Abonneer Log in

Solidair met Afrika

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 5 (mei), pagina 6 tot 8

Als corona niet verslagen wordt in Afrika, zal het ons allemaal blijven achtervolgen.

António Guterres, secretaris-generaal van de VN, noemde de coronapandemie het 'ergste humanitaire drama sinds de Tweede Wereldoorlog'. Mensen lopen het risico door het virus getroffen te worden waar ook ter wereld, maar in Afrika net een beetje meer. Ook al telde Afrika medio april amper 1% van de geregistreerde besmettingen zullen die cijfers meer dan waarschijnlijk een enorme vlucht nemen in de komende weken en maanden, en altijd een onderschatting blijven gezien vele gevallen niet in de statistieken terechtkomen. De in vergelijking met Europa of de VS relatief jongere Afrikaanse leeftijdspiramide doet een kleinere nood aan hospitalisaties en intensieve zorgen vermoeden, maar toch is dat relatief. Die jongeren kampen immers vaak met een verzwakte immuniteit door 'onderliggende aandoeningen' als malaria, tbc of HIV. Daarnaast staat een chronische onderfinanciering van de publieke gezondheidszorg – minstens ten dele het gevolg van door buitenaf opgelegd soberheidsbeleid de laatste jaren – die onder enorme druk dreigt te bezwijken. Daarbij komt het perverse effect dat de strijd tegen COVID-19 de aandacht voor heel wat andere aandoeningen wegzuigt, een les die we ook uit de strijd tegen ebola hebben geleerd. In volle ebolacrisis, tussen 2014 en 2015, stierven meer mensen in Guinée, Liberia en Sierra Leone door gebrek aan zorg voor bekende aandoeningen dan door ebola zelf.

Heel wat van de basismaatregelen tegen de verspreiding van het virus zijn bovendien of onmogelijk te implementeren of potentieel dodelijker dan het virus zelf. 'Social distancing' is niet evident in een overbevolkte sloppenwijk, net zomin als handen wassen zonder stromend water. Regeringen kunnen de bevolking dan wel dwingen 'in hun kot' te blijven (en ze doen dat vaak met drieste middelen die de Belgische 'politiestaat' geen beetje in perspectief plaatst), als dat betekent dat je familie hongerlijdt, ga je toch de straat op. Gevolg van dat alles is een humanitaire catastrofe zonder weerga.

Misschien een nog grotere zorg dan de directe impact van de pandemie op gezondheid en gezondheidssystemen in Afrika, zijn de indirecte economische gevolgen. Afrikaanse economieën krijgen bijzonder zware klappen, door de wereldwijde recessie én door de lokale maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Export valt terug, grondstoffenprijzen gaan in vrije val en investeerders evacueren hun kapitaal massaal naar veiliger oorden. Het IMF spreekt van de 'grootste kapitaalvlucht ooit'. Kleine bijgedachte: voor het kapitaal zijn er vooralsnog geen grenzen ingevoerd. Het zet regeringen in ontwikkelingslanden voor een verscheurende keuze tussen 'lives' en 'livelihoods'. Schattingen leggen het inkomensverlies in Sub-Saharaans Afrika op meer dan 10% van het bnp. Volgens de Internationale Arbeidsorganisatie staan 20 miljoen jobs op de tocht en dat is zonder rekening te houden met miljoenen mensen in de informele economie die leven van andere mensen die op straat komen. Door beperkingen van de bewegingsvrijheid en gesloten grenzen dreigt opnieuw hongersnood in grote delen van Afrika.

Wat te doen? Ten gronde verschilt de nodige aanpak niet zó bijster veel van de onze. Maatregelen zijn nodig om mensen te beschermen tegen het virus en tegen inkomensverlies, en om de economie van totale ondergang te redden. Groot verschil is de manier waarop en de schaal. Volgens de WHO beschikken 16 Afrikaanse landen over geen enkel geschikt bed op Intensieve Zorgen om COVID-19 te verzorgen. In een land als Nigeria beschikt amper 2% van de ziekenhuizen over zuurstof die geschikt is om patiënten te beademen. Terwijl alle Belgische overheden samen meer dan 3.000 euro per inwoner uitgeven aan gezondheidszorg, is dat in een land als Mozambique 6 dollar. Om enigszins aanvaardbare zorg te verlenen, moet dat budget verzesvoudigen.

Het mag duidelijk zijn dat een land alleen deze crisis nooit alleen aankan. Zonder solidariteit staan we nergens. En die solidariteit is niet geheel zonder eigenbelang. Abiye Ahmed, premier van Ethiopië en Nobelprijslaureaat in 2019, liet in de Financial Times verstaan dat 'indien COVID-19 niet wordt verslagen in Afrika, het de wereld zal blijven achtervolgen'. De globalisering heeft van een lokale uitbraak een globale pandemie gemaakt. Zorgt de globalisering voor een gecoördineerd antwoord? Voorlopig niet echt. Regeringen in de rijke landen waren er als de kippen bij om hun economieën een fiscale en monetaire injectie te geven van ettelijke duizenden miljarden terwijl ontwikkelingslanden in de kou blijven staan.

Het klopt dat de Wereldbank en het IMF de zeilen bijzetten via bijkomende liquiditeit voor ontwikkelingslanden, goedkope leningen en noodfinanciering. Het klopt dat binnen de G20 een compromis werd gevonden om ontwikkelingslanden luttele zes maanden betalingsuitstel te geven. Maar veel meer dan tijd winnen Afrikaanse landen daar niet meer. Nochtans zijn ambitieuze en structurele oplossingen voorhanden. De VN – vaak verguisd als bureaucratische praatbarak – werkten een concreet plan uit om 2.500 miljard dollar in ontwikkelingslanden te pompen. Dat geld is het minimum om ze uit de crisis te helpen. Een eerste speerpunt van dat plan is financiële armslag via bijkomende 'Special Drawing Rights', de bijzondere reservemunt van het IMF, ter waarde van 1.000 miljard dollar. Via die techniek wordt het mogelijk ontwikkelingslanden ook te laten profiteren van de geldcreatie waarin rijke landen zo bedreven zijn. Een tweede speerpunt is schuldkwijtschelding. Als dit inderdaad een crisis van wereldoorlogformaat is, dan zijn maatregelen van eenzelfde envergure op hun plaats. Na de oorlog werd de helft van de Duitse staatsschuld kwijtgescholden om de Duitsers niet voor eeuwig en alle dagen tot armoede te veroordelen. Voor ontwikkelingslanden betekent een helft van alle schuld een injectie van opnieuw 1.000 miljard. Een derde punt, is een echt Marshallplan voor ontwikkelingslanden. Sinds decennia beloven rijke landen 0,7% van hun welvaart voor steun aan ontwikkelingslanden te reserveren. De teller staat vandaag echter op 0,3%. Als rijke landen slechts een kwart van de niet gehonoreerde afspraak inzake ontwikkelingshulp nakomen is dat goed voor nogmaals 500 miljard.

Misschien is het ook een ideetje om Afrikanen te laten meepraten over de nodige aanpak. In de gremia van het IMF en de Wereldbank in Washington DC – al is dat tegenwoordig natuurlijk ook virtueel – lukt dat moeilijk. Als het inderdaad de ergste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, is het ook het moment om wanneer het stof is gaan liggen een mondiale top voor de heropbouw te organiseren. Een uitgelezen kans om de naoorlogse onevenwichten recht te zetten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 5 (mei), pagina 6 tot 8