdheden

De Gewesten hebben in bepaalde gevallen geen regelgevende bevoegdheden gekregen. Zo hebben ze enkel de beslissings- en uitvoeringsbevoegdheid verworven om de beschikbaarheid van werkzoekenden te controleren en de daarbij horende sancties op te leggen. Het normatief kader voor de regelgeving inzake beschikbaarheid, actief zoekgedrag, passende dienstbetrekking, sancties en administratieve controle is een federale RVA-bevoegdheid gebleven. Dit houdt in dat het Vlaams Gewest niet zelf kan bepalen wat een passende job is of hoe werkzoekenden beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt. Van een reële homogenisering van deze bevoegdheden kan men dus niet spreken. Dit hypothekeert de uitvoering van het Vlaams activeringsbeleid.

De politieke discussie in verband met de beschikbaarheid van ‘oudere’ werkzoekenden is ter zake een treffende illustratie. In deze discussie bleek duidelijk dat de federale instanties onvoldoende inzicht hadden in de regionale begeleidingskaders voor deze doelgroep, noch in de wijze van bemiddeling en matching. De VDAB is immers al enige tijd omwille van de bestrijding van de knelpuntvacatures op de Vlaamse arbeidsmarkt overgestapt naar het competentiegericht matchen en hanteert niet langer eenzijdig de beroepengerichte matching. Het Vlaams beleidskader benadert acties zoals (her)oriënteren, begeleiden, opleiden en bemiddelen in functie van verworven of te verwerven competenties. Het huidig RVA-kader gaat nog steeds uit van beroepen. Het is dus niet echt afgestemd op de VDAB-praxis die meer toekomstgericht en efficiënter is.

Het bewijs hiervan blijkt uit ‘The New Skills Agenda for Europe’ van Europees commissaris, Marianne Thyssen, waarin het beleidsaccent ligt op competenties. Diverse Cedefop-studies tonen het belang aan van competentiegericht matchen; arbeidsmarktprognoses die de impact van technologische en economische veranderingen in kaart brengen, duiden eveneens het belang van competentiemanagement op alle echelons aan. Immers, bestaande beroepen zullen door de digitalisering en automatisering verdwijnen, nieuwe beroepen zullen ontstaan. Bovendien zal de inhoud van elke job door deze evoluties geïmpacteerd worden. Mensen laten denken in beroepen tijdens hun loopbaan, zal daardoor onder druk komen te staan. Hen gidsen in functie van hun competenties is veel effectiever. Werkzoekenden oriënteren in functie van hun competenties maakt de kloof tussen de verworven competenties en de te verkrijgen competenties in functie van reële jobkansen meer transparant en kleiner, maar ook beter en gerichter remedieerbaar en minder ‘vervreemdend’. Een afstand tot de arbeidsmarkt uitdrukken in competenties dan wel in beroepen maakt voor het motiveren, oriënteren en opleiden van werkzoekenden een groot verschil uit. Daarom is het hanteren van de diverse vormen van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt (actief, passief, aangepast) een eerder voorbijgestreefde juridische constructie. Het zou steeds moeten gaan over jobs in functie van de (verworven of te verwerven) competenties van de kandidaat-werknemer. Het federaal kader dat dergelijke vormen van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt regelt, is dan ook nodeloos complex en te weinig empowerment-gericht.

Ook vanuit een andere perspectief is het RVA-onderscheid tussen de actieve en de passieve beschikbaarheid de facto steeds minder bruikbaar als kader voor de VDAB-aanpak. Naarmate de politieke instanties - terecht - maar ook de werkzoekenden zelf vragen om snel(ler) begeleid te worden, komt er steeds vlugger een concreet afsprakenkader tot stand tussen de werkzoekende en de VDAB waarin de wederzijdse inspanningen aan bod komen en aan mekaar gelinkt worden. Samen wordt de weg naar werk uitgestippeld en worden de stappen daartoe bepaald die werkzoekende respectievelijk VDAB moeten nemen. De zelfbedieningstools, die door de VDAB ontwikkeld zijn, ondersteunen deze aanpak. Het onderscheid tussen actieve en passieve beschikbaarheid met van mekaar losstaande verantwoordelijkheden van werkzoekende en bemiddelaar is daardoor achterhaald. Dit onderscheid was trouwens hoofdzakelijk gebaseerd op een dubbele, parallelle institutioneel-ambtelijke benadering van de werkzoekende (VDAB-RVA). De federale overheid wou immers een strengere en systematische controle op de beschikbaarheid van de werklozen invoeren. Maar omdat ze zich institutioneel niet in de plaats kon stellen van de Gewesten, die bevoegd waren voor begeleiding en bemiddeling, voerde ze een eigen controlesysteem in door de aanstelling van facilitatoren bij de RVA die - los van de inschakelingsovereenkomst tussen de werkzoekende en de VDAB - een eigen beschikbaarheidstoets uitvoerden. Die parallelle werkwijze veroorzaakte heel wat planlast voor werkzoekenden en werkgevers door de ‘jacht’ op bewijzen van actief zoekgedrag. Door de zesde staatshervorming is die werkwijze nu vervangen door één geïntegreerde aanpak vanwege de publieke bemiddelingsdienst als regisseur van de inspanningen van werkzoekenden én dienstverlener om werk te vinden.

Beide bewegingen pleiten voor een eigen normatief kader met de notie ‘passende beschikbaarheid’ als centraal uitgangspunt. Deze notie koppelt immers een competentiegedreven bemiddelingsaanpak aan actieve maar op elkaar afgestemde handelingen vanwege werkzoekende en VDAB. Dit zou ook een sterke vereenvoudiging en uniformiteit inhouden.

Het gebrek aan een homogeen normatief bevoegdheidselement in hoofde van het Gewest stelt zich ook voor de ‘vrijstellingen’-thematiek. Enkel de vrijstellingen die betrekking hebben op studies en opleidingen zijn geregionaliseerd. In die gevallen kan het Vlaams Gewest bepalen welke werkzoekenden tijdelijk niet beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt omdat ze opnieuw gaan studeren of een beroepsopleiding volgen. Maar andere vrijstellingsmaatregelen zoals de voorbereiding op een zelfstandig beroep of het doen van vrijwilligerswerk zijn op het federaal niveau gebleven. Nochtans hebben deze activiteiten ook een plaats in het activeringsbeleid en zijn de aanleunende omkaderingsmaatregelen zoals ondernemersvorming en mantelzorg reeds een Vlaamse bevoegdheid. Nog vreemder is dat ook de vrijstelling voor het uitoefenen van bepaalde PWA-activiteiten een federale bevoegdheid is, terwijl het PWA-stelsel zelf geregionaliseerd werd. Het zou logisch zijn om het gehele vrijstellingenbeleid te homogeniseren en in te bedden in het regionaal activeringsbeleid. Wie bevoegd is voor het bepalen van de beschikbaarheid, wordt dus ook bevoegd om de uitzonderingen hierop te regelen.

Maar zelf voor de geregionaliseerde vrijstellingen is het Gewest gebonden aan bepaalde federale procedure- en goedkeuringsregels. Zo is er voor de afbakening van het toepassingsgebied, definiëring van de rechthebbenden, een eensluidend advies nodig van de federale Ministerraad. Immers elke regionale bepaling die een voorwaarde stelt van de werkloze om voor een vrijstelling in aanmerking te komen, dient deze adviesprocedure te volgen. Ook hier is er dus geen sprake van een echt homogeen bevoegdheidspakket.

Contingent-bepalingen

Bij de zesde staatshervorming werden een aantal contingent-bepalingen ingevoerd, vooral om budgettaire redenen. Dit soort bepalingen houdt in dat er een wettelijke limiet is bepaald in het gebruik van de maatregel. Zo’n limiet heeft met name betrekking op het aantal werklozen dat van de maatregel gebruik kan maken. Die bepalingen beperken de activeringsmogelijkheden van de Gewesten en missen zo ook het beoogde budgettaire doel.

Zo hebben, zoals hiervoor vermeld, de Gewesten de bevoegdheid verworven om werkzoekenden vrij te stellen van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt in geval van studiehervatting of het volgen van een beroepsopleiding, maar ze mogen daarbij een vooraf vrijgestelde enveloppe niet overschrijden. Die enveloppe is vastgesteld op 12% van het totaal aantal vergoede dagen werkloosheid van hetzelfde jaar op basis van dit soort vrijstellingen in het Vlaams Gewest. Overschrijdt het Gewest deze drempel, dan is het zelf volledig financieel verantwoordelijk.

Los van de vaststelling dat de organisatiekosten voor studiehervatting en beroepsopleiding nu reeds volledig ten laste van de deelstaten vallen (en het dus enkel gaat over het behoud van de uitkering), is het onbegrijpelijk dat opleidingen worden afgeremd door deze contingent-bepaling. Op de VUCA-arbeidsmarkt van morgen zal meer dan ooit moeten worden geïnvesteerd in het bevorderen van opleiding, competentieontwikkeling en permanente vorming. België scoort inzake levenslang leren nu al erg zwak in Europees comparatief perspectief. De technologische evoluties, de transitionele arbeidsmarkt en het langer werken noodzaken meer opleidingsinspanningen, niet enkel voor knelpuntberoepen of bij de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt maar een gehele loopbaan lang in alle beroepen en functies. Opleiding zou dan ook niet ontmoedigd mogen worden door welke restrictieve bepaling dan ook. Vorming is een noodzakelijke voorwaarde om méér mensen langer en passend aan het werk te brengen en houden. Recent onderzoek van Trendhuis heeft dit nogmaals bevestigd.4 De langere loopbanen die zo tot stand komen genereren inkomsten (fiscale, parafiscale,...) of minder uitgaven op het federale niveau. Ze dragen dus juist bij tot gezonde overheidsfinanciën.

Een andere contingent-bepaling betreft de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (PWA). Die bevoegdheid wordt geregionaliseerd, maar bij behoud van het stelsel zal de financiering beperkt blijven tot het huidig aantal PWA-gerechtigden in het Vlaams Gewest, in casu 7.291. Tegelijkertijd wordt in de wetgeving aangegeven dat dit systeem moet blijven gelden voor langdurig werklozen of werklozen met een verre afstand tot de arbeidsmarkt. Aangezien deze doelgroep veel groter is dan het vooropgestelde contingent, kan het Gewest het PWA-stelsel niet uitbreiden en is het dus verplicht een alternatief te zoeken. De hiervoor vermelde opmerkingen inzake contingentering bij vorming gelden hier dan ook in meer of mindere mate… Het activerend inzetten van uitkeringen wordt door deze contingent-bepaling beperkt.

KNELPUNT 2: INSTITUTIONELE COMPLEXITEIT

De staatshervorming is door het onderscheid van grondgebonden (Gewesten) en persoonsgebonden (Gemeenschappen) bevoegdheden al gekenmerkt door een zekere complexiteit. Die complexiteit wordt nog vergroot door het gebruik van diverse bevoegdheidskwalificaties, zoals normatieve versus uitvoerende bevoegdheden of homogene versus parallelle of concurrentiële bevoegdheden. Een drastische keuze voor homogene, volle bevoegdheidspakketten zou de complexiteit sterk kunnen inperken. Helaas is er inzake arbeidsmarktbeleid zeker nog geen sprake van volle bevoegdheden.

Wat méér is, de institutionele complexiteit neemt nog toe doordat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een in se ‘communautaire‘ bevoegdheid bijkrijgt. Dit Gewest kan voortaan programma’s voor beroepsopleiding opzetten en financieren, die rekening houden met het specifiek karakter van Brussel. Uiteraard is het noodzakelijk om de specificiteit van de Brusselse hoofdstedelijke arbeidsmarkt te (h)erkennen en passend te omkaderen. Langs aanbodzijde wordt die arbeidsmarkt immers gekenmerkt door een hoge laag- en ongeschoolde jeugdwerkloosheid, een hoog percentage NEET-jongeren5 en een hoge mate van diversiteit; en langs de vraagzijde door een toenemende nood aan hooggeschoolde werknemers. Dit zorgt voor een structurele mismatch binnen de Brusselse arbeidsmarkt.

De vraag stelt zich evenwel of de doelstelling van een versterkt arbeidsmarktbeleid in Brussel ook niet zou kunnen worden behaald door via een institutioneel samenwerkingsakkoord de regionale bemiddelings- en communautaire opleidingsmiddelen met mekaar te verbinden in functie van de behoeften van de Brusselse arbeidsmarkt. Die vraag dringt zich op, omdat het arbeidsmarktbeleid (met inbegrip van de dimensie ‘opleiding’) niet enkel tot stand komt via deze nieuwe additionele bevoegdheid maar ook en vooral - voor wat de Vlaamse Gemeenschap betreft - via de reguliere ‘Vlaamse’ dotatie voor de werking van VDAB-Brussel. Het gevolg is dat er twee financieringsstromen zijn met aparte sturings-, verantwoordings- en monitoringsmechanismes voor eenzelfde thematiek in Brussel. Dit laat geen geharmoniseerd beleid toe van alle actoren in Brussel dat het belang van de eindgebruiker centraal zet.

Een andere onnuttige complexiteit ontstaat door de vermenging van bevoegdheidsniveaus in de beheerstructuur van RVA. Die structuur werd aangepast waardoor de vertegenwoordigers van de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling als waarnemers zetelen in het beheerscomité van de RVA. Dit is geen gezonde situatie. Enerzijds ‘verstoort’ dit het paritair overleg tussen de federale sociale partners binnen RVA. Anderzijds verstoort dit de goede werking van het College van Leidend Ambtenaren (CLA) opgericht naar aanleiding van de splitsing van RVA in 1989. In dat College tracht iedereen vanuit een gelijkwaardigheidsprincipe te zoeken naar consensus en optimalisatie van de samenwerking. Binnen dit CLA is het veel duidelijker waar de verantwoordelijkheden liggen en hoe maatregelen technisch in overleg kunnen worden uitgevoerd dan binnen het aangepast RVA-beheerscomité waar sociaal en institutioneel overleg nu samenkomen. Het CLA heeft de voorbije decennia bewezen dat de gefedereerde instellingen in staat zijn de nodige gegevens met mekaar uit te wisselen, maatregelen op mekaar af te stemmen en beleidsaanbevelingen te formuleren ten aanzien van de respectieve raden van bestuur en voogdijoverheden.

KNELPUNT 3: INTERREGIONALE SAMENWERKING

De mankementen verbonden aan het federaal bepaalde beleidskader mogen ons niet beletten ook kritisch te kijken naar de (inter)regionale architectuur. Ik ben reeds jarenlang een pleitbezorger van een gestructureerde samenwerking tussen de gewesten. De oprichting van Synerjob, de federatie van de regionale bemiddelingsdiensten Forem, ADG, Actiris en VDAB, is hiervan een treffende illustratie.

Via Synerjob6 proberen de regionale instellingen voor bemiddeling grensoverschrijdende arbeidsmarktuitdagingen binnen België aan te pakken. Zo werden gemeenschappelijke acties opgezet om Brusselse werkzoekenden toe te leiden naar jobs in de Zaventemse luchthavenregio en Waalse werkzoekenden naar vacatures in West-Vlaanderen. Tevens werd een gemeenschappelijke Werk Week georganiseerd en de Belgische Employers Day om bemiddelaars in contact te brengen met vooral kmo’s. Synerjob treedt tevens op als uniek loket ten aanzien van de vragen en aanbevelingen van de Europese Commissie op vlak van bijvoorbeeld de aanpak van de jeugd- en langdurige werkloosheid en de professionele integratie van vluchtelingen. Die loketfunctie vervult Synerjob ook ten aanzien van de RVA, zodat deze geüniformeerde gegevens van de gewestinstellingen krijgt of een afgestemd standpunt m.b.t. voorstellen van nieuwe controleafspraken. Tot slot worden in Synerjob ook beste praktijken uitgewisseld. De partners hebben zo principieel geopteerd om de competentiegerichte matching van VDAB over te nemen in hun bemiddelingsaanpak. Het kanaal van Synerjob wordt ook gebruikt om proactief de consequenties van (voorgenomen) maatregelen in het ene gewest in te schatten voor de andere gewesten. Zo willen we een juist zicht hebben op deze mogelijke consequenties en indien mogelijk onbedoelde of perverse effecten vermijden. Deze werkingspraktijk is binnen Synerjob vrij consequent toegepast bij de uitbouw van de activerings- en opleidingsmaatregelen die onder de bevoegdheid van de publieke bemiddelings- en opleidingsdiensten vallen. In dat verband kwamen afspraken tot stand die het statuut regelen van werkzoekenden die een opleiding volgen in een ander gewest, werknemers van één gewest die het slachtoffer worden van de herstructurering van hun bedrijf dat in een ander gewest gelegen is, werkzoekenden die een stage doen in een onderneming die in een ander gewest gevestigd is, enzovoort.

Door de zesde staatshervorming is de noodzaak van proactief institutioneel overleg toegenomen. De wijze waarop één gewest bijvoorbeeld doelgroepkortingen uitwerkt kan een belangrijke impact hebben op het beleid van een ander gewest. Zo heeft de Vlaamse overheid een doelgroepkorting ingevoerd voor laag- en middengeschoolde jongeren die aangenomen worden door een werkgever gevestigd in het Vlaams Gewest. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opteert voor een persoonsgebonden tegemoetkoming voor jonge werkzoekenden uit Brussel ongeacht hun plaats van tewerkstelling. Bijgevolg krijgt een in Vlaanderen gevestigd bedrijf ook deze tegemoetkoming wanneer het een jonge Brusselse werkzoekende aanwerft en is dit in principe cumuleerbaar met de Vlaamse doelgroepkorting. De vraag stelt zich of dit een bedoeld of onbedoeld effect is, hoe deze maatregelen zich tegenover mekaar verhouden, of ze complementair of concurrentieel zijn, enzovoort. Die vragen verdienen aandacht in een intergewestelijk overleg. Zo’n bekommernissen gelden ook voor de wijze waarop opleidingsmaatregelen zoals het betaald educatief verlof een mogelijks verscheiden vorm krijgen. Dit kan nieuwe complexiteiten veroorzaken voor arbeidsorganisaties of werknemers die in een onderneming werken die over gans België actief is. Het gevolg kan zijn dat hierdoor globale opleidingsdeelname eerder wordt afgeremd dan aangemoedigd. Daarom dient de potentiële samenloop en afstemming proactief afgetoetst te worden zodat alle consequenties meegenomen kunnen worden.

Dit soort vragen die vertrekken van de eindgebruiker kunnen enkel aan bod komen indien er een gestructureerd overleg is tussen de deelstaten. Zo kan men op zijn minst de effecten van de geplande beleidsmaatregelen beter inschatten en waar mogelijk bijsturen of remediëren. Helaas is er van zo’n overlegstructuur en -cultuur nauwelijks sprake. Hier moeten de gewesten de hand in eigen boezem steken en durven ons institutioneel overlegmodel te vernieuwen vanuit het principe van gelijkwaardigheid, respect voor mekaars autonomie maar ook het verzekeren van het algemeen belang.

TOT SLOT

Het toekennen van homogene bevoegdheden op vlak van arbeidsmarktbeleid aan de Gewesten is een onvoltooide symfonie. De vervlechting van federale normatieve en budgettaire hefbomen in regionale domeinen zorgt voor een nodeloze complexiteit en beperkt de regionale autonomie. Net zoals bij de relatie tussen burger en bestuur zou ook hier het principe van ‘vertrouwen’ in de relatie tussen bestuursniveaus moeten gelden. Homogene bevoegdheden zijn een uiting van vertrouwen. Maar ‘vertrouwen krijgen’ betekent ook ‘vertrouwen verdienen’. Dat houdt ook in dat de deelstaten onder mekaar overleggen over de impact van hun maatregelen zodat de globale werkzaamheidsgraad in België omhoog gaat.

Fons Leroy
Gedelegeerd Bestuurder VDAB
(De auteur schrijft deze bijdrage in eigen naam)

Noten

  1. Leroy F., Regionalisering van het arbeidsmarktbeleid: Quo vadis?, in: Sampol, jg.15/nr.3, maart 2008, pp. 6-17.
  2. Hinssen P., The Network Always Wins, McGraw Hill Education, New York 2015.
  3. Vanpraet J., De bevoegdheidsverdeling in het arbeidsmarktbeleid, in: Velaers J., Vanpraet J., Peeters Y. en Vandenbruwaene W., De zesde staatshervorming: instellingen, bevoegdheden en middelen, Intersentia, Antwerpen, 2014, pp. 585-675.
  4. Trendhuis, Op koers naar de betekeniseconomie. Trendstudie naar zingeving op het werk in Vlaanderen, Mechelen, 2017.
  5. NEET = Not in Education, Employment or Training; m.a.w. jongeren die door de mazen van elk net zijn gevallen.
  6. Voor een inzicht in de missie, doelstellingen en activiteiten van Synerjob, zie www.synerjob.be.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 3 (maart), pagina 58 tot 66