Abonneer Log in

Sociaal werk in tijden van corona

De sociaalwerkpraktijk wordt door de coronacrisis gebricoleerd tot een ander geheel. Dat is niet zonder ironie, gezien net voor deze crisis een schokgolf van besparingen van de Vlaamse overheid door het sociaal werk ging, die gevolgen had voor de afbouw van dergelijke laagdrempelige diensten. De toekomst zal uitwijzen of deze herijking tijdelijk of duurzaam van aard blijkt.

'Ik durf niet zeggen dat het leuk werken is. Het is echt heftig. Randje of net over randje gewelddadig, hectisch, met veel stress rond het virus en de angst mensen te verliezen. Maar het is op zijn minst wel heel boeiend.'
(Filip Keymeulen, Brussels straathoekwerker)

HET SPOOK VAN CORONA

'Een spook waart door Europa. Het spook van het coronavirus. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden.' De strijd tegen dit virus doet denken aan grote omwentelingsmomenten. Die omwenteling geldt ook voor de sociaalwerkpraktijk. Formele en informele actoren herschikken zich op het terrein, de verhouding tussen diverse functies die het middenveld inneemt verschuift, de praktijk verandert quasi dagelijks. De sociaalwerkpraktijk wordt letterlijk geassembleerd op het ritme van snel veranderende noden. Vooral de noden die anders in de schaduw van de welvaartsstaat blijven, dringen zich op.

Zo zien we nieuwe frontlijnsturing en vitale coalities tussen 'ketenpartners': burgers, sociaal werkers en overheid. Ook de markt, zoals bedrijven en kleine zelfstandigen, toont uitdrukkelijker een sociale bewogendheid. Talloze innovatieve initiatieven worden opgezet om oplossingsgericht de noden van onderuit te beantwoorden. Vooral kwetsbare groepen die onderbeschermd zijn, zijn onderwerp van een nieuwe sociale strijd. We denken aan intergenerationele armen, vluchtelingen en asielzoekers, arbeidsmigranten met precair verblijfsrecht, maar ook aan allerlei arbeidsmigranten die opeens letterlijk verschijnen omdat grote delen van de informele economie stilvallen. De omwenteling die zich nu op het terrein afspeelt, is een bijzondere kans. Maar evengoed niet zonder gevaar. Want de vraag is of deze groepen het object of subject zijn van deze strijd.

Dat crisis leidt tot transformatie, is geen nieuw inzicht. Naomi Klein waarschuwt in de geest van haar werk The Shock Doctrine. The rise of disaster Capitalism (2007) niet onterecht voor de ruimte die kan worden bezet door geijkte machten en krachten in hun honger naar meer winst en politieke macht. Tegen die achtergrond transformeert ook de sociaalwerkpraktijk in coronatijden. Zonder meer. Niet dat iedere actor meestapt in dat transformatief moment. Sommige OCMW's en CAW-werkingen sluiten. Heel wat basisdienstverlening en jeugdwerk stopt gewoon. Maar de ruimte die vrijkomt tijdens dit moment van crisis wordt ook ingenomen om sociaalwerkpraktijk in 'het hier en nu' te hermaken. Op leest van de directe noden. Zeker tegen de achtergrond van deze coronacrisis is het des te interessanter om te gaan analyseren welke rol 'corona' zélf speelt in het herschikken van sociale relaties. Waar wordt de oorsprong van de ziekte gelegd? Wie wordt er als gevaarlijk gezien? Welke nieuwe ongelijkheden ontstaan er door de ziekte tussen diegenen die zich kunnen beschermen en precaire groepen? Hoe herschikt het de sociaalwerkpraktijk?

BRICOLEREN OP BREUKLIJNEN

Er wordt gebricoleerd in de praktijk. We verwijzen zowel naar de overschakeling naar online hulpverlening en ondersteuning op afstand – als een vorm van 'presentie zonder fysieke nabijheid'. Maar we zien een samenwerking tussen basiswerkingen en outreachende psychologen en therapeuten ontstaan. Of we kijken naar de herorganisatie van bestaande actoren in nieuwe netwerken waar de som meer is dan de delen. Zoals het Gents Solidariteitsfonds waar tien basiswerkingen elkaar versterken en een publiek solidariteitsfonds oprichten. Of zoals het Antwerps Platform Sociale Middenveldorganisaties (APSMO) dat zich herorganiseert om gezamenlijk een crowdfunding op te zetten. Beide zetten die netwerken ook in om politiek te wegen. Kortom, nieuwe vitale coalities worden geassembleerd, waar relaties worden aangegaan tussen diverse actoren, nieuwe instrumenten worden ingezet om aan sociaal werk te doen, met gewijzigde organisatiepraktijken. Dat gaat zowel over nieuwe relaties tussen organisaties uit de civiele samenleving, maar ook tussen hen en lokale overheidsactoren en soms private actoren (handelaars en restaurants bijvoorbeeld).

Maar ook functies herschikken zich. De hiërarchie van sociaalwerkpraktijk wordt dooreengeschud. Top en basis worden hiërarchisch herschikt. De dienstverlening van het basiswerk staan opeens terug voorop, waar ze voorheen verdrongen worden. Experimentele laagdrempelige praktijken, zoals voedseldistributie en materiële hulpverlening staan op de frontlinie van sociaalwerkpraktijk, samen met outreachend werk en basisdienstverlening. Theoretisch zien we dat de ruimte die ontstaat voor (her)assemblage, wordt ingenomen vanuit de functie van basisdienstverlening om nieuwe coalities te smeden. Kortom, de sociaalwerkpraktijk wordt in coronatijden opnieuw gebricoleerd tot een ander geheel. Dat is niet zonder ironie, gezien net voor deze coronacrisis een schokgolf van besparingen van de Vlaamse overheid door het sociaal werk ging, die net gevolgen had voor de afbouw van dergelijke laagdrempelige diensten.

Bestaande structuren worden doorbroken en energie wordt vrijgemaakt om mensen plaats te bieden. Ruimtes worden ter beschikking gesteld om te kunnen wonen, om deze crisis te kunnen uitzitten onder menswaardige condities. Zoals de Brusselse straathoekwerker Filip Keymeulen aangeeft is dit niet enkel een noodoplossing in de beleving van mensen, maar letterlijk structureel, 'ze wonen!'. Veel initiatieven zoeken een nieuwe vormgeving voor hun aanbod. Bijvoorbeeld de CAW-werking 'Hobo' maar ook het Leger Des Heils (De Foyer) – die in de huidige besparingslogica's trouwens afgebouwd en gesloten dreigen te worden. Aanbod wordt aangepast om te blijven werken met mensen die anders vereenzamen. Nieuwe vragen worden gedetecteerd en opgenomen. Alles komt als het ware samen, veel indrukken, vermoeidheid, drive. Breuklijnen worden letterlijk zichtbaar en vaak is het werken op nieuwe grenzen. Met de woorden van Brussels straathoekwerker Filip Keymeulen: ''Ik durf niet zeggen dat het leuk werken is. Het is echt heftig. Randje of net over randje gewelddadig, hectisch, met veel stress rond het virus en de angst mensen te verliezen. Maar het is op zijn minst wel heel boeiend'.

Dat doet meteen vragen rijzen over de politiserende rol van sociaal werk die hier en nu moet gesteld worden, om in een post-coronafase ruimte te maken voor een andere sociaalwerkpraktijk. Is deze herijking slechts van tijdelijke aard? Dit is geen eenvoudige vraag gezien 'het politieke' vervlochten zit in de actuele handelingen, in de assemblages hier en nu, en tegelijk ook dus deels vasthangt aan de externe context die coalities noodzakelijk maakt overheen klassen: in hoeverre zijn beter begoede burgers ook nog bereid dezelfde solidariteit aan de dag te leggen in het post-corona tijdperk? En welke rol gaan overheden innemen in herverdelingsvraagstukken?

BOTSEN OP GRENZEN

De huidige crisis dwingt tot aanpassingen die raken in het centrum van wat hulpverlening is. De huidige crisis brengt plots heel scherp in beeld hoe er grenzen zijn aan technische vertalingen van het intermenselijke in 'meten en weten'. Hoewel de digitale middelen soelaas bieden, zien we dat het persoonlijke contact een heel centraal element is in het hulp verlenen. De persoonlijke band onderhouden betekent in de huidige crisissituatie ook letterlijk de eigen gezondheid in de weegschaal leggen.

Zo komt de hulpverlening aan psychisch kwetsbare mensen erg onder druk te staan. Dit is bijzonder ernstig gezien gedwongen isolatie en 'onzichtbare dreigingen' voor hen extra zwaar weegt. De overheid vraagt aan mobiele teams, cgg's of projecten beschut wonen, om hun werking zo normaal mogelijk voort te zetten en enkel online bijstand te verlenen als het andere niet mogelijk is. Toch zien we dat directies, psychologen en hulpverleners eigen regels bedenken waardoor ze veilig voor het virus op afstand kunnen 'hulpverlenen'.

Dit betekent allerminst dat de noden verdwijnen. Maar ze worden opgevangen door thuisverpleging of reguliere thuiszorg, die zich in de vuurlinie bewegen. Er zijn teams die het tegendeel doen en zich toch geëngageerd in de vuurlinie zetten. Dit is meer dan nodig omdat een divers aanbod dat er in normale omstandigheden in slaagt de basisnoden te lenigen, nu ontbreekt (dagcentra, aanloophuizen, dagklinieken, OCMW's, enzovoort). De reële angst van hulpverleners voor het virus moeten we ook niet onderschatten. Niet iedereen voelt zich geroepen om een rol in de frontlinie op te nemen. In die zin is het nodig om hierover ook op organisatieniveau en met mensen onderling over uit te wisselen. Dit vergt moed, tegelijk voelen we in de praktijk dat sociaal werkers actie willen ondernemen, maar ondersteuning en sturing nodig hebben hierbij. We zien bijvoorbeeld in Gent dat het jeugdwelzijnswerk bougeert in samenwerkingen tussen organisaties (vzw Lejo, Jong Gent in Actie en vzw Jong) om jongeren alternatieven te bieden. Het is een balanceeroefening tussen materiële middelen voorzien, pedagogisch werken met jongeren (bijvoorbeeld rond het doorbreken van isolement en angst bij sommige jongeren, begrenzen van anderen om in groep samen te komen) en mobiel en gelokaliseerd werken. Wat alternatieve acties zijn, is niet altijd eenvoudig te verbeelden en dat doen we best samen.

SOCIAAL SCHADUWWERK MET SCHADUWMENSEN

De (her)assemblage van het sociaal werk wordt sterk gedreven door de demografische realiteit van de superdiverse stad, waar toenemend schaduwpopulaties leven en 'het stedelijk metabolisme' draaiend houden. Mensen zonder wettig verblijf, intra-Europese migranten in precair verblijf, mensen die niet repatrieerbaar zijn, dakloze en thuisloze groepen en mensen met complexe psychologische problemen zijn in grote aantallen deelachtig aan de Brusselse populatie. En bij uitbreiding de stedelijke populaties in Vlaamse steden.

Ondanks de experimentele bricolage van burgerorganisaties en zelforganisaties, waarbij het veldwerk organiseert zich grotendeels autonoom organiseert, roept het toch vragen op over de relatie met het beleid? Wordt er vanuit de basisdienstverlening en outreach door frontliniewerkers ook aan politiek gedaan? Hoe gaat men om met de angst van besmettingsgevaar, waardoor het 'denizenship' van deze kwetsbare groepen (Hammar, 1988), dat het gebrek aan institutioneel burgerschap uitdrukt van de facto burgers die niet bekleed worden door politieke en sociale rechten, nog uitgediept wordt. Als we horen in Brussel en andere steden dat politiediensten daklozen 'naar huis' sturen, wat is er dan aan het gebeuren? Waar komen die mensen terecht?

Ook de mogelijkheden tot bricolage in en tussen diverse groepen mensen aan de onderkant neemt af. Waar voorheen een informeel circuit nog enigszins kon instaan voor een gebrekkig inkomen, valt dit nu vaak weg. Mensen zonder papieren die plots hun job verliezen en hun bed niet meer kunnen betalen, die belanden nu ook op straat. Maar ook wat Bie van Craeynest, coördinator van vzw Toestand, de 'straathusstle' noemt ligt plat. Dit is echter voor veel mensen 'de scrabbles' waar ze het nog net mee redden. In een geval in een Vlaamse kernstad, zagen we opeens allemaal intra-Europese migranten tevoorschijn komen, die in de schaduweconomie werken. Normaal komen zij nooit of te nimmer met de geijkte hulpverlening in aanraking. Maar omdat hun werk wegvalt en koppelbazen uit het vizier verdwijnen, komen die mensen opeens massaal aan de poorten te staan van de basiswerkingen.

Maar ook in de grijze zone, de breuklijn van 'het net halen' of 'net niet meer', zien we toenemend noden aan de oppervlakte komen. Mensen die 'on the edge' leven, komen in zware problemen. Zo komen er heel veel vragen van alleenstaanden met kinderen, die omwille van technische werkloosheid of het wegvallen van inkomen door interimarbeid, niet meer rond geraken. De uitkeringen en sociale voorzieningen voldoen niet. Ze hebben niet de middelen om zich aan te passen aan de huidige condities. Denk maar aan de alleenstaande moeder met twee jonge kinderen, die nu thuis zijn en via internet thuis lessen dienen te volgen. Er is geen computer in huis. Ook het uitprinten van oefenblaadjes is een no go, want ze hebben geen printer. De druk van het instituut onderwijs blijft vaak digitaal verder denderen, ook hier soms blind of in negatie van de realiteit, er moeten immers eindtermen gehaald worden en die moeten meetbaar zijn. Bovendien is de stress van het dagdagelijks overleven in een te kleine huurwoning of appartement niet plots verdwenen. De relatie met sommige gezinnen is helemaal doorgeknipt, omdat ze de opeenstapeling van voor hen tegenstrijdige boodschappen moeilijk kunnen vatten

DE MACHT LIGT OP DE LOER

Elke crisis geeft opening en ruimte voor alternatieven. Zowel machtsverhoudingen kunnen momentaan op de kop gezet worden, de modi van spreken en handelen veranderen, als de ruimte voor alternatieven. Net omdat we allemaal in dezelfde boot lijken te zitten (sic) – maar in de praktijk wel ongelijk zijn in de reële bescherming en opvangmogelijkheden – kan deze ruimte daartoe de kans bieden. Het coronavirus brengt ook allerlei kwesties naar boven over 'wat 'en 'wie' ertoe doet, welke sectoren en publieke instituties er van belang zijn.

Ondanks kritische vragen, blijven de machtscontouren van instituties zoals de arbeidsmarkt of onderwijs dominant. Vooral burgers in meer beschermde statuten, kunnen terugplooien op het tweeverdienend kerngezin. In tegenstelling tot precaire groepen, voor wie structurele hefbomen onderworpen zijn en blijven aan steeds meer voorwaarden. De steeds grotere toevlucht tot de OCMW's, dient in die zin dringend beantwoord te worden met structurele middelen hiervoor. Beleidsmatige logica's bewegen echter selectief. Het in vraag stellen van de besparingen bij Vlaams minister van Welzijn, Wouter Beke (CD&V), wordt beantwoord met 'dat is nu niet aan de orde'. Wanneer dan wel vragen we ons af? Er wordt volgens minister-president Jan Jambon (N-VA) te snel naar tijdelijke werkloosheid gegrepen. Dat staat in schril contrast met het gebrek aan bescherming die vanuit beleidswege geboden wordt. Bovendien toont het de reële afstand aan van beleidsmakers tot de precaire arbeidsomstandigheden aan de basis.

Er ontstaan, zoals psycholoog Evi Verbeke stelt, reservoirs voor nieuwe praktijken van verzet tegen geijkte machten en krachten. Wat ooit vanzelfsprekend was of normaal, is het dat vandaag niet meer. In de woorden van Leonard Cohen: 'There's a crack in everything, that's how the light gets in'. Maar als we denken dat de coronacrisis een revolutie zonder meer in gang gaat zetten, zijn we onszelf iets aan het wijsmaken. Alsof er een emergent bewustzijn zou zijn dat 'the powers that be' zou doen verdwijnen.

Er is een ernstig risico dat de experimentele sociaal werk-assemblages opnieuw verdampen omdat oude reminiscenties blijven bestaan en actoren de drang hebben deze opnieuw te installeren. In die zin is deze crisis een kans. Maar laten we niet naïef zijn. De hoop zal zich ook moeten vertalen in een volgehouden strijd. Een strijd die gaat over sociale grondrechten en de garanties op de effectieve verwezenlijking ervan. Misschien is deze crisis een kans tot het herontdekken van het belang van grondrechten en mensenrechten, en de mensen die er het subject van zijn.