Abonneer Log in

Rijkdom

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 7 (september), pagina 66 tot 68

Hoeveel rijkdom is nog verantwoord? Ingrid Robeyns schrijft een zeer toegankelijke opstap naar een debat dat we tot hiertoe inderdaad misschien te weinig hebben gevoerd.

Rijkdom.

Ingrid Robeyns
Prometheus, Amsterdam, 2019

Sinds Thomas Piketty zijn Le Capital au XXIe siècle in 2014 in het Engels is vertaald, is de discussie over kapitaalaccumulatie en toegenomen ongelijkheid weer helemaal terug. Het is in dat verband populair om de rijkdom en het kapitaalbezit van de 1 of 10% rijksten af te zetten tegenover wat de rest van de bevolking (maar) bezit. In België zou de rijkste 1% zo'n 12,7% van het vermogen bezitten, in Zweden is dat 20% en in de VS zelfs 30%. In België zou de rijkste 10% de helft van het vermogen bezitten. Velen – zeker ter linkerzijde – hebben de intuïtie dat dit onrechtvaardig is. Extreme rijkdom wordt gezien als een moreel probleem.

Maar is dat wel zo? Is deze morele intuïtie meer dan een uiting van jaloezie? Rijkdom is immers toch een belangrijk goed dat mensen gelukkig maakt? En wat is er mis met het feit dat mensen die keihard werken, veel verantwoordelijkheid opnemen en jobs creëren ook heel veel geld verdienen? Moeten we bovendien niet veeleer focussen op de onderkant van de samenleving?

Koen Raes, de toenmalige hoofdredacteur van Samenleving & Politiek, wees er in het Jaarboek 1999. Armoede en Sociale Uitsluiting al op dat armoedebestrijding het gezelschap moet krijgen van rijkdombestrijding. En dit is ook wat de politiek filosofe Ingrid Robeyn, van de Universiteit Utrecht, bepleit in haar boekje Rijkdom. Hoeveel ongelijkheid is nog verantwoord? Voor wie de morele intuïtie tegen superrijken en al te grote ongelijkheid wil aanvullen met argumenten, is haar boekje een zeer toegankelijke opstap naar een debat dat we tot hiertoe inderdaad misschien te weinig ten gronde hebben gevoerd.

Lang voor Karl Marx, bekritiseerde Aristoteles al de ongelimiteerde vermogensaccumulatie omdat ze een doel/middel-verdraaiing inhoudt. Geld en kapitaal staan dan niet meer in functie van een menselijk goed, maar worden een doel op zichzelf. Dit houdt risico's in omdat het geld dan kan worden ingezet voor verkeerde doeleinden, maar ook omdat er een cultuur van hebzucht, graaien en risicogedrag tot stand kan komen. Sinds de bankencrisis van 2008 weten we daar alles van.

Maar er is meer. Robeyns geeft nog verschillende andere overwegingen die moeten verduidelijken waarom het legitiem is dat we ons morele zorgen maken over superrijken en excessieve ongelijkheid. De ecologische voetafdruk: rijken consumeren meer en bepaalde winsten zouden veel kleiner geweest zijn, mochten bedrijven een eerlijke prijs betaald hebben voor hun impact op het milieu. Verder exploreert ze de vraag: verdienen de rijken wel wat ze verdienen? Ze wijst erop dat mensen pas succesvol kunnen zijn omdat ze gebruik kunnen maken van de collectieve erfenis van innovatie, wetenschap en de samenleving. Wie rijk wordt, ziet dat graag als eigen verdienste – maar er spelen tal van andere (geluks)factoren.

En zelfs al zou het vermogen moreel verdiend zijn, dan nog kunnen we ons vragen stellen. Bijvoorbeeld op basis van de potentieel negatieve effecten van extreme rijkdom op mens en samenleving. Ingrid Robeyns wijst erop dat superrijk zijn niet in alle omstandigheden een cadeau is dat automatisch gelukkig maakt. En voor wie zich nu niet meteen om de superrijken wil bekommeren: al te grote ongelijkheid is ook een slecht idee voor wie de democratie een warm hart toedraagt. 'Het idee 'één kop, één stem' wordt dan een karikatuur die reële machtsverschillen verhult op basis van rijkdom.' Deze laatste zin haal ik uit een interview met Thomas Piketty in De Standaard (5/4/2014), maar het zou net zo goed een uitspraak van Ingrid Robeyns of Paul De Grauwe kunnen zijn. Onder meer in een opiniestuk in De Morgen ('Limieten aan het eigendomsrecht', 8/5/2018) en recenter in een uitzending van het Canvasprogramma Nachtwacht (23/3/2019) houdt De Grauwe een pleidooi om rijken zwaarder te belasten en in naam van de representatieve democratie de excessieve ongelijkheid en kapitaalaccumulatie te begrenzen. Ook de bekende politiek filosoof John Rawls wijst er in zijn A theory of Justice (1971, §43) op dat wanneer vermogensongelijkheden een bepaalde grens overschrijdt politieke vrijheid haar waarde kan verliezen en de representatieve overheid verwordt tot een schijngestalte.

Paul De Grauwe en Ingrid Robeyns hebben het ook nog over een ander probleem: te veel rijkdom leidt tot pronkzucht en verspilling. Er wordt te veel geld gestopt in paleizen, vliegtuigen, luxeschepen, voetbalclubs en andere statusuitgaven. Dat geld kan zoveel beter besteed worden. In het licht van de vele sociale noden die er nog zijn, levert die verspilling moreel gesproken een erg ongemakkelijk gevoel op.

Ingrid Robeyns is niet tegen enige mate van rijkdom en ongelijkheid, maar argumenteert dat we misschien toch maar beter streven naar zo weinig mogelijk superrijke mensen. Als we het daarover eens zouden zijn, kunnen we nadenken over hoe we dat in de praktijk kunnen brengen. Het 'hoe' valt echter buiten het opzet van dit boekje. Robeyns die op een Europees project werkt over Fair Limits (ERC 2017-22) heeft daar ongetwijfeld heel wat ideeën over, maar het boekje is op dat punt erg summier. Evident dat voorstanders voor hogere verbruikers- en CO₂-taksen, voorstanders van hogere belastingtarieven voor hogere inkomens en voorstanders van vermogens(winst)belastingen het boekje van Robeyns graag zullen lezen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 7 (september), pagina 66 tot 68